vermaarde socioloog Rudolf van Lier, de schrijver Albert Helman en de kunstenaar Erwin de Vries.' Deze zin staat ietwat verscholen in Anil Ramdas’ kortgeleden verschenen Paramaribo; De vrolijkste stad in de jungle (p. 53). Om meerdere redenen is het een opvallend citaat. Om te beginnen door het wat terloopse karakter ervan. Alsof we de uitspraak niet te serieus moeten nemen. Beschouw het als een toevallig opkomende gedachte, lijkt de auteur te willen suggereren, een wat parmantig geformuleerde inval, maar hecht er niet teveel betekenis aan. Natuurlijk. Er valt ons allemaal wel eens iets in. En gelukkig worden die oprispingen niet allemaal wereldkundig gemaakt. Maar die opvatting blijkt toch minder houdbaar dan ik veronderstelde. Want aan het einde van zijn boek herhaalt Ramdas zijn uitspraak nog een keer (p. 252). Founding fathers staat in die alinea niet meer tussen aanhalingstekens. En het viertal krijgt nu ineens de status van held toebedeeld. Zo terloops was terloops dus ook weer niet.De uitlating is te vinden in een hoofdstuk waarin Ramdas te voet de weg aflegt van ’s Lands Hospitaal naar zijn ouderlijk huis in de Celinastraat. Een route die zijn vader met zijn moeder en de kleine Anil per fiets aflegde net na de geboorte van de laatste in datzelfde hospitaal. Nou ja, eigenlijk vond het transport per auto plaats en niet per fiets. En is de schrijver ook niet te beroerd om ons dat uit de doeken te doen. Hij zocht een passende literaire vorm om de lezer door een deel van Paramaribo te loodsen waar hij cruciale jaren van zijn jeugd heeft doorgebracht. Om dat overtuigend te kunnen doen creëerde hij de analogie van de wandel- en de fietstocht. Dat gaat hem goed af. Het ‘zelfbedachte ritueel’, de ‘boetedoening’ waaraan hij zich onderwerpt (melodrama is bij Ramdas nooit ver weg), brengt hem naar de Sophie Redmondstraat, waar hij het Regeringsgebouw passeert dat naar Frank Essed is vernoemd. En voor we het weten vloeien hem daar zo maar vier founding fathers uit de pen.
Hoe motiveert Ramdas zijn keuze voor deze mannen (laten we dat gelijk maar even politiek correct vaststellen, al zijn de mannen in dit boek vrijwel allemaal sukkels, iets wat je met evenveel recht ook politiek correct zou kunnen noemen)? Die motivatie – een tweede opvallendheid – is erg summier. Essed wordt gekenschetst als ‘misschien de enige visionair die het land gekend had’. Zijn grootste verdienste ligt volgens Ramdas op het gebied van de planning van de ontwikkeling van Suriname. Over ‘de dromer’ Helman schrijft hij uitvoeriger. Hij prijst in het bijzonder diens inzet voor het middelbaar onderwijs in Suriname. Dat is geen nieuws. Ramdas heeft Helman als onderwijsman en ‘volksverheffer’ al vaker lof toegezwaaid (zoals veel meer in dit boek een herneming is van opvattingen en herinneringen die we uit andere geschriften van Ramdas kennen). Bovendien: Helman had nog bij zijn leven Ramdas (met Hans Ramsoedh en Theo Para) geïdentificeerd als zijn geestelijke erfgenaam. Noblesse oblige. Opmerkelijk genoeg worden aan Van Lier en De Vries in dit boek verder geen woorden gewijd. Veronderstelt Ramdas hun verdiensten bekend bij de lezer? Heeft hij vooral hen op het oog als hij twee andere criteria voor het founding father-schap naar voren brengt: ‘de grote idealen’ en ‘kennis van de wereld’?
Het gaat mij niet om de personen die Ramdas als founding father heeft geselecteerd (alle vier zijn interessant en betekenisv
ol en zelfs veelzijdiger dan uit de tekst zou kunnen worden opgemaakt) en ook niet zozeer om de gehanteerde criteria (die in ieder geval teruggaan op een duidelijke stellingname). Ik heb aarzelingen bij het gebruik van de begrippen ‘founding father’ en ‘Suriname’. Want wat is een founding father eigenlijk, wat wordt hij verondersteld te kunnen en te doen, wie stelt vast wat de balans van zijn werkzaam leven is geweest en op welk moment en door wie wordt hem het stempel 'held' opgedrukt? Moet een founding father worden gepositioneerd tegen de achtergrond van het grondgebied Suriname, de staat Suriname, de natie Suriname, de Surinaamse identiteit, de optelsom van alles wat waar ook ter wereld met Suriname kan worden verbonden? De lezer tast hierover in het duister.Hiermee kom ik op een derde opvallend kenmerk van het founding father-citaat: het gebrek aan controleerbaarheid en precisie. Dat laatste noteer ik vooral omdat het zo goed het werk van Ramdas typeert. Daarin gaat het namelijk veel minder om de historische werkelijkheid en de genuanceerde beschouwing van die werkelijkheid dan om de literaire verbeelding en persoonlijke verwoording van een heden en verleden dat zich nauwelijks kennen laat. Behalve om het ‘visioen’ van Essed en de ‘droom’ van Helman gaat het daarin – als we de woordkeus van Ramdas aanhouden – om het ‘project’ van Van Lier en de ‘scheppingen’ van De Vries. Omschrijvingen die uitdagen en prikkelen en een beroep doen op ons voorstellingsvermogen en onze creativiteit. Maar woorden die tegelijk het raadsel van de werkelijkheid in stand houden. De route van feit en ervaring naar essay en verhaal wordt bij Ramdas niet te voet, per fiets of per auto afgelegd, maar via de verbeelding en met literaire kunstgrepen.
Misschien ook aardig om bij te doen de recensie van E. Ketwaru. Redactie, als het mag.
BeantwoordenVerwijderenGroet,
Ruth San A Jong
Anil Ramdas: Afrekening met Paramaribo
11/04/2009
'… dat handjevol Creolen en Hind[o]stanen en Javanen en Indianen en Europeanen dat door het oerwoud wordt opgevreten als ze even niet kijken. Ze knokken de hele dag en de hele nacht met al die goden van ze.
Wat ze daarover zingen is niet echt mooi, de potten die ze bakken, die verschrikkelijke bankjes die ze snijden, die stijve kraaltjes die ze rijgen, het is alleen maar curieus, niet mooi. [...] Ik heb nog nooit zo iets treurigs gezien als de gamelan die de Javanen hier bespelen, en als de Hind[o]stanen niet oppassen zijn hun dansen zo verwaterd dat elke élégance eruit verdwenen is. De paar mooie huizen die hier zijn rotten weg. En de paar mensen die echt iets met hun land willen verdwijnen. Het maakt je niet gillend kwaad, het maakt je alleen trager en een beetje melancholiek. Als je hier pas bent doe je nog wat, maar gaandeweg wordt het zinloos [...]'
nestbevuilers
Oeps, vergissing. Dit is geen citaat uit het jongste boek van Anil Ramdas maar uit 'Afrekening in Paramaribo' van Joop van den Broek (Sijthoff, 1981, p. 103). Joop was net als Anil een NRC-journalist die de wereld rondreisde. Het citaat zou echter zo uit Ramdas' jongste boek, 'Paramaribo. De vrolijkste stad in de jungle', gehaald kunnen zijn waarin Ramdas alles en iedereen in zijn geboorteland Suriname bij het grof vuil zet. Hiermee bevestigt Ramdas voor de zoveelste maal zijn lidmaatschap van de 'nestbevuilers', zoals Michiel van Kempen eens auteurs als René de Rooy en Rabin Gangadin ironisch kwalificeerde. Ramdas is echter van een veel zwaarder kaliber: hij schrijft erudiet, puntig en humoristisch zonder in ordinaire scheldpartijen te vervallen. Hij bevuilt zijn nest niet met slijk en mest maar met blinkende en twinkelende objecten waar eksters een voorliefde voor zouden hebben. Alleen hierom is dit boek een aanrader voor een ieder die iets - of niets - met Suriname heeft. Bovendien gaat het Anil niet alleen maar om de vorm: hij heeft ook nog wetenschappelijke pretenties.
pointe
Het verbinden van de persoonlijke, de journalistieke en de wetenschappelijke observatie is altijd Ramdas' streven geweest. Zowel in zijn essays en reisverslagen als in zijn tv-programma's hanteert hij deze werkwijze, niet onverdeeld schatplichtig aan zijn idool V.S. Naipaul, dezelfde Naipaul die bij een bezoek aan Nederland begin jaren tachtig Ramdas adviseerde dat hij terug moest keren naar de jungle om daar op z'n trommels te slaan. (Wat Ramdas een kwart eeuw later met zijn jungleboek dan ook met veel tamtam doet.)
Ramdas' wetenschappelijke observaties in het boek gaan echter mank onder de vorm. Te vaak krijg je als lezer - na weer eens gegrinnikt te hebben - de indruk dat Ramdas om alleen maar een pointe te scoren, schromelijk overdrijft en zijn verontwaardiging selectief kiest. Zo lijdt de journalistieke en wetenschappelijke inhoud onder de vorm en stijgt het niveau van zijn observaties zelden uit boven de inhoud van de ingezonden stukjes in 'de Ware Tijd' waar lezers hun hart over allerlei wantoestanden luchten. De blinkende en twinkelende objecten van Ramdas blijken dan spiegeltjes en kraaltjes te zijn met slechts hier en daar een goudkorreltje.
vlaggetjesdragers
Ramdas schopt - soms subtiel, soms met 'flying kicks', maar altijd droogkomisch - tegen heel wat heilige huisjes en slaat op meerdere planken tegelijk, waardoor hij ook vaak misslaat. Die rake klappen, en zelfs de mislukte, geven genoeg stof tot nadenken. Maar de meeste lezers laten zich niet op nadenken betrappen. Het blijft bij ergernis en protest, vooral bij de Surinamers die met vlaggetjes in de handen en de rijmpjes van Dobru als het hoogste literaire gedachtegoed in de achterzak, zich geroepen voelen het land te verdedigen tegen deze ontaarde zoon.
Ook bij het gros van de Nederlanders is Ramdas niet geliefd. Zijn postmodernistische levensbeschouwing wordt daar door vlaggetjesdragers uitgelegd als cultuurrelativisme, als verraad aan de Nederlandse cultuur, en zijn kritiek op de moslimhysterie wordt natuurlijk door niemand in dank afgenomen. Bij de 'echte' intellectuelen - zowel links als rechts - krijgt Ramdas het voordeel van de twijfel. Ze bewonderen zijn eruditie maar zijn postmodernistisch vluchtheuvelgedrag maakt hen wantrouwig en draaierig. Eigenlijk houdt alleen zijn moeder van hem.
Brahmaan
Ramdas' curriculum vitae is doordrenkt van kwaliteit: zoon van een Brahmaanse onderwijzer en een Guyanese moeder die in Suriname haar stem leende voor zwoele radioreclames, cum laude in de sociale geografie, redacteur van 'De Groene Amsterdammer', columnist en journalist van 'NRC Handelsblad', presentator van talrijke tv-programma's met internationale denkers over de botsing der culturen, schrijver van indringende essays, directeur van het debatcentrum De Balie, Den Uyllezing, E. Du Perronprijs, enzovoorts enzovoorts. Beslist geen kleine jongen dus. Geen enkele Surinamer of Nederlander heeft het ooit zo ver en zo mooi geschopt.
Het is daarom jammer dat Ramdas na al die jaren nog altijd niet met een samenhangende visie, een verbindend gezichtspunt, een eigen Ramdasverband, heeft kunnen komen. Zijn talrijke essays en tv-interviews - hoe welgevormd en erudiet dan ook - beklijven niet. Ze zijn losse ijskristallen die zodra ze de grond raken, smelten waardoor hij bij velen de indruk blijft wekken van een Joop van den Broek in Waterland of een past-moderne Brahmaan op klompen. Je zou willen dat hij hier eindelijk los van kwam, dat hij die fel begeerde roltrap van Kirpalani uit zijn jeugd 'dat langzaam opstijgen naar de hemel', zoals hij dit in zijn boek beschrijft (p. 219), eindelijk eens losliet. Want vooralsnog leidt die roltrap naar de eerste verdieping van de afgeprijsde dameskleding.
EFFENDI N. KETWARU