zaterdag 24 augustus 2013

De grootsheid van een kleine man

Knipbaai Curaçao. Foto @ Feika

door Tessa Leuwsha

Ze gingen samen op vakantie naar Curaçao, Stephan Sanders en Anil Ramdas. Ze waren vrienden, meer dan vrienden, soul brothers, zo had Ramdas dat bepaald. In de Knipbaai lag Ramdas op z’n Surinaams steevast in de schaduw. Sanders (half blank, Nederlander) liet zijn lichtbruine bast bruinen in de zon. Ze maakten plannen voor later. Nadat hun ambitieuze dromen waren uitgekomen, zouden ze zich vestigen op Curaçao, gevoelsmatig lag het eiland tussen Nederland en Suriname in. In een voormalig koloniaal landhuis zouden ze in groot familie- en vriendenverband hun dagen slijten. Voor Ramdas droeg dat huis symboliek: aan het einde van zijn loop- en levensbaan zou hij van underdog topdog zijn geworden: geen inwoner meer uit de periferie van het Nederlandse koninkrijk. Hij zou zelf de koloniaal uithangen.

Anil Ramdas. Fotoportret door Nicolaas Porter

Het liep anders. In dat droomhuis van Ramdas school in overdrachtelijke zin het breekpunt tussen de twee schrijvers/journalisten. Een eigen plek op de wereld, een huis en tuin, alles ordelijk: het is een bekend Surinaams streven dat Ramdas weerspiegeld zag in A House for Mr. Biswas, de bekende roman van de Trinidadiaanse schrijver V.S. Naipaul, Ramdas’ rolmodel. Met die wensdroom belandde Ramdas in een spagaat: leven als een burgerman met gezin, zonder zelf middelmatig te zijn. Sanders, opgegroeid in de provincie Twente-Nederland, een jeugd vol rust en regelmaat, beïnvloedde Ramdas in het najagen van die opwinding.
Behendig maakt Sanders in zijn ‘memoir’ een vergelijking tussen zijn tijdelijk verblijf in de polderstad Almere en Ramdas zelf: de stadverhuizer van Amsterdam naar Almere tegenover de landverhuizer. Ramdas maakte zijn niet-Nederlandse achtergrond - the black experience - tot zijn professionele unique selling point, in Nederland een overwegend gemarginaliseerd onderwerp. In latere jaren (Ramdas is dan aan de drank, zijn carrière glijdt bergafwaarts) leverde hem dat een verkokerde visie op over ‘white trash’: de blanke middelmaat van rechtse PVV-stemmers, de partij die Nederland vooral voor de Nederlanders wil. In Almere behaalde die partij een meerderheid van de stemmen. Ramdas, die graag burgerlijk woont maar die anderen hun burgerlijkheid verwijt: er spreekt net zo weinig inleving uit als de Amsterdammer Sanders die zich ingraaft in de in zijn ogen superieure, intellectuele Amsterdamse elite. En toch deelt Sanders de zwart-witmening van Ramdas niet, hij zoekt eerder de nuance. Het is niet het begin van hun verwijdering, maar een voortzetting daarvan. De barsten waren al eerder zichtbaar, de grenzeloze dadendrang van Ramdas viel voor Sanders niet bij te benen. Ze presenteerden samen een tv-programma, Sanders gooide na drie jaar uitgeput de handdoek in de ring. Voor Ramdas was the sky the limit. De Nobelprijs minstens, zoals voor V.S. Naipaul, de schrijver die Ramdas ook in leefstijl imiteerde: arrogant, megalomaan, en uiterst kritisch ten aanzien van zijn Caraïbische achtergrond. Ramdas’ journalistieke opdrachtgevers zagen die eigen nestbevuiling graag; het leverde Ramdas verwijdering op van zijn natuurlijke achterban. Kon Naipaul zich in het grote Engelse taalgebied zijn verwaandheid permitteren, voor Ramdas werd Nederland te krap. Doe maar gewoon. Anil wist niet meer wat gewoon was.
Foto Realworld


Eenzaamheid. Sanders hoort Ramdas dat doemwoord maar één keer uitspreken. In die periode staat Ramdas droog. Zonder drank, hun natuurlijke spraakwater, verwatert hun contact tot ongemakkelijke beleefdheid. Onder die plichtpleging suddert een broedertwist als een Griekse tragedie, met alle kenmerkende ingrediënten: concurrentie, jaloezie, eergevoel. Had Sanders zijn soul brother kunnen redden van diens zelfverkozen dood? Met meer aandacht, liefde en begrip? Had hij zich niet moeten afkeren van het pedante mannetje (Ramdas was klein van stuk) dat zijn vriend was geworden? Dat zijn de schrijnende vragen die Sanders zich aan het eind van zijn ‘memoir’ stelt. Ramdas’ persoonlijkheid overschaduwde ook zijn werk. In zijn enige en laatste roman, Badal, beschrijft hij via een alter ego haarscherp de mechanismen van zijn eigen val, tegelijk krijgt hij het voor elkaar door die persoonlijke tragiek een gelaagde sociaal-maatschappelijke studie te verweven. Een oordeel vellen over het werk bood echter de mogelijkheid ongelimiteerd gal te spuien over Ramdas zelf, die zo nadrukkelijk op iedere pagina aanwezig is. Ook Sanders kreeg het niet voor elkaar Ramdas opzij te schuiven. Zoals hij geen verweer had tegen hun symbiotische vriendschap, zo gelaten staat hij tegenover de drukte omtrent Ramdas’ roman. Totdat ook die aan hem voorbij trekt. Sanders’ stille weigering langer een trouwe volgeling van Ramdas te zijn, leverde hem na diens dood slapeloze nachten op. En woede: hoe durf je nota bene op je verjaardag uit het leven te stappen? Hoe narcistisch kan iemand zijn?


De tijd schoot de idealen van wereldverbeteraar Ramdas voorbij. De tijd heelt ook wonden. Sanders leert de stad Almere te zien zoals die is, zonder de voortdurende behoefte er iets aan te willen veranderen. Die berusting geldt ook voor Ramdas’ keuze uit het leven te stappen. Een reden: Ramdas’ deceptie in het ooit door hem bewonderde Nederland. Maar meer nog: de teleurstelling in zichzelf. Zonder drank restte Ramdas een angstaanjagende middelmaat. Daarvoor kan Sanders geen begrip opbrengen.

Stephan Sanders: Iets meer dan een seizoen, memoir. Amsterdam: De Bezige Bij, 2013. ISBN 978 90 234 7741 9

Stephan Sanders
Sanders bij Ons Suriname

Op zondag 8 september a.s. signeert Stephan Sanders zijn boek bij de Vereniging Ons Suriname in Amsterdam. Meer informatie over de dag, klik hier.


Geen opmerkingen:

Een reactie posten