donderdag 31 oktober 2013

‘Een kankantrie, een kolos is heengegaan’

Leo Morpurgo
door Ivan Cairo en Ewout Lamé

Paramaribo - Met het overlijden van oud-journalist en ex-hoofdredacteur van de Ware Tijd, Leo Morpurgo, is een groot Surinamer, “een kankantrie” heengegaan. In zijn werk streefde hij naar perfectie, hij was scherpzinnig en praatte politieke gezagsdragers niet naar de mond. Dat werd hem niet altijd in dank afgenomen. “Ik moét het volk vertellen dat je de verkiezingsbeloften niet nakomt”, zou hij toenmalige premier Jules Sedney begin jaren zeventig hebben toegevoegd, toen die opmerkte dat de Ware Tijd zijn kabinet te hard aanpakte in haar kolommen.

Icoon
Collega-hoofdredacteur George Findlay van dagblad De West noemt Morpurgo ook een voorbeeld voor journalisten. "Iemand van de oude garde, bij wie velen te raad gingen." Findlay roemt de wijze waarop Morpurgo zich voor de Ware Tijd heeft ingezet, vooral tijdens de dictatuur. "Er is hem toen fysiek geweld aangedaan. Als je als oudere journalist wordt geslagen, is dat een groot dieptepunt", aldus Findlay. Findlay's krant De West mocht anderhalf jaar niet verschijnen. Volgens de journalist had Morpurgo geen andere keus dan mee te werken met de censuur. "De militairen waren oppermachtig, er waren net journalisten vermoord (op 8 december 1982...red). Niemand zou het in zijn hoofd halen om te zeggen: ik doe het niet."
Chas Mijnals

"Dit is één van de iconen, één van de laatsten die er is. Een kankantrie, een kolos is heengegaan", zegt Chas Mijnals, toenmalig lid van de Nationale Militaire Raad (NMR) die aantrad na de militaire staatsgreep van 25 februari 1980. "Deze man heeft zoveel betekend voor het land en de media met zijn objectieve verslaggeving. Ik had heel veel respect en waardering voor hem, ook al was ik het niet altijd met hem eens. Hij was eerlijk en hard, wat hij zei daar stond hij achter", herinnert Mijnals die destijds vaker door Morpurgo is geïnterviewd.
"Hij was bepaald niet zachtzinnig. Hij was scherp in zijn mening en ik denk dat hij daardoor grote invloed heeft gehad op journalisten en met recht de nestor onder de Surinaamse journalisten wordt genoemd", voegt de ex-militair eraan toe. Mijnals geeft verder aan, dat Morpurgo altijd goed beslagen ten ijs naar een interview kwam en zich niet met een kluitje in het riet liet wegsturen. "Zijn rust was iets wat altijd opviel. Hij nam geen genoegen met 'ja' en 'nee' en ook niet met langdradige verklaringen die nietszeggend waren. Hij was een journalist van formaat."

Voorbeeldfiguur
De Nederlandse journalist Hans Buddingh', auteur van Geschiedenis van Suriname, leerde Morpurgo in 1979 kennen. "Ik was koud een maand journalist toen ik op reportage aankwam in Suriname", vertelt Buddingh'. "Ik ben bij Leo langs geweest en hij heeft mij zeer geduldig alle ingewikkeldheden van Suriname uitgelegd." De twee bleven in contact; nog vorig jaar bood Buddingh' aan Morpurgo de laatste druk van zijn geschiedenisboek aan. "Hij kwam toen breekbaar, maar nog heel vitaal over."

Buddingh' noemt Morpurgo een voorbeeld voor jonge generaties Surinamers. "Veel mensen staan er niet bij stil, maar Morpurgo was de eerste die met de Ware Tijd aan journalistiek deed die echt onafhankelijk was, los van zakelijke of politieke belangen." De bewondering van de NRC-journalist voor Morpurgo groeide met de jaren alleen maar. De periode na de decembermoorden, waarbij de Ware Tijd door de militaire machthebbers onder censuur werd geplaatst, was "een gruwel" voor Morpurgo. "Iedereen wist dat de krant werd gevuld met propagandaberichten. Alleen om zijn medewerkers in die moeilijke tijd niet brodeloos te maken, bleef Morpurgo de krant uitgeven." Toch bleef hij zijn persoonlijke integriteit behouden, "in een tijd waarin er journalisten waren die zichzelf zagen als propagandisten van een zogenaamde revolutie."

In de jaren tachtig en negentig droeg Morpurgo als correspondent bij aan NRC Handelsblad. "We waren daar erg blij mee, hij deed secuur en met veel details verslag van de herdemocratisering van Suriname." Morpurgo bleef de Surinaamse pers kritisch volgen, ook na zijn vertrek als hoofdredacteur in 1996. "Leo was ingenomen met een aantal kritische columnisten van de Ware Tijd", herinnert Buddingh' zich van hun laatste gesprek, "al vond hij dat het hoofdredactioneel commentaar wel wat scherper kon." Want dat was zijn missie: machthebbers prikkelen en feiten onthullen.

Te weinig geraadpleegd
Ook Imro Themen, vaker betiteld als één van de censoren op de redactie van de Ware Tijd tijdens de militaire dictatuur, zegt enorm veel te hebben geleerd van Morpurgo. Hij ontkent overigens met klem ooit als censor te hebben gefungeerd. Vanwege een familieband met toenmalig directeur Tjon A Kiet kwam hij vanaf de jaren zeventig regelmatig over de vloer en als kunst- en cultuurrecensist [bedoeld is: recensent - red. CU] en columnist leverde hij ook bijdragen aan de krant. "Mensen houden ervan om te stigmatiseren", benadrukt Themen. "We verliezen een heel belangrijke persoon. Hij was een eerlijk mens met veel kennis. Een man die in wezen veel te weinig is benaderd om zijn kennis en kunde met anderen te delen", zegt Themen. Volgens hem had Morpurgo met zijn ruime ervaring en kennis een grote bijdrage kunnen leveren aan het opzetten van een mediaraad in Suriname. De perfectie in zijn werk was onnavolgbaar. "Hij maakte zelden een taalfout", weet de vroegere columnist.

Hij zegt weleens in de clinch te zijn geraakt met de hoofdredacteur. Soms vond Morpurgo dat hij in zijn column 'Ook een stem' te kritisch was naar bepaalde politieke organisaties. "We hebben nooit ruzie gehad, maar er waren wel momenten waarop hij vond dat ik te scherp was." Ook had hij een meningsverschil met Morpurgo nadat een kunstenaar zijn beklag had gedaan bij de hoofdredacteur omdat Themen hem in een recensie te zwaar had aangepakt. "Kan je een volgende keer een beetje rekening houden met die man", zou de hoofdredacteur toen gevraagd hebben.


[uit de Ware Tijd, 31/10/2013]

Borgoe ‘15 year old’ weer met goud bekroond

Paramaribo - Borgoe 15 year old heeft in IJmuiden, Nederland voor de tweede keer de gouden medaille in de categorie ‘Best Premium Rum 2013’ behaald. Dit gebeurde tijdens de tweede editie van de Dutch Rum Awards van het festival ‘Whisky en rum aan zee’ op 19 oktober.
"Zonder veel woorden. Een echte eerlijke pure rum en bijzonder fraai in balans", oordeelde de vakjury over Borgoe 15 year old onder 59 merken uit onder meer ook Martinique, Cuba, Nicaragua en Guyana in de categorie 'Premium Rums'. De jury heeft alle rums blind geproefd en beoordeeld op helderheid, aroma, smaak en afdronk. 
Een echte Borgoe-sopiman

Dit is binnen één jaar tijd de derde hoge onderscheiding voor Borgoe 15 Year Old. "Een feit waar we uiteraard heel erg trots op zijn", zegt Ivo Stil, commercial manager van Suriname Alcoholic Beverages NV. Vorig jaar gebeurde dat ook tijdens het Caribbean Rum Festival te Grenada. 
Het rumfestival in IJmuiden trok meer dan duizend bezoekers en was daarmee volgens de organisatie een groot succes. Rum is in Nederland een snel groeiende markt en voor velen een nog te ontdekken product. "We zijn het enige festival in Nederland waar men ruim 150 soorten rum en vijfhonderd soorten whisky kan proeven", aldus de organisatie.

[uit de Ware Tijd, 30/10/2013]



Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde blijft in Leiden

De KNAW is voornemens het beheer van de collectie van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV-KNAW) over te dragen aan de Universiteitsbibliotheek Leiden. De onderzoekskern van het KITLV blijft dan als KNAW-instituut gehuisvest in Leiden.

Het KITLV-gebouw in Leiden


Het bestuur van de KNAW en de Universiteit Leiden hebben overeenstemming bereikt over de positie van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV-KNAW). De KNAW is voornemens het beheer van de collectie van het KITLV over te dragen aan de Universiteitsbibliotheek Leiden (UBL). De Universiteit Leiden zal hiertoe een overeenkomst aangaan met de juridische eigenaar van de collectie, de Vereniging KITLV. Voor beheer en uitbouw van de collectie zullen de hiervoor bestemde middelen door OCW worden verlegd van de KNAW naar de Universiteit Leiden. De inbedding van de KITLV-collectie in de Leidse universiteitsbibliotheek zal personele gevolgen hebben. De vestiging in Jakarta, Indonesië, blijft gehandhaafd. Het overleg met de Vereniging start binnenkort.
Prof. dr Gert Oostindie, directeur van het KITLV. Foto RNW

De onderzoekskern van het KITLV blijft een KNAW-instituut en wordt herkenbaar gehuisvest op de Leidse campus, waar samenwerking wordt aangegaan met de Faculteit Geesteswetenschappen. Het KITLV zal in Leiden een rol spelen bij de verdere ontwikkeling van de Leidse profileringsplannen wat betreft de area studies. Het KNAW-bestuur wenst deze Leidse zwaartepuntvorming te steunen en ziet daarom af van verhuizing van het KITLV naar Amsterdam. Het KITLV blijft als onderdeel van de KNAW-institutenorganisatie deelnemen aan het KNAW-vernieuwingsprogramma voor de geesteswetenschappelijke instituten.
Het bestuur van de KNAW is verheugd dat de Universiteit Leiden onderdak gaat bieden aan de KITLV-collectie. Gevoegd bij de KIT-erfgoedcollectie en de bijzondere collecties van de UBL ontstaat daarmee een wereldwijd unieke verzameling over Indonesië en de Cariben. De KNAW en de Universiteit Leiden zijn daarnaast voornemens het KITLV-onderzoek te versterken door gezamenlijk te investeren in het aantrekken van talentvolle promovendi en daarmee de nationale voortrekkersrol van Leiden op gebied van areastudies Zuidoost Azië en het Caribisch gebied te stimuleren.
Op basis van de afspraken op hoofdlijnen zullen KNAW, KITLV en Universiteit Leiden samen de plannen verder uitwerken.

Over het KITLV
Het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV-KNAW) bevordert de antropologie, de taalkunde, de sociale en historische wetenschappen van Zuidoost-Azië, het Zuidzeegebied en het Caribisch gebied. Speciale nadruk ligt op Indonesië, Suriname en de eilanden van de voormalige Nederlandse Antillen. Het KITLV heeft een vestiging in Leiden en een vertegenwoordiging in Jakarta.

www.kitlv.nl


woensdag 30 oktober 2013

Leo Morpurgo overleden

Leo Morpurgo, de nestor van de van de Surinaamse journalistiek is niet meer. Foto: dWT Archief

door Ivan Cairo
  
Paramaribo - Leo ‘Moppie’ Morpurgo, oud-hoofdredacteur van de Ware Tijd is dinsdagmiddag in het ziekenhuis na een kortstondig ziekbed op 89-jarige leeftijd overleden. De Ware Tijd heeft de wens van de familie aan de pers gerespecteerd om dit bericht niet vóór zes uur woensdagavond te publiceren.

Morpurgo trad in januari 1961 in dienst als hoofdredacteur en bleef in deze functie tot 1996 toen hij de redactionele leiding van deze krant overdroeg aan Nita Ramcharan.

Na zijn terugtrekking uit het openbare leven sukkelde Morpurgo met zijn gezondheid en was hij slecht ter been. Desondanks bleef hij de Ware Tijd volgen. In 1993 kwam hij in aanmerking voor de eerste Rotary Vocational Excellence Award.

Morpurgo begon zijn journalistieke loopbaan in 1943 bij Het Nieuws, een dagblad dat door zijn vader Alfred Morpurgo werd uitgegeven. Leo maakte zijn rechtenstudie niet af en ontwikkelde zich verder door zelfstudie in de journalistiek. Jarenlang was hij correspondent voor persbureau Associated Press en de Nederlandse krant NRC Handelsblad.

Samen met Jozef Slagveer richtte hij in 1973 de Surinaamse Journalisten Kring (SJK) op waar hij ook voorzitter van is geweest. Het diepste punt in zijn journalistieke carrière vormde de censuur van december 1982 tot mei 1984 tijdens de militaire dictatuur. De Ware Tijd was in die periode de enige krant die van het militair gezag onder leiding van bevelhebber Desi Bouterse mocht verschijnen. Vanwege zijn kritische houding kwam hij vaker in aanvaring met de militaire machthebbers.

In die periode wist hij ook met kunst en vliegwerk ervoor te zorgen dat de krant elke dag werd uitgegeven. Toch kon hij niet voorkomen dat door een enorme schaarste aan deviezen de Ware Tijd dertien keer dichtging, omdat het bedrijf niet over de deviezen kon beschikken om papier te importeren.


[uit de Ware Tijd, 30/10/2013]

dinsdag 29 oktober 2013

Theatergroep Urban Myth presenteert: Ella!

Denise Jannah, 'Lady of Jazz' kruipt in de huid van Ella Fitzgerald, 'Queen of Jazz'

De legendarische zangeres Ella Fitzgerald begon in de jaren 30 met zingen en heeft gedurende 50 jaar vele bekende songs gezongen. Maar velen weten niet dat het leven van deze wereldberoemde ‘First Lady of Song’ niet gemakkelijk was. Zangeres Denise Jannah zingt haar liedjes en vertelt over het leven van Ella in de Urban Myth muziektheaterproductie ‘Ella!, te zien op woensdag 6 november aanstaande in de Meervaart Amsterdam en vrijdag 10 november aanstaande in Theater aan het Spui Den Haag.

Denise Jannah
Jazz vocalist en Edison winnares Denise Jannah laat het publiek met haar heldere klanken en vloeibare stem horen dat de songs van Ella Fitzgerald na al die jaren nog even prachtig zijn. Denise Jannah speelde naast haar internationale zangcarrière in grote musicals zoals A Night at the Cotton Club, Ain’t Misbehavin en Joe, de musical maar in Ella! biedt zij het publiek muziektheater in pure vorm. Met pianist Danny van Kessel staat zij op het podium en vertelt zij over de verschillende periodes uit het bewogen leven van Ella Fitzgerald.

Talentvol en strijdbaar
Ella is nog een puber als haar ouders overlijden, zij verbleef even bij haar tante vervolgens werd zij in een harde kostschool geplaatst en woonde jaren op straat. Een warm thuis was haar niet gegund. Per toeval, op een amateurtalentenjacht in 1934 in het Apollo Theater, ontdekte Ella dat zingen en optreden voor een publiek haar gelukkig maakt. Ondanks de Grote Depressie in de jaren 30 en de rassenscheiding in de jaren 50 in Amerika zette zij haar zangcarrière door. Ella groeide uit tot de ‘Queen of Jazz’. Ella! is een eerbetoon aan de zangeres die de wereld songs gaf als ‘You have to swing it’ en ‘But not for me’.
---
Theatergroep Urban Myth staat onder artistieke leiding van Jörgen Tjon A Fong. Interactie, een losse sfeer, het combineren van verschillende disciplines, maatschappelijke betrokkenheid, onderwerpen die aanspreken, de mogelijkheid om elkaar te ontmoeten en culturele diversiteit zijn allemaal ingrediënten van onze projecten.

Concept & regie Jörgen Tjon A Fong | spel Denise Jannah | muziek Danny van Kessel | kostuum Jantine Kraayeveld | dramaturgie Robbert van Heuven | techniek  Alex Brok |  productie Maud van Boven |  publiciteit Cat van der Voort | zakelijke leiding Arjen Barel

Speeldata:
De Meervaart - woensdag 6 november 20.30 uur
Theater aan het Spui – zondag 10 november 15.00 uur


Bikkel & Kagie: een stukje onverwerkt verleden temmen

door Walter Lotens

De jonge Nederlandse journalist Rudie Kagie vertrekt naar Suriname op een ogenblik dat geen enkele Nederlandse krant zit te wachten op een correspondent in de West. Dat was net voor de militaire coup van 25 februari 1980 waardoor 16 sergeanten onder leiding van een zekere Desi Bouterse de macht overnamen. Vanaf toen ging de aandacht van de wereld, en zeker van Nederland, uit naar dat landje waar nooit iets gebeurde en toch zeker geen staatsgreep. Kagie krijgt een opdracht van NRC-Handelsblad en beschrijft wat er gebeurt in dat gewezen wingewest van Nederland.

Fred Ormskerk in TRIS-uniform met echtgenote Silvy (l.) in de haven van Paramaribo, 1962.
Privébezit Henk Doorn


Een gewezen wingewest, Suriname voor en na de staatsgreep is ook de titel van het werk dat hij in 1980 schreef op basis van zijn dagbladreportages. Het is een goed geschreven boek van een journalist - hij bedankt de linkse Surinamer Sandew Hira voor zijn speurwerk en kritische zin - die niet onsympathiek stond ten aanzien van ‘onze jongens’ die op dat ogenblik van velen het voordeel van de twijfel kregen. Zijn verhouding met de militairen krijgt echter een heel andere wending wanneer hij verneemt dat Fred Ormskerk, een oud-militair van Surinaamse origine die net terug was in het land, in zeer verdachte omstandigheden om het leven was gekomen in de grootste kazerne van Paramaribo. Op een nacht in 1980 wordt hij onzacht van zijn bed geplukt en voor ondervraging overgebracht naar de Memre Boekoe-kazerne waar hij door leden van de Nationale Militaire Raad (Desi Bouterse, Chas Mijnals, Roy Horb en Stanley Joeman) aan een zeer hardhandig kruisverhoor wordt  onderworpen. De militairen verwijten hem een handlanger te zijn van het koloniale Nederland en verbieden hem, op gevaar van erger, om nog over het geval-Ormskerk te publiceren. Na die dreigementen pakt de Nederlandse journalist zijn koffer en verlaat via een sluipweg het land.


Fred Ormskerk op patrouille met het 3de Peloton A-compagnie in 1971. Foto Ger Loeffen

De dood van Fred Ormskerk werd afgedaan als een ‘incident’, ook door een voorzichtig Nederland dat het voordeel van de twijfel gaf aan de militairen. Door de Surinaamse ziekenhuisarts Albert Vrede die als patholoog-anatoom optrad werd een hersenoedeem als gevolg van inwerking van stomp geweld geconstateerd. Het stoffelijk overschot werd naar Nederland overgebracht, waar het op 19 mei 1980 opnieuw werd onderzocht, nu door dr. Jan Zeldenrust. Deze constateerde onderhuidse bloeduitstortingen en diverse versplinterde ribben. Ormskerk was Nederlands staatsburger, maar het toenmalige kabinet-Van Agt reageerde zeer omzichtig. In zijn antwoord op schriftelijke vragen van PvdA-kamerleden verzweeg minister van Justitie Job De Ruiter het door Vrede geconstateerde hersenoedeem en meldde hij slechts dat door Zeldenrust de doodsoorzaak niet definitief kon worden vastgesteld omdat deze nog op het sectierapport van Vrede wachtte, dat uiteindelijk slechts een zeer summier A4’tje bleek te zijn.

Als op 8 december 1982 vijftien prominente Surinamers worden doodgeschoten in het militaire cellencomplex van Fort Zeelandia, verliest het Bouterse-regime echter heel veel krediet en vervalt het voordeel van de twijfel ten aanzien van het militaire bewind in Suriname voor Nederland. ‘Op de vlucht neergeschoten,’ luidde het officieel en weinig vindingrijk. De toedracht van de zogenaamde decembermoorden werd gedurende vijf jaar diepgaand door de Surinaamse justitie onderzocht, maar nadat de hoofdverdachte Desi Bouterse Surinaams president is geworden, werd een  amnestiewet uitgevaardigd waardoor hij en de andere verdachten waarschijnlijk verder buiten schot zullen blijven. Ook de daders van de moord op Fred Ormskerk werden nooit opgespoord.
Daarom trekt Rudie Kagie, meer dan dertig jaar na de feiten en nu werkzaam voor Vrij Nederland - volop in het Bouterse-tijdperk -, opnieuw naar Suriname om meer te vernemen over wat hij in de ondertitel van zijn boek als de eerste politieke moord van het Bouterse-regime bestempeld.
Bikkel is het journalistieke onderzoek naar de dood van Fred Ormskerk, naar de omstandigheden van zijn overlijden, maar ook naar zijn drijfveren om in het Suriname na de militaire staatsgreep op te duiken en tevens naar de persoonlijkheid van deze bikkelharde militair, die vandaar de roepnaam ‘bikkel’ kreeg.

Ormskerk wordt omschreven als ijzervreter, driftkop, bloedfanatiek, streng maar rechtvaardig, keihard voor zichzelf (en zijn negen kinderen...), Spartaans, militair in het kwadraat en bovendien uitzonderlijk sterk. Iedereen, zo merkt Kagie op, sprak met veel respect over deze volbloed militair. Na het vertrek van de TRIS (Troepenmacht in Suriname) in 1975 treedt Ormskerk in dienst van de gloednieuwe Surinaamse KrijgsMacht (SKM), maar hij vindt dat de bevelhebber, kolonel Elstak, er een potje van maakt. En hij is niet de enige. Dat vinden Bouterse en zijn kompanen ook. Elstak wordt door velen een verwaande grappenmaker genoemd. De verhouding tussen Elstak en de (onder)officieren verslechtert al snel en is zeker een van de belangrijke redenen geweest die geleid hebben tot de militaire coup van 25 februari 1980. Op dat ogenblik was Ormskerk al uit dienst. Om persoonlijke redenen vertrekt hij in 1979 - hij is dan 56 jaar - met pensioen naar zijn gezin in Nederland. Maar deze militair-in-hart-en-nieren kan niet wennen in een keurige rijtjeswoning en zijn opvoedingsmethoden worden hem door zijn vrouw ook niet in dank afgenomen. Zij noemt hem 'totaal verslaafd' aan het leger en zó streng voor de kinderen dat die blij waren als hij er niet was (p. 54).

In Nederland hoort de gepensioneerde militair dat er een coup heeft plaatsgevonden in Suriname. Hij is in het geheel niet verbaasd, want al sinds 1979 circuleerden er verschillende initiatieven voor een staatsgreep. Ormskerk is integendeel zeer enthousiast. Zijn ‘jongens’ hebben het toch maar voor elkaar gekregen! En is hij niet een god voor die ‘jongens’? Hij belt met Suriname in de veronderstelling dat ze hem daar goed kunnen gebruiken, maar Bouterse zit niet op hem te wachten. Volgens auteur Kagie moet er toen iets in Ormskerk geknapt zijn en wordt hij van medestander tegenstander. Als hij na een aantal geheimzinnige besprekingen met andere tegenstanders van de NMR in Nederland plotseling zijn gezin meldt dat hij er even 'tussenuit' moet naar Parijs, is zijn vrouw blij. Ze heeft hem niet meer levend gezien. Een paar dagen later duikt hij op in Frans-Guyana, reist via Albina naar Paramaribo en wordt gearresteerd met al zijn coupplannen in zijn bagage.

Ormskerk wordt tijdens zijn verhoor op 1 mei geslagen en zodanig mishandeld dat hij overlijdt. De volgende ochtend wordt hij dood in zijn cel aangetroffen, waarna het militaire regime van Suriname meldde dat Ormskerk was omgekomen bij een vluchtpoging. Van een feitelijke couppoging is later niets gebleken.
Begrafenis Ormskerk; zijn weduw strooit
 bloemen over de kist

Rudie Kagie probeert aan de hand van zeer vele gesprekken met betrokkenen, zowel in Suriname als in Nederland, de gebeurtenissen van toen te reconstrueren – waarschijnlijk wilden de militairen hun vroegere instructeur niet doden en is de hardhandige ondervraging waaraan hij onderworpen werd uit de hand gelopen. De zwart-witte militaire logica waarvan Fred Ormskerk de vertolker was, is door zijn ‘jongens’ zeer goed toegepast en heeft hem zelf - o ironie - het leven gekost.
Rudie Kagie stond voor een zeer moeilijke opdracht. Hij geeft trouwens zeer eerlijk toe dat hij zich details van dertig jaar geleden niet goed meer herinnert. En er is niet alleen de slijtage van het geheugen, maar ook de ‘blinde muren’ waartegen je in Suriname als onderzoeker voortdurend aanbotst, zeker dan als je Nederlander bent. Het zou echter zeer onheus zijn om het werk van Kagie af te doen als het zoveelste betweterige boek van de zoveelste Nederlandse journalist die zijn licht laat schijnen over Suriname. Rudie Kagie is trouwens ook zeer kritisch voor het Nederlandse beleid dat om staatsredenen het vieze potje van de affaire-Ormskerk liever niet wilde openen. “Nederland had op zijn minst bij Suriname moeten aandringen op een grondiger onderzoek dan het simpele A4’tje waarmee de zaak werd afgedaan.” (p. 199)

Bikkel is een boeiend boek en tevens een uitzonderlijk document omdat in een land als Suriname onderzoeksjournalistiek nog steeds als een vies woord beschouwd. Het is een van de weinige publicaties over de zwarte bladzijden van de recente Surinaamse geschiedenis. “De zwartste bladzijden uit de geschiedenis zijn meestal de leerzaamste,” besluit Kagie. Kan een boek als Bikkel ook nu nog een maatschappelijk effect hebben, wetende dat de zaak uit 1980 is verjaard en dat het te laat is om de vermoedelijke daders nog voor het gerecht te slepen? In Nederland stelde het Kamerlid Harry van Bommel van de Socialistische Partij naar aanleiding van het boek schriftelijke vragen over onder andere de betrokkenheid van Hardjoprajitno. In Bikkel verklaren drie getuigen dat John Hardjoprajitno, één van de zestien onderofficieren van de militaire coup, betrokken was bij de dood op Ormskerk. Paul Bhagwandas en Roy Horb, allebei intussen overleden, zouden ook betrokken geweest zijn bij het verhoor dat Ormskerk fataal werd.

En in Suriname onder president Bouterse? Hoe werd daar het boek onthaald? Kagie trok in april 2013 naar Paramaribo om het boek te promoten. Er verscheen onder meer een positieve bespreking in de toonaangevende krant de Ware Tijd en de auteur werd ook geïnterviewd door Apintie-televisie en gaf diezelfde avond ook een lezing in literair café Tori Oso. Een lezing over een van die zwarte bladzijden uit de Nederlandse geschiedenis waarbij de huidige president betrokken was. Zou ze indruk gemaakt hebben in het nieuwe Bouterse-tijdperk? Ik weet het niet, maar ik hoop dat het boek kringen maakt en dat het meer in Suriname dan in Nederland zal worden gelezen. “Alles gaat voorbij, behalve het verleden,” schreef de socioloog Luc Huyse in een boek over omgaan met een traumatisch verleden van geweld en burgeroorlog, zoals in Zuid-Afrika en Rwanda. “Het verleden temmen, daar gaat het steeds weer om. En, als het kan, rust brengen in het hoofd en hart van wie vandaag en morgen leeft. Maar wat voorbij lijkt, wijkt niet.” Dat gaat ook op voor Suriname, ook al probeert de huidige regering-Bouterse alle sporen van dat verleden uit te wissen.
Bikkel is de zeer lovenswaardige poging van een betrokken en zoekende einzelgänger om een stukje onverwerkt Surinaams verleden te helpen temmen en daarnaast is het ook nog een spannend boek geworden.

Rudie Kagie, Bikkel, Het verhaal van de eerste politieke moord van het Bouterse-regime, Bert Bakker, Amsterdam, 2012, 216 blz. ISBN 9789035137561

‘Het is het belangrijkste project uit mijn artistieke leven’

Fluitist Snijders brengt 382 opnames uit

door Steven Seedo

Paramaribo - Ronald Snijders noemt het uitbrengen van een cd-box met 382 niet eerder uitgebrachte composities en arrangementen, het werk van zijn leven. “Niet alleen vanwege de zeer ongebruikelijke omvang van wel twintig cd’s, maar vooral ook door het biografische karakter ervan. Het allerbelangrijkste volgens de fluitist is dat de luisteraars ondanks de verschillende genres zijn Surinaamse roots erin kunnen herkennen. "Ik wil niet klinken als Miles Davis of Mozart die ik overigens zeer bewonder, maar als Ronald Snijders, muzikale kosmopoliet uit Suriname."
 
Ronald ligt naast de 20 cd's van zijn 20 CD box Made for Music.
 De artiest is apetrots op zijn laatste project.
Hij ontkent met klem dat de presentatie van dit werk te maken heeft met bewijsdrang. "Er zit geen rommel en onzin tussen. Ik verwacht niet dat iedereen mijn diversiteit zal begrijpen of waarderen. De geschiedenis staat bol van dergelijke misverstanden. Want dan krijg je snel uitspraken als 'wel leuk allemaal, maar geef me liever alleen zijn rootsy Suri-jazz of funky jazz.'" Snijders heeft ongeveer drie jaar over het project gedaan. Hij wilde al in 2001 een tien cd tellende box uitbrengen, wat toen om allerlei redenen niet lukte.


Made for Music

De twintig albums van de cd-box Made For Music bevatten hoofdzakelijk eigen werk in door hem beoefende muziekstijlen: jazz, wereldmuziek waaronder Braziliaanse, Caribische, Indiase en Surinaamse muziek. Ook funk, pop en westers klassieke muziek zijn er te vinden. De uitvoeringen in dit veelzijdig muzikaal biografisch overzicht, variëren van de Ronald Snijdersband tot en met een bigband en symfonieorkest. Daarnaast zijn er ook solo's, duetten, trio's en studiosessies. Behalve instrumentale tracks, komen ook diverse vocale tracks voor.

Aan de cd-box zijn twee informatieve 48-paginaboekjes toegevoegd met talrijke foto's, toelichtingen, een discografie en biografische overzichten. De geluidsopnamen, gemaakt in de afgelopen 45 jaar vanaf 1968, komen grotendeels uit zijn eigen archief en enkele andere bronnen.

Made for Music is uitgebracht in eigen beheer door Ronald Snijders op zijn label BSM en wordt op 3 november in de Northsea Jazzclub in Amsterdam gelanceerd. Hij treedt dan op met zijn eigen band en enkele gasten, onder wie pianiste Ferial Karamat Ali en de gitarist Robby Alberga. Fluitist, componist Ronald Snijders woont vanaf 1970 in Nederland, Delft en is vanaf 1975 beroepsmusicus.


[uit de Ware Tijd, 29/10/2013]

Over dingen van nu en dingen van toen

door Brede Kristensen

Vanuit literair standpunt bekeken is 2013 mondiaal een superjaar. Althans in kwalitatief opzicht. Dat geldt ook voor het Caribische gebied en de Benedenwindse eilanden. Uitgeverij In de Knipscheer komt deze herfst met een groot aantal titels. Vandaag is het de beurt aan Verkiezingsdans van Joseph ‘Jopi’ Hart en Gentleman in slavernij van Janny de Heer.



Dingen van nu
Joseph Hart schreef een spannend en politiek belangwekkend boek: Verkiezingsdans. Een boek met drie gezichten, dat toch een eenheid vormt. Het eerste gezicht is het gezicht van een thriller, een verhaal over criminele organisaties, gespecialiseerd in cocaïne, opererend vanuit Colombia, Curaçao en Nederland. Curaçao vervult een spilfunctie. Al snel wordt het de lezer duidelijk dat Curaçaose politici de touwtjes van die spilfunctie in handen hebben en dat ze met die touwtjes naar criminaliteit neigende jonge mensen, genadeloos voor hun karretje spannen. Hoe en wie die touwtjes in handen hebben, wordt pas aan het einde van het boek duidelijk, als een belangrijke politicus wordt geliquideerd. Zoals het een goede thriller betaamt.

Het boek ontleent zijn titel aan het tweede gezicht, het belangrijkste: de verkiezingsdans kenmerkend voor verkiezingen Curaçaose stijl in de tijd dat de Nederlandse Antillen nog bestonden. Veel populisme, feesten, roddels, mediaoptredens met spectaculaire onthullingen over dubieuze persoonlijke geschiedenissen, belangen en betrokkenheid bij criminele organisaties. We ontmoeten politici die onbeschaamd en met verve van twee walletjes eten en excelleren in het spelen van valse spelletjes. Met als gevolg dat niemand een ander vertrouwt. Hart is in staat politici ten tonele te voeren die net allemaal anders zijn dan de ons bekende politici. Geen levende politicus zal zich echt kunnen herkennen in de personages van het boek. Stukjes van die personages komen echter bekend voor. Er zijn stukjes Cova zichtbaar, stukjes Wiels, stukjes Pourier en vul maar aan. De held van het boek is een jonge opkomende ster met een visie voor een Curaçao waar mensen op grote schaal aan hun eigen ontwikkeling werken met het doel een bijdrage aan de opbouw van het land te leveren, waar iedereen professionaliteit hoog in het vaandel heeft staan en waar de koek eerlijk wordt verdeeld. Deze Matthew stemt erin toe zijn diensten aan te bieden aan een serieuze politieke partij. Onder begeleiding van een oudere Pourier-achtige partijleider ontpopt hij zich als een begenadigd spreker die met een degelijke boodschap in populistische verpakking zijn fictieve partij een knallende overwinning bezorgt. Maar zijn pad gaat niet over rozen. Politieke tegenstanders laten geen middel onbenut om hem onderuit te halen, tot en met aanslagen op zijn leven. Harts visie op de Curaçaose politiek is onthullend en dermate kritisch dat alle hoop op betere tijden ijdel lijkt. Toch wil hij laten zien dat er serieuze politici zijn, dat mensen zich willen laten aanspreken en dat er dus toch enige reden voor optimisme is.

De verborgen psychische problemen van de hoofdfiguur, Matthew, vormen het derde gezicht. Dit verhaal leest als een psychologische thriller. Ogenschijnlijk redelijk en talentvol, blijkt zich achter die façade een vulkaan te bevinden, een onderdrukt oedipus-complex dat voor gewelddadige explosies zorgt. Zijn relaties met vrouwen lijden daar zwaar onder. Om iets van die uitbarstingen te kunnen begrijpen, moet de lezer wel regelmatig als een voyeur getuige willen zijn van erg expliciet beschreven seksscènes. Dat had wel wat subtieler gekund. Maar hoe zal het aflopen met deze verknipte ziel? Zijn beste vriendin weet hem tenslotte over zijn verleden aan het praten te krijgen en een moment van bewustwording te bewerkstelligen. Zo komt er een niet helemaal geloofwaardig keerpunt in het leven van Matthew en kan hij zich inzetten voor Curaçao, het land dat hij liefheeft.
Hart weet 500 pagina’s lang de aandacht te boeien. Ingenieus heeft hij de verhalen van die drie gezichten met elkaar verweven. Tussen alle spanning door wordt duidelijk dat Hart een uitgesproken kritische mening over de Curaçaose politieke cultuur etaleert. Eigenlijk zegt hij dat als deze politieke cultuur niet verandert, de toekomst uitzichtloos is en burgers uitgeleverd zijn aan politici voor wie het publieke belang samenvalt met eigen belang. Maar of een in populisme verpakte ‘Matthew-achtige’ boodschap de oplossing is, moet betwijfeld worden. Leert de geschiedenis niet dat ‘inhoud’ door politici moeilijk te realiseren en door burgers moeilijk te begrijpen is? En dat om die reden politici zich liever op de verpakking concentreren en de mensen politici op die verpakking beoordelen? Zo is de kans groot dat de geschiedenis zich blijft herhalen. Maar zeker een boek dat te denken geeft.

Plantage Peperpot


Dingen van toen
Janny de Heer, bekend door haar boek Landskinderen van Curaçao (1999), komt met een nieuwe verrassing: Gentleman in slavernij. Over de periode van de Surinaamse slavernijgeschiedenis nadat in het naburige Guyana de slavernij was afgeschaft en de naderende afschaffing in Suriname voelbaar werd. Aan de hand van het leven van een Duitse kolonist, Ditrich Horst, die zijn weg in Suriname zoekt, eerst als blank-officier, dan als administrateur en directeur op diverse gouvernementsplantages en tenslotte als eigenaar van zijn eigen plantage ‘Lust en Rust’, wordt de geschiedenis van het plantageleven rond Paramaribo vlak voor en na de afschaffing van de slavernij beschreven. Een historische roman dus.
Janny de Heer wordt geïnterviewd door Romeo Hoost

Dat kan goed fout gaan. Meestal wordt in een historische roman de geschiedenis geromantiseerd en verdraaid. Zeker wanneer een historische figuur daarbij een hoofdrol speelt, kan een scheef portret knap hinderlijk zijn. Soms wordt de geschiedenis in detail beschreven zonder dat het verhaal uit de verf komt. Dat wordt dan zoiets als een verkapte historische studie. Janny de Heer weet aan beide gevaren te ontsnappen. Met hulp van archief- en literatuuronderzoek reconstrueert zij de levensloop van Ditrich. Ze schildert een nuchter, niet-geromantiseerd portret van Ditrich en van de vrouwen om hem heen, hun levensverhaal, tegen de achtergrond van het plantageleven in de nadagen van de slavernij.

Het verhaal bevat een verbazingwekkende hoeveelheid informatie hoe het in die dagen toeging op de plantages, waarbij nuances het terecht van generalisaties winnen. Er zijn planters die hun slaven wreed-sadistisch uitbuiten en planters die vormen van begrip aan de dag leggen en een lichter regiem voeren. We worden geïnformeerd over ziekten, conflicten, straffen, omgangsvormen, relaties en de vele discussies over de toekomst van het land als de slavernij zal zijn afgeschaft. We krijgen een beeld wat er op de plantages verbouwd werd en waarom het goed of niet goed ging, hoe men er woonde, hoe de huishouding eruit zag, hoe over de rivieren werd gereisd en, last but not least, hoe en waarom zoveel slaven wisten te ontvluchten, terwijl anderen de voorkeur eraan gaven te blijven. Schokkend is hoe de machthebbers er vaak in slaagden een gevluchte slaaf in de gaten te houden om hem of haar soms jaren later alsnog genadeloos te straffen. We lezen over de dagen van de afschaffing van de slavernij, de onzekerheid die dat met zich meebracht voor vrijwel iedereen, de euforie en de verstandige en onverstandige keuzes die zowel de ex-slaven als de blanke elite maakten. Een helder en objectief tijdsbeeld is het resultaat. Uiteraard zullen sommige feiten ontbreken en zal er discussie zijn of een bepaalde nuance niet een uitzondering betrof die een regel had kunnen bevestigen. Maar zonder selectie geen verhaal. De auteur wekt echter de indruk zeer consciëntieus te hebben gewerkt.

Daarnaast leren we de situatie te zien door de subjectieve ogen van individuele personen. Op de eerste plaats de ogen van Ditrich. De ietwat onzekere hoofdpersoon die het weliswaar goed meent met de mensen, maar die ook zijn eigen belangen kent en niet altijd in staat is de gevolgen van zijn daden te overzien. Als hij een kind heeft verwekt bij een slavin, Candasie, met wie hij het goed kan vinden en tot wie hij zich sterk voelt aangetrokken, haast hij zich naar Paramaribo om de jonge Heinrich vrij te kopen (de zogenaamde manumissie die in die dagen 250 gulden kostte, wat ongeveer neerkomt op een equivalent van 10.000 euro vandaag de dag). Als hij terugkeert naar de plantage en haar verheugd meedeelt dat haar zoon nu een vrij mens is, wordt hem dat helemaal niet in dank afgenomen. Een slavin mag immers geen vrij mens opvoeden. Dat betekent onherroepelijk een scheiding van moeder en kind. Daar wordt dan wel weer een mouw aangepast, maar gemakkelijk gaat het niet. Zo worden hoofdpersoon en lezer geleidelijk aan vertrouwd met de soms idiote en vaak kwaadaardige absurditeiten van het systeem.
Ditrich vervult verschillende functies, reist veel en gaat tenslotte duurzaam samenwonen met een dochter van Candasie, Caroline. Ze krijgen vijf zonen die in de loop der jaren allemaal vrijgekocht worden, evenals Candasie en Caroline. Tenslotte trouwen Ditrich en Caroline. Nog weer later wordt Ditrich in de gelegenheid gesteld eigenaar van een plantage te worden. Geen moment wordt hij als een held voorgesteld. We leren hem kennen als een mens met zwakheden, kortzichtige ambities en knulligheden. Ook als iemand met een geheim, want hij houdt het vaderschap van Heinrich voor iedereen verborgen. Dit blijkt een continu aanwezige donkere ondertoon in zijn toch reeds ongemakkelijke leven. Pas op zijn sterfbed realiseert hij het zich.
Slavernij

Ook kijken we door de ogen van Candasie en van Caroline en worden we ons bewust van hun visie op het complexe plantage-gebeuren, als slavin en later als vrije vrouw. We zien hoe ze iets van de moeizame omstandigheden proberen te maken. We maken kennis met hun illusies, teleurstellingen en blije verrassingen. De auteur roept het plantageleven dermate beeldend op dat het is alsof het de leefomgeving van de lezer is. Af en toe veroorlooft ze zich romantische zoetsappigheden, maar die blijven gelukkig binnen de perken en ondergraven de geloofwaardigheid van het verhaal niet.
Wel ontbreken er enkele perspectieven. We leren het plantageleven niet zien door de subjectieve ogen van de kwaadaardige planter, of door de ogen van slavinnen die worden belazerd en uitgebuit en evenmin door de ogen van mannelijke slaven. We worden over hen geïnformeerd, uitvoerig zelfs, maar daar blijft het bij. Echter, de lezer zal niet zoveel moeite hebben zich daarvan een voorstelling te maken.
Merkwaardig is dat er weinig aandacht is voor de rol van de kerken, die juist in de periode dat Ditrich leefde veel activiteiten op de plantages ontplooiden, met name de Evangelische Broedergemeente. De kerken worden genoemd en Ditrich en Caroline trouwen zelf in de Lutherse kerk, maar veel horen we niet hierover. Dit is dunkt mij een gemis. De rol van de kerken is van enorme betekenis geweest voor heel veel ex-slaven en voor het verdere verloop van de geschiedenis van Suriname.

Afgezien van deze beperkingen is het een schitterend, overtuigend en zeer informatief boek. De uitgever zou er goed aan doen bij een volgende druk (het is te hopen dat veel drukken zullen volgen) een kaart van de omgeving van Paramaribo toe te voegen zodat de lezer zich een beeld kan vormen waar de plantages die in het boek voorkomen, hebben gelegen of nog liggen. Ook verdient het aanbeveling om bij de uitvoerige lijst van gebruikte bronnen in het kort aan te geven welke bijdrage deze bronnen hebben geleverd.


[uit Amigoe-Ñapa, 28 oktober 2013]

Passage (slot)

door Gert de Jager

Over Piet Gerbrandy, Een vlok duisternis; de poëzie van Hans Faverey als ritueel proces, Rimburg 2013. Vervolg van (1) en (2)



Een vergeten literaire hype van jewelste: The Outsider van Colin Wilson. Het boek verscheen in 1956. De auteur was een 24-jarige die op zijn zestiende van school was gegaan en zijn hoofd had gevuld met wat er in de British Library te vinden was. Een jongen uit een eenvoudig arbeidersmilieu schrijft een boek over de rol van lucide, visionaire buitenstaanders: van Van Gogh tot Roquentin – de held van Sartres La Nausée-, van William Blake tot Lawrence of Arabia. Toen het boek verscheen met aanbevelingen op de kaft en in de krant van opperste gezagsdragers als Cyril Connolly en Arnold Toynbee, de meest gerenommeerde criticus en de meest gerenommeerde historicus, mannen van de leeftijd van Wilsons grootvader bovendien, was de eerste druk van 5000 exemplaren binnen 24 uur uitverkocht. Herdruk op herdruk aan beide kanten van de oceaan. De auteur die daarvoor regelmatig de nacht doorbracht op een bankje in Hampstead Heath, werd een gewild societyfiguur. Op feesten en partijen zocht Marilyn Monroe zijn gezelschap.
 
Er zou een mooie studie te schrijven zijn over de ideologische continuïteit tussen de duffe jaren vijftig en de opwindende jaren zestig. Het heldhaftige individu dat het in dagen van burgerlijkheid en koude oorlog opneemt tegen de macht van de collectiviteit – we komen het tegen in Hollywoodfilms en sciencefictionromans. Jazz, visnetten en de zwarte coltruien van het existentialisme. Wanneer die plaatsmaken voor popmuziek, lang haar en fleurige hippiejurken, is het niet de algehele mentale conceptie die verandert, maar de emotie waarmee ze wordt beleefd. De angst en de krampachtigheid – het individualisme dat zichzelf soms lijkt te overschreeuwen: ze gaan op in de vrijheid en gelijkheid van een in gezamenlijkheid ervaren tegencultuur. De beelden van een man als Dylan: de wind die waait, de steen die rolt, de tijden die veranderen -  er zit altijd een hoop beweging in.
 
Piet Gerbrandy. Tekening Siegfried Woldhek

Wanneer een antropoloog als Turner in 1964 en 1974 de studies schrijft waarop Piet Gerbrandy zich baseert in Een vlok duisternis; de poëzie van Hans Faverey als ritueel proces kan zijn veldonderzoek nog zo gedegen zijn: als hij zijn conclusies trekt en die in verband brengt met de marginaliteit van dichters, monniken, kluizenaars, hippies en Indiase kastelozen, is Turner een kind van zijn tijd. Hij volgt een ideologie, een frame, een doxa of een epistème die -  onder welke benaming dan ook – de meesten van ons gedateerd aandoet. De enige wereld waarin zoiets nog floreert, lijkt de wereld van de ict te zijn - de buitenstaandersfilosofie van de baas van Apple. Dat hoeft niet voor of tegen Gerbrandys visie op Faverey en zijn werk te pleiten. Wat levert zijn antropologische invalshoek op? De rite de passage waarin Faverey ons in zijn gedichten voorgaat dankzij zijn geïnstitutionaliseerde marginaliteit - is dat meer dan een metafoor? Is het eventueel een gelukkige metafoor?
 
Nogmaals Gerbrandy's theorie. De dichter stelt zich ‘als liminale figuur in dienst (…) van de gemeenschap’. De lezer ‘ervaart in een staat van verwarring de ritmische kringloop van leven en kosmos, aanschouwt de meerduidige sacra en verlaat gelouterd het leesproces om zijn leven van alledag weer op te pakken’ (26). Gedichten, cycli, bundels – ze kunnen allemaal die loutering te weeg brengen. Het geldt ook voor Favereys oeuvre als geheel: de eerste twee bundels met hun streven naar een contextloze ‘zuivere structuur’ (35) zouden dan de fase van de séparation du monde antérieur vormen; de vier bundels uit de middenperiode de stade de marge  -  het stadium van de liminale fase waarin het subject zich in een niemandsland bevindt; de twee laatste bundels zijn een poging terug te keren naar de wereld van alledag: een poging tot agrégation au monde niveau (56-57). Dat alles omdat ‘het garandeert dat we ook bij zijn meest abstracte taalbouwsels de existentiële lading niet uit het oog verliezen’ (25).
 

Het laatste is blijkbaar een risico. Als lezer die Faverey vanaf Chrysanten, roeiers, zijn derde bundel, volgde en meteen de twee voorgaande bundels kocht, hoor ik ervan op. Nog meer hoor ik ervan op dat ook Chrysanten, roeiers, de bundel waarmee Faverey zijn reputatie vestigde, gelezen moet worden als onderdeel van een fase. Na die fase komen nog de bundels Tegen het vergeten, waarin ‘de potentiële nabijheid van de dood  tot iets heel gewoons [wordt gemaakt] waarover je je niet druk moet maken’, en Het ontbrokene waarin het met die dood opeens heel erg menens wordt. Over die laatste bundel schrijft Gerbrandy:
 
Zelden heeft een dichter de nadering van zijn einde aangrijpender onder woorden gebracht dan Faverey. Het feit dat juist deze bundel zoveel aandacht heeft getrokken, doet vermoeden zelfs de meest academische lezers als het er echt op aankomt op zoek zijn naar de mens in de poëzie. In Het ontbrokene is de taal geen gereedschap meer waarmee virtuoos geknutseld kan worden, maar een middel om de verschrikking te bezweren (61-62).
 
Dat Het ontbrokene een indrukwekkende bundel is, zal geen serieuze lezer betwisten – academicus of niet. Als rangordes van belang zijn, vind ook ik Het ontbrokene Favereys meest aangrijpende bundel. Dat door Het ontbrokene eerdere bundels in een ander licht komen te staan – het is de ervaring van elke lezer die een nieuwe bundel onder ogen krijgt van een dichter die hij kent. Voor Faverey en deze bundel gold dat misschien meer dan bij andere.
 
Hans Faverey. Foto Lela Zeckovic

Maar dat wil niet zeggen dat Het ontbrokene iets toevoegt of afdoet aan eerdere bundels en wat de dichter en zijn lezers aan die bundels beleefden. Gedichten 2, Chrysanten, roeiers, Zijden kettingen – al die bundels hebben lezers gefascineerd en hen, academici of niet, bij tijd en wijle geraakt. Wie in Het ontbrokene de rechtvaardiging ziet van Favereys dichterschap omdat al het eerdere werk daarbij afsteekt als ‘virtuoos geknutsel’, neemt dat dichterschap eigenlijk niet serieus. Wie de antropologie nodig heeft om aan het geknutsel een 'existentiële lading' te geven, kan beter toegeven dat hij zeven bundels lang nauwelijks een lading wist te ontdekken. Hoe vaak kan een lezer eigenlijk gelouterd worden om de werkelijkheid met nieuwe ogen te bekijken? Een lezer die Faverey leest en herleest, loutert hij zich niet suf? Wat is het voor plezier dat lezers aan de poëzie van Faverey beleven? Ik heb zijn poëzie altijd gelezen als een complexe metaforische uitspraak over een werkelijkheid die zich op sommige momenten in haar volle omvang aan mij voordoet – of ik het nu wil of niet. Ik geloof dat ik een ander soort lezer ben dan de lezer Gerbrandy.

Passage (2)


door Gert de Jager

De schrijver als de gids die de lezer een wereld binnenvoert waar de vertrouwde conceptuele categorieën niet meer gelden. Van een eenduidig bestaansuniversum naar een meerduidig lezersuniversum om daarna het bestaansuniversum gezuiverd te aanschouwen. Twee keer gaat de lezer een drempel over. Kenmerkend voor de dichter Faverey is dat hij de lezer het overschrijden van die drempel, de limen, laat ervaren. Het geeft aan zijn ogenschijnlijk van de wereld losgezongen taalconstructies een existentiële lading. Als ‘manifestaties van het liminale’ blijken juist die verstoringen van logica, zinsbouw en referentie uiterst betekenisvol te zijn. Het kan worden gevangen in het begrippenapparaat van de antropologie: wat Favereys lezer doormaakt, is ‘in samengebalde vorm’ een rite de passage.

Dat is wat Piet Gerbrandy beargumenteert rond pagina 25 van Een vlok duister; de poëzie van Hans Faverey als ritueel proces. De notie van het liminale is niet helemaal onbekend in de neerlandistiek: in zijn proefschrift uit 1991 analyseerde Anthony Mertens Raadsels van het rund van Vogelaar in het licht van diens ‘liminale poëtica’. De drempel is de drempel van taal en rede; wat een auteur als Vogelaar probeert is om met behulp van de taal die drempel te passeren. Eén drempel is dat. Nieuw bij Gerbrandy, en kenmerkend voor zijn antropologische invalshoek, is de tweede drempel die de lezer terugvoert naar het leven van alledag. Het lezen van literatuur blijkt in een cultuur als de onze zich te voltrekken volgens parameters die lijken te komen uit het handboek van de antropoloog: dankzij de literatuur geeft de gemeenschap vorm en structuur aan Grote Vragen en ingrijpende gebeurtenissen. Gedichtjes op de bruiloft; gedichtjes op de rouwkaart. De archetypische dichter op zijn zolderkamer, de lezer met zijn stapel boeken op het nachtkastje: als ze zich verhouden tot de Dingen verblijven ze zelfs fysiek in het halfduister. Daarna gaan ze gewoon boodschappen doen of vallen ze gewoon in slaap.

Dat zou je kunnen concluderen. Gerbrandy doet het wel en niet. Hij inventariseert denkbeelden van existentiële antropologen en hun voorgangers, doet uitspraken over ‘het mensenleven’, de betekenis van literatuur als ‘een aangeleerde, geritualiseerde en min of meer collectieve handeling’, de schrijver ‘die zich als liminale figuur in dienst stelt van de gemeenschap’, de ‘aspecten van de existentie’ die in de literatuur centraal staan. Vervolgens deinst hij terug. ‘We zijn hier echter niet op zoek naar de eigenschappen van de literatuur in het algemeen’ schrijft hij, na enige eigenschappen te hebben geformuleerd, ‘maar naar een begrip van de poëzie van Hans Faverey’. Dat schrijft hij ongetwijfeld omdat het laatste iets moois is en het eerste niet te doen. Toch: als antropologische categorieën die gebruikt worden voor de beschrijving van inwijdingsrituelen ook bruikbaar moeten zijn voor de analyse van zoiets specifieks als de poëzie van Hans Faverey, gaan we wel heel erg drastisch top-down. Dat ‘de literatuur in het algemeen’ daar ergens hiërarchisch tussen zit, lijkt me onvermijdelijk.

Een belangrijke beperking van het antropologische begrippenapparaat laat zich aan de hand van meer dan alleen Faverey het makkelijkst illustreren. Het gaat om de tweede, cruciale fase in het liminale proces: wanneer de aspirant-geïnitieerde zich bevindt in wat ik ‘een schemergebied’ noemde en Gerbrandy ‘een onbestemd niemandsland’. Het is in die fase van marginaliteit dat de vertrouwde conceptuele kaders wegvallen en de deelnemers niets anders dan symbolische handelingen uitvoeren. Gerbrandy verwijst naar de Schotse antropoloog Turner (23):
Essentieel voor dit alles is, volgens Turner, dat de mythen, acties en objecten meerduidig (multivocal) zijn, zodat alle deelnemers, die immers vaak uit verschillende segmenten van de gemeenschap afkomstig zijn, er hun eigen interpretatie aan kunnen  geven. Ze delen een ingrijpende ervaring die hen tot een groep maakt (…)
Het lijkt me de vraag of wat hier multivocal heet en de eigen interpretatie die dat oplevert, ook maar iets te maken heeft met de meerduidigheid van een Shakespeareaans drama, een achttiende-eeuwse roman, Madame Bovary of Finnegan’s Wake. Initiatieriten van aboriginals, de witte jurkjes van communicanten, foetenhorror – als er al iets particulier te interpreteren valt, gaat dat ten onder in de overgeleverde betekenissen waartoe de aspirant zich bekent.

Turner ziet dat anders in een citaat dat Gerbrandy instemmend vertaalt:

Liminaliteit kan misschien gezien worden als het Nee tegen alle beweringen die zeggen dat iets zo is en deze structuur heeft, maar in zekere zin ook als de bron van al die beweringen, en sterker nog, als een domein van zuivere mogelijkheid waaruit geheel nieuwe figuraties van ideeën en betrekkingen kunnen voortkomen.

Het Nee tegen alle beweringen, een domein van zuivere mogelijkheid, geheel nieuwe figuraties: Turner denkt niet aan rites van natuurvolken, Rooms-katholieken of corpsballen, maar aan kluizenaars, monniken en hippies. En aan dichters. ‘De gemeenschap heeft een marge nodig om zichzelf te definiëren. Structuur kan niet zonder anti-structuur.’ Wanneer Gerbrandy het werk van Faverey bespreekt, is de meerduidigheid in de tweede liminale fase een cruciaal element in zijn redenering en de rechtvaardiging voor wat hij zelf zijn ‘antropologisch begrippenapparaat’ noemt. Het is gebaseerd op een antropologische wensdroom uit de jaren zestig.

[vervolg, klik hier]

Koks maken er een potje van

Somohardjo zwaar teleurgesteld in Bigi Sma Dey


Voorzitter van de presidentiele commissie voor het organiseren van de jaarlijks terugkerende Biga Sma Dey, Paul Somohardjo, is zwaar teleurgesteld in het eten dat de seniorenburgers kregen afgelopen zondag te Cola Kreek. ‘Die oudjes hebben me gewezen wat ze hebben gekregen om te eten.’ Tot zijn grootste verbazing zag Somohardjo slechts witte rijst, twee stukjes kousenband en twee stukjes droog gebakken vlees.’ Somohardjo legt de nadruk op dat bepaalde personen die op zich hadden genomen om het eten voor te bereiden, er gewoon een potje van hebben gemaakt. ‘Ze hebben grof geld gemaakt.’
Kousenband snijden

In totaal zijn er 25.000 porties klaargemaakt. Elke persoon die wilde koken, kreeg de opdracht om 200 porties klaar te maken. Hiervoor kreeg de persoon een bedrag van SRD 12.50 per portie. Dit komt uit op SRD 2.500. Somohardjo wijst erop dat dit bedrag ruim voldoende is om 200 kwalitatieve porties te bereiden. Hij kan het zich niet voorstellen dat er personen zijn die over de ruggen van seniorenburgers geld willen maken. Er zijn bijkans 1250 personen aangetrokken om het eten klaar te maken. ‘Bijna 10 procent van het eten was waardeloos.’ [Reken nu uit hoeveel: 10 x een portie witte rijst, 10 x 2 stukjes kousenband en 10 x 2 stukjes gedroogd vlees - red. CU.]  De PL-voorzitter beweert dat na evaluatie in kaart gebracht kan worden wie de personen zijn die er een potje van hebben gemaakt. ‘Zij zullen zeker aangesproken worden, want dit kan niet.’ Aan de 1250 personen was gevraagd een code te plaatsen op het eten, zodat op dergelijke wijze controle uitgevoerd kon worden. ‘Maar de porties die aan de bovenzijde waren, zagen er wel goed uit. De personen hebben ons genept door het eten helemaal onderin te plaatsen. We hadden de tijd niet om alle porties te checken.’
Twee stukjes vlees

Somohardjo legt voor dat na evaluatie er een ander model bedacht zal worden voor de voeding van de seniorenburgers. Wel staat als een paal boven water dat dit evenement volgend jaar weer wordt georganiseerd. ‘We kunnen die SRD 12.50 ook vooraf geven aan de seniorenburgers. Dan kunnen ze zelf koken of eten kopen’, oppert hij. Somohardjo geeft toe dat het bedrag van SRD 12.50 niet veel is, maar in groepsverband van 4 of 5 personen kunnen de oudjes een leuke maaltijd bereiden. Zij zullen dan zelf verantwoordelijk zijn voor hun eigen voeding. Qua opzet zal er niet veel veranderen aan dit jaarlijks terugkerend evenement. Zoals normaal zal voor busvervoer gezorgd worden en krijgen de seniorenburgers wel drank en hapjes op het recreatieoord. Ze krijgen hun pakket dan thuis bezorgd.


[uit Dagblad Suriname, 29-10-2013]


Passage (1)

door Gert de Jager

Jede Epoche ist unmittelbar zu Gott: de beroemde uitspraak van Leopold von Ranke die elke historicus als eerstejaars te horen krijgt en een literatuurhistoricus, als het goed is, niet veel later. Elk tijdperk staat recht voor God: middeleeuwen zijn niet belangrijk omdat ze duizend jaar lang ergens tussenin zitten; een term als preromantiek is onzinnig; wie een historische periode ziet als een voor- of naspel van een Gouden Tijdperk, duwt iets wat op zichzelf een existentie heeft in een teleologische mal. Geen toeschouwer amuseerde zich met een toneelstuk omdat even later Shakespeare geboren zou worden. De wereldgeest maakte zich niet eeuwenlang druk om tot rust te komen in het Pruisen van Hegel.

In Een vlok duisternis; de poëzie van Hans Faverey als ritueel proces lijkt Piet Gerbrandy een nieuwe vorm van teleologisch denken te ontwikkelen – nieuw in ieder geval voor de literaire kritiek en de literatuurbeschouwing. Dat in Favereys poëzie iets ritualistisch schuilt, is niet zo’n verrassende vaststelling – al was het alleen maar door opmerkingen van Faverey zelf die zijn gedichten als ‘onthechtingsoefeningen’ betitelde. Wat in het mooi uitgegeven boekje van Gerbrandy – dichter, classicus, criticus – wel nieuw is, is de antropologische invalshoek. Het gaat om een tak van de antropologie die, als ik Google mag geloven, in Nederland weinig academische erkenning heeft gekregen: de existentiële antropologie waaraan vooral de naam van de Nieuw-Zeelander Michael Jackson is verbonden – niet alleen antropoloog, maar ook dichter en romancier. Wat Jackson in zijn drie hoedanigheden waarneemt en beschrijft, is de menselijke neiging om in crisissituaties het gedrag te ritualiseren. Groepen en individuen – wanneer als het erop aankomt, verrichten ze symbolische daden die veronderstellen dat er een analogie bestaat tussen mens, wereld en kosmos. Als het niet wil regenen, wordt in een dans een natuurverschijnsel nagebootst totdat de kosmos reageert. Als we ziek zijn of een dierbare verliezen, ‘doen we externe objecten geweld aan in de hoop daarmee te bevestigen dat we zeggenschap hebben over wat ons zomaar overkomt’ (17).  Wanneer we die symbolische daden verrichten, verliezen handelingen en objecten hun gebruikelijke, eenduidige betekenis. We gaan een drempel over en betreden een schemergebied waarin meerduidigheid heerst.
Zo’n schemergebied is in een cultuur als de onze dat van de literatuur:
Wat de sociale betekenis van literatuur betreft zou men kunnen volhouden dat lezen, althans het lezen van literatuur, een aangeleerde, geritualiseerde en min of meer collectieve handeling is die niet alleen helpt het leven te duiden maar ook het deelgenootschap van een bepaalde civilisatie constitueert en bevestigt. Het lezen schept een tijdelijke ruimte waarin eigen wetten gelden, waarin de conceptuele categorieën van alledag worden opgeschort. (…) Het is de schrijver die zich als liminale figuur in dienst stelt van de gemeenschap om die ervaring mogelijk te maken (24-25).
Een liminale figuur is de figuur die de drempel, de limen, is overgegaan van het schemergebied. Wanneer hij schrijft, plaatst de schrijver zich buiten de gemeenschap zodat de gemeenschap zich kan verhouden tot die aspecten van het leven die altijd met rituelen worden omgeven: ‘het geboren worden en het sterven, de seksualiteit, de dynamiek tussen het vreemde en het eigene’. In die wereld met eigen wetten, vol contradicties en conceptuele verwarring, moet een rite de passage worden doorstaan die het mogelijk maakt de wereld te bezien met nieuwe ogen.

Elements of history. Foto @ Nicolaas Porter

Wat Faverey doet in zijn poëzie is ons zo’n rite de passage laten beleven:
De lezer plaatst zich kortstondig buiten de normale orde, ervaart in een staat van verwarring de ritmische kringloop van leven en kosmos, aanschouwt de meerduidige sacra [= heilige voorwerpen] en verlaat gelouterd het leesproces om zijn leven van alledag weer op te pakken (25-26).
Van woordgrappen tot formele strengheid, van logische paradoxen tot eclectische intertextualiteit, van – voeg ik eraan toe – sacra als ijsvogels en dolfijnen tot de ejaculatie van een gehangene – ook een sacrum: alles wordt bij Faverey ondergebracht in een weefsel van cycli en processen waar de lezer nooit volledig greep op krijgt. Niettemin, of juist daardoor: hij ervaart, aanschouwt en wordt gelouterd. Hij kan het beleven aan Favereys gedichten, aan zijn cycli, aan zijn bundels.
En aan Favereys oeuvre als geheel, volgens Gerbrandy. De acht bundels vormen ook samen een rite de passage. Het deed mij denken aan het dictum van een typisch negentiende-eeuwse intellectuele reus.    



Piet Gerbrandy, Een vlok duisternis; de poëzie van Hans Faverey als ritueel proces, Rimburg 2013.

[vervolg, deel 2, klik hier]

[Overgenomen van Neder-L, 13-25 oktober 2013]


De supermarkt van Vieira: derde roman van Eric de Brabander

Eric de Brabander – De supermarkt van Vieira. Roman

Curacao 1961. Het Portugese passagiersschip de Santa Maria is koud de haven van Willemstad uit of het wordt gekaapt. De kapers, vrijheidsstrijders, hebben maar één eis: het vertrek van de dictators Franco en Salazar uit respectievelijk Spanje en Portugal. Salazars schrikbewind en de economische malaise als gevolg daarvan leidde destijds tot een ware exodus van Portugese staatsburgers naar Latijns-Amerika, tot aan de Anjerrevolutie van 1974 toe.

Op Curaçao komt vijftig jaar na de kaping van de Santa Maria de supermarkteigenaar Francisco Vieira er na een mysterieus telefoontje achter dat een van de kapers van destijds zijn lang verloren gewaande vader João is en al die tijd in Brazilië heeft gewoond. Hij besluit hem op te gaan zoeken en wordt dan geconfronteerd met zijn wrede familiegeschiedenis. Een geschiedenis overladen met schuld en schande, die na de kaping van de Santa Maria jarenlang aan het daglicht onttrokken is geweest. En niet zonder reden.

Over Het hiernamaals van Doña Lisa schreef Karel de Vey Mestdagh op Caraïbische Letteren: «Hoewel zijn naam anders doet vermoeden, is De Brabander een schrijver van een onweerlegbaar Antilliaans snit. Zijn debuut uit 2009 heeft de intensiteit en broeierigheid die de streek en zijn schrijvers zo kenmerken. Het verhaal over vier man op een barkje toont sterke trekken van het karakteristieke Zuid-Amerikaanse fabuleren.»
En Mark Weenink in La Chispa: «Het aardige van De Brabanders werk is dat het Curaçao in een grotere, Zuid-Amerikaanse context plaatst. In Nederland bestaat nogal eens de neiging om het eiland af te doen als geïsoleerd en in zichzelf gekeerd. Niets is minder waar.»
Over zijn tweede roman Hot Brazilian Wax en het Requiem van Arthur Booi schreef Stanley Brown in Amigoe/Ñapa: «Het is een boek waarbij ik u vast waarschuw voor schokkende beelden en dat u niet moet lezen als u alleen thuis bent en van dieren houdt, religieus bent en in gebedsgenezers, handopleggers of voodoo gelooft.»

Eric de Brabander (Curaçao, 1953) is geboren uit een Nederlandse moeder en een Nederlands-Zweedse vader die ruim vijftig jaar geleden Europa de rug toekeerden voor een toekomst op Curaçao.

Ons regenwoud, een Duitse droom

Het fotograferende liefdeskoppel gaat geheel op in de koningin van de jungle, de Kankantrie. Foto: Collectie Schonlau / Hanke en Jason Leysner.

door Iwan Brave

Door hun droom te leven, zet een Duits liefdeskoppel Suriname positief op de wereldkaart. Met als tastbaar resultaat een bestseller van National Geographic met het Surinaamse regenwoud als hoofdbestanddeel. Hun droom werd hun missie. “Het regenwoud is onze levensverzekering.”

Dieter Schonlau (1963) en Sandra Hanke (1968) ontmoetten elkaar 25 jaar geleden in een disco. Het was liefde op het eerste gezicht en ze bleken dezelfde droom te hebben: het tropisch regenwoud zien. Ze lazen op een dag in National Geographic over ons vrijwel ongerepte tropisch regenwoud en besloten: daar willen we heen.

Schonlau over hun eerste keer in Suriname, in 1998: "Velen zeiden: 'Waarom naar het binnenland? Je kunt in de stad blijven, want er zijn casino's.' Dus het was niet eenvoudig voor ons. Toen hoorden we over de postboot die vanuit Nickerie naar Apoera ging. Dat was het begin." In Apoera ontmoetten zij inheemsen die gingen jagen en ze volgden hen. "Toen zagen we echt hoe ongelooflijk dit woud is." Ze zakten diep af via de Kabaleborivier en kwamen op plekken die ook de jagers niet kenden.
Na twee weken kwamen ze terug in Apoera om vervolgens met anderen mee te gaan naar de Pakoerikreek. Ze bezochten ook de Raleighvallen en Brownsberg. Ze vertoefden ongeveer drie maanden in Suriname. "Dat was niet genoeg", zegt Schonlau lachend. "Het kost nu eenmaal tijd, omdat het nooit vooraf georganiseerd is. Dan verneem je dat de motor defect is, dan weer geen brandstof, dus je moet tijd en geduld hebben. We vinden het ook belangrijk om de mensen en hun cultuur te leren kennen."

Zo mooi kan een rivier er in het binnenland uitzien.


Favoriet
Inmiddels zijn ze voor de zevende keer hier. Ze reizen de wereld rond als het om tropisch regenwoud gaat, maar Suriname is hun favoriete plek. "Het is uniek, ongerept en prestigieus. Als je een serieuze authentieke fotograaf wilt zijn, dan moet je meerdere malen terug gaan naar dezelfde plaats. Zeker als je wildlife wilt zien. In de regentijd en droge tijd zie je totaal verschillende insecten. Bovendien kan je met de natuur niet zeggen: ons programma is vandaag een jaguar en morgen een slang. Soms zie je niets en soms weer heel veel."
Alles bij elkaar brachten ze tien jaren door in de regenwouden wereldwijd, waarvan twee in Suriname. In Duitsland toonden ze foto's aan vrienden en deelden hun ervaringen. "Wat je meestal op televisie ziet, zijn alleen maar gevaren en verschrikkingen bij programma's zoals'River Monsters'. We wilden een authentieke kijk geven op het regenwoud, maar ook laten zien hoe belangrijk het voor ons allen is; het is onze levensverzekering." Hanke: "Natuurlijk kan je tegen iets aanlopen, maar ons is nog nooit iets overkomen, zoals piranha's en krokodillen die je aanvallen of slangen die je willen wurgen."
Ze leerden van inheemsen hoe te oriënteren, waar water te vinden, te jagen, te overleven. "We hebben lang niet zoveel kennis als de Indianen, maar we hebben veel geleerd. Ze hebben voor alles een medicijn of kruid. Ze worden in andere landen voor 'primitief' uitgemaakt, maar we hebben geen idee hoe belangrijk deze mensen voor ons wereldwijd zijn, ook in de toekomst. Hun kennis is onvoorstelbaar."

Fotografen Dieter Schonlau en Sandra Hanke
 tonen de speciale uitgave van National Geographic.
 In het boek (
Regenwouden - het leven in de
 jungle
) is er speciale aandacht voor het
Surinaamse binnenland.


Big screen
Vrienden spoorden hen aan ook presentaties te houden op scholen en in musea. Ingehuurd door de overheid, gaven ze deze op scholen voor wel duizend leerlingen. Ook werden ze door de Duitse overheid ingehuurd om op de VN Klimaattop een presentatie te geven. Zo groeide hun droom uit tot hun missie; behoud van het regenwoud. "We kunnen niet de wereld veranderen, maar we kunnen wel proberen ons best te doen. Deze mensen hebben ons niet gehuurd omdat we mooie foto's hebben, maar de juiste passie", onderstreept Schonlau.
Ze hielden op den duur grote presentaties door Duitsland in zalen met big screen. Het afgelopen jaar trokken ze maar liefst 19.000 betalende bezoekers. De laatste voordracht heette 'Auf der Fährte des Jaguars': op het spoor van de jaguar. Ook in Zwitserland, Oostenrijk en elders in Europa hielden ze presentaties. "Na onze presentatietour in Zwitserland belden mensen ons, omdat ze ook Suriname willen bezoeken; dat is perfect."



Bestseller
Vijf jaar geleden kwam ook de book director van National Geographic op een presentatie in Hamburg. Die was diep onder de indruk. Dit resulteerde oktober vorig jaar in het boek Regenwälder - Leben im Dschungel (Regenwouden - het leven in de jungle). 224 pagina's en circa 400 foto's, voor het grootste deel gewijd aan het Surinaamse regenwoud. "National Geographic zou waarschijnlijk nooit zomaar een boek over Suriname maken", stelt Schonlau. "Wat dat betreft doen landen als Peru en Brazilië het qua marketing beter. Maar ze wilden niet alleen mooie plaatjes, maar ook iemand die achtergrond heeft en zijn hart verpand heeft aan het regenwoud."
Het boek werd een bestseller met maar liefst 8.000 verkochte exemplaren. Dit jaar nog komt een Engelse versie uit voor de 'grote markt'. Schonlau: "Een Amerikaanse journalist die ons verhaal wilde, verzekerde ons: 'Dat is waar Amerikanen graag over willen lezen. Hoe twee normale mensen verliefd zijn geraakt op het tropisch regenwoud.'" De voormalige marsepeinbanketbakker en serveerster kunnen nu leven van hun passie. "Maar we doen het niet voor het geld. Het was best moeilijk in het begin. We hadden al ons geld gespaard, geen huis, geen verzekering, niets. We namen gewoon onze rugzakken and go; living your dream!"
Uiteraard was het niet altijd zonneschijn. Hanke: "Soms heb je geen water, je hebt honger, muskieten steken je veel. Niet elke dag is het prettig, het is heet, we sjouwen inmiddels 25 kilogram aan apparatuur mee. Soms regent het de hele dag en kunnen we geen vuur maken om iets te eten. Het is soms afzien, maar daarna heb je wel iets unieks gezien."

Deze white face saki lijkt te poseren voor fotograaf Dieter Schonlau.


Trots
Samen hebben ze zitten schrijven, elke dag, een jaar lang. Schonlau toont zijn foto's met trots. Zoals die bewegingsvolle van een jaguar tussen het groen. Een vage, zal een leek oordelen, vanwege al die vegen. "Maar het gaat juist om een beweging in het woud. Het mistachtige; als een geest."
Of van die enorme anaconda op een rots, haarscherp weerspiegeld in het gladde water. "Ik zei: 'Sandra, dit is de foto van mijn leven, stop de boot.' Ik sprong in het water, zwom met mijn camera omhoog naar die anaconda. Toen heb ik mijn adem twintig seconden ingehouden, zodat het water weer spiegelglad werd en schoot dat plaatje. Als een slang op die manier ligt, dan is ze niet op jacht. We zijn niet bang, maar wel voorzichtig."
Inmiddels is ook hun uitrusting professioneler en state of the art. "Je kunt de beste camera hebben, maar je moet vooral geduld en tijd hebben", relativeert Schonlau. "Als je werkelijk verliefd bent geworden op je omgeving en je ziet door je lens een moment, een beweging van een dier: dat is het geheim van een goede foto."

Een hondskopboa in de aanval.

Workshop
Volgend jaar komen ze weer naar Suriname en willen ze een exclusieve workshoptrip organiseren voor fotografen met 'passie voor de natuur'. Ze hebben daarom deze keer een vriend meegenomen om te filmen op het Arapahu eiland met zijn betoverende natuurlandschap. Het korte promotiefilmpje, met een mix van mooie muziek en regenwoudgeluiden, zal worden geplaatst op hun website (www.wildlifephoto.de) en YouTube. "Er is al een Zwitsers toerbedrijf dat met ons wil samenwerken om de workshopreis te organiseren", zegt Schonlau.

Daarmee eindigt het niet. "Dit is nog maar het begin", zegt hij lachend en veelbetekenend. "Soms maken we elke dag dezelfde route in het regenwoud, maar het is nooit saai. Dat maakt het regenwoud zo speciaal. Zijn evolutie is onvoorstelbaar; achttien miljoen jaren oud. Je kan twee maanden doen over vijfhonderd meter, want elke dag zie je wat anders.”

[uit de Ware Tijd, 27/10/2013]