donderdag 2 december 2010

Toneel over suïcide onder Hindostaanse homoseksuelen

De Stichting Hindustani organiseert op zondag 19 december a.s. in de Rozenzaal van Zichtenburg te Den Haag een dag over homoseksualiteit en suïcide onder Hindostaanse jongeren. Onderdeel van de dag is de toneelvoorstelling Manai Ka Boli (Wat zullen mensen zeggen). Aansluitend is er een optreden van de Aashiq Brothers en kan het publiek meedoen met Antakshari. De avond wordt afgesloten met DJ Cedo.

Met het toneelstuk Manai Ka Boli wil de Stichting Hindustani in samenwerking met de Stichting Rainbow het taboeonderwerp homoseksualiteit en suïcide onder de Hindostaanse jongeren aan de orde brengen. Het verhaal van het toneelstuk zit dicht tegen de werkelijkheid aan: een homoseksuele zoon uit een gezin ziet uiteindelijk zelfmoord als de enige oplossing voor zijn problemen. Het theaterstuk is desondanks geen zwaar dramatisch geheel. Er is ruimte voor licht en lucht, en ook wat humor. Maar met een duidelijke boodschap!

Het theaterstuk wil
- inspelen op de acceptatie van homoseksualiteit binnen de Hindostaanse gemeenschap en welke dilemma’s daaruit voort kunnen komen.
- duidelijk maken dat homoseksuele mannen en lesbische vrouwen hun leven moeten kunnen leiden zoals zij dat willen.
- weerbaarheid en zelfredzaamheid van individuen bevorderen.
- mentaliteitsverandering en gedragsalternatieven stimuleren.
- algemene aanvaarding en gelijke rechten voor homoseksuelen.

Het programma van deze dag loopt van 15.30 tot 24.00 uur, waarvan het toneelstuk een onderdeel is, van 16.00 tot 18.30 uur.
Datum: zondag 19 december 2010
Plaats: Rozenzaal van Partycentrum Zichtenburg, Zichtenburglaan 23, Den Haag
Entree: 5 euro in de voorverkoop bij KMI en Rams Videocentre, aan de poort duurder.




Achtergrondinformatie
De helft van de homoseksuele jongeren loopt regelmatig met suïcidegedachten rond. Dat blijkt uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Volgens kenniscentrum Movisie en belangenverenigingen COC en Schorer is de reguliere hulpverlening nog steeds te weinig deskundig en toegankelijk voor homospecifieke hulpverlening. Uit het onderzoek blijkt dat 9 procent van de homoseksuele jongens en 16 procent van de lesbische meisjes een zelfmoordpoging heeft gedaan. Van de heterojongeren ligt dat percentage op 3 procent. COC Nederland, Movisie en Schorer pleiten voor een Masterplan suïcidebestrijding voor homo- en transgenderjongeren. De problemen worden door de hulpverlening onvoldoende herkend en er wordt op een te laat tijdstip ingegrepen.

Alle deelnemers aan de conferentie van zondag 12 december ontvangen (op zondag 12 dec.) gratis een toegangskaart voor zondag 19 december 2010.

Informatie:
Stichting Hindustani
Soerin Narain (activiteitencoördinator)
Mobielnr.: 06-28479849

Juweeltjes in het Sarnami

Interview met Raj Ramdas

door Chitra Gajadin

Karakteristiek aan hem is zijn rebelse geest. Analytisch en vlijmscherp is hij over het intellectuele niveau van de Hindostaanse gemeenschap. Een groep die niet in staat blijkt tot scheppend vermogen van enig benul. Onverzoenlijk is zijn houding tot die groep. En toch liggen zijn mooiste herinneringen verankerd in jeugdervaringen temidden van dezelfde groep. In hartje Corantijnpolder waar hij altijd zodra hij in Suriname was, de speelkameraad uit zijn jeugd placht op te zoeken. Veertig jaar geleden leerde hij als zevenjarige een deel van het leven in Suriname kennen die een blijvende plek in zijn hart zou veroveren. Ver van stedelijke bekrompenheid probeerde hij te ontsnappen aan de benauwende bescherming van zijn ouders. Waar districtsjongens droomden van de verre grote stad, confectiekleding en schoeisel, popelde hij om na school zijn schoenen uit te schoppen om joel te kunnen spelen. Om de weidsheid van de polder te verkennen en te voetballen tot het vallen van de avond. 'Dat was een heel mooie periode in mijn leven. Door met die kinderen te spelen heb ik de Hindostaanse taal goed leren spreken. Ik heb tot mijn achttiende Hindostaans gesproken met mijn moeder en Nederlands met mijn vader. De eerste zes maanden in Nickerie verbleven we in Hamptoncourtpolder. Mijn eerste les in het Sarnami vergeet ik nooit, dat was al op de eerste schooldag. Ik zag een roestige spijker in het gebouw en zei "dekh i khillá murcán hai" en toen zei een van de jongens "e bai..khillá ká yár" en toen zei de ander "u nail ke bole hai". Daar heb ik het Sarnami geleerd, van die jongens.

Als oudste zoon van een schoolhoofd moest hij echter het goeie voorbeeld geven. En of dat gepaard ging met rake klappen of niet, luisteren moest hij. Voetballen wilde hij in plaats van 's middags naar de Hindischool gaan om ka-kha-ga-gha-nga van het alfabet op te dreunen. Dat verlangen om wild met zijn vriendjes rond te rennen op het voetbalveld werd gesmoord in 'Eenvoudige teksten lezen in Bharti Bodh deel een, deel twee. Daarna kreeg je weer de Bharti reader een, twee. En als die Hindileraar in een goeie bui was dan moesten we na afloop ook nog bhajans zingen, terwijl ik het daglicht zwakker en zwakker zag worden. Niet dat ik niet van muziek hield, want die radio van oom Hastram, de overbuurman, stond boven in de zitkamer maar de mensen die beneden in de keuken aan het werk waren wilden graag horen wie er dood was of wie er gaat trouwen, dus die radio stond heel hard. Het was zo'n oude radio met een geweldig geluid. Door liederen uit die tijd kan ik soms de geuren weer ruiken en zie ik alles weer in details. Liederen van Jis desh men Ganga bahati hai, Yád ná aye. Apne huwe paráye.'

Ontsnappen aan zoals hij dat benoemt 'de verstikkende bescherming van mijn moeder' en meedogenloze strengheid van zijn vader was alleen mogelijk als beide ouders voor het een of ander een tijdje naar Paramaribo afreisden. 'Mijn grootmoeder kwam uit de Van Drimmelenpolder op ons letten. Dat was een leuke tijd. Ze was makkelijk en verwende ons. Ik hoefde maar iets te vragen of ze maakte het voor mij. Ze was de enige die heel lief was. Op mijn elfde moest ik toelatingsexamen doen voor de muloschool in Paramaribo. Toen ik vertrok uit Nickerie, overleed zij. We verlieten Nickerie om weer in de Selinastraat in Paramaribo te gaan wonen.'

Met schrijven begon hij rond zijn vijftiende. 'Van die Hindi-rijmelaarijtjes. Pas toen ik in Nederland zat begon ik in het Sarnami te experimenteren. Ik wist niet eens dat je in het Sarnami kon schrijven, alles was altijd Hindi-Hindi-Hindi.' En het Sranantongo, lag dat niet voor de hand voor een stadsjongen? 'Ik dacht, laat dat aan Dobru en kornuiten over. Ik associeerde schrijven in het Sranantongo met strijdbare gedichten. Ik schreef over liefde, pijn. Mijn Nederlandse gedichten waren in een quasi Tagoriaanse stijl. Ik had veel van Tagore gelezen, al op de middelbare school en probeerde dat na te bootsen. We hadden al die Tagore-boeken in huis. Mijn vader kocht altijd boeken. Als kind groeide hij op in een omgeving waar de Ramayan het enige boek in een huis was, daarom had hij zich voorgenomen om te zorgen voor boeken in zijn eigen huis. Mijn eerste gedicht in het Sarnami schreef ik in de Merenwijk in Leiden in 1974. Ik had de gewoonte om gedichten te schrijven als ik depressief was, ik dacht dat het me zou helpen om me beter te voelen maar meestal voelde ik mij nog ellendiger daarna. Het was weer zo'n dag dat ik samen met mijn vader in de woonkamer zat. Mijn vader en ik konden niet rustig praten zonder ruzie te maken. Ik ben naar boven gegaan en pakte een kladblok dat ik in België had gekocht, geruit papier helemaal vergeeld en schreef toen het gedicht "Kausilia". Ik begon met schrijven en stopte met het gevoel in al mijn ledematen, of zoals men dat in het Hindostaans zegt 'har ek rowán bolat rehá' dit is af zoals het nu is, ik moet er niet aan komen. Kausilia had in essentie mijn leegte, mijn depressie, mijn verdriet, mijn eenzaamheid, het gevoel van verstotenheid verwoord.'

Wat betekent het Sarnami voor jou?
'Voor mij is dat gewoon een taal, het is niet zo dat ik op de barricade wil staan voor het Sarnami of dat ik mezelf met benzine zou overgieten en mezelf in brand zou steken voor het Sarnami. Maar ik ben er wel op uit om te laten zien dat je juweeltjes kan maken in het Sarnami.' Liefde, afscheid en de leegte zijn terugkerende thema's in de gedichten die Raj schrijft. Bewust vermeed hij nostalgische getinte gedichten over het zware leven van de contractanten. 'Ja, je moet of gedichten of geschiedenis gaan schrijven,' vindt hij. De vraag hoe het verder moet schrijven in het Sarnami, ontlokt hem een mismoedig: 'Wees eerlijk, wie zit er nou te wachten op een bundel in het Sarnami? Hoeveel Hindostanen zijn er nou die rustig met een gedichtenbundel in een hoek gaan zitten om te lezen? Die kerels kopen liever een videootje van drie of vier uur en kijken liever naar een episode van de Ramayan. De Surinaamse Hindostanen zijn in feite een volkje dat niet verdient om dichters in hun midden te hebben.'


Kahán hai u [dichtbundel met CD]
door Raj Ramdas - Uitgeverij Maya Rotterdam
Bestellen klik hier

Bhai - Dhán ká dukhrá / Rijste Smart

Slechts zij, die uit rijst geboren zijn
Slechts zij, die in rijst zijn opgegroeid
Slechts zij, die door rijst gestorven zijn
Kennen alleen de jammerklacht der halmen.
Want weet, dat iedere groei
in wezen sterven is
en iedere bloei vergaan.
Zo weet dan ook, dat iedere oogst
zeer smart'lijk is.

Polder Nickerie

Gedicht Bhai op rijstmonument Nickerie

Het rijstdistrict Nickerie krijgt in het eerste kwartaal van 2011 een rijstmonument. Dit monument zal komen te staan op het kruispunt van de Oost-West-verbinding waar gewezen wordt naar Nieuw-Nickerie, Wageningen en Coronie. Het monument moet het middelpunt van alle landbouwactiviteiten voorstellen en het harde werken van de Nickerianen benadrukken.

De projectdrager, Ben Mitrasingh, heeft dit project aan de districtsraadsleden overgedragen. Zij moeten dit verder begeleiden en werken aan de realisatie ervan. Het project kost SRD 150.000. Mitrasingh zegt dat Nickerie het hele land van voedsel voorziet en de drijfveer van Suriname is. Het district heeft nog nooit een geschenk gehad dat te maken heeft met rijst of rijstteelt. “Het moet iets voor en van de Nickerianen worden. Iedereen moet het gevoel krijgen dat het monument van hem of haar is. Hoe klein de bijdrage ook zal zijn, het is altijd welkom. Het ontwerp en de flyers zijn al digitaal bewerkt”, aldus Mitrasingh.

Het gedicht ‘Dhán ka dhukrá’ (Rijstesmart) van Bhai (James Ramlall) zal gegrift worden op het monument, waarvan het ontwerp is gemaakt door Henry Mitrasingh. De letters van het gedicht zijn 20 centimeter groot en worden met groen graniet uit Poki Gron gegoten.

Woordvoerder van dr-en rr-leden, Edgar van Genderen, zegt dat districtscommissaris Roline Samsoedien ook betrokken zal worden bij de realisatie van het project. Ook de scholen moeten een bijdrage leveren. Van Genderen zegt dat de Nickerianen gemobiliseerd zullen worden om dit project tot een succes te maken.

[Bewerkt naar een bericht van Wanita Ramnath in Starnieuws, 2 december 2010]

Foto: de zeedijk in Nickerie, @ Michiel van Kempen

Dubbelpresentatie in Leiden


Onder de titel Leiden – de andere zijde van het Koninkrijk – Curaçao worden op woensdagmiddag 8 december twee dichtbundels gepresenteerd bij ‘Bibliotheek plus Centrum voor Kunst en Cultuur’, kortweg BplusC, in de Burchtzaal.

Muziekproject
Deze presentatie zal de banden onderstrepen tussen Leiden en de andere zijde van het Koninkrijk der Nederlanden. Het Koninkrijk kent tenslotte naast Nederland, ook nog de landen Curaçao, Aruba en St. Maarten. De kleinere eilanden Bonaire, Saba en St. Eustatius zijn ‘bijzondere gemeenten’ van Nederland.

Zonder dat wij ons dit realiseren is er al eeuwenlang een komen en gaan van mensen tussen het eiland Curaçao en de stad Leiden. Zo hadden in de negentiende eeuw Nederlandse bestuurders van het eiland, waaronder gouverneurs, hun opleiding dikwijls genoten in Leiden. Tot de eilandbewoners die zich voor langere of kortere tijd in Leiden nestelden, kennis opdeden en weer teruggingen, behoren tal van juristen, medische specialisten en bekende literaire auteurs als Frank Martinus Arion, Boeli van Leeuwen en Aletta Beaujon.

Bij de muziekafdeling van BplusC wordt een bijzonder muziekproject ontwikkeld (combinatie van muziek en Antilliaanse poëzie) om deze verbondenheid een verrassend nieuw cachet te geven. Directeur Willem van Moort zal hiervoor de aftrap geven.


Vaar naar de vuurtoren

Tijdens deze bijeenkomst wordt aandacht besteed aan het literaire werk dat aan de andere zijde van het Koninkrijk wordt geschreven en dikwijls aan deze zijde wordt uitgegeven. De literaire rijkdom wordt tastbaar in een recentelijk verschenen bloemlezing: Vaar naar de vuurtoren; Gedichten over 12 eilanden van het Koninkrijk der Nederlanden. Naast de al genoemde eilanden in de Caribische Zee, kent Nederland nog zes eilanden in zout water: Ameland, Rottum, Schiermonnikoog, Terschelling, Texel en Vlieland. Klaas de Groot bracht dichters van al deze eilanden bijeen. Hij wordt geïnterviewd door Aart G. Broek.



Eerste dichtbundel van Aart G. Broek

BplusC onderkent de inspiratiebron die de eilanden aan de andere zijde van het Koninkrijk kunnen zijn. Dat blijkt uit het muziekproject. Het wordt tevens onderstreept door de presentatie van een nieuwe dichtbundel: Het lichten van de jaren. De auteur Aart G. Broek woonde en werkte twintig jaar op Curaçao en streek vervolgens neer in Leiden. Hij laat de nieuwe bundel los om een eigen leven te beginnen.

U bent van harte welkom op:
woensdagmiddag 8 december
van 16.30 en 18.00 uur
BplusC, locatie Nieuwstraat 4, 2312 KB Leiden
Contactpersoon BplusC
Wilma Raaijmakers
Tel. 071 5168519
w.raaijmakers@BplusC.nl
Graag aanmelden

Meer informatie over de dichtbundels klik hier.


Afbeelding boven: Admiraal Lodewijk van Boisot trekt in 1573 met zijn watergeuzen op naar Leiden dat na een langdurige beleg wordt bevrijd. Boisot laat een groot deel van Zuid-Holland onder water stromen om de Spanjaarden te verdrijven.

Links onderin ligt Delft, waar Willem van Oranje in de Prinsenhof woont, rechtsbovenin is Leiden en daaronder Zoeterwoude waar op 17 en 18 september zwaar is gevochten tegen de Spanjaarden. Daarna ging de tocht verder naar Leiden dat op 3 oktober vrij was. De bastions in het midden zijn in Leidschendam (Veur en Strompwijk) gebouwd. Het dorp Haghe is nu Den Haag.

Zoek de verschillen




Lees hieronder op 1 december het commentaar van Angela Roe! Of klik hier

The Making of Atlantic Transformerz

Charl Landvreugd zal in het SMBA (Stedelijk Museum Bureau Amsterdam) een afsluitende presentatie geven over zijn ervaring als BijlmAIR resident. BijlmAIR, waar Landvreugd van september – december 2010 verbleef, is het artist-in-residence programma van Centrum Beeldende Kunst Zuidoost (CBK Zuidoost), SMBA en Stichting FLAT. Tijdens de avond zal hij zijn nieuwe werk Atlantic Transformerz 2010 tonen en bespreken.

Landvreugd is een Nederlandse kunstenaar, geboren in Suriname en opgegroeid in Rotterdam. Zowel esthetisch als politiek, theoretisch als praktisch is zwart de basis kleur in zijn werk. Na zijn studie aan Goldsmiths University in Londen en Columbia University in New York vervolgt hij zijn onderzoek naar zwart en Zwartheid. Hij kijkt naar de veelvoudige tinten in de kleur en maakt zich hard voor het kunnen onderscheiden van de zwarte diversiteit. Geïnspireerd door de samenkomst van de Afrikaanse diaspora in de Bijlmer verenigt hij de vier continenten rond de Atlantische Oceaan in het videowerk Atlantic Transformerz 2010.

Tijdens de lezing legt Landvreugd verbanden tussen zijn werk en dat van de continentaal Europeese zwarte denkers Frantz Fanon en Edgar Cairo. Hij is geïnspireerd door het concept Ujamaa (extended family), Sun Ra, The Transformers, Star Wars, de 90er jaren club-scene, Bruce Weber’s weergave van het mannelijk lichaam, en de videoclips van Hype Williams. Deze
Afro-Futuristische en post-koloniale elementen vorm en de context waarin men zijn werk kan plaatsten.


Datum: 13 december 2010, aanvang 20.00 uur
Plaats: SMBA (Stedelijk Museum Bureau Amsterdam), Rozenstraat 59, 1016 NN Amsterdam
Tel. 020-4220471
Voertaal: Nederlands

Wan Pipel gerestaureerd


Cineast Pim de la Parra, actrice Eva Dorrepaal en stand-up-comedian Jeffrey Spalburg na de vertoning van de gerestaureerde film Wan Pipel op 28 september 2010 in Utrecht.

woensdag 1 december 2010

Musicus Stan Lokhin overleden

De Surinaamse musicus Stan Lokhin is vanmorgen op 63-jarige leeftijd overleden. De Godfather van de Surinaamse muziek, zoals Lokhin ook wel genoemd wordt, was ernstig ziek meldt Radio Nederland Wereldomroep. In september werd de bekende componist, arrangeur en muzikant nog bevorderd tot Commandeur in de Ere-Orde van de Gele Ster, de een na hoogste Surinaamse onderscheiding.

Speciaal voor hem werd in september het concert A tribute to Stan Lokhin gegeven. Verschillende koren die hij dirigeerde, maar ook solisten en andere muziekformaties, traden op. Lokhin genoot daar zichtbaar van. Halverwege de bijeenkomst werd hij verrast met de Surinaamse onderscheiding.

Lokhin heeft muziek geschreven en gearrangeerd voor verschillende bekende Surinaamse zangers en groepen zoals Oscar Harris, The Twinkel Stars en Lieve Hugo. Hij was onder andere verbonden aan: The Stan Lokhin Band, The Ressurection Singers, The Rhythm Makers, Carmenian Gospel Singers, Billy Jones en Ruth Jacott.

Overhandiging roman Verborgen leegte

Afgelopen vrijdag 26 november werd in het Arubahuis een exemplaar van de roman Verborgen leegte aan de Gevolmachtigde minister van Aruba, dhr. E. Abath overhandigd. De schrijver – Quito Nicolaas – werd alom geprezen voor zijn inzet en om een bijdrage te leveren aan de Arubaanse- en Nederlandse literatuur. Behalve schrijver en dichter, is hij tevens recensent/essayist en verzorgt talloze lezingen in het land. Daarnaast ontving hij een compliment voor dit boek, omdat er nog veels te weinig wordt geschreven over Aruba en San Nicolas. Dit terwijl het eiland een prominentere plaats verdient in de literatuur.





















Een van de sprekers was zijn oud-onderwijzer, dhr. J. Schwengle, toen de auteur in de eerste klas basisschool zat. Dhr. Schwengle vertelde als voormalige Arubaanse onderwijzer over de moeilijke taak die hij had om de leerlingen het Nederlands bij te brengen. Een vreemde taal die de meeste kinderen thuis niet spraken en nergens mee in aanraking kwam. Door gebruik te maken van allerlei hulpmiddelen en gebarentaal, moesten de leerlingen deze nieuwe taal verwerven. Het beheersen van de Nederlandse taal zou hen de toegang verschaffen voor het verdere succes in het leven. De oud-onderwijzer werd op een bepaald moment nogal emotioneel toen hij zich de vraag stelde: “Ik vraag me af hoeveel van m’n leerlingen het ver hebben gebracht?” Hij besloot zijn bijdrage met: “En daarom voel ik mij vanmiddag heel trots dat ik naast Quito Nicolaas mag staan.”

De auteur zelf vertelde over enkele verhaallijnen van de roman. Daarnaast besteedde hij aandacht aan de personages en gebruikte symboliek in het verhaal. Hij gaf het aanwezige publiek mee dat de roman enkele vraagstukken bevat, die binnen de eigen achterban als discussiepunt kunnen worden opgepakt. Op een heel eenvoudige manier wist de auteur te vertellen over het verrichten van de nodige research om het verhaal te kunnen componeren. Niet alleen om de jaren vijftig en zestig te reconstrueren, maar gewoon om te zorgen dat de sfeer klopt. De auteur bleef uitgebreid staan bij het schrijfproces en verhaalde over zijn ervaringen bij het schrijven van deze roman. Tenslotte las hij een fragment voor uit de roman.


Bij deze gelegenheid waren verschillende vertegenwoordigers uit de kunst- en literaire wereld bij elkaar geweest.

Sinterpiet, de Minstrel Show & Blackface



Sinterpiet in Amerika


Hoe leg je aan een Amerikaan uit wat "Sinterklaas" is? Ik woon nu drie-en-een-half jaar in de VS, en wanneer het december wordt en de Sint via Facebook en mijn moeders pepernoten in de post komt binnen rollen, dan wil ik dat wel eens delen met mijn vrienden hier; de controversie van deze gekke traditie die ik als kind ooit zo magisch en spannend vond. Maar de reactie is steeds weer hetzelfde: verschrikte gezichten, verontwaardiging, ongeloof. Zoals mijn vader zou kijken als ik een Sieg Heil-groet zou hebben gebracht. Het is duidelijk, met mijn plaatjes van Sinterpiet raak ik iets aan dat heel taboe is. Blackface, de zwart geschminkte Piet met de rode lippen en pruik met kroeshaar, betekent hier in Amerika iets heel wat anders dan in mijn kikkerlandje… Of niet?

Jim Crow

Met het einde van de slavernij werden in de VS de Jim Crow- wetten ingevoerd, gekenmerkt door een hardhandige segregatie tussen zwart en wit, maar vooral ook door wreed geweld tegen zwarten, en het belachelijk maken van hun leefstijl, hun manieren van doen, en hun ondergeschikte maatschappelijke positie. Net als gedurende de slavernij werden zwarte Amerikanen tijdens de Jim Crow-periode gestereotypeerd als mensen die dom waren, bijgelovig, lui, armoedig, onhandig en luidruchtig; als minderwaardige mensen die nog maar net aan het stadium van de “halve wilde” waren ontsnapt. Deze denigrerende ideeën hadden het destructieve racisme van de slavernij gerechtvaardigd, en rechtvaardigden nu de lynchpartijen van de KKK en de gewelddadige segregatie.

Bij dit stereotype hoort ook dat zwarte mensen een goed gevoel voor ritme en beweging hadden. Ze konden goed dansen en zingen, waren muzikaal, grappig, grollig en bijdehand, en ze hadden soepele, bewegelijke lijven. Gecombineerd met de "domme" dingen die ze volgens het stereotype beeld zeiden en deden, ontstond er een clownesk personage, de coon, dat al snel de kern werd van het eerste Amerikaanse volkstoneel.

De Minstrel Show & Blackface

De "Minstrel Show," waarin dit personage centraal stond, ontstond al tijdens de slavernij. Aanvankelijk werd de coon gespeeld door witte acteurs die zichzelf zwart schminkten in de typische zwarte-pietenstijl: dikke rode lippen, een zwart gezicht, grote rollende ogen, en een pruik met kroeshaar. Na de afschaffing van de slavernij speelden ook zwarte acteurs mee in de Minstrel Show, maar ook zij schminkten zich in Blackface. De karakters die men speelde waren clownesk en grotesk, “zwartheid” werd gereduceerd tot domheid, vrolijkheid, kinderlijke naïviteit, muzikaliteit, en uitbundige lijflijkheid.



Zoals het een goede klucht betaamt weer altijd dezelfde rollen neergezet; de slaaf, de dandy, de mammy a.k.a. de moederlijke huisslavin die met de pollepel regeert, en de sensuele mulatto verleidster. Deze personages dansten, zongen, en stampten een vaudeville-cabaret bij elkaar met komische sketches, parodieën en burlesk in “neger-engels”. Vaste onderdelen waren de bijdehante grappen, de sketches over de plantage, en zwarte muziek, zoals de spirituals en de stomps.

Hoogtij


Tijdens het Jim Crow-tijdperk beleefde de Minstrel Show met het Blackface haar hoogtijdagen. De muziek- en cultuurindustrie draaide meer dan een eeuw lang om de parodies op het zwarte Amerikaanse volk, dat sinds de afschaffing van de slavernij nog maar net als voor-de-wet-volwaardige burgers deelnam aan de Amerikaanse natie. Door die overweldigende populariteit breidde het Blackface zich ook uit naar 19de-eeuws Europa, waar de meest succesvolle Minstrel-showgezelschappen voorstellingen gaven in de grote steden. Hiermee sijpelde het Blackface als theatrale traditie voorzichtig door in de Europese theaterkunst. Aangezien Europa geen slavernij op eigen bodem kende zoals in de VS bleef de populariteit aanvankelijk beperkt, maar het stereotype van de "coon" werd opgenomen door de film-, cartoon- en reclame-industrie, die al snel een wereldwijd bereik kreeg.

Verborgen Ideologie


De Minstrelshows werden onder andere gecreëerd door de voorstanders van de afschaffing van de slavernij. Enerzijds gaven de Minstrelshows inzicht in het leven van zwarte mensen, wat vele witte mensen niet uit eerste hand hadden. En de shows leverden in hun parodieën op het leven van slaven tot op zekere hoogte ook kritiek op de slavernij. Maar desalniettemin was de coon een verlammende parodie, die zwarte Amerikanen bevroor in de stereotypes van de sobere, armoedige lifestyle, de zingende en dansende "neger," en de "natuurlijke" domheid en klunzigheid die hen minder waardig maakte aan de witte bevolking. En daarmee paste de Minstrelshows precies in de verborgen ideologie van het Jim Crow-racisme; het opnieuw bevestigen van de superioriteit van de witte bevolking, juist nu de slavernij niet langer bestond.


Taboe

De Civil Rights Movements van de jaren 60 maakten een einde aan het Jim Crowism, en daarmee ook aan de Minstrelshows. De shows waren sinds het begin van de 20ste eeuw al vervangen door andere theatervormen, en vooral door de filmindustrie. Blackface werd iets voor het amateurtheater, voor studente verenigingen en familiefeestjes. Maar de emancipatiebewegingen van de jaren 60 maakten korte metten met de gehele traditie. Het was klaar, afgelopen met de coons. De meer dan anderhalve eeuw van dit denegrerende volksvermaak is een traumatische ervaring geweest voor zwarte Amerikanen, waar men niet graag naar teruggrijpt. Het is daarom best begrijpelijk dat mijn Amerikaanse vrienden niet warmlopen voor Zwarte Piet. Blackface is vandaag de dag buitengewoon politiek incorrect in Amerika - een taboe dat je niet makkelijk aanraakt. Dus de Sint? Die zou nog wel binnen kunnen komen in hier. Maar Piet? Nee. Die niet.


Angela E. Roe, M.A. is een doctoraalstudent Culturele Antropologie aan Florida International University, Miami (USA). Haar onderzoek betreft racisme als koloniale erfenis in de Nederlandse Caraiben.

Presentatie literaire reisgids Paramaribo


Paramaribo brasa! [Ik omhels je, Paramaribo] is een bijzondere reisgids, die laat zien wat de Surinaamse hoofdstad betekent voor het werk van schrijvers en hoe de stad doorklinkt in de romans, verhalen en gedichten van Surinaamse en Nederlandse schrijvers. Kern van Paramaribo brasa! is een literaire stadswandeling, waarbij de belangrijkste schrijvers van vroeger en nu worden besproken en geciteerd, van Albert Helman tot Cynthia Mc Leod, van Bea Vianen tot Clark Accord, van Ischa Meijer tot Anil Ramdas. Met bijdragen van John Jansen van Galen, Nancy de Randamie, Michiel van Kempen, Patrick Meershoek en Els Moor. Zij gaan in op typische Surinaamse kwesties, zoals de Decembermoorden van 1982 en de verwerking daarvan in de Surinaamse literatuur.


Clark Accord, foto @ Koos Breukel

Het boek wordt geïntroduceerd door Noraly Beyer, waarna zij samensteller Ko van Geemert en medewerkers aan het boek Michiel van Kempen en Patrick Meershoek zal interviewen. Na de pauze lezen Karin Amatmoekrim en Antoine de Kom voor uit eigen werk.

Datum: vrijdag 3 december 2010
Aanvang: 20.00 uur
Plaats: Vereniging Ons Suriname
Hugo Olijfveldhuis
Zeeburgerdijk 19-A
1093 SK Amsterdam
Tel: 020 - 693 50 57
Toegang gratis