zondag 2 januari 2011

Bewaren, vergeten en betekenen


door Gerard Boon


“Voor wie ik liefheb, wil ik heten”Neeltje Maria Min


De gouden koets waarin het staatshoofd jaarlijks in september door Den Haag rijdt werd in 1901 in gebruik genomen. Een beschilderd paneel aan de zijkant toont de Koningin als heerseres van ‘de West en de Oost’. Zo werden onze koloniën toen genoemd. Nederland had drie eeuwen lang ‘overzeese gebiedsdelen’, als onderdeel van een Europese expansie die later, in andere vormen, door de VS en China werd overgenomen.

Susan Legêne werkte tussen 1997 en 2008 als hoofd Museale Zaken van het Tropenmuseum (KIT) in Amsterdam. Haar elegant geschreven, erudiete boek Spiegelreflex is een coherente reflectie op dat werk. Naast verzamelen, bewaren en interpreteren gaat het ook over vergeten. De stelling van de schrijfster is dat de Nederlandse cultuur zich in veel opzichten ontwikkelde als een koloniale cultuur en dat de sporen daarvan in de huidige samenleving doorwerken. Aan de hand van honderden bewaarde voorwerpen schildert ze verhalen die daaraan vastzitten tegen het decor van die geschiedenis. Ik vind dit een interessant onderwerp omdat ik me als semiotisch econoom altijd heb afgevraagd wat die spullen van ons nou eigenlijk betekenen.

Verzamelen

Verzamelen is menselijk maar had voor de uitvinding van de landbouw een heel ander karakter dan na de industriële revolutie. Sinds 1800 was er een explosie van waren en rijkdom wat tot een zich steeds wijder verbreidende verzamelcultuur leidde. Met de toename van het overschot boven het noodzakelijke, zien we bij spullen een verschuiving van het belang van het gebruik naar de betekenis, van de gebruikswaarde naar de vertoning, van denotatie naar connotatie. U draagt die bontjas toch niet alleen tegen de kou, mevrouw?

Carry van Bruggen (rechts een portret van Annie de Meester) onderscheidt in Modern Fetisjisme (1925) wat betreft de aankoop van niet noodzakelijke spullen twee redenen. Ten eerste de kuddedrift: “Elk ding is goed, als het maar zichtbaar is, als men het maar iemand kan aan-zien, zodat het hem aan-zienlijk maakt ... Het hoeft niet redelijk, niet verstandig, niet mooi, niet gezond, niet aangenaam, niet gemakkelijk te zijn, maar liefst wel duur, zeldzaam en gecompliceerd, dat wil zeggen heel moeilijk na te apen ... De glorie van de door anderen vervaardigde schilderijen, door anderen geweven tapijten, door anderen gebouwde huizen, vertoont zich als een aureool om het hoofd van de toevallige bezitter .. Het verborgen doelwit is altijd zelfophemeling en zelfrechtvaardiging”. Naast deze drift om te laten zien dat je kan meedoen met je stand, je kudde en klasse, onderscheidde Carry van Bruggen nog een andere reden om geld uit te geven aan dingen die niet echt nodig zijn voor het fysieke overleven: “De distinctiedrift, de drift om je te onderscheiden ... Aan deze nimmer aflatende dorst danken we de dolzinnige luxe, de mode-mallemolen van onze tijd.” Ze noemt als voorbeelden kunstschatten, parelsnoeren en het toerisme. ”Eerst hebben we de afgod zelf gemaakt, daarna zijn we hem gaan aanbidden!”

Volkenkundige collecties werden eerst grotendeels door particulieren bijeengebracht. In de negentiende eeuw kwamen er veel musea, voor een deel gewijd aan de koloniën. De collecties groeiden mee met de ontwikkeling van de Nederlandse overzeese relaties. Ze vormen een geschiedenis van uitwisseling, classificatie, interpretatie en toe-eigening, een selectief proces, zowel ten aanzien van wat werd verzameld als hoe de collecties werden geïnterpreteerd. Daarbij wisselde voortdurend het perspectief.

Bewaarde voorwerpen zijn een bron van contact met het verleden. Dingen uit de natuur, archeologische vondsten, antiquiteiten, rituele objecten, gebruiksvoorwerpen, souvenirs, schilderijen, batik, kwartetspelletjes, standbeelden. Ook officiële documenten, reisverslagen, romans en foto’s zijn historische bronnen. De liefdevol verzamelde en zorgvuldig bewaarde dingen zijn echter niet eenduidig. Integendeel, hun betekenis wisselt per groep en per tijdperk. Wie voor de tweede maal in een rivier stapt, stapt niet in dezelfde rivier; wie voor de tweede maal naar een gebouw of foto kijkt, ziet iets anders dan de eerste keer. Een feit is alleen een feit in het licht van een theorie en betekenis bestaat slechts binnen een interpretatiekader, een code.
Bovendien, als je het over het herinneren hebt, mag je het vergeten niet overslaan. Zelfs bij schriftelijke bronnen staat er niet alleen wat er staat. Men kan drie vormen van vergeten, van stilte, onderscheiden. Zo gaan archiefstukken niet over zaken die de opsteller onbekend waren. Ze gaan evenmin over zaken die hij niet kon opschrijven omdat hij er geen woorden voor had, bijvoorbeeld omdat het schaamtevol was, of geheim. En ze gaan niet over het volstrekt vanzelfsprekende, waarvan de auteur vindt dat hij het niet hoeft uit te leggen omdat hij denkt dat iedereen het wel weet.

Borduren

De geschiedenis van de slavernij is een voorbeeld van dit zwijgen en verzwijgen, van taboe en ontkenning. Dat komt naar voren in het woord ‘stille’ in de titel van de roman van Albert Helman uit 1931: De Stille Plantage. Praten over de slavernij was in Nederland tot 1850 grotendeels taboe. Maar in 1794 borduurde Louise van Ommeren-Hengevelt een tafereeltje, met daarbij een gedicht en haar handtekening. De afbeelding toont drie personen aan een tafel waarop een muis in een kooi zit. Uit het gedicht blijkt dat met die muis een slaaf bedoeld werd. Het borduurwerk is een protestprent tegen de slavernij.



.

Mevrouw van Ommeren was getrouwd met een geslaagd zakenman en verkeerde in de meest verlichte en vooruitstrevende kringen, geïnspireerd door de Franse revolutie met de idealen van vrijheid, gelijkheid en broederschap. Maar zelfs zulke dames zaten als het ware zelf ook in een kooitje en werden zich daarvan meer bewust. Ze mochten niet stemmen, geen verzoekschriften ondertekenen en geen functies bekleden in comités. Maar wat je ook over vrouwen zou willen of kunnen beweren, borduren mochten ze meestal overal wel. Zo vond een deel van de Nederlandse beweging voor de afschaffing van de slavernij plaats in de privésfeer, binnen het huishouden. Zoals met dit borduurwerk. Vrouwen morrelden voorzichtig aan de beperkingen die hen in het maatschappelijk leven waren opgelegd. Ze toonden hun eigen mening door sinds 1789 in huis affiches op te hangen tegen de slavernij, ze droegen armbanden, haarspelden of kettingen met beelden van geketende, knielende slaven, aten van borden met christelijke teksten tegen de slavernij en dronken uit kopjes waarop een slaaf werd gegeseld. Na de afschaffing van de slavernij in 1863 verdwenen in musea dingen die daaraan herinnerden naar de depots.

Zending en fotografie

Bewaarde voorwerpen kunnen naast hun gebruik ook andere betekenissen dragen. Maar bij schilderijen of foto’s zit het gebruik alleen in de vertoning. Toch staat de betekenis van afbeeldingen net zo min vast; het is maar hoe je ernaar kijkt. Wat was de relatie tussen de fotograaf en de gefotografeerde, wat werd gekozen (en wat werd weggelaten), wat was het moment van de opname, wat gebeurde er later met de foto? Net als andere dingen verandert een foto vaak van plaats en kan hij worden meegenomen door de tijd. Een afbeelding van een groep Surinaamse vrouwen op een expositie uit 1895 vertelt een heel ander verhaal dan dezelfde foto in een hedendaags overzicht van de Surinaamse literatuur.

Tussen 1873 en 1916 werden 34.000 contractarbeiders uit India naar Suriname overgebracht. Hun komst viel samen met het begin van de fotografie Voor 1945 had vrijwel iedereen in Nederland een familielid die in de koloniën werkte. De Deense grootvader van de schrijfster was zendeling, hij probeerde in Suriname Hindoestaanse (in het boek steeds Hindustaanse genoemd) contractarbeiders tot het protestantisme te bekeren en stichtte het tehuis voor Hindoestaanse kinderen in het Surinaamse Alkmaar. Ter voorbereiding op zijn taak als zendeling maakte hij in 1913/4 een studiereis van zes maanden naar India. De reis en zijn eerste verblijf in Suriname, van 1917 tot 1923, resulteerden in twee fotoalbums. De foto’s werden gebruikt in het kader van de zending. Dat ging door toen Legêne in Nederland als secretaris van het Zeister Zendingsgenootschap tussen 1931 en 1954 tientallen preken, reisverslagen, kinderboeken en romans publiceerde. Ze werden in hoge oplagen door Protestanten gelezen. Dezelfde foto’s werden vele malen gebruikt in steeds andere verhalen, een foto van een naamloze man kon in het ene verhaal een Moslim, en in een ander betoog een Hindoe voorstellen. De beelden werden natuurlijk wel vooral gebruikt om te preken over de eigen beschaving.


Batik

Batik is de bekendste Indonesische decoratietechniek Tegenwoordig exporteert het Helmondse bedrijf Vlisco het op grote schaal naar Afrika. Zoals bij het Nederlandse borduren rond 1800 al bleek, kan ook textiel een drager van koloniale geschiedenis zijn. De oosterlingen op het zijpaneel van de gouden koets zijn gekleed in batik. Batik heeft altijd vele betekenissen gehad, verbonden aan de techniek, de afgebeelde motieven en patronen, of wie het doek maakte, droeg of bewaarde. Met de veranderingen van de economische verhoudingen tussen Nederland en Indonesië en het daarmee veranderde personenverkeer tussen het moederland en de kolonie, veranderde na 1815 ook de waardering van batik een keer of vijf. Batik stond achtereenvolgens symbool voor een techniek, een kledingstuk, een waar, een sociaal gegeven en een collector‘s item. Zo wordt in een standaardwerk uit 1898 het batikambacht ten voorbeeld gesteld voor het Nederlandse borduren. “Wie de losse gemakkelijkheid waarneemt waarmee die lenige inlandsche arm alles regeert, zonder aarzelen, zonder peuteren, half onder het praten met de gezellinnen door, moet erkennen dat het arbeiden van deze eenvoudige Javaansche vrouw in verre in gehalte wint van het Europese handwerk: dat priegelende geprik, wat geketend is aan zijn eigen teuterige techniek.“
In 2009 werd door de Unesco batik op de lijst van mondiale immateriële erfgoederen geplaatst. Uitgangspunt was daarbij de erkenning van de betekenis van batik voor Indonesië: als cultuur, als ambacht, als mode, als levensbeschouwing, als ‘economisch goed’, toeristische attractie en als geschiedenis.

Kwartetten

En toen was er lesmateriaal. Zoals Helman in 1925 opmerkte, een plaatje in een aardrijkskundeboek kan een kind levenslang op het foute been zetten. Als onderdeel van een educatieve reeks gaf het Koloniaal Instituut, de voorloper van het KIT, in 1942 (!) een kwartetspel uit. Kwartetten is een kaartspel dat vroeger vaak in de huiselijke omgeving gespeeld werd. De bedoeling van het spel is om door onderling ruilen vier kaarten van een serie bij elkaar te krijgen. Bij dit “Insulindekwartet” waren er bijvoorbeeld series over nijverheid, woningen, wapens, schepen en de natuur. Wie het spelletje speelde kreeg zo steeds een selectie, een canon, van plaatjes over Indië onder ogen. Het was een soort kolonialisme als spel, op afstand.
Wat daarbij achteraf opvalt is dat er op geen enkel plaatje een verwijzing naar de Europese aanwezigheid voorkomt. De gekozen beelden zijn traditioneel en ‘tijdloos’. Bij de wapens geen geweer, bij de boten geen stoomschip, bij de transportmiddelen zelfs geen fiets. Ogenschijnlijk actueel presenteerden de kaarten met elkaar een apolitiek heden dat buiten de ontwikkeling stond. Iedere keer als een gezin in de moeilijke bezettingsjaren en later met het invallen van de schemer rond de tafel zat en de kaarten geschud en rondgedeeld werden, lag er een samenhangend beeld op tafel van de traditionele Indonesische cultuur. Men had deze miniatuurversie van de kolonie, een vorm van propaganda, eigenlijk een dagdroom, in eigen hand.
Afbeeldingen van mensen in het spel zijn vier ‘volkstypen’ die trouwens als onderdeel van de afdeling ‘natuur’ worden opgevoerd. Het zijn vier momentopnames van contact tussen de betrokkenen en hun fotografen, gemaakt in geheel verschillende tijden en streken. Het is en was bekend wie deze personen waren, maar hun naam en hun uiteenlopende historische en persoonlijke achtergronden worden bij het spel niet vermeld. Hun individualiteit werd veranderd in een generaliserend beeld. Dit viertal doet de enorme verscheidenheid van culturen en volkeren in het eilandenrijk tekort. De verscheidenheid paste zo beter in ons doosje.

Na de onafhankelijkheid van Indonesië in 1945 verdwenen herinneringen aan Indië in musea naar de depots. Er veranderde veel, men zegt wel: “Indië verloren, ontwikkelingshulp geboren”.

Uitburgeren
Het is met de verwerking van dragers van betekenis en herinneringen -net als met de bevolking van een gebied of het personeelsbeleid in organisaties- altijd een kwestie van instroom, doorstroom en uitstroom. Maar bij de koloniale erfenis gaat het niet alleen over souvenirs en hun geschiedenis van betekenissen, maar ook over mensen.

Jan (Jean Theodoor) Toorop (1858 – 1928) werd geboren in een Indisch milieu in Purworedjo op Java. Hij had Javaanse, Chinese, Brits-Indische en Noorse voorouders. Toen hij 14 was ging hij naar Nederland en hij ging nooit terug. Hij werd een beroemd schilder en illustrator. Vanwege zijn reclameplaat voor sla-olie heet de Jugendstil (Art Nouveau, Secession, Arts and Crafts) in Nederland sla-oliestijl. Ook maakte hij het omslagontwerp van de roman Metamorfoze van Couperus, een boek dat zelf ook vol verwijzingen staat naar voorwerpen, geuren, omgangsvormen en gewoontes in Nederlands-Indië. De receptie van het werk van Toorop is een voorbeeld van de stelling dat men in verschillende tijden dezelfde dingen heel anders kan waarderen. In vijftien tentoonstellingen van zijn werk tussen 2001 en 2009 wordt zijn Indische achtergrond en eventuele Indische invloeden op zijn werk nauwelijks vermeld. Dat is vroeger wel anders geweest.
Maar Toorop is ook een vroeg voorbeeld van de bekende stelling: “Wij zijn hier omdat jullie daar waren.” Voor de tweede wereldoorlog werden sommige koloniale onderdanen, zoals de Javaan Sewardi Soerjaningrat en de Surinamer Anton de Kom, vanwege hun antikoloniale opvattingen naar Nederland verdreven. Maar Europeanen in de tropen hebben daar toen niet alleen de economie van zichzelf en het Moederland bevorderd, of souvenirs verzameld. Mannen hebben ook nageslacht veroorzaakt: halfbloeden, Indo’s, Creolen, in het boek Afro-Surinamers genoemd.
De staatkundige onafhankelijkheid van Indonesië in 1945 en van Suriname in 1975 leidde tot een grote exodus naar het moederland, voor een deel gedwongen, voor een deel gewild. Deze landgenoten hebben de koloniale geschiedenis anders beleefd en wensen vaak niet mee te doen aan gangbaar pijnlijk zwijgen. Zo wordt ons opnieuw een spiegel voorgehouden. Het viel bijvoorbeeld op dat de geschiedenis van de slavernij tot voor kort geen plaats had in het historisch debat of het onderwijs. In de laatste tien jaren werden er verschillende nieuwe gedenktekens en standbeelden opgericht, voor Gandhi bijvoorbeeld. In Den Haag worden jaarlijks Indische studiedagen gehouden. Daar spraken in 2004 jongeren van de derde generatie over “uitburgeren”. Men zag wel wat in het eigene van de Indische groep, als een internationaal profiel dat niet louter met Nederland verbonden hoeft te zijn. Wellicht, zo werd gesteld, is ‘de drang tot uitburgeren … een teken dat men is ingeburgerd’. In dezelfde maand viel bij Indische Nederlanders in Amsterdam een officiële uitnodiging in de bus om Nederlandse taalcursussen te komen volgen. De minister van Vreemdelingenzaken en Integratie verklaarde verder dat Nederlanders in de openbare ruimte uitsluitend Nederlands behoren te spreken.

Spiegelreflex; Culturele sporen van de koloniale ervaring
Susan Legêne
2010 uitgeverij Bakker
ISBN 978 90 351 33556
294 bladzijden

[ook verschenen in het winternummer van Oerdigitaalvrouwenblad]

René van Nie - Mooie jaarwisseling

Een mooie herinnering is goud waard. Als het leven ons goed gezind was, bezitten we een ketting van goud aan mooie herinneringen. Zo niet dan dragen veel mensen een ketting van prikkeldraad met zich mee omdat ze geplaagd worden door een teveel aan hartverscheurende herinneringen. Maar aan elke gouden ketting ontbreekt ook wel een schakel en elke ketting van prikkeldraad heeft hier en daar wel een gouden tussenstukje. Zowel het een als het ander dringt zich veelal op tijdens de jaarwisseling. We sluiten een jaar af en een deel van leven. Want elk jaar is ‘n jaar en daar hebben we er normaal gesproken niet zoveel van voorhanden. Toch wil, wie jong is, graag een jaartje of meer ouder zijn en wie oud is, graag een jaartje of meer jonger. Ik dring bij voorkeur zowel het goud als het prikkeldraad naar de achtergrond. Op een gegeven moment draag je zoveel aan herinneringen mee dat je bijna niet anders kan dan daar een punt achter te zetten. Of het leven moet je zo vreselijk in de maling hebben genomen dat je daar, ongeacht je leeftijd, nooit meer van los komt en het verlies van wie je dierbaar was, een open wond is die nooit zal helen. En voor deze mensen kan de jaarwisseling een hel zijn waar ik, terwijl de vreugdevuren in de lucht vervliegen, toch altijd even bij stil sta. Daarom houd ik er persoonlijk niet zo van om het eind van het een en het begin van het ander te vieren en heb ik in mijn leven maar één jaarwisseling mee gemaakt die mij écht gelukkig maakte. Zo’n twintig jaar geleden, net gehuwd en nog kinderloos, zaten mijn vrouw en ik op de porch in afwachting van de klok van twaalf toen er een klein vogeltje ons huis binnen vloog. Het beestje fladderde even doelloos in het rond, knalde toen tegen de muur en viel achter de ijskast. “Oh nee”,riep mijn vrouw, “dat arme beestje.” Maar je kan toch moeilijk een beetje vrolijk het nieuwe jaar in gaan als je weet dat er achter de ijskast een zielig vogeltje op sterven na dood is. Dus begon ik aan een soort van reddingsoperatie. Helaas stond de ijskast muurvast ingeklemd en moest er een koevoet aan te pas komen om de kolos naar voren te schuiven. Jammer genoeg sprong de deur open en rolde de inhoud naar buiten. Alle flessen kapot en wat eetbaar was, zat onder de wijn, mayonaise, aardbeien, jam en ander ongemak. Een niet geringe puinhoop die ik eerst moest opruimen voor ik verder kon gaan. Bang dat er nog meer ongelukken konden gebeuren, raadde ik mijn vrouw aan op bed televisie te gaan kijken want daarbij was haar ‘oh’ en ‘ah’ en ‘wat vreselijk’ ook niet bevorderlijk voor mijn humeur. Ze verdween en ik ging weer aan de slag. Ruim een half uur later kreeg ik genoeg ruimte om het vogeltje op te pakken. ‘Dood’, dacht ik even. Maar toen vloog het beestje opeens weg uit de palm van mijn hand, knalde opnieuw tegen de muur en kwam nu onder de zware ijskast terecht. “Het is bijna twaalf uur schat,” riep mijn vrouw uit de slaapkamer. Maar die informatie liet ik aan me voorbij gaan en ik ging opnieuw aan de slag om dat stomme beest te redden. Een hels karwei dat zeker weer een half uur duurde. Met geschaafde handen kreeg ik het vogeltje uiteindelijk te pakken, liep er snel mee naar buiten maar kon me niet voorstellen dat er nog enig leven in zat. Ik opende de palm van mijn hand maar er gebeurde niets. ‘Dood als een pier,’ ging het door mijn hoofd. En toen, als een klein wonder, gingen de oogjes van het vogeltje weer open, schudde met de vleugeltjes en vloog weg. Maar draaide, -was het uit dank?- nog even een rondje boven mijn hoofd en verdween in de tropennacht. “Gelukkig Nieuwjaar,” riep ik nog. Toen ik terug kwam in huis lag mijn vrouw in een diepe slaap. “Ook jij een gelukkig Nieuwjaar schat,” fluisterde ik.
Terug op de porch trakteerde ik mezelf op een lauw biertje. Dat niemand mij een gelukkig Nieuwjaar had gewenst deed niets af aan mijn geluk. Want ik had mezelf geen beter nieuw jaar kunnen wensen.

[van Amigoe.com, 31 december 2010]

‘Kas di Kultura serious unhealthy organization’

Willemstad — Kas di Kultura is a serious unhealthy organization, where there is no perception on the financial management and personnel members are sexually intimidated. This appears from the report by Drs. Philomena van Veen of DEA Consultancy on Kas di Kultura. The previous board had recruited Van Veen to analyze the situation within the institute. Since December 2nd, the new board runs the daily management of the institute. Director Cheraldine Osepa is at home because a majority of the personnel has no confidence in her.

The literal definition, which Van Veen uses with her sketch of Kas di Kultura, is as follows. “In serious unhealthy organizations the inner control is disorganized; the collective conscience no longer functions well. This conscience tells us what is ‘good’ and what is ‘evil’, gives insight into the consequences of everyone’s performance, and arranges for self-correction. In Kas di Kultura, there is a question of an unhealthy situation as described in abovementioned sketch. The arrival of a new director has a negative effect, which is expressed in hostile feelings from co-workers and a possible incompetence to perform adequately.”

Osepa found an organization lacking clear administrative procedures, the personnel file had not been kept up to-date at all, a main archives and minutes of meeting were lacking, and the personnel had behaved licentiously as regards finances. There were also indications of several very disturbed relations. From confidential conversations with personnel members, Osepa concludes female personnel members were intimidated. There was also a question of favoritism, indoctrination and brainwashing during meetings. The number of personnel on the sick list was high, and often related to stress.

Osepa succeeded the current minister of Education, Science, Culture and Sports, René Rosalia (PS) per September 1st last as director of Kas di Kultura. According to Van Veen, it’s difficult to find a successor for Rosalia, who had founded the institute. According to the expert, the recruitment and selection committee made a mistake by appointing Osepa. That appears from Osepa’s defense, which can be read online on http://korsou-ta-papia.weebly.com/. An anonymous co-supporter of the suspended director has published the document. The personnel rather see Osepa go than stay.

[from Amigoe, Friday, 31 December 2010]

René Magritte & Kurt Nahar


René Magritte
La Trahison des Images of Ceci n'est pas une pipe
1928-9



Kurt Nahar
This is not a chair
Mixed media on canvas
44 x 45 cm
(Readytex Art Gallery)

Ed Hart - Libi

Di a ben de na LIBI, a ben LIBI na Konasi, ini wan bigi oso nanga en trow uma nanga drie ptjien.

Baka wan tu yari a bigin hori nanga wan tra uma. Di na trow-LIBI kon pori so té, dan a gwe LIBI a trow uma nanga den ptjien. A go seti LIBI nanga na tra uma. A no drai luku den moro.

Na trow uma ben mu froisi. Na so a kon miti nanga pina LIBI, tranga wroko, en watra ai. Soso sorgu fu den ptjien.

Ma na njun LIBI fu a man, no waka bun srefi srefi. Baka di a kon lasi moni, nanga sa a ben abi, a tra uma gwe LIBI ing safri. Dan na man disi bigin fadon dipi, te a kon tron sopiman. Tef’keba a feni en srefi té na lansi-gron.

Ma Gado kon tja jepi gi a fosi uma. A kon feni wan bun masra, yepi sorgu ing nanga den ptjien. Te den kon wini wan Brakke-loterij moni.

Naf’si san kan miti sma ini den LIBI. Bun nanga ogri. Sonten na wan LIBI-LIBI sari, fa pori LIBI e LIBI dipi marki ini a LIBI fu LIBI sma.
.

Foto: Gail Kauw A Tjoe

Kenneth Zandvliet - Snow in Paramaribo

Wanneer alles wat je ziet een stilleven lijkt te worden en de indrukken je inspireren en domineren. Dit gevoel ontstond bij mij op een septembermiddag (2005) in Paramaribo.



Kussend tegen een fajalobistruik balanceert elegant een kolibrie op het zuchten van de tropenwind

De prille augustuszon breekt door tussen de palmen en poetst het blad van de trotse amandelboom

Langzaam danst de schaduw van een kind over een zandpad

Tegen het terras van Krasnapolsky verzonken in het rumoer en gezoem hoor ik het gerinkel van flessen op de schaafijskar

Ys! Krachtig geschaafd tot het witte, schone, bevroren poeder, heilig platgestampt als een sneeuwbal, vermengd met een laagje zoet, mijn zoete rode sneeuw, hier bij de domineestraat

Plotseling buldert mijn buurman een lach die beweging brengt op het gelaat van een toerist en hem even kort doet stoppen, waarna hij met rasse schreden zijn gang weer voortzet

Terwijl een bedelaar elders, speels zijn dollars ontvangt met een gouden lach

En een dame haar gekunstelde haardos beschermt met een veel te grote felgekleurde paraplu en wandelt alsof ze een dansje maakt met alle hemellichten boven Paramaribo

Om de hoek spelen schoolkinderen in uniform een spel met vakken, zo lenig en zo snel, een zo amusant schouwspel

Daar, in de verte, lopen twee mannen, grijs, zo stil en lijken de tijd alsmaar langer en langer te maken

Open, blij en verrast, onderga ik de beleving en de betovering van dit nieuwe bestaan

Zelfs de klanken van de kaseko, aan de overzijde, doen een verborgen ritme in mij opkomen
Ik open mijn nieuwe tropenziel en vind in alles een beetje van mijn zijn, voldaan en tevreden neem ik een lik van mijn schaafijs en slenter kalm verder in het ritme van de meute in de domineestraat.

Paramaribo, 21 september 2005
.

Taalpeilonderzoek november 2010

door Lila Gobardhan-Rambocus

Voor de zesde keer - elk jaar in november- verscheen Taalpeil. Deze keer had de presentatie plaats in Gent in het kader van het 30-jarig bestaan van de Nederlandse Taalunie aan het begin van de jaarlijkse conferentie Het Schoolvak Nederlands, dat afwisselend in Nederland of Vlaanderen gehouden wordt.

Uit een onderzoek in Taalpeil met betrekking tot het onderwijs Nederlands in Nederland, Vlaanderen en Suriname kwam naar voren dat de ondervraagden in Nederland en Vlaanderen vinden dat er meer aandacht zou moeten zijn voor schrijfvaardigheid en spelling in het onderwijs, terwijl mensen in Suriname aangeven dat juist luisteren en spreken meer aandacht zouden moeten krijgen. Voor Vlaanderen en Nederland geldt: ‘correct leren schrijven en spellen 80%; met begrip leren lezen 70%; met begrip leren luisteren 70%.’ Surinaamse leerlingen zouden beter moeten leren luisteren en spreken (‘met begrip leren luisteren 90%; een correcte uitspraak 85% en spreken in het openbaar 85%’).
.



Omdat het Surinaamse deel verrassend anders is, vroeg de Taalunie mij om aan het begin van het congres (deelnemers voor een groot deel leraren Nederlands in het voortgezet onderwijs) vanuit de Surinaamse context een verklaring te geven. Het verzoek was ook hiernaast aan te geven wat leraren Nederlands in het voortgezet onderwijs in Suriname bezighoudt. Welke thema's spelen in Suriname? De tekst volgt hieronder.

Ik zal meteen ingaan op het zojuist genoemde verschil tussen mensen in Suriname en mensen in Nederland en Vlaanderen. Dat mensen in Suriname, anders dan in Nederland en Vlaanderen, aangeven dat juist luisteren en spreken meer aandacht zouden moeten krijgen dan schrijfvaardigheid en spelling lijkt me niet vreemd. In Suriname brengt men dagelijks veel meer tijd zoet met luisteren en spreken dan op het internet bijvoorbeeld. Het internet is bij ons namelijk nog relatief duur, waardoor maar een zeer beperkt aantal huishoudens (nog geen 30 %?) een eigen internetverbinding heeft. Hoewel leerlingen, vooral in het voortgezet onderwijs, veel gebruik maken van cybercafés en van hun mobieltjes, zijn ze na school nog veel meer bezig met radio en tv, die zeer populair zijn in Suriname. Er zijn ook jeugdprogramma’s, waaraan de jeugd meedoet, we hebben een jeugdparlement , er zijn veel populaire opbelprogramma’s, enz. In aardig wat huishoudens staat de radio of de tv vrijwel de hele dag aan. De meeste kinderen groeien er dus mee op.

En dan hebben we nog de Surinaamse politieke cultuur. Onze politieke cultuur is er vanouds een van toespraken. Wie het beste praat, krijgt de meeste aanhang. Vooral charisma telt. Een beetje zoals in Amerika. Welsprekendheid wordt nog steeds door vrijwel elke Surinamer zeer op prijs gesteld. We drijven zelfs de spot met onze hang naar welsprekendheid. Bij massameetings van welbespraakte politieke leiders hoor je mensen vaak verzuchten: ‘Ai baya, a man e tak’ bun’. (Wauw, wat kan die man praten!) En dat terwijl hij best een aantal woorden gebruikt heeft, dat de grote massa waarschijnlijk niet begrepen heeft. Het is dan ook geen wonder dat de jeugd van generatie op generatie de kracht van het gesproken woord, zo op prijs blijft stellen.

Een volgend belangrijk punt in mijn verhaal is het feit dat onze samenleving multicultureel is, maar multicultureel op een andere manier dan Nederland en Vlaanderen. In Suriname zijn grote groepen mensen uit Afrika en Azië letterlijk overgeplant. En deze culturen hebben voor een groot deel hun orale tradities behouden: nog steeds worden er verhalen van vroeger verteld en we hebben zelfs een Tori-oso (letterlijk een huis van verhalen), waar maandelijks dichters en schrijvers bij elkaar komen en hun verhalen en gedichten aan elkaar en aan een belangstellend publiek laten horen.

Ik heb het gehad over de complexe taalsituatie. Ter illustratie wil ik nog het volgende vertellen: er worden meer dan twintig talen gebruikt, waarvan zeker vijf met een relatief groot aantal sprekers. Welnu, vanwege deze complexe taalsituatie zijn veel personen onzeker over hun Nederlands taalgebruik. Zeker als ze uit homogene gebieden afkomstig zijn, zoals uit het binnenland van Suriname, waar het Nederlands, de officiële taal in Suriname, meestal alleen op school gehoord en gebruikt wordt. Dit zijn ook redenen voor het grotere belang dat de mensen in Suriname hechten aan luisteren en spreken.

En zo zou ik natuurlijk door kunnen gaan met u te vertellen waarom ik denk dat de mensen in Suriname anders dan in Nederland en Vlaanderen, aangeven dat juist luisteren en spreken meer aandacht zouden moeten krijgen dan schrijfvaardigheid en spelling.

Maar u zult het waarschijnlijk ook interessant vinden te horen wat leraren in Suriname, in het bijzonder leraren Nederlands over het Nederlandse taalonderwijs denken, wat hen bezighoudt.
In de korte spreektijd die me nog rest, wil ik u het een en ander hierover vertellen. De leraar Nederlands of de sectie Nederlands gaat steeds van twee zaken uit bij de programmering en het aanbod van de leerstof:
Ten 1e het feit dat de samenleving multicultureel en multilinguaal is; er moet dus les gegeven worden aan leerlingen met een verschillende taalachtergrond.
Ten 2e de verre van homogene klassen wat taalachtergrond betreft moeten klaargestoomd worden voor de schoolonderzoeken en het examen. En daarbij heeft het mondelinge schoolonderzoek literatuur een gewicht van slechts ¼ op het totaalcijfer.

U raadt het natuurlijk al; vanuit deze leersituatie zal de leraar noodzakelijkerwijs veel meer aandacht besteden aan de schriftelijke taalbeheersing van de kinderen, zowel het actief als het passief taalgebruik. Maar de leraren hebben natuurlijk wel dromen.

Aangezien mijn spreektijd nu vrijwel op is, kan ik alleen nog enkele van deze dromen noemen:
Ten 1e: het periodiek samen met de leerlingen analyseren van belangrijke debatten in binnen- en buitenland;
Ten 2e: samenwerking van taalleraren met leraren die andere vakken verzorgen;
Ten 3e: bijeenkomsten van vertegenwoordigers van de secties Nederlands van de mulo-, vwo- en havo-scholen om een goede aansluiting tussen de verschillende niveaus te bevorderen.

Ik hoop dat het me gelukt is u een blik te gunnen op de Surinaamse taal- en schoolsituatie.

Ik dank u wel.

Raj Mohan - froisi kondre

donkerbruine huiden
ontsproten in het donkergroen
van Murye kondre
witte oogjes
staren naar blanke
huiden van een
verre wereld
Surinamers peddelen
op de rivier des levens
tussen Nederland en
Surinen
nog nieuw
het oude Sranan kondre
Murye kondre,
dorp van vrouwen
waar mannen er meer hadden
en toch maar niet meer

de tijd loopt
verloopt
die maar niet
stil kan staan
bij tijd
uit een ver verleden
herrezen uit hoogwater
opo fu falawatra
te hoog water
zo Kapasikele
verdreven door
hoge waterstand
verhuist het land
naar droogte
herwonnen door
het grootse
Saramaccaners
ontberen tijd en
eten van de aarde

ik vraag:
“wat houd jou hier?”
“mi gron e hor mi jaso”
(“mijn grond houd mij hier”)
hij vraagt:
“wat houd jou daar
in Holland kondre?”
“a gron”
(“de grond”)
“wat plant je daar
in de grond?”
hoffelijkheid stelt vragen
“mi denki m’ e pran’ drape”
(“mijn gedachten plant ik daar”)

zonen en dochters
van groen Suriname
zo ook van de wereld
van alternatieven
lengen de liefde
omhelzen elkaar
en verlaten de dorpen
van Transmigratie
verlaten froisi kondre


[Suriname, november 2010; dit gedicht is geschreven n.a.v. van een bezoek aan de dorpen in Brokopondo.]

Boek over Toescheidingsovereenkomst

Jennifer Simons, voorzitter van de Surinaamse Nationale Assemblée, heeft gisteren het eerste exemplaar van het boek De formule van de Surinaamse identiteit ontvangen van freelancejournalist Ranu Abhelakh. In het boek beschrijft de journalist het ontstaan en de werking van de Toescheidingsovereenkomst (TO). Deze nationaliteitenregeling tussen Suriname en voormalig moederland Nederland is in werking getreden op 25 november 1975, de dag dat Suriname onafhankelijk werd. In de overeenkomst staat onder andere wie men als Surinamer beschouwt en hoe een persoon de Surinaamse nationaliteit kan herkrijgen.


Abhelakh heeft zich vanaf 2002 verdiept in artikel 5 van deze overeenkomst. Dit artikel kent rechten toe aan één specifieke categorie van personen. De rode draad in het boek wordt gevormd door de papieren oorlog van Mahin Jankie, een Nederlander van Surinaamse origine, tegen de Staat Suriname. Op basis van de Toescheidingsovereenkomst eist Jankie dat hij als Surinamer behandeld wordt.

De meningen zijn verdeeld, blijkt uit de publicatie. Zo pleit de Surinaamse Voetbalbond voor invoering van de dubbele nationaliteit voor voetballers met Surinaamse roots, maar wil de Orde van Advocaten uitsluitend Surinamers in het bestuur. De auteur belicht opties als duaal burgerschap en de Person of Surinamese Origin-kaart.

Simons, die zelf in verschillende hoofdstukken aan het woord komt, was blij met het boek. Zij houdt zich als parlementariër al langer dan tien jaar bezig met de Toescheidingsovereenkomst en is geen voorstander van speciale rechten voor de personen die in artikel 5 worden genoemd. Zij roept al jaren om wijziging van deze overeenkomst en pleit voor een gelijke behandeling van alle personen van Surinaamse origine.

In 2007 startte Abhelakh met het samenstellen van de publicatie. Voor de uitgave van het boek verleende Staatsolie Maatschappij Suriname financiële ondersteuning. De officiële presentatie van De formule van de Surinaamse identiteit wordt in samenwerking met efteeBOOKS gehouden op 11 januari 2011.
.


Ranu Abhelakh (1975) werkt vanaf 1997 als freelancejournalist. Zij heeft journalistieke trainingen gevolgd in Suriname, India en de Verenigde Staten.



[overgenomen van Waterkant.net, 30 december 2010]

Avond met Pushpita Awashti

Uitgeverij Amrit en het Sarnami Instituut Nederland organiseren een poëzie-avond met Pushpita Awashti op zaterdag 8 januari 2011.

De Indiase dichteres en schrijfster Pushpita Awasthi heeft in Suriname gewerkt als diplomaat op de Indiase ambassade. Zij heeft in het Hindi diverse boeken geschreven over Suriname.
Zij is in India en de Indiase diaspora bekend als een veelzijdige dichteres. In haar gedichten klinken de gewone, hedendaagse ervaringen door in de mystieke poëzie van Kabir en de liefdespoëzie van Sanskriet dichter Jaidev. Natuur en liefde, de thema’s van haar poëtische expressie, lijken vaak in elkaars verlengde te liggen.

Op deze avond vertelt Pushpita over haar levenservaringen en de manier waarop deze in haar poëzie tot uiting komen. Dichter Raj Mohan en gitarist Lourens van Haaften dragen een gedicht voor op muziek.

Puspita zal ook gedichten voordragen in het Hindi uit haar nieuwe drietalige bundel Het beeld in de rots. De bundel is in het Hindi, Engels en Nederlands. Voodrachtskunstenaar Jos van Hest zal op geheel eigen wijze de Nederlandse vertaling declameren.

Datum: zaterdag 8 januari 2011, aanvang 19.00 uur
Locatie: Sarnami Instituut Nederland, Brouwersgracht 2, 2512 ER Den Haag

U kunt zich melden voor deze bijeenkomst bij
Dew Baboeram
Email: info@amcon.nl
Tel. 06-41.28.37.85
Tel. 06-41.28.37.85

zaterdag 1 januari 2011

Dyeniya Kofoala 2011


Winsi fa a dondru e bari psa noya nanga ala en krakti
blaka wolku e tapu un son
No lasi ati! Un man tapu a ogri
No frigiti a boskopu fu a Apintidron
Dyonsron wan nyun dei o broko opo
pe a son o piri en tifi agen, yagi ala dungru gwe
Mi e winsi yu nanga yu oso, wan bun Bedaki nanga
Dyeniya Kofoala 2011


Zelfs als de bliksem in alle hevigheid door de lucht flitst
De zon overschaduwd wordt door donkere wolken
Verlies de moed niet! Wij kunnen het tij keren
Vergeet de boodschap van de Apinti drum niet
Spoedig zal een nieuwe dag aanbreken
waarop de zon weer fel zal schijnen en de duisternis verjaagt
Ik wens u en de uwen een goed Bedaki en een gelukkig 2011 toe


Even if the lightning flashes through the sky in its full force
the sun is overshadowed by dark clouds
Do not lose heart !We can turn the tide
Never forget the message of the Apinti drum
A new day soon will dawn
where the sun will shine brightly and dispels the darkness
Wishing you and yours a good Bedaki and a happy 2011



Kabiten André R.M. Pakosie

Bobby Farrell, de dansende Daddy Cool

door Peter Bruyn


Nee, over het feit dat Bobby Farrell de klassieke Boney M-its op de platen niet zelf had gezongen werd al vele jaren niet geheimzinnig meer gedaan, ook niet door hemzelf. Maar als hij optrad zong hij weldegelijk. Donderdagochtend werd Farrell dood aangetroffen in zijn hotelkamer in Sint Petersburg, waar hij woensdag met zijn 'nieuwe' Boney M had opgetreden. Voor oudjaar stond een tv-show in het Italiaanse Rimini in zijn agenda.

Zijn roem heeft Farrell eigenlijk te danken aan wat je 'de wraak van Frank Farian' zou kunnen noemen. De Duitse liedjesschrijver en producer Farian had begin jaren zeventig zelf ambities om als zanger door te breken, maar kreeg bij de platenmaatschappijen geen voet aan de grond. Dus besloot hij de door hem opgenomen liedjes maar onder een andere naam uit te brengen. Het eerste was Baby do you wanna bump van de gefingeerde groep Boney M dat een bescheiden hit werd in Duitsland en de Benelux en de tweede, Daddy Cool was zelfs een regelrechte klapper. Toen was er ook een 'gezicht' nodig om Boney M op TV te playbacken. Impresario en talent scout Katja Wolff regelde voor Farian drie donkere meisjes en één jongen.

Die jongen was de op 6 oktober 1949 op Aruba geboren Roberto Alfonso Farrell, die na de nodige omzwervingen over de wereld in de late jaren zestig in Nederland en Duitsland het hoofd boven water trachtte te houden als danser en dj. Zijn soepele, springerige dansbewegingen en ongetwijfeld ook het weelderige borsthaar vielen bij Wolff in de smaak. Zij lijfde Farrell voor Farian in bij Boney M en de rest is popgeschiedenis.

De succesperiode van Boney M duurde zo'n vijf jaar, tot 1980, waarin meer dan honderd miljoen platen verkocht werden. De verdiensten daarvan vloeiden echter grotendeels in de zakken van Farian en zijn productieteam, omdat Farrell en zijn drie zangeressen nauwelijks een aandeel hadden in de muziek - pas in 1981 mag Bobby Farrell een enkel liedje zingen op het album Boonoonoonoos maar dan is de groep al op zijn retour. In Nederland scoorde Boney M tussen 1976 en 1980 tien top-10 hits, waarvan er vier de eerste plaats bereikten: Sunny, Ma Baker, Rivers of Babylon en Hooray! Hooray! It's a holi holiday. Hoewel exacte cijfers ontbreken zijn er van Rivers of Babylon - dat Farian vrijwel exact kopieerde van een oude reggaegospel - waarschijnlijk alleen al in Nederland meer dan een half miljoen exemplaren verkocht.

In de jaren tachtig begon het te rommelen binnen Boney M. Farrell probeerde het met een vruchtenloze solocarrière, kwam weer even terug bij de groep die uiteindelijk ook uit elkaar viel. De Arubaan stortte zich in het schnabbelcircuit, was in allerhande televisieprogramma's te zien, werkte mee aan een hilarisch spotje voor een verzekeringsmaatschappij en probeerde het met een nieuwe Boney M met andere zangeressen, waarmee hij de oude hits uitventte. Daarmee had hij de laatste jaren vooral in het Oostblok en verre oorden als Libanon weer veel succes.

Farrell bleef een uiterst flamboyante persoonlijkheid met het hart op de tong. Dat bleek vorig jaar nog in de tv-talkshow Jensen, waar hij in een verbazingwekkende spraakwaterval zijn carrière samenvatte: ''Vanaf vijftien jaar oud reisde ik door de wereld. Werd Boney M. Limousines, jets, bodyguard, cocaïne, mannen, vrouwen, trio's, de hele bullshit gedaan. En daarbuiten is er fucking nothing. Alleen een paar goede vrienden waarmee ik kan praten: Waarom leef ik? Waarom ben ik hier?''

Rijk is Bobby Farrell van alle miljoenenhits nooit geworden, maar hij bleef Daddy Cool.

[uit Het Parool, 31 december 2010]