dinsdag 3 januari 2012

Graven 18de-eeuwse Amerikaanse zeekapiteins in Oranjetuin



Het beroemde schilderij van John Greenwood, getiteld Sea Captains Carousing in Surinam (Saint Louis Museum of Art)

Op de Nederlandse koloniale begraafplaats Nieuw Oranjetuin aan de Dr. Nassylaan in Paramaribo liggen de graven van twee achttiende-eeuwse zeekapiteins van het Amerikaanse New England.

Een grafsteen, met daarop het jaar 1758, is van kapitein Michael Burnham van Middletown, een roekeloze avonturier die fortuin maakte als een kaper en waarschijnlijk handelde in slaven. De andere grafsteen is gemaakt van bruinrode zandsteen uit Portland en markeert de laatste rustplaats van kapitein William Barbut van New London. In de buurt van deze graven zijn die van de kooplieden kapitein Nathaniel Angel en kapitein William Gardner Wanton van Rhode Island. De graven zijn op 29 oktober vorig jaar ontdekt door onderzoekers die met houwers de oude grafstenen bevrijdden van het welig tierend onkruid.

Eén van die onderzoekers, is een voormalige inwoner van Connecticut, Tom Hart. Hij deelde zijn ontdekking onmiddellijk mee aan de Middlesex County Historical Society. Paramaribo-historicus Bas Spek leidde de expeditie. Het verhaal is opgetekend door The Courant van de Amerikaanse staat Connecticut. Hart zei in een e-mail dat de locatie van de graven van de oude zeekapiteins bekend was bij een paar inwoners, maar dat ze nooit officieel zijn gedocumenteerd. Hij hoopt dat de ontdekking de belangstelling voor deze zeevarenden zal aanwakkeren en de nauwe banden die New England eens had met deze subtropische regio zal hernieuwen. "Ik denk dat de bijdrage die we leverden, de belangstelling was die we hadden voor deze Amerikanen... en het brengen van de informatie onder de aandacht van potentieel geïnteresseerde Amerikaanse instellingen," schreef Hart.

Enthousiast
Middlesex Historical Society-directeur Debbie Shapiro was enthousiast toen ze vernam over de verbinding van Middletown met Suriname in de dagen toen de stad een belangrijke zeehaven was, met schepen die voeren naar exotische landen. "Ze zeggen dat het internet de wereld kleiner heeft gemaakt, maar hoe meer we leren, hoe meer we ontdekken dat het toen ook een kleine wereld was," zei ze.

De Nieuw Oranjetuin begraafplaats stond vroeger bekend om zijn weelderige sinaasappelboomgaarden. Opgericht in 1755, was het de belangrijkste begraafplaats van de Nederlandse Hervormde Kerk. Sommige van de graven zijn vrij uitgebreid; er is weinig gebouwd van rode baksteen en marmer. De grafstenen van de Yankee kapiteins daarentegen, liggend in de zandgrond, zijn duidelijk. De vier mannen werden begraven tussen 1758 en 1765. De inscripties geven geen idee hoe ze zijn gestorven. Wel is bekend dat de handel – gebaseerd op de alomtegenwoordige plantages van de suikereilanden waar met slaven werd gewerkt – deze pientere inwoners van New England trok naar het gebied.

Burnham als opperbevelhebber
Kapitein Burnham, werd als opperbevelhebber in de Provinciale marine, belast met de bescherming van deze handel tijdens de Franse en Indische oorlog (1754-1763) toen Franse zeerovers de Amerikaanse en Britse scheepvaart in het Caribisch gebied onveilig maakten. Burnham werd in 1757 gedirigeerd naar West-Indië met de opdracht "om de vijanden van Zijne Majesteit te kwellen ..." De 52-jarige commandant had de leiding van de 24-gun Brigantine Tartar met een bemanning van 100. Kapitein Burnham had brieven van de markies van de Britse kroon, waardoor hij in staat was Franse oorlogsbuit te bemachtigen.

Of de Middletown kapitein ook slaven verhandelde - een gangbare praktijk in die tijd - is niet bekend, maar Suriname was op dat moment één van de belangrijkste bestemmingen voor Rhode Island slavenhandelaren, die paarden, hout, rum en Afrikaanse slaven uitwisselden voor suiker, koffie en cacao - de beruchte driehoekshandel.

De Oranjetuin aan de dr Nassylaan in Paramaribo. Foto @ surinamestemt.com


Illustere clan
Kapitein William Gardner Wanton, die naast Burnham begraven ligt in Paramaribo, behoorde inderdaad tot een illustere clan van Newport kooplieden die berucht waren om hun slavenhandel. In die clan zat ook gouverneur Joseph Wanton van Rhode Island, voormalig kaperkapitein en slavenhandelaar, die is afgebeeld in een beroemd schilderij van dat tijdperk van John Greenwood, getiteld Sea Captains Carousing in Surinam.

Joseph Wanton was tijdens de Franse en Indische oorlog, kapitein van het kapersschip ‘King of Prussia'. De Fransen namen het schip in 1758 in beslag in de Bahama's. In het schip bevond zich een landing stofgoud, rum en 54 slaven. In hetzelfde jaar overleed kapitein Burnham op 54-jarige leeftijd en werd hij begraven in Paramaribo te midden van de kokospalmen en sinaasappelbomen.

De inventaris van zijn landgoed, vervat in vijf 40 centimeter brede kolommen van "goed geschreven tekst," bestond uit gepoederde pruiken, karmozijn vesten, zijden stropdassen, gouden manchetknopen en een zwaard met een zilveren handvat, inclusief wonderbaarlijke hoeveelheden Madeira en Jamaicaanse rum.
Tot zijn nalatenschap behoorden ook drie mensen, Afrikanen, een vrouw Sue, een jongen Julius en een jongeman Cape Coast. De waarde van de drie mensen was 58 Britse pounds.

[van Starnieuws, 3 januari 2012]

Ronald Julen - Gedicht

zo te reizen met de sneltrein die voortraast en weer stopt
een vluchtige ontmoeting met Ed op elk perron
Ed die snel instapt als ik de trein uitspring en dan weer
snel uitstapt als ik de trein inspring
een spel met Ed een liefdesspel
een vluchtige ontmoeting
zo ga ik de lange weg af naar het eindpunt tot het spoor doodloopt
ik die weer instap als Ed springt mijn leven uit de grens over
waar mijn wensdromen liggen
dan ga ik de weg weer af
alleen
met herinneringen aan een negrodin die verankerd is in mij


[Uit: Ontmoeting in het duister. Paramari­bo 1980]



Foto: Woman, @ Nicolaas Porter

maandag 2 januari 2012

Medemensen

door Sharda Ganga


“Mijne medemensen.” Zo begon meneer van Breet, de directeur van de R.D. Simonsschool altijd zijn toespraken. Mijne MedeMensen: als tiener hoorde je alleen die grappige alliteratie, de gewichtigheid van de aanhef en dit alles gekoppeld aan zijn deftig uiterlijk maakte meneer van Breet natuurlijk tot mikpunt van onze spot. Ik besefte pas vele jaren later wat meneer van Breet eigenlijk aan ons meegaf met die woorden. Hij zag ons niet slechts als kinderen, als onmondige leerlingen waar hij als schooldirecteur heer en meester over was zoals zoveel schooldirecteuren dat denken; nee, meneer van Breet sprak ons aan als zijn medemensen, volwaardige mensen, medeburgers. Het is dertig jaar later en ik denk vandaag terug aan meneer van Breet. Het is Oudjaar en ik word dan altijd sentimenteler dan gewoonlijk.


Dat betekent onder andere dat, zo aan het eind van het jaar, ik me niet wil ergeren aan de waan van de dag. Ik wil me niet verdiepen in pleegfamiliaire gratieverleningen, ik wil me niet ergeren aan geestelijke leiders die vergeten dat zij in een multireligieuze samenleving wonen. Ik wil de kerkelijke meneer die verkondigt dat de liefde alles vergeeft niet wijzen op het gemakzucht van die uitspraak. Ik wil niet nadenken over de uitbundige overuren van delen van het politiekorps, ook al wil ik dolgraag weten wat hun geheim is. Ik wens immers zo vaak dat mijn dagen ook 36 uren telden. Er is zoveel wat ik niet wil zeggen of waar ik niet over wil nadenken in deze feestperiode.

Wat ik wel nog snel even wil zeggen in deze sentimentele oudjaarsbui, is dat ik DNA-leden en leiding wil bedanken voor de wijze waarop de begroting wordt behandeld. Ik heb me deze laatste weken eindelijk eens echt vertegenwoordigd gevoeld. Ik wil ook nog snel Mahinder Jogi bedanken voor zijn verrijking van mijn beeldspraakrepertoire: “Garnalenpolitiek” en “Vissen zonder visie” behoren nu tot mijn favoriete uitspraken.

Maar waar mijn gedachten vooral naar uitgaan vandaag zijn die medemensen waar meneer van Breet op doelde. Dit is mijn enkele, simpele wens voor het nieuwe jaar: dat we allemaal wat vaker denken aan onze medemensen. Ik geef wat voorbeelden. Als je in het verkeer bent en je wil jezelf doodrijden: prima. Doe het op een stuk terrein waar er geen medemensen zijn. Als je vuil wil weggooien: doe het in een vuilniston of een vuilnisbelt. Niet waar je medemensen wonen of langs moeten rijden. Als je bombels wil schieten, omdat je het leuk vindt om geld te verbranden: mag ook van mij. Doe het zodanig dat je medemensen er geen last van hebben (en ook de honden niet, hoor ik Cynthia Ashruf roepen) en al je ledematen en ogen nog intact blijven, zodat je zelf kunt werken voor het geld om de doktersrekening te betalen.

Deze medemensengedachte kun je natuurlijk doortrekken naar het niveau van beleidsmakers en andere leiders. Ach, als zij allemaal ook gewoon meneer van Breets gedachtegoed tot zich nemen: wat een groot goed zou dat zijn! Als zij zichzelf niet zouden zien als heer en meester maar juist als dienaren van ons - het volk, en ons zouden zien en behandelen als volwaardige mensen, gelijke mensen, even gelijk als familie of partijgenoten, met gelijke rechten en voorrechten, dan had ik geen werk meer. Daar zou ik erg blij van worden en dan had ik die 36 uren durende dag niet meer nodig. Dit is dus mijn oproep aan iedereen voor het nieuwe jaar: Maak mij werkloos!

[uit de Ware Tijd, 31/12/2011]

Ko’i konta gesigneerd


Tijdens de signeersessie van het boek Ko’i konta (vrij vertaald: Verhaaltjes) vorige week vrijdag bij Mensing’s Caminada had de auteur Reyna Joe (m) het druk met signeren.

Het boek is verkrijgbaar bij Mensing’s Caminada, Samson, Kadewe, Locha in Punda, Coshel en CaribPublishing. Op de foto Rene Offermans, de ‘huisuitgever’ van CaribPublishing (l), auteur Reyna Joe en een lezeres (r) die het boek heeft gekocht.

[uit Amigoe, 31 december 2011]

Haiti’s Tragic History


A U.S. Marine inspecting a troop of Haitian soldiers, 1920. (Photo: U.S. Marine Corps/National Geographic Society, via Corbis)

by Adam Hochschild


For the better part of two centuries, outsiders have been offering explanations that range from racist to learned-sounding — the supposed inferiority of blacks, the heritage of slavery, overpopulation — for why Haiti remains the poorest country in the Western Hemisphere. None of these work: nearby Barbados has a greater population density, and about 90 percent of its people are descended from slaves, yet it outranks all but two nations in Latin America on the United Nations Human Development Index. Neither Barbados nor any other country, however, had so traumatic and crippling a birth as Haiti.

Haiti; The Aftershocks of History. By Laurent Dubois. 434 pp. Metropolitan Books/Henry Holt & Company. $32.

[Lees hier verder in The New York Times Sunday Book Review, December 29, 2011]

Ramon Todd Dandaré - Poema/Gedicht

Isla di mi, mi kier
kambia bo fashi
Mi kier sinta pafor
na California
kirbiendo ku piedra
mi nòmber
den santo
i laga olanan
lora bin kit'é.
Mi kier subi riba
bo lombrishi
i tira e flor di kibrahacha
p'é baha ku biento
i kubribo ku oro.
Mi kier dobla e watapana
bir'é kara p'ariba
i saka tur su djus
pa mi yena mi mes k'e forsa
dje primitibo indjan.
Mi kier koi bo kurpa
lor'é boka abou
pa mi hunga ku e tesoro
ku bo ta warda den fondo di bo ser.
Mi kier drenta bo serebo
mané un idea di ayera
mané un hecho di mañan,
mané un unión karnal
mi kier ta den bo
pa bo ta den mi.
Mi kier ta un,
un so ku bo
i mi kier dirihibo mané
un piskadó
ta dirihí su kanoa
p'é tira su tarai.
Mi kier sakabo,
kore bai ku bo
hibabo te na solo
pa mi ponebo riba mundo
na e lugá di más halto,
pa bo ta un dios
ku ta traha su hende
i ta bolbe mat'é
hink'é hundu den bo
fondo kayente.
Isla di mi, mi kier
kambia bo fashi.



Eiland van mij, ik wil
je voorkomen veranderen
Ik wil buiten zitten
bij Californië,
met een steen
mijn naam
in het zand schrijven
en de aanrollende golven
hem laten uitwissen.
Ik wil opklimmen naar
je navel
en de kibra-hacha-bloem opgooien
zodat zij met de wind
neer kan dwarrelen
en jou met goud bedekken.
Ik wil de watapana-boom ombuigen
naar het Oosten
en al zijn sap uitpersen
om mijzelf te voeren met de kracht
van de primitieve Indiaan.
Ik wil je lichaam nemen
en het ondersteboven rollen
om te spelen met de schat
die in het binnenste van je wezen huist.
Ik wil binnendringen in je hersens
als van gisteren een idee
als een feit van morgen
als geslachtsdaad.
Ik wil in je zijn
zodat jij in mij kunt wezen.
Ik wil één zijn,
slechts één met jou
en ik wil je bestieren
als een visser
die zijn boot bestuurt
om zijn werpnet uit te werpen.
Ik wil je eruit halen
en met je weglopen
tot aan de zon
om je boven op de wereld neer te zetten
op de allerhoogste plek
zodat je als een god kunt wezen
die de mensen schept
en ze weer vernietigt,
hem diep in je warme binnenste steken.
Eiland van mij, ik wil
je voorkomen veranderen.


[Vertaling: Luis H. Daal]


[uit Watapana, februari 1972]

Foto: @ A.A. Bokkers

Veel diarree gevallen in Nickerie

De winnaar van de verkiezing van de onjuiste spatie van 2011 is de onjuiste spatie in de nieuwskop "Veel diarree gevallen in Nickerie". De kop verscheen in juni 2011 op de Surinaamse nieuwssite van GFC Nieuws. Uit het artikel onder de kop blijkt dat er een groot aantal diarreegevallen geconstateerd is; er waren gewoon meer kinderen ziek dan normaal. Maar door de ene extra spatie in de kop leek er iets heel anders aan de hand. Nieuws met een luchtje eraan...

"Veel diarree gevallen in Nickerie" - wat was er nou precies gevallen in Nickerie!? We hadden nog gewaarschuwd: soms moet je een nieuwskop niet al te letterlijk nemen, en zeker niet proberen het te visualiseren. Maar voor veel stemmers kwam die waarschuwing te laat. Of ze waren gewoon té visueel ingesteld. "Helaas, toch een beelddenker..", verzuchtte Barbra. Marcel vatte het mooi samen: "Hoe een onjuiste spatie tot een enorme smeerbende in Nickerie kan leiden. Geniaal". Dat de spatiefout op een nieuwssite stond, was een extra reden om op dit voorbeeld te stemmen. Journalisten moeten immers altijd correct Nederlands gebruiken, ook als ze in Suriname zitten.

Uit de reacties bleek dat dit voorbeeld de fantasie aardig op hol deed slaan. Een stemmer hield zijn neus dicht: "De lucht zal wel niet te harden zijn geweest". Caroline relativeerde: "Als het weer eens hondenweer is denk ik bij mezelf: ach, gelukkig valt er tenminste geen diarree!". Ger zag ook een voordeel: "Ze mogen blij zijn met de vruchtbare grond die ze nu in Nickerie hebben". Trudie dacht vooral aan kerst: "Geen witte kerst, maar een bruine!" En Frank refereerde aan een andere spatiefout die afgelopen jaar voorbij is gekomen: "Hopelijk had iedereen een 'Pepernoten Plu' bij zich toen de diarree viel.." Jeroen leverde ons een professionele samenvatting voor het juryrapport: "Zowel in stilistisch, komisch als leesbaar opzicht de mooiste foutieve spatie!"

[lees hier de verdere uitslag op SOS]

Stadsfoto’s en plantagefoto’s

door Clazien Medendorp

Het fotoboek Cityscapes + Birdmen is net zo gespleten als de titel al doet vermoeden. Wessels maakte foto’s in onwaarschijnlijk harde kleuren van twee thema’s: reclame in het stadsbeeld van Paramaribo, vooral op de gevels van supermarkten én mannen met hun zangvogeltjes op het Onafhankelijkheidsplein. De foto’s van muurschilderingen lijken op collages, een enkele schaduw, een paar grassprietjes, de bekende ‘diefijzers’ of een berg rommel op de grond laten zien dat het om beschilderde muren gaat. De schilders zijn hyperrealistisch in de weergave van de producten die men in de veelal Chinese supermarkten kan kopen. Baygon insectenverdelger, Jonkers of Coroos bruine bonen, Bacardi breezer, Zwan knakworst en natuurlijk Fernandes limonade en Parbo bier. De gevels en de foto’s vormen onwillekeurig ook een mooi archief van productvormgeving. Al zijn de meeste schilderingen recent. Was er tot voor kort nog schaarste aan dan weer dit, dan weer dat, nu is alles volop verkrijgbaar. Het leven is een feest schreeuwen de muren, Paramaribo is booming. Ooit gehoord van schoenendeo, ‘met een fris en verleidelijk geurtje?’ ’Catch the flavours!’(p. 93, 18) Ook zijn er aansporingen in allerlei toonaarden. Zoals ‘Doe je best op school’ en ‘Blijf studeren’ (p.173, 191). Lucky Store zal je dan blijven voorzien van pennen en schriften. Of wijsheden zoals deze: ‘Ouder worden is een feit, ouder uitzien verleden tijd’ (p.75). Gereedschappen, bureaustoelen en gascylinders zijn minder kleurig en fotogeniek maar sieren evengoed het straatbeeld, dat er met de vele winkels uitziet als één groot reclamespandoek.

Michiel van Kempen schrijft de twee thema’s luchtig aan elkaar. Van de Chinese supermarkt naar de Chinezen die de wegen asfalteren naar de auto waarop de chauffeur zijn vogelkooitje neerzet, een mooi beeld van de hiërarchie van de dingen. Vroeg op een zondagochtend trekt Van Kempen eropuit om de vogelmannen op het plein te zien. Er is niemand. De avond tevoren was immers de Avondvierdaagse, een nationaal, bindend, maar ook vermoeiend evenement. Als de vogelman de vierdaagse loopt, naar zijn werk gaat of zijn buitenvrouw bezoekt, gaat ook zijn zangvogeltje mee. Immers, ‘a fowru wani waka, de vogel wil lopen, net als zijn baas.’(p. 125).
De zangvogelsport zou midden vorige eeuw zijn ontstaan in Nickerie. Stoere mannen die bloedserieus al hun hoop en verwachting projecteren op de zangkunst van een klein vogeltje. Van mijn verblijf op Victoria herinner ik me hoe jongens het plakkerige zoete sap van de broodboom opvingen om er vogeltjes mee te vangen. Eenmaal in het bezit van een twatwa of pikolet is het zaak de vogel zo goed mogelijk te verzorgen zodat hij zich thuis voelt bij zijn baasje en gaat zingen. Of, zoals dat heet, ringslagen gaat maken. En dat dan weer het liefst op de vroege zondagochtend in het gezelschap van andere gekooide vogeltjes en hun eigenaren. Uiteindelijk, als alle rituelen goed zijn uitgevoerd en de vogel genoeg slagen maakt tijdens de wedstrijd, zal het beestje de man een grote zak dollars opleveren.

Dit is een mannenwereld. De fotografe heeft de mannen af en toe samen met hun glimmende auto’s en motoren geportretteerd, maar meestal zonder deze attributen. De vogelmannen kijken gespannen in de lens. Stuk voor stuk poseren ze trots maar ondoorgrondelijk met hun gekooide vogeltje. De kleine gekooide zangvogeltjes vormen een machtig contrast met de mannen die ze vertroetelen en aanmoedigen om hun mooiste klanken te laten horen. Van Kempen schrijft ‘Traman buku dangra fu leisi’ oftewel, ‘het is duister lezen in andermans boeken.’(p. 153). Wessels, in 1990 afgestudeerd aan de Gerrit Rietveldacademie, fotografeerde de vogelmannen niet alleen op het plein in Paramaribo maar ook in Den Haag en de Bijlmer, waar het gras groener is en het licht schaarser.

Een derde thema in het boek zijn de foto’s van de oude plantage Limeshoop aan de Warappakreek in Commewijne. Prachtige foto’s van de oude stoommolen, overwoekerd door bamboe, zonovergoten verval. Op het eerste gezicht zijn deze foto’s niet te plaatsen. Een verklarend tekstje helemaal achter in het boek biedt uitkomst. Volgens de Almanakken van 1793 en 1821 verbouwde Limeshoop koffie en katoen, net als de nabijgelegen plantage Kerkshoven die Gerrit Schouten in 1823 afbeeldde in zijn grootste diorama (te zien in museum Het Valkhof te Nijmegen). De koffieloods van Kerkshoven is later verplaatst naar de plantage Peperpot en daar gerestaureerd. Limeshoop schakelde over op de productie van suiker. De stoommolen dateert uit 1830. Na het verlaten van de plantages is de kreek dichtgeslibd en kreeg het woud de overhand. Dat dit proces heel snel gaat leerde een uitstap naar Victoria in 2005. Ons huis, bewoond tot 1993, was in bezit genomen door planten en dieren van allerlei soorten en formaten. In 2007/2008 is de Warappakreek uitgegraven en kan men een uitstapje maken naar het gebied met de postboot of met een touroperator.

De foto’s in Cityscapes + Birdmen geven een krachtig beeld van twee kleurrijke Surinaamse thema’s. De plantagefoto’s en een paar stadsfoto’s van oude ongeschilderde huizen vormen een derde thema. De foto’s gaan hier en daar, door de plaatsing, in dialoog met elkaar. Maar een overkoepelende eenheid is er niet. Niet voor niets is het boek verkrijgbaar met twee verschillende omslagen.


Jacquie Maria Wessels (Fotografie) & Michiel van Kempen (tekst), Cityscapes + Birdmen. Amsterdam: uitgeverij Voetnoot, 2010. 204 p., ISBN 978 90 78068 662, prijs € 29,00.

[uit Oso, 2011, nr. 2]

Een Papiamentstalige HAVO/VWO op Curaçao?

door Fred de Haas


Het is al jaren een diep gevoelde wens van de heer Frank Martinus om een Papiamentstalige HAVO/VWO school te starten met subsidie van de regering. Dat dit nu lijkt te gaan lukken komt waarschijnlijk niet in de laatste plaats door de politieke ideeën van de huidige Curaçaose coalitie.

Voor zover mij bekend, is men van plan om voor de nieuwe Papiamentstalige middelbare school de gangbare methodes in het Papiaments te vertalen. Men is overigens niet van plan om met alle klassen tegelijk te starten.
¡No faltaba más!

De huidige VSBO school van Kolegio Erasmo lijkt naar tevredenheid te functioneren. Nederland is voor het VSBO overigens bereid geweest de examens van de vakken die gebaseerd zijn op het Nederlandse onderwijs te vertalen in het Papiaments.
Jammer genoeg heeft de heer Martinus geen onderzoek laten verrichten naar de resultaten van de abituriënten in het vervolgonderwijs of op de arbeidsmarkt. Zo weet dus niemand of het Papiamentstalige VSBO onderwijs zijn doel bereikt of gemist heeft. Wij zijn in Niemandsland.

Het zou officieel mogelijk zijn geweest voor de heer Martinus om een geïntegreerd soort onderwijs op niveau van VSBO/HAVO/VWO te realiseren en te laten subsidiëren als hiervoor een goed plan zou zijn voorgelegd. De subsidie voor zo’n soort school zou overigens zijn gestopt als de resultaten niet goed zouden zijn gebleken. Hiervoor is echter, naar verluidt, nooit een plan op tafel gelegd. Dat soort gesubsidieerde onderwijs is er dan ook niet gekomen.

Om nu dus van start te gaan met een Papiamentstalig HAVO/VWO lijkt nogal voorbarig en voornamelijk politiek/emotioneel geïnspireerd. Ook zie ik de verwezenlijking van al die vertalingen van gangbare methodes voor alle vakken niet voor me. Methodes plegen te veranderen en je kan niet aan het vertalen blijven. Dat zou waanzinnig veel geld kosten. Bovendien is er de kwestie van de validiteit van de examens. Wie gaat de examens maken en op deugdelijkheid beoordelen?

Het lijkt mij op grond hiervan een onmogelijke opgave om op een Papiamentstalige middelbare school te voldoen aan de criteria van het Nederlandse onderwijs, zo men dit al zou willen.
Daarom zal er geen subsidie komen van de Nederlandse regering en zullen er ook geen vertalingen van examens door Nederland worden geleverd.

Ik begrijp niet waarom men geen Engels programma wil gaan voeren dat zijn verdienste al heeft bewezen in het Caribisch gebied, maar wel een experiment wil aangaan dat, mijns inziens, om bovenstaande redenen tot volledige mislukking is gedoemd. Je kan met een goed Engelstalig programma immers ook het Papiaments als instructietaal blijven voeren en tegelijkertijd intensief Engels geven en Engels/Amerikaanse leerboeken gebruiken die je zo van de plank kan kopen. Bovendien loop je dan ook niet meer aan de leiband van het Nederlandse systeem. Hetgeen de bedoeling is.

Leerboeken zijn broodnodig als basis en ondersteuning van de leerkrachten. Je kan niet verwachten dat er voldoende, permanent aanwezige, creatieve, academisch opgeleide leraren zijn die bereid en in staat zullen zijn om zelf lessen voor alle vakken te ontwerpen. Daarvoor is op Curaçao het potentieel niet of ruim onvoldoende aanwezig. Zo’n gedachte is mooi maar volledig utopisch. Eigen lessen ontwerpen voor alle HAVO/VWO vakken is alleen mogelijk op dure privéscholen waar academisch opgeleide en gescreende leraren excellent worden betaald en in voldoende mate in het land aanwezig zijn.

Ik hoop dat men het een en ander nog eens goed zal overdenken en geen besluit zal nemen waar men later spijt van krijgt. Hoewel er niet veel leerlingen zullen zijn die aan de voorgenomen plannen zullen gaan deelnemen, is elk kind dat mislukt tijdens zo’n experiment er één teveel.

De commissie van ‘experts’ die het een en ander zou moeten voorbereiden bestaat bovendien niet uit profeten die succes kunnen garanderen.

Het idee om overhaast in september 2012 al te beginnen vervult mij met grote bezorgdheid. Mijn ervaring als leraar, leerplanontwikkelaar en inspecteur van Internationale scholen heeft me geleerd dat het jaren van voorbereiding vergt om een solide en valide leerplan op te stellen.



Papiaments als vak zo breed mogelijk ontwikkelen? Een prima idee! Maar het plan om een Papiamentstalige HAVO/VWO te beginnen kan alleen maar behoren tot het gedachtegoed van de volgelingen van een Don Quichot die aan het eind van zijn tocht tot zijn verbijstering moet constateren dat de Schone Dulcinea van Toboso voor wie hij al die tijd heeft gestreden een Lelijke Spaanse Boerin blijkt te zijn.

zondag 1 januari 2012

Paul van Capelleveen - Het nieuwe doen

Het nieuwe doen
Lees een gedicht, desnoods van mij.
Schrijf zomerbrieven. Evenaar
De poolnacht van een schone lei.
Niet, niet doen.
Voel je knoken,
doe wat je wilt - ik doe het ook.
Verwijder dagelijkse smeerboel.
Niet, niet doen.
Maak je op voor de grote trek.
Doe je te goed aan het nieuwe jaar.

[uit Laatste metamorfose; gedichten]

Glenn Sluisdom - en al de handen die naar u reiken

en al de handen die naar u reiken
en al de ogen die bewogen door de ziel
u zien staan
al deze monden die uw licht vertolken
zie hoe zij tot ons komen
zie hoe zij in ons overgaan

met uw wezen in hun wezen
in de krans van liefde een zegen
zie de zielen opengaan

[Uit: Gedichten '77 "Ze". z.p. [1977].]

Een verdwenen stad in het Surinaamse regenwoud

door Renzo S. Duin


Recent archeologisch onderzoek toont aan dat het Amazonewoud niet zo ongerept is als het lijkt, maar ook dat de ‘verloren steden in het Amazonegebied’ anders zijn dan Hiram Binghams Machu Picchu in Peru of kolonel Percy Fawcetts ‘Stad Z’ in Brazilië (Heckenberger 2009). Cheryl Ngwenyama, die tegenwoordig publiceert onder de naam Cheryl White, onthult in haar proefschrift, Material Beginnings of the Saramaka Maroons; An Archaeological Investigation, dat er ook in het oerwoud van Suriname overblijfselen gevonden zijn van een verloren stad. Een artikel dat haar proefschrift samenvat werd in 2010 gepubliceerd in Antiquity. Deze verloren stad is Kumako, de eerste nederzetting die de Saramaka Marrons, een gemeenschap van gevluchte slaven en hun nakomelingen, opbouwden in het binnenland van Suriname. Op zoek naar deze stad verrichtte een onderzoeksteam samengesteld uit Marrons, student-vrijwilligers en academici archeologische opgravingen in het kader van het Maroon Heritage Research Project, dat werd opgezet door Dr. Kofi Agorsah van de University of the West Indies en momenteel onder leiding staat van Dr. White. Wat overigens opvalt is dat de samenstelling van dit team duidelijk maakt dat de archeologie in Suriname niet langer het monopolie is van de bakra, de blanke man uit Nederland. Het archeologisch onderzoek naar de materiële oorsprong van de Saramaka is tegenwoordig een echt gemeenschappelijk archeologisch project.

Marrondanseres maakt zich klaar voor de dans (foto Arno Briers)

Cheryl White is geboren in Kingston, Jamaica, en opgegroeid in New York waar ze een bachelor antropologie/archeologie deed. Haar master en Ph.D. werden verkregen bij de University of Florida in Gainesville, Florida, in de Verenigde Staten. De University of Florida is een van de laatste universiteiten met de zogenaamde ‘Four-Field’-benadering. Haar Ph.D.-begeleider, Dr. Peter Schmidt, is bekend om zijn historische archeologie en etno-archeologisch werk onder de Buhaya van Oost-Afrika. White past deze combinatie van historische archeologie en etno-archeologie toe op de Afrikaanse diasporagemeenschappen van Zuid-Amerika, en dan in het bijzonder op de Surinaamse Saramakaanse Marrons. In tegenstelling tot Jamaica en andere Marronenclaves in het Caribische gebied, zijn de Surinaamse Marrons behoudender in plaatsen en praktijken. Overigens zullen de welingelichte lezers ontdekken dat dit boek geen enkele verwijzing telt naar het werk van Silvia de Groot, die destijds aan de wieg stond van het Instituut ter Bevordering van de Surinamistiek. De Groot was dan ook gefocust op de Ndjuka en Boni, twee andere Marrongroepen in Suriname, en haar werk werd meestal gepubliceerd in het Nederlands. Wel refereert deze dissertatie systematisch naar het werk van Richard en Sally Price. Terwijl Richard en Sally Price sinds het midden van de jaren zestig van de vorige eeuw historisch-antropologisch onderzoek hebben uitgevoerd naar de Saramaka en andere Marronpopulaties in Suriname en Frans Guyana, is dit de eerste keer dat er op de locatie van Kumako archeologische opgravingen zijn gedaan.

Het doel van dit onderzoek was niet zozeer om de achttiende-eeuwse Marronnederzetting van Kumako nader te lokaliseren in de buurt van de bron van de Pikien Saramakarivier, maar om te reconstrueren hoe deze plek als een punt van samenkomst functioneerde in de eerste tijd dat de Saramaka in de binnenlanden van Suriname leefden. Uit het huidige historisch en etno-archeologisch onderzoek is duidelijk geworden wat het karakter was van zo’n vroege nederzetting bestaande uit gemeenschappen van weggelopen slaven en hun nakomelingen. Algemeen werd aangenomen dat historische Marrondorpen een kort bestaan kenden en gelegen waren in afgelegen gebieden. Dat maakte het moeilijk om definitieve conclusies te trekken. Maar deze keer zijn er verschillende objecten aangetroffen, waaronder voorwerpen van aardewerk en fragmenten van stenen bijlen. Ook waren er enkele radiokoolstofmonsters genomen om de vindplaats te dateren. Bovendien werden te Kumako elementen gevonden die duiden op traditioneel Inheems landgebruik, het gebruik van een vorm van technologie en een eigen materiële cultuur. Een 123 pagina’s tellende appendix bevat een overzicht van de wetten die in Suriname ten aanzien van de Marrons zijn uitgevaardigd, opgegraven vondsten, en radiokoolstofrapporten.

Archeologisch onderzoek toont bijna altijd aan dat de lokale historie afwijkt van de veronderstelde geschiedenis. Dat is ook in het geval bij de opgravingen te Kumako. Ten eerste bleek de vindplaats, anders dan vermeld in de orale tradities, te liggen op een ronde heuvel van ongeveer 270 bij 180 meter – een oppervlakte van in totaal ongeveer 3,8 hectare – met steile hellingen van ongeveer twee meter hoog. Hierbij moet worden opgemerkt dat de afbeeldingen en tekeningen in het boek niet van de hoogste kwaliteit zijn en soms zelfs vervormd zijn. In de omringende greppel werden vier uitsparingen voor wegen waargenomen. Een uitholling van ongeveer drie meter in doorsnee werd aangetroffen ten noorden van de heuvel. Fragmenten van aardewerk, gevonden in de buurt van een opgravingsput, werden door Saramakaanse teamleden geïdentificeerd als ahgbang-kommen. Ahgbang of bungu (afb. rechts( zijn grote aardewerken kommen, die oorspronkelijk verkregen werden van Inheemsen (p. 194), maar vervolgens door de Marrons gebruikt werden – en tot op vandaag gebruikt worden – voor rituele baden met gekookte geneeskrachtige planten en andere krachtige kruiden. Dit laat zien hoe lokale teamleden kunnen helpen bij de interpretatie van een archeologische vindplaats. In de tweede plaats roept archeologisch onderzoek meestal meer vragen op dan het beantwoordt. Dat is ook het geval met de koolstofmonsters uit de omliggende greppel. Zij resulteerden in een datering vóór 1620. Deze vroege datering kan een gevolg zijn van natuurlijke bosbranden of van eerdere bewoning door de Inheemse bevolking. Een derde koolstofmonster, verkregen ten noorden van de heuvel, resulteerde in een mogelijke datering uit de vijftiende tot de twintigste eeuw. Deze cirkelvormige heuvel met wegen naar de vier hoofdwindrichtingen, de radiokoolstofdateringen en de aardewerkfragmenten maken gezamenlijk duidelijk dat de geschiedenis van Kumako zeer complex is geweest. Het is mogelijk dat de bewoners zich op deze plaats van voorwerpen voorzagen die oorspronkelijk van Inheemsen afkomstig zijn. Overigens was dit laatste heel gangbaar in andere Marrongemeenschappen, zowel in Suriname zelf als elders in de Guyana’s en het Caribische gebied. Dit proefschrift beschrijft overigens niet enkel het materiële begin van de Saramaka Marrons, maar roept tevens vragen op over de onderlinge relaties tussen de Marrons en de Inheemse volkeren.

Hoewel Kumako in de mondelinge overlevering van de Saramaka een vaste plaats heeft gekregen, lijkt de cirkelvormige heuvel met een greppel, soms onderbroken voor wegen naar de vier windrichtingen, op de zogenaamde montagne couronnée van Yaou nabij Maripasoula (Frans Guyana). Die meet ongeveer 304 bij 154 meter – een oppervlakte van in totaal ongeveer 3,7 hectare – en heeft steile hellingen van ongeveer twee meter hoog (Mestre in voorbereiding; Petitjean-Roget 1991). In 1999 vertelden Wayana-Inheemsen van de Boven-Marowijne mij de lokale Wayana-naam voor dergelijke ronde heuvels met greppels: ïpï ëtonam toponpï (een heuvel om te verbergen van lang geleden). Volgens de huidige Wayana, waren dit versterkt heuveltoppen waar in het verleden mensen hun toevlucht konden zoeken. Mogelijk waren dit plaatsen waar Inheemsen zich schuilhielden tijdens de invallen die de Taira (Cariben van de kust) eventueel in samenwerking met Marrons deden om zogenaamde ‘rode slaven’ te verkrijgen. De datering van de montagne couronnée van Yaou komt overeen met die van de monsters 1 en 2 (cal. AD 80 - 390 en cal. AD 260 tot 560) van Kumako en duidt daarmee op een oudere voorgeschiedenis van deze ‘verloren stad’ in het oerwoud van Suriname.

Kortom, archeologisch onderzoek, en dan vooral de historische archeologie in de binnenlanden van Suriname, is nog grotendeels terra incognita. De mondelinge overlevering van de Marrons en de Inheemsen wijken af van de algemeen aanvaarde geschiedenis die spreekt van kleine gemeenschappen die proberen te overleven in het ongerepte oerwoud. Het lijkt erop dat de Marrons bezit genomen hebben van een (verlaten) nederzetting van de Inheemse bevolking, maar tegelijkertijd hun nieuwe stad versterkten met wat hen ter beschikking stond vanuit hun eigen erfenis aan middelen tot genezing en zuivering van een bepaald gebied. Een dergelijke dynamische onderlinge relatie tussen Marrons en Inheemsen is zeer in overeenstemming met wat bekend is van Afrikaanse diasporagemeenschappen elders in de regio, zoals in Cuba en Brazilië. Bovendien tonen hedendaags historisch onderzoek en archeologische opgravingen aan dat de tijdelijkheid van dergelijke betwiste gebieden veel complexer is dan tot nu toe wordt aangenomen. Het tegenwoordige multidisciplinaire onderzoek is een combinatie van archeologie, geschiedenis, orale traditie en etnografie, in samenwerking met lokale Marrons en Inheemsen, met als doel om meer inzicht te krijgen in de geschiedenis van de binnenlanden van Suriname en de andere landen in de regio. Material Beginnings of the Saramaka Maroons toont aan wat voor potentieel een gezamenlijk onderzoeksprogramma bezit om inzicht te krijgen in hoe een zelfbewuste gemeenschap als de Saramaka bereid is om het beste te maken van de natuurlijke en culturele omgeving.

Cheryl N. Ngwenyama, Material Beginnings of the Saramaka Maroons; An Archaeological Investigation. Gainesville: University of Florida, 2007. 432 p., ISBN 978 05 4945 683 4. [http://etd.fcla.edu/UF/UFE0020093]

Literatuur

Heckenberger, Michael J., 2009

‘Lost Cities of the Amazon; The Amazon tropical forest is not as wild as it looks.’ Scientific American 301(4): 44-51.

Mestre, Michaël, in voorbereiding

Montagnes couronnées en Guyane.

Petitjean-Roget, Hugues, 1991

‘50 sites de montagnes en Guyane française: contribution à l’inventaire des sites archéologiques d’Emile Abonnenc.’ Actes du 12ième congrès de l’A.I.A.C., 241-257.

White, Cheryl, 2010

‘Kumako; a place of convergence for Maroons and Amerindians in Suriname, SA’, Antiquity 84: 467-479.

White, Cheryl, 2010

‘Maroon Archaeology Is Public Archaeology.’ Archaeologies: Journal of the World Archaeological Congress 6(3): 485-501.



[uit Oso, 2011, nr. 2]