![]() |
| De Boelongan in 1915 |
door Werner Stauder
Tegen de
avond van 19 januari 1942, rond half zeven, verdween de boeg van de Van
Imhoff in de golven. Het schip zonk weg in de diepte, terwijl ruim 300
Duitse gevangenen, die geen kans hadden gezien zich in veiligheid te brengen, zich
nog steeds in hun prikkeldraadkooien aan boord bevonden. Zij werden samen met de
zwemmenden mee de diepte in gesleurd. In totaal zijn 411 onschuldige Duitse en
Joodse gevangenen hierbij omgekomen. Een van hen was Otto Johann Ludwig
Moszkowicz. Van de Joden heeft niemand de ramp overleefd!
Onder de
slachtoffers bevonden zich naast de talrijke Joden ook enkele tientallen protestantse
zendelingen, katholieke missionarissen, dominees en priesters, ook diverse
bekende kunstenaars waaronder de kunstschilder Walter Spies en zelfs een groot
aantal actieve en gepensioneerde KNIL-militairen en politieambtenaren, die al
meer dan 20 jaar genaturaliseerd waren en trouwe dienst aan de koningin
bewezen. Van al deze gevangenen kan derhalve moeilijk gezegd worden dat zij
nazi's of gevaarlijke elementen geweest zouden zijn hetgeen hun gruwelijke dood
zou kunnen rechtvaardigen. Het feit dat de bemanning en de bewakers zichzelf in
de reddingsboten in veiligheid hadden gebracht terwijl zij de aan hen
toevertrouwde gevangenen keihard aan hun lot overlieten druist in tegen alle
regels op zee. Tot op heden zijn de verantwoordelijken nooit berecht!
Dit verhaal zal
ongetwijfeld nare herinneringen oproepen bij de lezers die bekend zijn met de
koloniale geschiedenis van Nederland, want het lijkt wel een déjà vu. Op 1
januari 1738 verging in een onweer voor de monding van de Marowijnerivier in
Suriname het slavenschip Leusden van de West-Indische Compagnie, waarbij
kapitein Outjes willens en wetens ruim 700 slaven, die benedendeks aan
kettingen waren vastgeklonken, liet verdrinken terwijl hij zelf met zijn
Nederlandse bemanning op de sloepen stapte en naar de wal vertrok. De kapitein
durfde de slaven niet los te laten omdat hij bang was dat ze de bemanning op
het zinkende schip zouden overmeesteren. Dezelfde reden gaf ook kapitein
Hoeksema aan ten opzichte van de Duitse gevangenen op de Van Imhoff. Op
18 november 1737 vertrok de Leusden vanaf het Nederlandse Fort Elmina
aan de kust van het huidige Ghana naar Suriname met honderden slaven aan boord.
Benedendeks was het erg donker en benauwd en door het ontbreken van sanitaire
voorzieningen stonk het daar verschrikkelijk. Het slavenruim van de Leusden
was in twee lagen verdeeld zodat er meer slaven vervoerd konden worden.
Hetzelfde principe werd 200 jaar later ook toegepast op het ruim van de Van
Imhoff. Vandaar dat de kooien waarin de Duitsers opgesloten werden slechts
één meter tien hoog en twee meter breed waren waardoor zij net als de slaven op
de Leusden op elkaar gepakt als haringen in een ton zaten. Zowel de
mannelijke alsook de vrouwelijke slaven waren naakt en twee aan twee aan elkaar
geketend. Toen het slavenschip eind december 1737 zijn eindbestemming naderde
kwam het voor de kust van Suriname in een noodweer terecht. De slaven zaten als
ratten in de val toen de romp brak en water de ruimen binnen stroomde. Kapitein
Outjes had namelijk de luiken dicht laten spijkeren om te voorkomen dat de
slaven naar boven zouden komen, toch hoe hadden ze dat kunnen doen als ze
vastgeketend waren? Zonder ook maar één vinger uit te steken om hen te redden
liet de kapitein de sloepen strijken en vertrok met zijn bemanning. Ruim 700
onschuldige Afrikaanse slaven hebben deze scheepsramp niet overleefd en men
moet zich afvragen hoe het mogelijk is dat deze grootste tragedie uit de
Nederlandse scheepvaarthistorie bijna 300 jaar lang in het moederland zelf vrijwel
onbekend bleef. Het antwoord laat zich wel raden.
Terug naar
de Van Imhoff. Ook de weinige overlevenden, in de beide boten en op de vlotten,
die de volgende ochtend werden waargenomen door het KPM-schip Boelongan,
mochten op uitdrukkelijk bevel van de Commandant Zeemacht niet gered worden. Daarom
weigerde de kapitein om humanitaire hulp aan de drenkelingen te verlenen en gaf
onder luid gemor van zijn eigen inlandse bemanning het bevel te vertrekken en
de drenkelingen zonder water en voedsel aan hun lot over te laten. Hij beriep
zich hiervoor op een geheime order van admiraal Helfrich. Een van de
drenkelingen, de Duitse Jood Arno Schönmann uit Soerabaja, sprong van een vlot
in het water en zwom het schip achterna. Een inlandse matroos, die medelijden
toonde, gooide hem een werplijn toe. Schönmann probeerde daaraan omhoog te
klimmen, werd daaraan echter gehinderd door de eerste stuurman en is achteraf verdronken.
De vlotten dreven af en werden nooit teruggevonden. Ook twee inzittenden van de
beide boten hebben het niet gehaald. Zo waren er uiteindelijk van de 477 geïnterneerde
Duitsers nog slechts 65 overlevenden, die door de Nederlandse autoriteiten op
het eiland Nias, waar zij enkele dagen later aanspoelden, opnieuw werden
gevangengezet.
Uit de zeer
geheime correspondentie uit 1942 tussen gouverneur Starkenborgh in Batavia en
minister van Kleffens in Londen blijkt duidelijk dat het Van Imhoff-schandaal
in Nederland al vanaf het begin angstvallig in de doofpot is gestopt. Het
openbaar worden van de ware toedracht zou de autoriteiten tot de hoogste
instanties zowel in Batavia alsook in Londen en later ook in Den Haag
behoorlijk in verlegenheid gebracht hebben en moest dus koste wat het kost
geheim gehouden worden. De bemanning en het bewakingsdetachement kregen reeds enkele
dagen na hun aankomst in Padang het bevel de ware toedracht rondom het gebeurde
met de Van lmhoff geheim te houden. In een telegram aan de Minister van
Buitenlandse Zaken in London, de heer Eelco Nicolaas van Kleffens, schreef
Starkenborgh op 1 februari 1942: “Daar vele geruchten reeds de omloop deden ook
onder Duitsche vrouwen dat schip met geïnterneerden vergaan en aangezien het
voorts ongewenscht is publicatie langer uit te stellen wegens kans eerder
bericht buitenlandsche radio, is heden een korte verklaring uitgegeven dat een
transport het voorwerp van Japansche actie is geworden welke een groot aantal
slachtoffers heeft geëischt. Over behoud bemanning en bewaking is opzettelijk
niets gezegd teneinde verkeerden indruk buitenland te vermijden.” Niettegenstaande
deze poging om de ware toedracht te verbergen wisten enkele overlevenden vanaf
het eiland Nias later toch een nauwkeurig verslag van de gebeurtenissen door te
geven naar Duitsland.
[deel 6 en slot klik hier]



Geen opmerkingen:
Een reactie posten