Posts tonen met het label Openbaar Ministerie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Openbaar Ministerie. Alle posts tonen

donderdag 7 maart 2013

Geen strafrechtelijk onderzoek Srebrenica (II)

Het Openbaar Ministerie stelt geen strafrechtelijk onderzoek in tegen de heren Karremans (commandant Dutchbat III), Franken (plaatsvervangend commandant Dutchbat III) en Oosterveen (personeelsfunctionaris Dutchbat III). Op basis van intensief en nauwgezet feitenonderzoek, komt het Openbaar Ministerie tot het oordeel dat Karremans, Franken en Oosterveen niet strafrechtelijk verwijtbaar betrokken zijn geweest bij de door het Bosnisch-Servische leger (VRS) gepleegde misdaden in juli 1995 in Srebrenica. 

Aangifte 
Op 5 juli 2010 ontving het Openbaar Ministerie een aangifte over betrokkenheid van Karremans, Franken en Oosterveen bij strafbare feiten begaan in Srebrenica in juli 1995. De aangifte heeft betrekking op de dood van Rizo Mustafic, Ibro Nuhanovic en Muhamed Nuhanovic en niet op de andere evacués die om het leven zijn gekomen nadat ze de compound hadden verlaten. In de aangifte wordt Karremans, Franken en Oosterveen verweten dat ze voornoemde slachtoffers hebben verwijderd van de compound en overgedragen hebben aan de VRS in de wetenschap dat dit zou hebben geleid tot hun dood. De VRS stond onder leiding van Mladic.

Feitenonderzoek 
Naar aanleiding van de aangifte is een feitenonderzoek gestart. Dit onderzoek was erop gericht om – op basis van (reeds) beschikbare informatie en op basis van informatie genoemd in de aangifte – te beoordelen of er ten aanzien van Karremans, Franken en Oosterveen aanleiding is om strafrechtelijk onderzoek te doen. Het Openbaar Ministerie heeft in 1998 een onderzoek ingesteld naar onder meer de strafrechtelijke betrokkenheid van Nederlandse militairen bij de evacuatie van de bevolking van de enclave Srebrenica in juli 1995. Er zijn toen geen aanwijzingen gevonden dat Nederlandse militairen, deel uitmakend van Dutchbat III, zich bij hun regelende taken schuldig hebben gemaakt aan enig strafbaar feit.

Diverse bronnen waar in de aangifte naar wordt verwezen alsook andere beschikbare bronnen zijn integraal onderzocht op aanwezigheid van belastend en ontlastend materiaal in relatie tot de aangifte. Er is een analyse gemaakt van de context waarbinnen de verweten gedragingen hebben plaatsgevonden en het juridische kader waartegen deze gedragingen moeten worden afgezet. Belangrijke bronnen waaruit is geput zijn onder meer: het defensierapport ‘Debriefing Srebrenica’(oktober 1995), het ‘Feitenrelaas debriefing Srebrenica’ (22 september 1995), het NIOD rapport ‘Srebrenica, een ‘veilig’ gebied’ (2002), de rapporten van de Secretaris-Generaal van de VN (november 1995 en november 1999), de getuigenverklaringen die onder meer door Nederlandse militairen voor het Joegoslaviëtribunaal zijn afgelegd en de getuigenverhoren in de civiele procedure van aangevers tegen de Nederlandse Staat.

Het onderzoek heeft, na de aangifte in juli 2010, geruime tijd in beslag genomen. Dit niet alleen vanwege de enorme hoeveelheid aan informatie die is onderzocht. Het betreft ook een uiterst complexe, gevoelige zaak. Op verschillende momenten is breed intern overleg geweest over de deelresultaten van het onderzoek en de analyses en zijn nadere onderzoeksopdrachten geformuleerd en uitgevoerd. Daarnaast is er ook advies ingewonnen bij een aantal andere OM-onderdelen (Landelijk Parket, Parket-Generaal en het Ressortsparket Arnhem-Leeuwarden).

Gebeurtenissen rondom de val van Srebrenica 
Nadat Srebrenica in 1993 door de VN-Veiligheidsraad werd aangewezen als safe area, een gebied waar de bevolking veilig moest zijn voor wapens en andere dreigingen, heeft de Nederlandse regering zich in de zomer van 1993 bereid verklaard om gedurende anderhalf jaar een infanteriebataljon te leveren voor de VN-missie in Bosnië-Herzegovina. Het eerste bataljon (Dutchbat I) arriveerde in maart 1994. Dit bataljon werd in juli van dat jaar opgevolgd door Dutchbat II, dat op zijn beurt in januari 1995 werd afgelost door Dutchbat III.
De taken van Dutchbat waren gericht op een traditionele vredeshandhavende operatie, dat wil zeggen een operatie waarbij de strijdende partijen vrede hebben gesloten en de ‘blauwe baretten’ als onpartijdige derde optreden. Dutchbat had tot taak om door hun aanwezigheid ter plaatse strijdende partijen af te schrikken om de safe area aan te vallen. Het mandaat voorzag niet in bescherming van de bevolking door verdediging van de safe area.
Noch Dutchbat, noch UNPROFOR en de internationale gemeenschap zijn in staat gebleken om de ontwikkelingen in de maanden, weken en dagen voorafgaand aan de val van de enclave Srebrenica te beïnvloeden en de aanval op de enclave te voorkomen of te stoppen. De verschillende onderzoeken die in de loop der jaren zijn gedaan naar de gebeurtenissen rondom de val van Srebrenica schrijven dit falen in belangrijke mate toe aan het gebrekkige mandaat, een gebrekkige (internationaal) politieke en militaire sturing, onvoldoende troepensterkte, de lichte bewapening en de restricties met betrekking tot het gebruik van geweld.

Nadat de VRS vanaf februari 1995 geen brandstoftransporten meer toeliet tot de enclave kampte Dutchbat met een ernstig brandstoftekort. Ook de aanvragen voor bevoorradingskonvooien werden stelselmatig gehinderd en eind april sloot de VRS de enclave zelfs hermetisch af, waardoor circa 150 verlofgangers van Dutchbat niet konden terugkeren in het gebied en de bevoorrading onmogelijk werd. Hierdoor ontbrak het al snel aan een aantal eerste levensbehoeften zoals verwarming, verlichting, warm water en bewassing. Ook de drinkwater- en voedselvoorraad nam zorgwekkende vormen aan, hetgeen leidde tot diverse lichamelijk klachten bij de militairen waardoor het functioneren werd belemmerd. Doordat de UNHCR hulpkonvooien de enclave ook niet meer bereikten ontstond er ook voor de bevolking in de enclave een zeer precaire voedselsituatie.

Begin juni viel de eerste Observation Post (OP) in handen van de VRS. Nadat op 6 juli 1995 de enclave door de VRS werd aangevallen werden de overige OP’s door de VRS overlopen, waarbij het gebruik van geweld door de VRS niet werd geschuwd. De bemanning werd veelal gedwongen haar wapens achter te laten en een aantal Nederlandse militairen viel in handen van de VRS. In de avond van 9 juli 1995 was de VRS Srebrenica-stad tot op een kilometer genaderd. Hoewel er door Dutchbat op 10 juli 1995 verschillende blocking positions werden ingenomen, rukte de VRS steeds verder op. Ondanks meerdere verzoeken om luchtsteun, bleef deze uit. In de middag van 11 juli 1995 werd wel luchtsteun ingezet, maar weer stopgezet nadat de VRS had gedreigd de gegijzelde militairen van Dutchbat te zullen doden. De VRS zette zijn opmars voort en met gebruikmaking van veel geweld werd Srebrenica-stad aan het eind van de middag op 11 juli 1995 ingenomen.

De aanval op de enclave had tot gevolg dat de bevolking en de in de enclave aanwezige eenheden van het Bosnische moslimleger (ARBiH) op de vlucht sloegen. Een groot deel van de bevolking zocht in de loop van 11 juli 1995 een veilig heenkomen op de compound in Potocari. Aangezien de VRS dreigde met artillerievuur als Dutchbat vluchtelingen toe zou laten op de compound, werden de vluchtelingen uit het zicht van de VRS binnengelaten via een gat in het hek aan de achterkant van de compound. Circa 5000 vluchtelingen werden ondergebracht in een grote fabriekshal op het terrein. De overige vluchtelingen, circa 27.000, verbleven buiten de compound.

Met het oog op het bevorderen van de humanitaire situatie voor de vluchtelingen die zich inmiddels op en om de compound bevonden, ontving Karremans in de vroege avond van 11 juli 1995 de opdracht van het hoofdkwartier in Sarajevo om alle mogelijke maatregelen te treffen ter bescherming van de vluchtelingen. Kort daarna kreeg hij ook de instructie om met de VRS in onderhandeling te gaan over de evacuatie van de vluchtelingen. Karremans zette hierbij in op een evacuatie door UNPROFOR, waarbij hij van meet af aan aangaf dat hij het lokale personeel wilde meenemen. Volgens Karremans werd door Mladic de eis gesteld dat het lokale personeel in bezit moest zijn van een VN-pas. Hierop gaf Karremans zijn staf de instructie om een namenlijst op te stellen.

In de ochtend van 12 juli 1995 deelde Mladic onverwacht mee dat de VRS voor het vervoer zou zorgdragen. Verder wilde Mladic alle mannen tussen de 17 en 60 jaar zien om na te gaan of er oorlogsmisdadigers tussen zaten. Rond 13:00 uur die dag arriveerden de eerste bussen en vrachtwagens bij de compound in Potocari en vertrokken de eerste bussen met vluchtelingen. Daarnaast begon de VRS met het scheiden van de mannen van hun families. De mannen werden overgebracht naar een huis (“het witte huis”) waarin zij door de VRS werden verhoord. Al snel ontving de bataljonsleiding berichten die er onmiskenbaar op duidden dat daar door de VRS (ernstig) fysiek geweld werd gebruikt.

Het aanvankelijke plan om een Nederlandse militair met iedere bus mee te laten rijden bleek al snel niet
uitvoerbaar. Het plan om per konvooi een militair voertuig mee te sturen werd door de VRS gedwarsboomd. De VRS nam de Nederlandse militairen voertuigen en wapens af. Dutchbat stond hier machteloos tegen over. Later die dag werd het Karremans en Franken duidelijk dat de bussen met mannen niet arriveerden op de afgesproken bestemming (Kladanj).

Rond het middaguur waren de vluchtelingen die buiten de compound verbleven allemaal vertrokken. Vervolgens werden de vluchtelingen die zich nog op de compound in Potocari bevonden geëvacueerd. Vroeg in de avond waren ook deze vluchtelingen vertrokken.

Strafrechtelijk verwijtbare betrokkenheid bij het ombrengen van de in de aangifte genoemde slachtoffers
Op basis van het feitenonderzoek heeft het Openbaar Ministerie zich het volgende beeld gevormd over de gebeurtenissen op 13 juli 1995 rondom Rizo Mustafic, Ibro Nuhanovic en Muhamed Nuhanovic en de rol die Karremans, Franken en Oosterveen hierbij hebben gespeeld.

Muhamed Nuhanovic
Muhamed Nuhanovic was de broer van Hasan Nuhanovic (aangever) die als tolk in dienst was van de monitormissie van de Verenigde Naties (UNMO). Hasan Nuhanovic vreesde voor het lot van zijn broer en zocht naar een mogelijkheid om te voorkomen dat Muhamed Nuhanovic de compound moest verlaten. Karremans had tijdens de onderhandelingen met Mladic bedongen dat het lokaal personeel dat in dienst was van de Verenigde Naties samen met Dutchbat de enclave zou verlaten. Karremans liet zijn staf ter zake een namenlijst (de zogenoemde “lijst van 29”) opmaken om inzichtelijk te kunnen maken welke personen dit betrof. De VRS eiste dat Dutchbat een namenlijst zou overleggen. Een Nederlandse UNMO-officier was bereid om te doen alsof Muhamed Nuhanovic kort daarvoor in dienst was genomen als schoonmaker en derhalve als personeelslid moest worden beschouwd die de met Mladic overeengekomen bescherming genoot. In de ochtend van 13 juli 1995 leverde de Nederlandse UNMO-officier de lijst in bij Franken. Franken wilde echter geen namen op de lijst hebben staan van personen die niet beschikten over de vereiste papieren waarmee ze hun dienstverband met de Verenigde Naties of een andere internationale organisatie konden aantonen. Muhamed Nuhanovic was niet in het bezit van een dergelijk bewijs. Franken liet door zijn staf onderzoeken of het mogelijk was om op de compound een VN-identiteitspas na te maken. Dit bleek niet het geval. Franken hield ernstig rekening met een controle door de VRS en vreesde bij ontdekking voor represailles en daarmee voor het leven van het lokaal personeel dat wel over een VN-identiteitspas beschikte. De gegeven omstandigheden van dat moment en de machteloze positie waarin Dutchbat zich bevond, billijken in de ogen van het Openbaar Ministerie de belangenafweging die Franken heeft gemaakt en het besluit dat hij op basis daarvan heeft genomen. Om die reden treft Franken geen strafrechtelijk verwijt. Het Openbaar Ministerie heeft vastgesteld dat de betrokkenheid van Karremans ten aanzien van de gebeurtenissen rondom Muhamed Nuhanovic niet relevant is geweest en die van Oosterveen nihil. Ook hen treft om die reden geen strafrechtelijk verwijt.

Ibro Nuhanovic 
Ibro Nuhanovic bevond zich met zijn vrouw en twee zonen, Hasan Nuhanovic (aangever) en Muhamed Nuhanovic, op de compound. Ibro Nuhanovic maakte samen met twee andere vluchtelingen deel uit van het vluchtelingencomité dat Karremans bijstond bij de onderhandelingen over de evacuatie van de vluchtelingen met Mladic. Daar is door Mladic de indruk gewekt dat Ibro Nuhanovic een vrijgeleide had en dientengevolge op de compound mocht blijven. Franken wees Ibro Nuhanovic hierop toen hij zag dat Ibro Nuhanovic vroeg in de avond van 13 juli 1995 zich met zijn gezin en de laatste groep vluchtelingen naar de toegangspoort van de compound begaf. Ibro Nuhanovic wilde zijn vrouw en zoon niet alleen laten en verliet samen met hen de compound. Oosterveen kan op geen enkele wijze in verband worden gebracht met het verlaten van de compound door Ibro Nuhanovic. Het Openbaar Ministerie is van oordeel dat Karremans, Franken en Oosterveen in deze geen strafrechtelijk relevante gedragingen hebben gepleegd. Het besluit van Ibro Nuhanovic om de compound te verlaten is terug te voeren op de beslissing van Franken om Muhamed Nuhanovic niet toe te staan tesamen met Dutchbat te evacueren. Nu deze beslissing van Franken geen strafrechtelijk verwijt met zich brengt, kan ook het besluit van Ibro Nuhanovic om de compound te verlaten en zijn daaruit voortvloeiende dood in strafrechtelijke zin niet verweten worden aan Karremans of Franken.

Rizo Mustafic 
Rizo Mustafic had eveneens met zijn gezin zijn toevlucht gezocht op de compound. Hij was in dienst van het gemeentebestuur (Opstina) van Srebrenica en als electriciën te werk gesteld op de compound. Aangezien hij al sinds begin 1994 voor Dutchbat werkte, had hij een bijzondere positie verworven in vergelijking met het andere opstina-personeel.

Hoewel Rizo Mustafic in dienst was van de Opstina en dus niet in dienst van de Verenigde Naties, zijn er aanwijzingen dat zijn naam op deze namenlijst heeft gestaan en dat Rizo Mustafic hiervan op de hoogte was. In de ochtend van 13 juli 1995 liep Rizo Mustafic op Oosterveen af waarna een kort gesprek volgde waarin Rizo Mustafic meedeelde dat hij op de compound zou blijven. Op basis van instructies die hij eerder van de bataljonsleiding had gekregen, merkte Oosterveen op dat alleen lokaal personeel dat in dienst was van de Verenigde Naties op de compound mocht blijven. Oosterveen hoorde die avond van Franken, nadat Rizo Mustafic de compound reeds had verlaten en Oosterveen Franken over de ontmoeting die ochtend had geïnformeerd, dat Rizo Mustafic op de compound had mogen blijven. Franken beschouwde Rizo Mustafic als een lokaal personeelslid die bijzondere bescherming genoot en verweet Oosterveen, een immense stommiteit te hebben begaan. Karremans heeft Rizo Mustafic die dagen niet gezien en diens vertrek viel Karremans pas op na 13 juli 1995. Karremans beschouwde Rizo Mustafic als een vaste medewerker en had zich niet gerealiseerd dat Rizo Mustafic niet in dienst was van Verenigde Naties. De gebeurtenissen rondom Rizo Mustafic zijn terug te voeren op een dramatisch misverstand. Ten aanzien van dit misverstand treft Karremans, Franken en Oosterveen niet een strafrechtelijk verwijt.

Conclusie 
Het Openbaar Ministerie concludeert op basis van het feitenonderzoek dat Karremans, Franken en Oosterveen geen strafrechtelijk verwijt treft ten aanzien van het ombrengen van Rizo Mustafic, Ibro Nuhanovic en Muhamed Nuhanovic door de VRS. Naar het oordeel van het Openbaar Ministerie zijn er geen aanwijzingen die noodzaken tot verder (strafrechtelijk) onderzoek. Het Gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft inmiddels geoordeeld dat de Staat der Nederlanden naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de dood van Rizo Mustafic, Ibro Nuhanovic en Muhamed Nuhanovic, welk oordeel in cassatie is bestreden en daarom nog niet definitief is. De aard van het onderzoek dat tot dat oordeel heeft geleid verschilt evenwel wezenlijk van dat van het onderzoek naar aanleiding van de vraag of Karremans, Franken en Oosterveen individueel enig strafrechtelijk relevant verwijt treft.

(Openbaar Ministerie, 7 maart 2013)

Geen strafrechtelijk onderzoek Srebrenica

Arrondissementsparket Oost-Nederland

Het Openbaar Ministerie stelt geen strafrechtelijk onderzoek in tegen de heren Karremans (commandant Dutchbat III), Franken (plaatsvervangend commandant Dutchbat III) en Oosterveen (personeelsfunctionaris Dutchbat III). Op basis van intensief en nauwgezet feitenonderzoek, komt het Openbaar Ministerie tot het oordeel dat Karremans, Franken en Oosterveen niet strafrechtelijk verwijtbaar betrokken zijn geweest bij de door het Bosnisch-Servische leger (VRS) gepleegde misdaden in juli 1995 in Srebrenica.

Aangifte
Op 5 juli 2010 ontving het Openbaar Ministerie een aangifte over betrokkenheid van Karremans, Franken en Oosterveen bij strafbare feiten begaan in Srebrenica in juli 1995. De aangifte heeft betrekking op de dood van Rizo Mustafic, Ibro Nuhanovic en Muhamed Nuhanovic nadat ze de compound hadden verlaten. In de aangifte wordt Karremans, Franken en Oosterveen verweten dat ze voornoemde slachtoffers hebben verwijderd van de compound en overgedragen hebben aan de VRS in de wetenschap dat dit zou hebben geleid tot hun dood. De VRS stond onder leiding van Mladic.

Feitenonderzoek
Naar aanleiding van de aangifte is een feitenonderzoek gestart. Dit onderzoek was erop gericht om - op basis van (reeds) beschikbare informatie en op basis van informatie genoemd in de aangifte - te beoordelen of er ten aanzien van Karremans, Franken en Oosterveen aanleiding is om strafrechtelijk onderzoek te doen.

Conclusie
Het Openbaar Ministerie concludeert op basis van het feitenonderzoek dat Karremans, Franken en Oosterveen geen strafrechtelijk verwijt treft ten aanzien van het ombrengen van Rizo Mustafic, Ibro Nuhanovic en Muhamed Nuhanovic door de VRS. Naar het oordeel van het Openbaar Ministerie zijn er geen aanwijzingen die noodzaken tot verder (strafrechtelijk) onderzoek.

(Openbaar Ministerie, 7 maart 2013)

woensdag 14 november 2012

Karremans eist snel besluit OM

Voormalig Dutchbat-commandant Thom Karremans wil dat het Openbaar Ministerie voor het einde van de maand de knoop doorhakt over het strafrechtelijk onderzoek tegen hem. Volgens zijn advocaat Geert Jan Knoops is Karremans het wachten beu.

Nabestaanden van slachtoffers van Srebrenica deden in juli 2010 aangifte tegen Karremans en twee andere leidinggevenden van Dutchbat-3 wegens oorlogsmisdaden en genocide. Dutchbat-3 was de Nederlandse VN-eenheid die de moslimenclave Srebrenica moest beschermen. Na de inname door de Bosnisch-Servische troepen werden duizenden moslimmannen vermoord.

Opportuun
Volgens de nabestaanden, een voormalige tolk van Dutchbat die zijn vader en broer verloor, en de familie van een elektricien van het bataljon, zijn de leidinggevenden van Dutchbat-3 verantwoordelijk voor de dood van hun familieleden. Die werden door de Nederlandse militairen van de compound gezet terwijl duidelijk was dat ze groot gevaar liepen. Daardoor hebben de Nederlandse militairen meegeholpen aan de genocide, vinden de nabestaanden.

Het Openbaar Ministerie worstelt met de aangifte. Vervolging leek eerder dit jaar dichterbij te komen door het advies van de landelijke reflectiekamer aan de top van het OM. Volgens de reflectiekamer, die bestaat uit topfiguren van binnen en buiten het OM, is vervolging van Karremans juridisch mogelijk en ook opportuun.

Brieven
Toch stelt het OM de beslissing telkens uit. Knoops heeft de hoofdofficier van justitie in Arnhem nu gevraagd voor 30 november een besluit te nemen. Volgens de advocaat kan het OM niet anders dan de aangifte terzijde te leggen omdat de aangifte al twee jaar en vier maanden oud is en het OM ook de vijftien jaar daarvoor geen actie heeft ondernomen.

Bovendien blijkt Karremans te beschikken over brieven uit 2004 en 2005 van het ministerie van Defensie waarin hem maximale vrijwaring wordt toegezegd voor civielrechtelijke gevolgen van de val van Srebrenica. Hoewel de vrijwaring dus niet geldt voor strafrechtelijke gevolgen, had Karremans op basis van de brieven erop moeten kunnen vertrouwen dat hij ook strafrechtelijk niet zou worden aangepakt, zegt Knoops.

(NOS, 14 november 2012)

dinsdag 6 november 2012

Somalische piraten aangekomen in Nederland voor berechting

4 Somaliërs worden vervolgd voor zeeroof en geweld tegen Nederlandse militairen. De verdachten kwamen vannacht aan op Vliegbasis Eindhoven. Een boardingteam van het amfibisch transportschip Hr. Ms. Rotterdam kreeg op 25 oktober onverwacht met agressie te maken tijdens een routinecontrole.

De Rotterdam besloot toen een op 400 meter uit de Somalische kust liggende vissersboot te inspecteren. Toen het gespecialiseerde mariniersteam in motorboten (RHIB's) op zo'n 100 meter was, werd geschoten vanaf deze zogenoemde dhow, die gekaapt bleek. Een RHIB werd geraakt en liep schade op. De mariniers bleven ongedeerd en beantwoordden het vuur. Daarbij kregen ze ondersteuning vanaf de Rotterdam. De dhow vatte vlam en een deel van de gegijzelde bemanning en de piraten sprong overboord. Terwijl de mariniers met behulp van de RHIB's de drenkelingen uit het water haalden werden zij opnieuw beschoten. Dit keer zowel vanaf de dhow als de wal. Ook nu schoten de militairen terug.

Drenkelingen
Uiteindelijk pikten de mariniers 25 drenkelingen op. De kapitein van de dhow identificeerde 6 van hen als piraten die hem en zijn Pakistaans/Iraanse bemanning enkele weken eerder gijzelden in de wateren rond Oman. Van de 21 oorspronkelijke bemanningsleden van de dhow worden er 2 vermist. De rest is aan boord genomen van de Rotterdam. Daar zijn 2 gewonde piraten en 6 bemanningsleden behandeld. Een bemanningslid kwam om het leven. De oorspronkelijke bemanningsleden en het stoffelijk overschot zijn overgedragen aan de betreffende autoriteiten van Iran en Pakistan.

Omdat Nederlandse militairen zijn beschoten, heeft het Openbaar Ministerie (OM) gekozen voor berechting van de 4 verdachten in Nederland. De andere 2 verdachten werden vrijgelaten vanwege minderjarigheid. Het onderzoek wordt uitgevoerd door de Koninklijke Marechaussee, onder leiding van het Landelijk Parket.

(ministerie van Defensie, 6 november 2012)

maandag 10 september 2012

OM eist in totaal 90 jaar cel tegen Somalische piraten

Het Openbaar Ministerie heeft vandaag celstraffen van 10 jaar geëist tegen negen Somalische piraten die in het voorjaar van 2011 Nederlandse mariniers in een hinderlaag lokten. Bij het opzetten van de hinderlaag en tijdens het vuurgevecht dat daarop volgde, zetten de piraten gegijzelde bemanningsleden uit Iran in als menselijk schild. ,,De verdachten hebben met hun daden aangetoond geen enkel respect te hebben voor andermans leven,'' oordeelde de officier van justitie bij het Landelijk Parket.

De confrontatie tussen de piraten en de mariniers vond plaats in de vroege ochtend van 2 april 2011. Het Nederlandse oorlogsschip Hr. Ms. Tromp patrouilleerde op dat moment voor de kust van Somalië, in het kader van de internationale anti-piraterijmissie Ocean Shield.  Mariniers in hulpvaartuigen (RHIB's) van de Tromp wilden een vissersschip controleren, toen zij onverwacht werden beschoten.  ,,Een groep marinemensen, in twee kleine open bootjes, die op een woelig wateroppervlak onder vuur worden genomen door een onzichtbare tegenstander. De RHIB's werden daarmee letterlijk schietschijf,'' zo schetste de officier de levensgevaarlijke situatie op zitting.

Menselijk schild
Het vuur op de mariniers werd volgens het Openbaar Ministerie geopend vanaf een Iraans vissersschip, dat was gekaapt door Somalische piraten. De piraten misbruikten de gegijzelde bemanningsleden als menselijk schild. ,,Het is slechts gelukkig toeval geweest dat hierbij geen Nederlandse of Iraanse slachtoffers zijn gevallen.'' Tijdens de schotenwisseling kwamen twee Somalische verdachten om het leven.



(video met o.a. 'real world'-beelden van de gebeurtenissen op 2 april 2011)

De hulpvaartuigen van de Tromp moesten zich noodgedwongen terugtrekken uit het vuurgevecht. Toen vervolgens bleek dat een aantal piraten het vissersschip probeerde te ontvluchten, werden de RHIB's opnieuw te water gelaten. Ditmaal konden de mariniers de piraten overmeesteren.

De Nederlandse Marine hield zestien verdachten aan. Negen van hen staan momenteel terecht voor de rechtbank Rotterdam. Het Openbaar Ministerie verdenkt de piraten van zeeroof en poging tot moord. De verdachten hoorden vandaag stuk voor stuk een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 10 jaar tegen zich eisen. ,,We rekenen het deze verdachten extra aan dat zij middels een lafhartige hinderlaag dusdanig gewelddadig tegen de Marine zijn opgetreden. En dat terwijl de mariniers daar slechts waren om anderen te helpen.''

(Openbaar Ministerie/Landelijk Parket, 10 september 2012)

zaterdag 1 september 2012

Nederland draagt piraten over aan Seychellen

(English summary: six suspected Somali pirates have been handed over by The Netherlands to the Seychelles, where they will stand trial. The six had been apprehended on 13 August by Marines of the Dutch Navy vessel HNLMS Rotterdam, following a chase which had involved several reconnaissance airplanes and navy ships of EU and NATO counter-piracy operations. The suspects have been flown from Salalah (Oman) to the Seychelles on board of a Dutch Air Force KDC-10 plane. HNLMS Rotterdam is the current flagship of NATO operation 'Ocean Shield')

Het amfibisch transportschip Hr. Ms. Rotterdam heeft vandaag zes van piraterij verdachte personen ter berechting overgedragen aan de Seychellen. De Rotterdam neemt als vlaggenschip deel aan de NAVO antipiraterijmissie Ocean Shield rond de Hoorn van Afrika.

Hr. Ms. Rotterdam
De vermoedelijke piraten zijn in Salalah, een havenstad in Oman, aan land gebracht. De Rotterdam deed de stad aan voor een regulier havenbezoek. Van daar zijn de verdachten met een KDC-10-transportvliegtuig van de Koninklijke Luchtmacht onder marechausseebegeleiding overgebracht naar de Seychellen. Hier werden ze samen met het gevonden bewijsmateriaal overgedragen aan de autoriteiten.

De ministeries van Buitenlandse Zaken, Defensie, Veiligheid en Justitie en het Nederlandse Openbaar Ministerie werkten nauw samen bij het zoeken naar een land in de regio dat de vermeende piraten wilde overnemen. Ook de Nederlandse ambassades in de regio speelden hierbij een belangrijke rol. Dat de Seychellen de verdachten nu gaat vervolgen past in het streven om piraten in de regio te berechten.

Het zestal werd op 13 augustus gevangen genomen na de succesvolle bevrijding van een gekaapte dhow. Bij de actie werden 14 gegijzelde bemanningsleden bevrijd. Hr.Ms. Rotterdam zet haar patrouilleactiviteiten in de Golf van Aden voort.

(ministerie van Defensie, 1 september 2012)

vrijdag 13 juli 2012

Kapitein Marco Kroon wil geld zien van de staat

Kapitein Marco Kroon uit Den Bosch wil een schadevergoeding van de Nederlandse staat. Kroon wil ook excuses van Justitie, nu hij is vrijgesproken van drugsbezit.

Dat zegt zijn advocaat Geert-Jan Knoops. De advocaat heeft direct na de vrijspraak van Kroon al om een vergoeding gevraagd. Knoops: "Daar moest Justitie heel lang over nadenken. Pas onlangs werd duidelijk dat er geen vergoeding komt." Er is volgens Knoops geen andere weg dan een gang naar de rechter.

Kroon werd donderdag geïnstalleerd als compagniescommandant van de Pantserinfanterie in Oirschot. De drager van de Militaire Willems-Orde vindt dat hij met deze benoeming eerherstel heeft gekregen, al wil hij nog steeds excuses van Justitie.

Volgens advocaat Knoops gaat het niet alleen om de emotionele schade die hij opliep. Knoops: "Er is ook financiële schade. Hij heeft zijn café in Den Bosch noodgedwongen moeten verkopen met verlies."

Een jaar geleden zei de militair nog dat hij zou afzien van een schadeclaim als Justitie niet in hoger beroep zou gaan. Er kwam inderdaad geen hoger beroep, maar op die uitspraak komt hij nu terug.

(Omroep Brabant, 13 juli 2012)

woensdag 4 juli 2012

Ontslag door verandering beleid MIVD?

Acht jaar gelden betaalde de militair in kwestie een acceptgiro aan het OM. Vandaag de dag wordt hem dat alsnog verweten en wordt zijn veiligheidsmachtiging ingetrokken.

Het gevolg is dat zijn directe commandant de militair nu moet schorsen en onvermijdelijk het ontslag zal volgen, omdat nagenoeg alle functies bij defensie vertrouwensfuncties zijn waarvoor een veiligheidsmachtiging is vereist. Wat is hier allemaal aan de hand?

Sinds vorig jaar is de MIVD al het defensiepersoneel aan het ‘doorlichten’. Daarbij wordt 8 jaar teruggekeken. Ook ‘schikkingen’ (de beruchte acceptgiro uit Leeuwarden) met het OM worden inmiddels meegewogen in de beslissing om de veiligheidsmachtiging in te trekken. Dit leidt echter tot rechtens onjuiste en onwenselijke afwegingen.

Jaren geleden was het niet ongebruikelijk om ook als ‘verdachte’ bij het OM aan te geven dat je een zaak niet bij de rechter wilde laten voorkomen omdat je er vanaf wilde zijn en dus wel wilde betalen. Een van de redenen kon zijn dat je simpelweg alle rompslomp en stress bij de rechtbank in Arnhem niet wilde. Ik heb in alle jaren als advocaat, nog nooit een militair horen zeggen; ‘Fijn, morgen een zitting bij de politierechter te Arnhem’.

Ook het OM profiteert van deze gang van zaken. Naast proceseconomische gronden loopt het OM niet het risico dat de zaak wordt verloren. Ik herinner mij dat een Hoofdofficier van Justitie mij aangaf dat als een cliënt wil schikken, het altijd raadzaam kan zijn om even met het Parket (OM) te bellen.

Zo is er een moderne wijze van ‘aflaathandel’ ontstaan. Vergelijkbaar met de middeleeuwen, waarbij je jouw ‘zonden’ bij de kerk afkocht, zodat je alsnog in de hemel kon komen. Nu betaal je om niet te worden gedagvaard. Gezien de exorbitante hoogte van de huidige boetes, vergeleken met de ons omringende landen, is het nu de Staat der Nederlanden die er wel bij vaart dat er zo veel mogelijk ‘schikkingen’ worden verstuurd.

Deze inmiddels voor alle Nederlanders geldende handelswijze, wordt dus nu voor het defensiepersoneel door de MIVD onderuit gehaald. Waar rook is, is volgens de MIVD ook daadwerkelijk vuur. Het feit dat er geen rechter aan te pas is gekomen, is kennelijk niet relevant. U was verdachte en u heeft betaald, dat is (kennelijk) voldoende.

In een van de lopende rechtszaken, kan de rol van ‘dader’ eveneens in die van ‘slachtoffer’ worden veranderd, maar dat is voor de MIVD niet relevant. Daarnaast is een van de cliënten nota bene binnen deze 8 jaar al volledig door de MIVD gescreend! Toen was de militair met exact hetzelfde feitencomplex, geen probleem voor de staatsveiligheid.

Jaren later heeft er kennelijk een verandering plaatsgevonden wanneer een militair een veiligheidsrisico vormt. Bezuinigingen?

De volgende acceptgiro toch maar even wat beter bekijken, want de MIVD kijkt mee…

U bent geïnformeerd en hopelijk gewaarschuwd!

Hein Dudink/ Defensieadvocaat

(Dudink en Starink Advocaten, 3 juli 2012)