Desinformatie van AI   

Zo kan AI desinformatie de wereld inbrengen. Ik zocht naar wat biografische gegevens van Jan Hage, de bekende organist van de Domkerk in Utrecht en de Kloosterkerk in Den Haag. Toen verscheen deze informatie:

Informatie van twee website’s worden met elkaar verbonden. De eerste alinea is gebaseerd op de website van Jan Hage zelf en biedt feitelijke informatie die klopt.

De tekst van de tweede alinea staat inderdaad op de website die geciteerd wordt. Daar wordt achtergrondinformatie gegeven over het concert dat Hage op zaterdag 16 augustus 2025 op het Willibrordusorgel in de R.K. St.-Bavo kathedraal te Haarlem gegeven heeft.

Op het programma stond het 3ème Livre d’Orgue van Piet-Jan van Rossum (1966). Als toelichting op het ontstaan van dit werk biedt die website een tekst geschreven door Van Rossum, waarin hij uitlegt dat in het Derde Orgelboek een flink deel van zijn afkomst uit de gereformeerde traditie verwerkt is, gesymboliseerd in de improvisaties van zijn vader in de Maranathakerk te Delft.

Omdat AI onvoldoende interpretatievermogens heeft, verbindt zij de gegevens uit het levensverhaal van Piet-Jan van Rossum met die van Jan Hage en schrijft zij de informatie, die van Rossum over zijn vader geeft, ten onrechte toe aan de vader van Jan Hage.

Uiteraard staat er een disclaimer bij de AI-tekst: “AI kan fouten maken, controleer dus de reacties”. Maar wanneer ik nogmaals een check uitvoer op de gegevens, biedt AI een iets andere tekst met dezelfde onjuiste informatie, die nog iets stelliger geformuleerd is:

In dit geval is de oorzaak van de desinformatie nog vrij gemakkelijk te traceren wanneer je naar de bronnen teruggaat. Maar wie gunt zich daar de tijd voor? En als de AI-tekst op een veelvoud aan bronnen gebaseerd is, is dat dan nog te doen en mogelijk?

Maar zo kan AI dus desinformatie de wereld inbrengen. Wel de klok horen luiden, maar niet weten waar de klepel hangt.

Jan Hage. Foto: PR

Een morele wending van de CU

Afgelopen woensdag 13 mei jl. berichtte het Nederlands Dagblad dat de Tweede Kamerfractie van de ChristenUnie nieuwe, strenge asielmaatregelen gaat steunen. Want de CU wil ‘onderdeel zijn van de oplossing,’ aldus partijleider Mirjam Bikker. Het is de bezegeling van een politieke koerswijziging, die de laatste maanden zichtbaar werd. Bijvoorbeeld toen men vorige maand stemde voor het EU-migratiepact, waarin strenge maatregelen staan, zoals beperkingen in de gezinshereniging van asielzoekers. Volgens Bikker speelt de maatschappelijke onrust geen rol in deze aanscherping van de asielkoers van haar partij. Zij wil slechts met de CU ‘onderdeel zijn van de oplossing’ en ‘niet wegkijken op het moment dat er problemen zijn.’ De CU stemt voor een werkend asielbeleid.

In een achtergrondverhaal vandaag in het ND, waarin deze draai van de CU geanalyseerd wordt, komt Gerard Beverdam tot de conclusie dat deze verandering niet los gezien kan worden van de laatste gemeenteraadsverkiezingen. Speciaal noemt hij de meer dan halvering van de CU in de gemeenteraad van Hardenberg, met als gevolg dat de CU ook geen wethouder meer levert. De CU is afgerekend op het feit, dat het Asielzoekerscentrum niet volgens de afspraak na 10 jaar in maart 2026 gesloten is, omdat er geen alternatieve opvang beschikbaar is.

De frustratie van de CU over een falende overheid en een vastgelopen asielbeleid is voorstelbaar, maar de vraag is of dit een koerswijziging rechtvaardigt, waarbij uiteindelijk de inhumane asielvoorstellen van de PVV en de VVD van het vorige kabinet alsnog gerealiseerd kunnen worden. Om twee redenen lijkt mij een dergelijke wending zeer discutabel.

Allereerst en de belangrijkste reden is dat, wil de CU bijdragen aan wat Bikker noemt een ‘werkend asielbeleid’, zij haar morele grenzen zal moeten oprekken. Het is vreemd, dat wat in 2023 onbespreekbaar was, nu zo vloeibaar is geworden, dat die meloen geslikt kan worden. Een tweede reden is, of het toegeven aan de druk om in te stemmen met de kabinetsvoorstellen op asielgebied zal bijdragen aan een oplossing voor het onderliggende probleem van het vastgelopen asielbeleid.

Vandaag ben ik begonnen in het boek van Catherine de Vries over de opkomst van radicaal-rechts in Europa.[1] Daarin vertelt ze over haar vader die in een ander Overijssels dorp politiek gezien de draai maakte weg van het stemmen op het CDA. ‘Wat begon als een proteststem op Pim Fortuyn, werd gaandeweg een vaste stem voor de PVV.’ Onvrede over de afbraak van allerlei publieke voorzieningen, die de motor wordt van de electorale opmars van radicaal-rechts. Onvrede over de terugtrekking van de staat, die geprojecteerd wordt op een specifiek doel: ‘de elite’ en ‘de migrant’, waarbij de veroorzaker, ‘bijvoorbeeld het beleid van de kabinetten onder leiding van Mark Rutte’, veelal buiten schot blijft.

De Vries laat zien dat Nederland wat dit betreft niet uniek is. Inzicht gevend is de conclusie die zij trekt, op basis van haar onderzoek op allerlei andere plekken in Europa: ‘Overal vulde radicaal-rechts de stilte die de middenpartijen hadden laten vallen en heel vaak namen diezelfde middenpartijen hun radicale boodschap over.’  

Ik zie de koers die de CU nu inzet als een bijdrage aan het normaliseren van het radicale asielbeleid van de VVD en de PVV. De Vries wijst m.i. een andere weg om de proteststemmen tegen de middenpartijen de wind uit de zeilen te nemen: ‘Wie investeert in de alledaagse nabijheid van diezelfde overheid, bouwt aan de legitimiteit die radicaal-rechtse crescendo’s kan dempen.’ Wel vraagt dit om ‘leiders die ongemakkelijke waarheden durven uitspreken en burgers die bereid zijn verder te kijken dan het refrein van verontwaardiging.’

Mijn wens is dat Bikker en de CU haar morele standaarden in de politiek niet opofferen aan het pragmatisme van een ‘werkend asielbeleid’.


[1] Catherine de Vries, De symfonie van onvrede. De opmars van radicaal-rechts in Europa, Querido Facto, 2026.

Christus als hovenier

Zij dacht dat het de hovenier was. Johannes 20:15

Eén Rembrandt kende als kind ik goed:
de Christus met de grote hoed
wandelend in de ochtendstond.
En, naar erbij geschreven stond:
Hij was de hovenier.

En nòg laat ik mijn tranen gaan
als in de gaarde ik Hem zie staan,
en – wat terzijde – in stille schrik
die éne, zij die dacht als ik:
Het was de hovenier.

O kinderdroom van groen en goud –
géén die ontnam wat ik behoud.
De laatste hoven naderen schier
en ijler wordt de ochtend hier.

Hij is de hovenier.  

(Ida Gerhardt, uit: De hovenier, 1961.)

        

Detail uit ‘De opgestane Christus verschijnt aan Maria Magdalena’, door Rembrandt, 1638.  Royal Collection, Buckingham Palace, Londen.

De weg naar de Vader

Overdenking Vesper in de Stille Week   
Bazuinkerk, Kampen
Dinsdag 31 maart 2026

1e Schriftlezing: Jesaja 11: 1-8
2e Schriftlezing: Johannes 13: 31 - 14: 6
Overdenking - Jezus is de weg naar de Vader
3e Schriftlezing: Johannes 14: 7-31

Wil je het evangelie van Johannes begrijpen, dan moet je die in samenhang lezen met de Schriften van Israël. Vanaf het eerste vers ‘In het begin was het Woord,’ klinkt het Oude Testament volop mee. Door die resonantie brengt Johannes in de verhalen over Jezus een diepere betekenislaag aan.

Op de laag van de geschiedenis wordt de confrontatie tussen Jezus en de Joodse leiders steeds grimmiger. Tijdens heel zijn optreden hebben ze Jezus al verscheidenen keren geprobeerd te arresteren of te stenigen. Het hele volk weet ondertussen dat ze erop gebrand zijn hem te doden. Het zal een kwestie van tijd zijn, dat Jezus definitief uitgeschakeld wordt.

Toch is Jezus, ondanks het protest van zijn leerlingen, weer naar Judea gegaan en is hij op een ezel als een koning Jeruzalem binnen getrokken. De leerlingen hebben zich erbij neergelegd, dat Jezus zijn dood tegemoet gaat. Zoals Tomas zei: ‘Laten wij maar meegaan, om met hem te sterven.’

Tegen deze achtergrond horen wij vandaag die woorden van Jezus, waarin hij zijn leerlingen verzekert dat ze niet in paniek hoeven te raken, omdat hij de regie heeft en de regie houdt.

Jezus weet dat, nu het uur van de waarheid gekomen is, hij overgeleverd zal worden om zijn missie aan het kruis tot voltooiing te brengen. Maar door te sterven zal hij voor zijn leerlingen de weg naar de Vader kunnen openen. Die weg is geblokkeerd, sinds Adam en Eva door God uit de tuin van Eden gezet zijn. Hij wordt bewaakt door cherubs met vlammende zwaarden.

Maar nu, – zo zegt Jezus -, wordt het de weg waarlangs God zelf naar zijn leerlingen komen zal, om in zijn Geest bij hen zijn intrek te nemen. En het zal de weg worden waarlangs wij in de nabijheid van zijn Vader mogen komen en bij Hem mogen verblijven. Want het is de weg, waarlangs ook wij weer de toegang krijgen tot de boom van het leven, met zijn vruchten die genezing en heelheid zullen brengen.

Vanuit deze samenhang met de oorsprongsgeschiedenis is het niet verwonderlijk, dat Jezus in één adem ons oproept elkaar lief te hebben door elkaars voeten te wassen. Dat is zijn gebod ten leven. Zijn Geest zal door het in praktijk brengen van dit gebod ons een vernieuwd leven geven, wat zal leiden tot vrede met God en vrede tussen de mensen.

Als leerlingen van Jezus blijven wij kwetsbaar, want wij leven in een wereld waarin de dood en ook de tegenstand tegen God nog het laatste woord hebben. Maar Jezus bemoedigt ons, dat hij ons lief zal hebben tot het einde toe.

Overweeg zijn liefde, en neem daarbij deze woorden van Jezus ter harte: Maak je niet ongerust en verlies de moed niet. Ik laat jullie mijn vrede na.

Amen.

Detail van het schilderij van Rembrandt, ‘De kruisoprichting,’ 1633.

De Geest herstelt en herschept Gods koninkrijk op aarde

(Fragmenten uit de preek gehouden op de 1e Pinksterdag d.d. 8 juni 2025 in de CGK Kampen Eben-Haëzer naar aanleiding van de Heidelbergse Catechismus Zondag 20, ‘Wat gelooft u van de Heilige Geest?’) 

  • De komst van het Koninkrijk van God is de kern van het evangelie

Als invalshoek om over de het werk van de Heilige Geest na te denken kies ik vandaag hoe in het bijbelboek Handelingen het evangelie samengevat wordt en welke rol de Heilige Geest heeft in de manier waarop de vervulling van de belofte van het evangelie gestalte krijgt in het leven van de gelovigen.

En dan is mijn eerste punt dat het in de verkondiging van het evangelie gaat om de komst van het Koninkrijk van God in onze wereld. Dat is de kern, zoals Lukas in Handelingen die omschrijft.

En dat is wel bijzonder, omdat ik denk dat wij dat niet zo als eerste zouden benoemen. Vanuit onze gereformeerde traditie staan wij daarin anders voorgesorteerd. Dat viel me weer op, toen ik in de voorbereiding van deze preek nog eens naging, wat die weldaden zijn, waarover HC Zondag 20 over spreekt: ‘Dat de Heilige geest ook mij gegeven is om mij door een echt geloof deel te doen hebben aan Christus en al zijn weldaden.’ En als je dan de dogmatische handboeken erop na slaat, dan wordt dat uitgelegd als de orde van het heil, die dan betrokken wordt op de gelovige als persoon.

Zo kwam ik als voorbeeld in het catechismusboekje van Abraham Hellenbroek deze vragen en antwoorden tegen:

Uit: Abraham Hellenbroek, Voorbeeld der Goddelijke waarheden

13. Over de roeping                  

1.    Waartoe is Christus zo verhoogd?                        
Om ons Zijn weldaden toe te passen.                  

2.    Hoe kunnen de weldaden van Christus onderscheiden worden?             In:    -  weldaden in dit leven;                                
-  weldaden na dit leven.                 

3.    Wat zijn de voornaamste weldaden in dit leven?                              -  De Roeping;                                
-  de rechtvaardigmaking;                                
-  de heiligmaking.                 

4.     Wat zijn de voornaamste weldaden in dit leven?                            -  De opstanding;                                
-  het laatste oordeel;                                
-  het eeuwige leven.  

De weldaden worden gecentreerd rond de verzoening van de gelovige met God door het offer van Christus. Zo hebben wij in onze traditie het evangelie eigen gemaakt, en dat is dan ook lens waarmee wij allerlei teksten uit het Nieuwe Testament uitleggen en de boodschap van de Bijbel samenvatten.

Toch is in Handelingen de kern van het evangelie dat Gods rijk hier op aarde is gekomen. Dat is voor Jezus het onderwerp van gesprek met de leerlingen, in de 40 dagen tussen zijn opstanding en de hemelvaart. Zij moeten getuigen wat ze drie jaar lang van Jezus gezien en gehoord hebben, namelijk dat het Koninkrijk van God dichtbij is gekomen, en dat Jezus iedereen uitnodigde om dat Koninkrijk binnen te gaan. Vandaar ook dat Petrus op de Pinksterdag vooral het koningschap van Christus benadrukt, wanneer hij zegt (2:36): ‘Laat het hele volk van Israël er zeker van zijn dat Jezus, die u gekruisigd hebt, door God tot Heer en messias is aangesteld.’

En ook voor Paulus is dit de kern. Tegen de Joden in Rome spreekt hij uit, dat het gaat om de vestiging van Gods heerschappij op aarde. Dat gaat via de etappes van Jezus’ lijden, opstanding en hemelvaart en de uitstorting van de Heilige Geest. Het gaat in dat alles om vervulling van ‘de hoop die Israël’ koesterde, de hoop op de opstanding uit de dood voor het volk Israël, zoals Ezechiël daarover profeteerde in hoofdstuk 37, dat een dal vol doodsbeenderen weer tot leven zal komen. Het is de hoop dat God een nieuw verbond zal sluiten, waardoor hij weer voor altijd bij zijn volk zal wonen. Het is de hoop dat er iemand uit het huis van David weer koning zal zijn.

Voor de apostelen is de kern van het evangelie, dat deze aloude verwachting van een toekomstige Messias-koning in het leven en het werk van Jezus werkelijkheid geworden. Dat is de boodschap die in het boek Handelingen in de verkondiging van de apostelen tot klinken komt.

  • God sluit een nieuw verbond met Zijn volk

Nu Christus Koning in de hemel is, is de eindtijdperiode aangebroken, het laatste der dagen waar Joel in zijn profetie over gesproken heeft, en waar Petrus in zijn toespraak naar verwijst.

God heeft in Christus een nieuw verbond met zijn volk gesloten, en ieder die hem aanvaardt als Heer mag als teken daarvan worden gedoopt en krijgt zo toegang tot Gods Koninkrijk: hij of zij wordt burger van dat Rijk. Dat ligt besloten in de oproep van Petrus aan degenen, die diep aangeraakt zijn door zijn toespraak en hem de vraag stellen: ‘Wat moeten we doen, broeders?’ Petrus zegt dan (2:38-39):

‘Keer u af van uw huidige leven en laat u dopen onder aanroeping van Jezus Christus om vergeving te krijgen van uw zonden. Dan zal de heilige Geest u geschonken worden, want voor U geldt deze belofte, evenals voor uw kinderen en voor allen die ver weg zijn en die de Heer, onze God, tot zich zal roepen.’

Wanneer Petrus over ‘vergeving van zonden’ spreekt, dan moet je die uitdrukking ook niet allereerst persoonlijk duiden. Petrus spreekt de hoorders aan als het volk Israël. Zij hebben Jezus aan de heidenen uitgeleverd. Daarom zegt hij ook dat ‘het hele volk van Israël’ er zeker van moet zijn dat Jezus, ‘die u gekruisigd hebt’ tot Heer en Messias is aangesteld. En als hij zegt ‘Keer u af van uw huidige leven en laat u dopen’, dan spreekt hij hen ook aan als Gods volk. En zo is ook de belofte dat de heilige Geest geschonken wordt, allereerst de belofte aan het volk Israël als collectief.

De zonde van Gods volk is dat zij (tijdens wat wij nu noemen ‘onder het oude verbond’) God als koning en Heer hebben afgewezen door hun eigen gang te gaan en andere goden als hun Heer te kiezen. Eigenlijk heeft het volk nog steeds die houding. Dat is duidelijk geworden, zegt Petrus, doordat de leiders Jezus, de gezalfde van God, de Messias, aan de Romeinen overgeleverd hebben en hebben laten kruisigen. Van die afwijzing van God als Heer moeten de hoorders van Petrus zich distantiëren, wat hij nog eens benadrukt door te zeggen, dat ze zich moeten laten redden uit ‘dit verdorven mensengeslacht.’

En als zij zich bekeren en zich laten dopen, zullen ze deel krijgen aan de belofte van Gods Geest. Dat was die andere belofte, waarover Ezechiël ook al mocht profeteren. Hij profeteert niet alleen over de opstanding van het volk Israël uit de dood van de ballingschap, maar ook over de reiniging van het volk en de gave van het nieuwe leven, doordat God met hen een nieuw verbond zal sluiten, en waarin hij hen zijn Geest zal geven. Kort samengevat vinden we dat in Ezechiël 36 : 24-28:

‘Ik leid jullie weg bij de volken, ik breng jullie bijeen uit die landen en laat je naar je eigen land terugkeren. Ik zal zuiver water over jullie uitgieten om jullie te reinigen van alles wat onrein is, van al jullie afgoden. Ik jullie een nieuw hart en een nieuwe geest geven, ik zal je versteende hart uit je lichaam halen en je er een levend hart voor in de plaats geven. Ik zal jullie mijn geest geven en zorgen dat jullie volgens mijn wetten leven en mijn regels in acht nemen. Jullie zullen in het land wonen dat ik aan je voorouders gegeven heb, jullie zullen mijn volk zijn en ik zal jullie God zijn.’

Deze belofte wordt nu op deze Pinksterdag vervuld, want voor Petrus staat de vertegenwoordiging van het volk Israël uit de verstrooiing. Ook voor hen en hun kinderen geldt de vervulling van deze oude belofte over de reiniging en het herstel van het volk Israël door de Geest.

  • De Geest schept Gods volk tot een nieuwe mensheid

De komst van Gods rijk is een belangrijk middel voor de Heilige Geest om de herschepping van onze gevallen wereld tot stand te brengen. Ik wil nu drie elementen noemen, waarin zichtbaar wordt hoe de belofte van de Heilige Geest vervuld wordt in het leven van ons als gelovigen in Gods rijk.

Als eerste sluit ik aan bij het inzicht dat wij door de doop eigendom geworden zijn van Christus. Dat Christus onze Heer is, betekent ook dat wij een beroep op zijn bescherming mogen doen. Christus is in de hemel ons ten goede. En zo mogen wij uitzien om vervuld te worden van de Geest, die ons helpen wil om te geloven, die ons steunen wil in de onze strijd tegen de aanvallen van de boze en wiens hulp wij mogen inroepen om ons te beschermen tegen het kwaad, dat ons in deze wereld kan overkomen. En tegelijk betekent dit van onze kant dat wij Vader, Zoon en Geest willen erkennen en belijden als onze God. Dat doen we als we bidden, als we onze belijdenis uitspreken, wanneer we God bezingen in onze liederen en als we hem danken voor wie Hij voor ons is, en wat Hij voor ons gedaan heeft, als onze schepper en onze verlosser. Wanneer wij zo God eren, dan mogen wij daarin Gods Geest in ons leven aan het werk zien.

Als tweede is de Geest actief in de herschepping, dat wil zeggen in het herstel van de breuken, van het onrecht en van het kwaad in de schepping en in de geschiedenis. En dat doet hij vooral doordat hij een vernieuwde mensheid schept. Het begin van die nieuwe mensheid ligt bij de roeping van Abraham en de vorming van het volk Israël. Als God in Ezechiël 36 belooft dat Israël als volk een nieuw hart krijgt, doordat Hij hen door zijn Geest reinigt en heiligt, betekent dit dat het volk Israël weer tot zijn bestemming komt en de roeping om tot een zegen voor de wereld te zijn, zullen vervullen. In het Nieuwe Testament wordt dat mogelijk, omdat Gods vernieuwde volk dat bestaat uit Joden en heidenen, in Christus leeft en dat Christus door zijn Geest met hen verbonden is.

Het werk van de Geest is dat hij in ons de goedheid van God zichtbaar maakt. Dezelfde goedheid die Jezus hier op aarde tijdens zijn leven in zijn daden en boodschap tot uitdrukking bracht. Die goedheid wordt nu ook zichtbaar in de gelovigen, wanneer hij in hun levens een transformatieproces op gang brengt. Dan wordt hun leven steeds meer gekenmerkt door vreugde, vriendelijkheid, barmhartigheid, geduld en aandacht voor de medemens en de schepping. Zij bieden troost en ondersteuning, geven geld en goederen, en zijn dienstbaar. Vaak is het absoluut niet spectaculair, maar overal weer mensen zo leven vanuit geloof, hoop en liefde, mogen we het werk van de Geest zien en ervaren.

En een derde element is dat ons leven vandaag in Gods koninkrijk nog maar stukwerk is, en in alle gebrokenheid en gebrek en zonde tot stand komt. Dat betekent dat we moeten leren om de geesten en de machten in onze wereld te beproeven, en dat wij moeten onderscheiden wat vanuit God komt en wat vanuit de mensen of kwade machten komt. Daarom is de Geest in ons leven en in ons samenleven schiftend en scheidend aan het werk is. Hij snoeit ons leven en ons werk, en wanneer ons werk door eigen schuld ons bij de  handen afbreekt, wil hij ons ontdekken aan het verkeerde in ons denken en doen, en wil hij ons ertoe dringen om ons te laten hervormen, zodat we bereid zijn God en mensen vergeving te vragen waar wij gefaald hebben, en wil hij ons opnieuw laten strijden tegen het kwaad en het verkeerde in ons leven, zodat wij weer het goede voor de ander zullen zoeken.

Samenvattend zijn dit drie manieren waarop wij de Geest vandaag in onze wereld aan het werk zien. De Geest als beschermer en trooster, de Geest als kracht van vernieuwing naar Christus’ beeld, en de Geest oordelend over het kwade. Drie vormen, waarin de Geest ons aanspoort om ons leven aan God toe te wijden en de verbinding te zoeken met zijn Koninkrijk hier op aarde. Om als gelovigen elkaar vast te houden en elkaar te stimuleren om de weg van Gods liefde te gaan, en zo voor de ander als Christus te zijn. Niet omdat wij de ander uitgekozen hebben om in de gemeente mee samen te leven, maar omdat Christus ons zo als begin van een vernieuwde mensheid aan elkaar gegeven heeft. Zo verlangt God ernaar dat wij samen op weg zullen gaan naar het moment dat God, in Christus en door zijn Geest, eens alles in allen zal zijn, het moment waarop hemel en aarde voor eeuwig met elkaar verbonden zullen worden.


Liturgie CGK Kampen Eben-Haëzer d.d. 8 juni 2023, 17.00 u

  • Welkom
  • Zingen: Opw 343 – Heilige Geest van God, vul opnieuw mijn hart 
  • Moment van persoonlijk gebed
  • Votum + zegengroet
  • Zingen: LB (2013) Lied 971 : 1, 2 en 3 – Zing een nieuw lied voor God de Here
  • Gebed
  • Schriftlezing: NBV Hand. 1 : 1 – 8 en 28 : 17 – 31
  • Zingen: LB (2013) Lied 969 : 1, 2, 3 en 4 – In Christus is noch west noch oost
  • Lezen: HC Zondag 20
  • Verkondiging
  • Zingen: Weerklank Lied 197 : 1, 2. 3, 8 en 9 – In vuur en vlam zet ons de Geest
  • Dankgebed en voorbeden
  • Collectemoment – Kerk en zending
  • Dankgebed voor de gaven
  • Als Geloofsbelijdenis: Gereformeerd Kerkboek (2017) Lied 177 : 1, 2, 3 en 4 – Heer, u bent mijn leven 
  • Zegen

HC Zondag 20

Vraag 53: Wat gelooft u van de Heilige Geest?

Antwoord:  Ten eerste dat Hij samen met de Vader en de Zoon waarachtig en eeuwig God is. Ten tweede dat Hij ook mij gegeven is, om mij door een echt geloof deel te doen hebben aan Christus en al zijn weldaden, mij bij te staan en eeuwig bij mij te blijven.

Middengemeenten in de CGK als kind van de rekening

Hoe sympathiek, redelijk en realistisch het voorstel voor een herverkaveling van de Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK)[1] ook oogt, ik word er als betrokken buitenstaander[2] verdrietig van. Dit voorstel van de broers Henk en Harry Sok[3] is weinig liefdevol en verdraagzaam tegenover de breedte van de CGK. En de onderbouwing is zo selectief opgezet dat de einduitkomst vooral voor de ‘behoudende kerken’ voordelig is.

Vast en bondig

Het idee is de CGK te ontvlechten en her te verkavelen met als criterium trouw aan het presbyteriaal-synodale stelsel, omdat de standpunten over vrouw en ambt en homoseksuele praxis ‘vast en bondig’ vastgesteld zijn. Zo ontstaat er voor het kerkverband een situatie, ‘waarbij er een einde komt aan een onverdraagbare gang van zaken’, te weten de aanwezigheid van vrouwelijke ambtsdragers in de CGK.

Het komt erop neer dat alle gemeenten die vrouwelijke ambtsdragers hebben of wensen, vrijwillig toetreden tot de Nederlandse Gereformeerde Kerken (NGK) of ‘eventueel’ de Protestantse Kerk in Nederland (PKN). Als randvoorwaarde voor het overgebleven smaldeel van de CGK stellen de broers wel, dat de gemêleerdheid van de CGK, ‘zoals die er altijd is geweest’, behouden blijft. Dat is namelijk ‘het wezen en het eigene’ van de CGK.

Het vertrek van behoudende kerken wordt niet als optie overwogen

De pijn van deze hele herverkaveling wordt door de broers neergelegd bij degenen die ‘uit liefde en respect voor elkaar en zonder rancune’ zullen vertrekken. Voor de ‘behoudende kerken’ creëren ze een situatie dat die ongestoord hun plaatselijk kerkelijk leven kunnen voortzetten.

Daarnaast is het pijnlijk dat de zgn. ‘middengemeenten’ het kind van de rekening worden. Zij worden gedwongen ‘uit liefde en respect voor elkaar’ ten gunste van de ‘behoudende kerken’ de bestaande ‘brede gemêleerdheid’ in te leveren voor een ‘versmalde gemêleerdheid’. Waar men het met elkaar uithoudt om in een gemeente te leven met zowel voor- als tegenstanders van de vrouw in het ambt, zullen de voorstanders van vrouwelijke ambtsdragers moeten vertrekken of op zijn hoogst gedoogd worden. De mogelijkheid dat ‘behoudende kerken’ uit ‘liefde en verdraagzaamheid’ de pijnlijke keuze kunnen maken om over te gaan naar bijvoorbeeld de Hersteld Hervormde Kerk (HHK) of eventueel de Gereformeerde Gemeenten (GerGem) wordt niet als optie genoemd of overwogen.

Het resultaat van de voorgestelde herverkaveling is dat de CGK een sjibbolet-kerk wordt. Het gezond functioneren van het presbyteriaal-synodale stelsel, – waar de broers zo hoog van opgeven -, is om zeep geholpen door de revisie en de bezinning te frustreren vanuit het vasthouden aan een bepaalde interpretatie van Bijbelteksten.

Samen trouw zijn

Kenmerkend voor het presbyteriaal-synodale stelsel is niet binnen een ‘brede’ of ‘smalle’ gemêleerdheid’ leven, maar samen trouw willen zijn aan de Schrift en de belijdenis. Daarom lagen er op de huidige synodetafel verschillende revisieverzoeken rond de besluiten over vrouw en ambt alsook een rapport van de Studiecommissie Hermeneutiek, die de synode niet inhoudelijk wenst te bespreken. Mijns inziens ligt in dit noodzakelijke gesprek op synodeniveau over het Schriftgezag de principiële sleutel om uit de ontstane impasse te kunnen komen en conclusies voor het voortbestaan van de CGK te trekken.


[1] Het opinie-artikel verscheen in het RD van 15 mei 2025 onder de kop ‘Toekomst Christelijke Gereformeerde Kerken ligt in moeilijke maar nodige stappen’, en in het ND van 16 mei 2025 onder de kop ‘Zo zien wij de toekomst van de Christelijke Gereformeerde Kerken: Samen verder lijkt niet realistisch’.

[2] Als NGK-er ben ik als kerkelijk werker werkzaam binnen de CGK.

[3] Henk J. Sok is ouderling van de CGK Ulrum en Harry K. Sok is predikant van de CGK Urk-Ichthus.

NB. Deze blog is redactioneel aangepast naar de versie, zoals die in het Nederlands Dagblad van 27 mei 2025 als opinieartikel verscheen.

Zielsbedroefd

Overdenking Vesper in de Stille Week   
Eudokiakerk, Kampen
Dinsdag 15 april 2025

1e Schriftlezing: Psalm 42
2e Schriftlezing: Matteüs 26: 30-50

‘Kunnen jullie de beker drinken, die ik zal moeten drinken?’

Het is de vraag die Jezus aan Johannes en Jacobus stelt, toen hun moeder vroeg of zij als de intimi van Jezus in zijn koninkrijk rechts en links naast Jezus op de troon zouden mogen zitten.

Jezus had vlak daarvoor voor de derde keer aangekondigd, dat de Mensenzoon aan de hogepriesters en de schriftgeleerden uitgeleverd zal worden, dat ze hem ter dood zullen veroordelen, en dat ze hem aan de heidenen zullen uitleveren, die de spot met hem zullen drijven, zullen geselen en kruisigen.

En nu is het zover. De beker wordt hem aangereikt. Nu moet hij zelf die vraag beantwoorden: ‘Zal ìk de beker kunnen drinken?’

Jezus heeft met de leerlingen het Pesachmaal gevierd en is met hen de olijvenhof Getsemane binnengegaan. Zoals hij zo vaak gedaan heeft, wil hij daar bidden, het contact zoeken met zijn Vader. Petrus, en ook Johannes en Jacobus, mogen mee, verder de tuin in.

Op dat moment overvalt hem de beproeving: hij ervaart zijn menselijke kwetsbaarheid. Hij wordt overmand door een intens verdriet, en een diep zittende angst voor wat komen gaat, komt aan de oppervlakte. Het knijpt hem de keel dicht – het beneemt hem de adem. 

Hartstochtelijk heeft Jezus er altijd naar verlangd om te genieten van Gods nabijheid en om zijn goedgunstigheid te ervaren. Te midden van een juichende en feestende menigte was hij de stad ingetrokken, op weg naar de tempel, het huis van zijn Vader. Hoe teleurstellend was het geweest, dat hij hem dààr niet had gevonden: het huis van gebed was verworden tot een rovershol.

De dagen daarna had men hem opnieuw belaagd en op de proef gesteld. Hij had de hoon en de minachting gevoeld: bent u werkelijk de Messias, de verlosser van Israël? Hij wist dat ze erop uit waren om een gelegenheid te vinden hem te vermoorden. En nu – nu breekt het uur van het verraad aan.

Toch is het niet de angst voor de dood op zichzelf, die hem beheerst. Wat hem aangrijpt is, dat hij de toorn van God proeft en ervaart. Dat de wateren van de chaos door God losgelaten worden en over hem heen zullen slaan, zodat hij net als eens Jona, daardoor verzwolgen zal worden. Dat het God zelf is die hem ter kruisiging overlevert en zo prijs geeft aan de machten van de hel.

Het is de angst voor Gods toorn die bovenkomt. En tegelijk overvalt hem een intens verdriet, omdat hij beseft dat hij verbannen wordt van voor het aangezicht van God en dat hij nooit meer de liefdevolle aanwezigheid van zijn Vader zal ervaren.

Deinst Jezus terug? Zoekt hij hulp bij zijn vrienden, als hij hen dringend vraagt met hem te waken? Dat laatste wel, het eerste niet.

Juist omdat Jezus niet terugdeinst, maar op de beproeving ingaat, doet hij een beroep op zijn leerlingen. Hij doet een beroep op hen om er als medemens voor hem te zijn, hem moreel te ondersteunen, en voor hem te bidden dat hij in de beproeving niet zal bezwijken.

En zo worstelt Jezus, met zijn hoofd voorover liggend op de grond, intensief met God, en zoekt hij tot driemaal toe tevergeefs de ondersteuning van zijn vrienden:

  • Laat deze beker, Vader, toch aan mij voorbijgaan!
  • Kan uw plan niet op een andere manier gerealiseerd worden, dan dat ik deze beker van de Godverlatenheid drink?
  • Maar als dat niet mogelijk is, laat het dan gebeuren, volgens uw plan.
  • Want niet zoals ik het wil, maar laat uw wil geschieden.

En zo komt Jezus, al worstelend en biddend in deze eenzame doodsstrijd, tot de zekerheid dat het inderdaad de wil van God is. Het falen van zelfs zijn meest intieme leerlingen is voor hem gèèn alibi om zich aan Gods plan te onttrekken. En juist door in de angst en in de benauwdheid zijn hoop op God gevestigd te houden, lukt het hem zich aan Gods plan met zijn leven toe te vertrouwen, lukt het hem om zich over te geven aan de handen van zijn belagers die hem zullen vermoorden.

Laten wij stil worden en onder de indruk raken van de trouw van Jezus om de beker van Gods toorn over onze zonde te drinken. Dat hij ons en onze wereld niet aan de Godverlatenheid prijs heeft gegeven.

En laten wij ook in onze worsteling om te blijven geloven en in de beproeving om God vaarwel te zeggen, ons toevertrouwen aan de liefde van Jezus, die als een herder zijn leven gaf voor de schapen.

Laten wij onze hoop vestigen op de levende God, die ons ziet, ons kent, en telkens – wanneer wij hulp en kracht in het leven nodig hebben -, ons in Christus zal redden.

Amen.

Andrea Mantegna

Doodsangst in de hof, (circa 1460)

Als een olifant door de porseleinkast

Ik voel plaatsvervangend schaamte voor de wijze, waarop Ernst Leeftink in zijn blog over lhbti+ en de kerk zijn visie over dit delicate onderwerp onder woorden brengt[1]. Grote woorden als het gaat om de intentie van de besluitteksten te duiden die komende zaterdag 8 maart a.s. op de vergadertafel van de NGK Synode van Deventer liggen (angst om kleur te bekennen, de wil om als heel tolerant beschouwd te worden) of het effect daarvan (christelijke vrijblijvendheid en verwaterde kleurloosheid) tezamen met in dit kader onpasselijke beeldspraak (‘roze olifant’). Prudentie is ver te zoeken.

Volgens Leeftink walst de commissie van de Synode als een ‘roze olifant door de porseleinkast van gevoeligheden binnen de breedte van NGK.’ Uit de onderbouwing en de samenvatting van zijn blog blijkt dat de strekking van de voorgestelde besluitteksten vooral niet in lijn ligt met zijn eigen visie op homoseksualiteit, het huwelijk en het ambt. Want in zijn optiek zullen de NGK, wanneer deze besluiten worden aangenomen ‘verworden tot een kleurloos kerkverband,’ waarin:

  1. Gods oorspronkelijke goede schepping waarin homoseksualiteit niet voorkwam (Genesis 1 en 2) niet meer serieus genomen wordt;
  2. het huwelijk tussen man en vrouw zoals God dat bedoeld heeft niet meer in alle omstandigheden in ere gehouden wordt (Hebreeën 13:4);
  3. en het ambt, dat aan gemeenteleden hogere eisen stelt dan aan iedere avondmaalsganger, niet meer hoog gehouden wordt (1 Timotheüs 3:1-13 en Titus 1:5-9).

De onderbouwing van deze boude uitspraak lijkt door de verwijzing naar diverse teksten Bijbels verantwoord, maar is helaas nogal kort door de bocht en gestoeld op verschillende discutabele aannames.

Ad a. De visie op homoseksualiteit

Volgens Leeftink wordt er ‘een nieuwe visie, die de gevolgen van de zondeval ontkent, zonder enige onderbouwing binnengehaald als passend binnen de bandbreedte van een gereformeerde visie op de Bijbel.’ Zelfs worden er voor ‘de lens van variatie’ zijns inziens ‘geen gereformeerde theologen aangehaald.’

In het rapport wordt op p.74 in noot 97 Almatine Leene geciteerd, die voor zover ik weet een gereformeerd theoloog is. Zij schrijft: ‘Vanuit een genderspectrum waarbij sprake is van beweeglijkheid of fluïditeit en waarbij genderidentiteit zichtbaar wordt in een diversiteit aan seksuele expressies, krijg je een ander perspectief. Deze overtuiging wordt versterkt door ons verstaan van onder andere Genesis 1:26-27, waarin wij Gods schepping van ’man en vrouw’ niet zien als een binair en polair gegeven, maar als een continuüm waarbinnen ruimte voor diversiteit is.’

Ik lees hier niet anders dan dat zij op exegetische gronden verdedigt dat ook ‘in Gods oorspronkelijke goede schepping’ homoseksualiteit gewaardeerd kan worden als een gelovig te aanvaarden gendervariatie. Je kunt van mening verschillen over de exegese van deze verzen en over de consequenties daarvan, maar de stelling dat ‘Gods oorspronkelijke goede schepping niet meer serieus genomen wordt’ lijkt mij niet houdbaar. Net zo goed als dat in dit licht bezien ook de stelling dat ‘in Gods oorspronkelijke goede schepping homoseksualiteit niet voorkomt’ niet evident meer is.

Ad b. De visie op het huwelijk

Leeftink legt de besluitteksten zo uit, dat het mogelijk moet zijn ‘om een homohuwelijk op dezelfde manier in te zegenen als het Bijbelse huwelijk tussen man en vrouw, inclusief beloften van liefde en trouw en het ontvangen van Gods zegen op de knielbank.’ Dit is zijn formulering van wat de commissie zelf expliciet als omschrijving bij de herziene versie van dit onderdeel van het besluit (besluit 5) biedt, namelijk: ‘Het gaat om die relaties, waarin mensen zich in hun homoseksuele relatie op een zelfde manier aan elkaar willen verbinden – en in de gemeente van Christus ook aan de Heer van de kerk – als in het huwelijk tussen man en vrouw. Zo’n relatie kan een kerkenraad aanvaarden, in lijn met besluit 2. Dan past het ook om daaraan in de gemeente aandacht te besteden. Het midden van de gemeente is de plek waar we met elkaar voor Gods aangezicht ons eigen leven in Zijn hand willen leggen.’

Het verschil in omschrijving is dat Leeftink met de formulering ‘een homohuwelijk op dezelfde manier in te zegenen als het Bijbelse huwelijk tussen man en vrouw’ al een voorschot neemt op wat de uitkomst zal zijn van de eventuele opdracht voor ‘de landelijke commissie liturgische ondersteuning om, zo mogelijk in samenwerking met Kerkpunt, hiervoor materiaal te ontwikkelen en de kerken aan te reiken.’ Dit in weerwil van de commissie die er juist voor heeft gewaakt om daarover inhoudelijke dingen te zeggen en schrijft: ‘Dát is niet de scope van de voorliggende besluiten. En het is niet goed om daarover en passant uitspraken te doen die óf niet gevraagd óf niet voldoende onderbouwd zouden zijn.’

Ik vind het unfair van Leeftink om ondanks deze expliciete toelichting toch zijn omschrijving van de besluittekst te geven en dat als argument te gebruiken om de uitspraak te onderbouwen dat deze besluiten veeleer ‘een knieval’ zijn voor wat het studierapport op dezelfde blz. p. 109 [in de blog staat abusievelijk p. 104]: ‘de dominante visie in onze cultuur’ noemt. Zeker ook omdat al in het rapport al gezegd is, dat men ‘onvoldoende tijd gehad heeft om alle vragen rond het zegenen of bevestigen van een homoverbintenis goed te doordenken.’

Het blijft natuurlijk staan, dat er wel degelijk een verschil van visie is op de interpretatie van Gen. 1:27, zoals die ook in het rapport op p. 109 wordt gegeven: ‘De seksuele omgang tussen man en vrouw is vanwege dat wonder van het nieuwe leven meer dan een variant binnen het spectrum van de menselijke seksualiteit. Tegelijkertijd erkennen we in de werkelijkheid van mensen om ons heen een breedte van variaties waar we respectvol nabij willen zijn.’ Maar je kunt op grond daarvan niet met een loutere verwijzing naar Hebreeën 13:4 volhouden, dat ‘het huwelijk tussen man en vrouw zoals God dat bedoeld heeft niet meer in alle omstandigheden in ere gehouden wordt.’ Dat vergt heel wat meer onderbouwing, dan nu in een enkele pennenstreek wordt geclaimd.

Ad c. De visie op het ambt

Leeftink stelt dat wanneer in de NGK iemand die in een homoseksuele verbintenis samenleeft ambtsdrager wordt ‘het ambt niet meer hoog gehouden wordt.’ Hij wijst de visie van de commissie af, dat ‘wanneer er geen reden is om iemand het avondmaal te ontzeggen, in beginsel ook de weg naar de ambtsdienst open staat.’ Ik begrijp niet goed waarom Leeftink deze formulering bestrijdt, omdat het duidelijk is dat ook de commissie door het begrip ‘in beginsel’ te gebruiken erkent dat een persoon voor het vervullen van een ambt aan aanvullende criteria zal moeten voldoen. In de voorgestelde besluittekst staat volgens mij daarom ook expliciet geformuleerd: ‘het aan de kerken over te laten om in voorkomende situaties zorgvuldig af te wegen of zij iemand met een homoseksuele relatie kunnen roepen tot het ambt van predikant, ouderling of diaken.’

Waar Leeftink eigenlijk bezwaar tegen maakt is, dat in de visie van de commissie ‘het loutere feit van een homoseksuele verbintenis’ geen voldoende argument is om niet een ambt te kunnen dragen. Zijns inziens is in dit verband ‘nogal belangrijk, de voorwaarde dat de ambtsdrager ‘de man van maar één vrouw’ is (1 Tim. 3:2 / Titus 1:6).’ Wat zijns inziens ‘duidelijk verwijst naar de instelling van het huwelijk als een levenslange relatie tussen één man en één vrouw.’

Ik vind dit argument te pijnlijk voor woorden en acht het behalve als exegetisch onzorgvuldig vooral als een teken van een groot gebrek aan hermeneutische sensitiviteit. Allereerst omdat het mijns inziens duidelijk is, dat de focus van de voorwaarde die Paulus in de genoemde teksten inbrengt vooral de ‘huwelijkstrouw’ betreft, door Van Houwelingen in zijn commentaar omschreven als: ‘geen buitenechtelijke relaties maar trouw in liefde.’[2] Vervolgens omdat Leeftink niet rekent met de implicaties van het uitgangspunt, dat hij aan het begin van zijn blog lijkt te onderschrijven, namelijk dat ‘de bijbelschrijvers een diepgewortelde homoseksuele oriëntatie / geaardheid / gerichtheid niet op het netvlies stond en van gelijkgeslachtelijke seks moet worden onderscheiden.’ De criteria die Paulus in zijn brieven aan het ambt stelt hebben vooral te maken met het gedrag en de houding van de toekomstige ambtsdragers en niet met het zijn van de persoon. Ook hier geldt, dat een hermeneutische toepassing van deze criteria in onze tijd meer vraagt, dan een simpele verwijzing naar deze criteria op zichzelf om te onderbouwen dat wanneer een persoon die in liefde en trouw in een homoseksuele relatie leeft, als ambtsdrager het ambt zou devalueren.

Conclusie

De voorgestelde besluitteksten rond het thema ‘lhbti+ en de kerk’ op de vergadering van komende zaterdag 8 maart 2025 van de Synode van Deventer roepen tegenspraak op. Eerder al het ingezonden van Dick Westerkamp in het Nederlands Dagblad van 25 februari jl.,[3] en nu de blog van Ernst Leeftink. Juist omdat het een emotioneel gevoelig onderwerp betreft zou je verwachten dat men zorg zou besteden aan een zorgvuldige en onderbouwde argumentatie. Ik vind het beschamend en teleurstellend, dat het hen niet gelukt is om dat niveau te bewaken.


[1] https://ernstleeftink.com/2025/03/04/als-een-roze-olifant-door-de-ngk-porseleinkast/

[2] P.H.R. van Houwelingen, Timoteüs/Titus. Pastorale instructiebrieven, (CNT), Kampen, 2009, 86.

[3] Zie: https://fpathuis.wordpress.com/2025/03/04/gereformeerden-gender-en-de-vrijzinnigheid/

Gereformeerden, gender en de vrijzinnigheid

Voor gereformeerden blijft de omgang met gender lastig. Ging het eerst over de positie van de vrouw in de kerk, vandaag gaat het om de lhbtqia+ en de kerk.

Nu er de komende zaterdag, 8 maart 2025, door de NGK Synode van Deventer een besluit moet worden genomen over de vraag ‘wat de gemeente te bieden heeft aan broers en zussen met een homoseksuele geaardheid in haar midden’[1], spelen de reflexen weer op om de positie, waar men vanuit eigen overtuiging niet mee in kan stemmen, te beschuldigen van onzuiverheid in de leer. Werden in de discussie rond de vrouw en het ambt daarvoor de begrippen ‘Schriftkritiek’ en ‘nieuwe hermeneutiek’ gebruikt, vandaag is de term ‘vrijzinnigheid’ het sjibbolet om de visie van de ander af te wijzen.

Dick Westerkamp gebruikt in zijn ingezonden in het Nederlands Dagblad van dinsdag 25 februari 2025 als definitie van de term ‘vrijzinnig’: ‘de bewuste afwijking van de klaarblijkelijke betekenis van de bijbeltekst’, waarmee meteen duidelijk wordt hoe lastig het is om deze term eenduidig toe te passen, omdat het in de overwegingen op de synode juist ging om de vraag wat ‘de klaarblijkelijke betekenis van de bijbeltekst’ is, en men het daarover niet eens kon worden. Het is mijns inziens te gemakkelijk om in zo’n situatie de eigen exegese van de bijbeltekst normatief als ‘de klaarblijkelijke’ te verklaren. Afgezien nog van de manier waarop je kunt nagaan of iemand ‘bewust’ afwijkt van die ‘klaarblijkelijke betekenis.’

Westerkamp doet wel een poging om het begrip ‘de klaarblijkelijke betekenis van de bijbeltekst’ zodanig te operationaliseren, dat er een werkbaar instrument ontstaat. Hij verwijst naar een uitspraak van Alvin Plantinga: ‘Als je een keer hebt vastgesteld wat je denkt dat God leert in een gegeven passage, wat Hij ons voorhoudt te geloven, dan is de zaak beklonken. Je hoeft verder niet te vragen of het waar is, of aannemelijk, of dat er een goede zaak is opgebouwd. God hoeft geen zaak op te bouwen’.

Op deze manier gehanteerd, vind ik dit een gevaarlijk instrument om mee te werken, omdat er de suggestie van uitgaat dat er een =-gelijkteken is tussen dat ‘wat jij denkt dat God leert in een gegeven passage’ en dat ‘wat God zegt’, wat je verder niet meer hoeft te onderbouwen. Het ‘klaarblijkelijke van wat God zegt’ wordt geïdentificeerd met ‘de zaak is beklonken als jij hebt vastgesteld wat jij denkt dat God leert’: doorvragen of je terecht tot die conclusie bent gekomen, en of dit werkelijk is wat God leert of zegt, is niet meer nodig, met de impliciete strekking dat als je dat wel doet, je God niet gehoorzaamt, omdat ‘God geen zaak hoeft op te bouwen’. 

Afgezien van dit principiële bezwaar, lijkt mij dat de geschiedenis heeft laten zien dat het een onwerkbaar instrument is. Te vaak hebben de kerk en de theologen moeten erkennen, dat de klaarblijkelijkheid van bepaalde exegeses uiteindelijk toch minder klaarblijkelijk was, als dat ze jarenlang gepresenteerd werd. Ik neem aan, dat Westerkamp onder verwijzing naar dit citaat van Plantinga er niet voor zal willen pleiten dat de vrouw geen predikant mag worden, omdat de kerk conform de klaarblijkelijke bedoeling van de bijbeltekst eeuwenlang geleerd heeft ‘dat de vrouw in de gemeente moet zwijgen.’

De paradox van het spreken over ‘de klaarblijkelijke betekenis van de bijbeltekst’ is, dat men een beroep daarop juist noodzakelijk acht in situaties waarin duidelijk is, dat ‘de klaarblijkelijkheid’ van de betekenis afwezig is. Wanneer men in zo’n situatie de exegese van de ander etiketteert als ‘Schriftkritiek’, ‘nieuwe hermeneutiek’ of ‘vrijzinnig’, vervangt men de bezinning op de hermeneutiek door een retoriek, die helaas vaak gebruikt is om een onwelgevallige exegese niet op basis van gesprek en argumentatie te weerleggen, maar op basis van macht te cancelen.


[1] https://ngk.nl/actueel-2/. Zie verder ook mijn tweede blog n.a.v. de tegenspraak over de concepten voor de besluitvorming: https://fpathuis.wordpress.com/2025/03/06/als-een-olifant-door-de-porseleinkast/.

Review van Hans Burger, ‘Jesus Christ, Hermeneutics, and Scripture’, (2024)

Een maand geleden plaatste ik hier in vijf delen een bespreking van het boek, waarin Hans Burger, hoogleraar Systematische Theologie aan de Theologische Universiteit Utrecht, zijn visie op de theologische hermeneutiek beschreef. Voor de belangstellende heb ik van deze bespreking één document gemaakt, die hieronder te vinden is.