Uit Oost en West. Vertellingen, versjes, geschiedenis, uitvindingen, rekenkundige voorstellen, raadsels. Door Oom Diederik (1880).

Tags

, , , ,

Uit Oost en West. Vertellingen, versjes, geschiedenis, uitvindingen, rekenkundige voorstellen, raadsels, enz. Door Oom Diederik. Schiedam: H.A.M. Roelants, 1880.

Gerardus Johannes Bos (1825 – 1898) was een Nederlandse schilder,  lithograaf en steendrukker. Bos vergaarde bekendheid vanwege zijn illustraties voor kinderboeken. Hij runde een steendrukkerij en was daarnaast ook directeur van de Leidsche Schilder- en Tekenacademie Ars Aemula Naturae en diaken van de Evangelische Luthersche Gemeente.

Het boek is een allegaartje van allerlei onderwerpen variërend van een verhandeling over de walvis, het Suezkanaal en een bijdrage over de Chinezen. Het feit dat de frontispice in zijn geheel aan Suriname is gewijd zegt iets over het belang dat de auteur aan de onderwerpen Suriname en slavernij hecht. ‘Suriname is eene gewigtige Nederlandsche volksplanting’, zo begint ‘Oom Diederik’  zijn relaas. We weten dat er in de 19e eeuw bijzonder weinig kennis over Suriname aanwezig was bij de Nederlandse bevolking. Ook onze auteur laat blijken dat hij de klok heeft horen luiden maar niet precies weet waar de klepel hangt. Zo spreekt hij bijvoorbeeld over de rivieren de Marvemijne en de Courentijn.  Melaatsheid noemt hij Boisi (in plaats van Boasie). Hij schat het aantal blanken op 5000, de vrije kleurlingen op 2000, de vrije ‘negers’ op 650, de ‘negerslaven’ op 52.000 en de kleurlingen op 5500. Die laatste groep wordt door de ‘negers’ geminacht, voor zover zij vrij zijn en slaven houden. En passant merkt hij op dat de Joden over het algemeen de wreedste meesters zijn. De lezer krijgt informatie voorgeschoteld over de gewassen die op de vruchtbare gronden verbouwd worden en over de klimatologische omstandigheden in de kolonie. Ook wordt de nodige historische kennis bijgespijkerd, zoals bijvoorbeeld over het Engelse Tussenbestuur dat van 1799 tot 1816 duurde.

Toch lijkt het overduidelijk dat onze illustrator en lithograaf deze tekst over Suriname en Paramaribo in zijn boek heeft opgenomen omdat hij de lezer iets wil vertellen over slavernij. Over het land ligt, zo schrijft Bos, een zwarte sluier want het was nog altijd het land van de slavernij. De slavenbevolking, 37.000 zielen groot, die behoort ons met droefheid en met schaamte te vervullen. Hij toont zich een ware abolitionist die op basis van zijn christelijke overtuiging slavernij veroordeelt: “De slavernij is gewis eene gruwzame zonde voor God, den almagtigen regeerder der hemelen en der aarde.” In Nederland hoorde men wel eens dat er in Suriname nog slaven waren maar niemand bedacht dat daar iets aan gedaan moest worden, concludeert onze auteur. Hij noemt ook het boek van Beecher Stowe, de Hut van Oom Tom, dat ook in Nederland een grote invloed heeft gehad. Bos sluit zijn hoofdstuk over Suriname af met een abolitionistisch gedicht.

We bespreken hier wel vaker boeken die naar onze mening zeldzaam zijn. Dat kunnen boeken zijn die lastig te vinden zijn. Maar wat als we van een boek slechts één of twee exemplaren kunnen vinden? Uit Oost en West vinden we slechts in één openbare bibliotheek, Tresoar in Leeuwarden, de bibliotheek gespecialiseerd in de geschiedenis van Friesland. Sinds kort beschikt de Buku Bibliotheca Surinamica collectie, dankzij Axe van Maanen van Antiquariaat Klikspaan in Leiden (hofleverancier van de Buku collectie),  ook over een exemplaar van dit superzeldzame boek. Het boek bevat een fraaie frontispice (daarmee wordt een illustratie bedoeld die zich tegenover de titelpagina bevindt), een chromolitho die een gezicht op Paramaribo biedt. Ook zien we er een engel die de afschaffing van de slavernij in 1863 aankondigt. Daaronder zien we een afbeelding van een slavin die zweepslagen krijgt. Tenslotte zien we hoe een groep slaven de afschaffing van de slavernij viert. De fraaie litho’s zijn gemaakt door ene Helmers op basis van tekeningen die door de auteur, G.J. Bos, zijn gemaakt. Deze fraaie litho’s maken, tezamen met de extreme zeldzaamheid van deze titel, het tot een bijzonder boek.

Carl Haarnack

Aanteekeningen gehouden gedurende mijn verblijf in de West-Indiën. G. van Lennep Coster (1842)

Tags

, , , , ,

Aanteekeningen gehouden gedurende mijn verblijf in de West-Indiën, in de jaren 1837-1840. G. van Lennep Coster. Amsterdam: bij J.F. Schleijer, 1842.

Op deze plek schreven we in 2016 over een boek van Van Lennep Coster: Herinneringen mijner Reizen naar onderscheidene Werelddeelen (J.F. Schleijer, 1836). De auteur was kapitein te zee en bezocht in die hoedanigheid de Nederlandse bezittingen in Afrika en het  en het Caribisch gebied. Zijn eerste reis maakte hij in de jaren 1819-1821. De publicatie waarover we nu schrijven verscheen zes jaren later en kan gezien worden als een vervolg op ‘Herinneringen’. Dit keer staan zijn aantekeningen van zijn bezoek aan West-Indië in de periode 1837-1840 centraal. Het boek, voorzien van een fraaie litho’s, o.a. van Fort Zeelandia, telt maar liefst 359 pagina’s en dat mag ook wel want in deze periode reisde hij van Hellevoetssluis naar Plymouth, vervolgens naar Elmina in het huidige Ghana, dan Suriname, Curacao, Bonaire, Aruba, Venezuela,  Sint Eustatius, Saba en Sint Maarten en Haïti.

Het overgrote deel van het boek gaat over de geschiedenis van Haïti. Natuurlijk zeer interessant maar voor deze rubriek beperken we ons vanwege ruimtegebrek tot Suriname. Toen Van Lennep Coster Suriname in 1821 verliet was een groot deel van Paramaribo door brand verwoest. Bij zijn bezoek in 1837 was de stad natuurlijk grotendeels herbouwd en opgeknapt. Op het plein stond de herstelde Gereformeerde Kerk alleen. De gebouwen rondom waren gesloopt en het plein was beplant met ‘oranjebomen’. De grafstenen die zich buiten de kerk bevonden waren nu naar binnen verplaatst.  De Lutherse Kerk die bij de brand van 1832 in de as werd gelegd was opnieuw gebouwd, net als de Portugese synagoge en de wegen waren aanzienlijk verbeterd. Er zijn echter nog steeds grote tekorten aan pluimvee en rundvlees. De prijs van bananen, het voornaamste voedsel van de mindervermogenden, gaat dagelijks omhoog. Onze auteur schrijft dat het grootste gedeelte van de bevolking van Paramaribo uit kleurlingen bestaat. Hij is van mening als deze ‘hun lust tot ledig zijn’ zouden kunnen beteugelen (lees: als ze niet zo lui zouden zijn, ch) dan zouden zij kostgrondjes kunnen bewerken en zouden levensmiddelen niet zo duur zijn.

Van Lennep Coster heeft geen kritisch oog als het om de slavernij gaat. In 1836 verdedigde hij de slavernij en schreef hij dat de ‘Neger, die op een zoo veel lageren trap van beschaving staat’ het idee van het ontbreken van vrijheid niet begrijpt. Voor de in vrijheid geboren en eerzuchtige Europeaan zou het niet-vrij zijn verschrikkelijk zijn.

Hij waarschuwt nu dat het niet ondenkbaar is dat op een gegeven moment de teelt van suiker, koffie en andere gewassen zou kunnen eindigen. Want, zo schrijft hij, tot nu toe blijft het onder de slavenbevolking heel rustig maar de geest van vrijheid die in de omliggende koloniën wortel heeft geschoten zal ook in Suriname voelbaar kunnen zijn. Dan zouden de opbrengsten van de plantages behoorlijk verminderd worden en de welvaart in de stad sterk afnemen.

Paskaart van de Rivieren Suriname en Commewijne. Donker.

Interessant is dat onze kapitein ter zee opmerkt dat er ook onder de bewoners van Paramaribo een verandering heeft plaatsgevonden. In de omgang was men nu bedaarder en nam men meer etiquette in acht dan vroeger. De omgang tussen blanken en de voorname lieden van kleur was gangbaarder geworden. Van Lennep Coster meldt dat men nu vrouwen van kleur ontmoette in gezelschappen van Europese dames. Dat was vroeger een zeldzaamheid. Er waren ook meer gemengde huwelijken en deze wekten niet meer de verbazing die het  vroeger gewekt zou hebben.  

Dit boek van Van Lennep Coster is in een flink aantal Nederlandse bibliotheken te vinden. Voor verzamelaars zal het niet eenvoudig zijn een exemplaar op de kop te tikken. Er wordt op dit moment slechts één exemplaar te koop aangeboden. Daarvoor moet men helaas wel flink in de buidel tasten (€990,–). Gelukkig worden er ook goedkope herdrukken aangeboden en is het digitaal te lezen.

Carl Haarnack

zie ook:

Die Missionskinder. Ein Weihnachts und Neujahrsgeschenk. Joh. Linder (1841-1842)

Tags

, , , ,

Die Missionskinder. Ein Weihnachts und Neujahrsgeschenk,  herausgegeben zum Besten einer Missions-Kinderanstalt von Joh. Linder , Obersthelfer. 2 Theile. Basel, bey Felix Schneider, 1841/1842.

Johannes Linder (1790 – 1853 ) was een predikant van de kerk in Bazel (Zwitserland). Na zijn opleiding tot theoloog werkte hij in verschillende kerkgemeenten als dominee. Hij gold als één van de belangrijkste predikanten uit de 19e eeuw. In dit boek, dat als kerst- en nieuwjaarsgeschenk is bedacht voor kinderen, krijgen we een rijk overzicht van verhalen over kinderen die in de missiegebieden leefden, van Groenland tot Zuid-Afrika en van Noord-Amerika tot het Caribisch gebied, inclusief Suriname, in de achttiende- en negentiende eeuw.

We maken kennis met kinderen over wie we zonder dit boek nooit gehoord zouden hebben. Zoals bijvoorbeeld de mulattenknabe Johan Renatus uit Berbice. Hij is als vijfjarige door zijn ‘eigenaar’ aan een missionaris cadeau gedaan. Deze missionaris, genaamd Gräbenstein, leert hem Duits spreken en lezen. In ruil daarvoor leert de jongen de missionaris de taal van de Arrowakken. Op deze manier slaagt Gräbenstein erin onder de Arrowakken-bevolking in de bossen van Berbice, toen nog een Nederlandse kolonie, te preken en te bekeren. In 1748 waren er al meer dan veertig gedoopte Arrowakken. Toen de jongen twaalf jaar oud was werd hij om een opleiding te volgen naar Bethlehem in Pennsylvanië gestuurd. In 1749 reisde hij met Gräbenstein naar Europa om daar verder te leren om onder de Arrowakken als missionaris te werken en prediken. Twee jaar later werd hij ziek. Hij was besmet met de pokken. Hij overleed in 1751, op vijftien jarige leeftijd. Zijn lichaam werd begraven op het kerkhof van Herrnhut. We maken ook kennis met kinderen in andere West-Indische koloniën. Zoals bijvoorbeeld de kleine Johanna die in 1839 op Antigua gestorven is.

Op deze plek zijn we natuurlijk vooral geïnteresseerd wat de auteur Linder ons over Suriname te vertellen heeft. In hoofdstuk tien, ‘Die Kinder in Surinam’ (de kinderen in Suriname) worden we op onze wenken bediend. De kinderen in Suriname waarmee de missionarissen te maken hadden waren eigenlijk, zo schrijft Linder, Afrikanen. Zij zijn de kinderen van de slavenbevolking. Deze kinderen zijn, als ze geboren worden, behoorlijk wit. Na enige dagen is hun huidskleur in bijna zwart veranderd. Behalve moedermelk krijgt het kind ook pap gemaakt van bananenmeel. Doordat de neus van de baby wordt dichtgehouden is het kind gedwongen een handvol pap in één keer door te slikken. Als de moeder weer aan het werk gaat dan bindt zij haar kind in een brede doek op haar rug. Linder is van mening dat zelfs de gedoopte ‘Negers’ weinig begrijpen van een verstandige kinderopvoeding. Zij zeggen: “De witten hebben hun manieren, maar wij hebben onze manieren”. Respect voor hun ‘meester’ en Europeanen in het algemeen wordt de kinderen op jonge leeftijd bijgebracht. Maar het is, zo schrijft onze auteur, veel meer de angst die slaven eigen is dan innerlijke hoogachting. De meeste hebben alleen echt respect voor de grootouders, vooral de grootmoeder. Als jonge jongens vijf of zes jaren oud zijn moeten zij bij een handwerksman in de leer gaan. Dat kan bijvoorbeeld een timmerman of een metselaar zijn. Deze vakman, zelf een slaaf, laat zich soms bedienen door een aantal van zulke knapen. De jongens dragen dan bijvoorbeeld zijn  gereedschappen. Vaak worden de jongens door de handwerker hard en meedogenloos gestraft. Gelukkig, zo schrijft Linder, wordt de betekenis van het schoolonderwijs nu, meer dan vroeger, op grotere waarde geschat.

Toen een Noord-Amerikaans schip ijs naar Suriname bracht werd dat voor halve gulden per pond verkocht. In Suriname had men nog geen ijs gezien. IJs dat vies geworden was werd op straat gegooid. Kinderen die het ijs met de hand oppakten lieten het ogenblikkelijk weer vallen, alsof het vuur was. Men riep toen: “Bakra kondre watra kaura” (Het water uit het land van de blanken/witten is koud). Het komt soms voor dat in een testament van een eigenaar is vastgelegd dat een moeder haar vrijheid krijgt maar dat haar kinderen dan haar ‘eigendom’ zijn. Het schenken van de vrijheid kost veel geld. Daarom wordt soms de moeder de vrijheid gegeven die dan haar eigen kinderen als ‘geschenk’ ontvangt. De kinderen moeten dan samen met de moeder proberen zoveel geld te verdienen zodat ze zichzelf vrij kunnen kopen. Het komt ook voor dat een moeder eigendom van haar eigen kind is.

Linder probeert ons een zeer rooskleurig beeld voor te schotelen van de situatie in Suriname. De kinderen zijn daar sterker dan op de Antillen bijvoorbeeld en veel beter af dan hun leeftijdgenoten rond de noordelijke poolcirckel. Zo is er in Suriname geen tekort aan sinaasappelen of kokosnoten en krijgen de kinderen ook voortreffelijke vis. En omdat de missie in Suriname over een grote bakkerij beschikt krijgen zij ook nog kostelijke koek.

In deel  II van Die Missionskinder, dat in 1842 verscheen, worden er drie brieven gepubliceerd door een missionaris die zo’n tien jaren in Suriname verbleef. Rond het jaar 1780 was er in het Duitse Westfalen een schoolleraar. Hij nodigde een dorpsgenoot uit, die jarenlang in Suriname als opzichter op een plantage had gewerkt, om op school daarover te komen vertellen. De leerlingen hingen aan zijn lippen als hij vertelde over de slaven over wie hij het bevel voerde, over de suiker en de koffie. Eén van die leerlingen ging, geïnspireerd door de opzichter, als missionaris naar Suriname. De auteur schrijft dat hij zelf twaalf jaar geleden naar Suriname reisde. De reis duurde 53 dagen. Hij schrijft dat hij verbluft is door de bomen, de planten, de vruchten, de vogels en de vissen. Alles is zo anders dan in Europa en zo wonderschoon. Ook over de aanblik van de plantages, bijvoorbeeld aan de oevers van de Commewijne, is hij verrukt. Hij vertelt de lezer over de verbouw van koffie, cacao, suiker, indigo en katoen. Ook krijgen we een indruk van de mensen die hij ontmoet. Zo schrijft hij over een oude slavin die hem vertelde hoe zij, zeventig jaar eerder (!) als jong meisje geroofd werd. Zij behoorde tot een stam die de Islam als godsdienst aanhing. Zij was, hoewel haar moeder het haar verboden had, met andere kinderen in het bos vruchten gaan plukken. Daar werd zij door meerdere zwarte mannen overmeesterd en naar een slavenschip gebracht. Hoe gruwelijk ook deze slavenhandel is, onze verteller is blij dat slaven vanwege hun slavenbestaan nu toch in aanraking zijn gekomen met het woord van God. In hun vaderland hadden zij de kans daartoe niet gekregen.

Aan de hand van hetgeen Linder ons over Suriname vertelt (en bijvoorbeeld zijn weergave van het Sranan) kunnen we voorzichtig stellen dat hijzelf nooit in Suriname is geweest. Toch schotelt hij ons een paar interessante verhalen voor, waarvoor hij vertellingen en brieven van missionarissen gebruikt, die wel in Suriname en het Caribisch gebied zijn geweest. Het boek is behoorlijk zeldzaam maar wordt af en toe op veilingen aangeboden. Behalve de teksten bevat het ook prachtige illustraties (in het exemplaar in de Buku Bibliotheca Surinamica collectie zijn deze met de hand ingekleurd) en liedjes met bladmuziek.

Carl Haarnack

De kleine reiziger door ons vaderland en onze buitenlandsche bezittingen. G. van Sandwijk/J.P. Lancel (1870)

Tags

, , , ,

De kleine reiziger door ons vaderland en onze buitenlandsche bezittingen. G. van Sandwijk. Opnieuw bewerkt door J.P. Lancel, hoofdonderwijzer te Leiden. Leiden: D. Noothoven van Goor, 1870.

Dit boekje verscheen voor het eerst in 1846 en werd uitgegeven in Purmerend. De auteur was Gijsbertus van Sandwijk (1794-1871), onderwijzer aan de Staatsburgerschool te Purmerend. Hij schreef een behoorlijk hoeveelheid boekjes, gedichten, geschiedenisboekjes en liederen voor de jeugd. Van Sandwijk had al vroeg oog voor alles wat zich niet alleen in Nederland afspeelde maar ook in de Nederlandse koloniën. Dit is één van de vroegste boekjes waarin Nederlands Oost-Indië, West-Afrika én Suriname in één geheel samen met de Nederlandse provincies aan de Nederlandse jeugd wordt voorgeschoteld. Sandwijk was ook redacteur van het tijdschrift Prentenmagazijn voor de Jeugd dat tussen 1841-1849 verscheen. Surinameverzamelaars zullen zich wellicht herinneren dat er in deze serie volksprenten (eveneens verschenen in Purmerend) ook aandacht wordt besteed aan de kaart van Suriname, Fort Zeelandia, de Waag en de houtgrond de Vier Kinderen. Hiervan werden houtgravures getoond met korte onderschriften (Prentenmagazijn no. 80).  

Litho uit De Kleine Reiziger (detail). Buku Bibliotheca Surinamica Collectie.

Voor deze rubriek moeten we ons beperken tot wat Van Sandwijk de jeugd over Suriname te vertellen heeft. Hij herinnert eerst even aan de ‘onvergetelijken’ Piet Hein die in 1623 in dienst was getreden van de West-Indsiche Compagnie (WIC). In 1624 legde deze de basis van de Nederlandse ‘successen’ door in Salvador de Bahia Portugal een grote slag toe te brengen. Eerst krijgen we een overzicht van de militaire posten aan de Marowijne, de Brandwacht aan de Motkreek, Fort Amsterdam en de redoute Purmerend. Het aanzienlijkste gebouw van Paramaribo in het Gouvernementshuis, gebouwd in 1710. De stad telt 15.000 inwoners waaronder niet minder dan 8000 slaven. Onder de vrije bevolking in de stad zijn er 1200 Joden en 800 Christenen. In vroeger tijden telde de kolonie Suriname maar liefst 800 plantages, zo schrijft Van Sandwijk. Door de uitputting van de gronden maar vooral door de lage prijzen op de wereldmarkt voor suiker, koffie en katoen zijn er nog maar 400 plantages over. Vaart men de Commewijne op dan komt men na vijf uur varen van Fort Amsterdam bij Fort Sommelsdijk dat in 1684 door Cornelis van Aerssen van Sommelsdijk werd aangelegd. Hier splitst de rivier zich in de Boven-Commewijne en de Cottica. De Beneden Cottica biedt, volgens onze auteur,  een ‘heerlijk gezigt’ op wel vijftig plantages. Als men de post Oranjewoud heeft bereikt dan kan men vandaar verder reizen over het Cordonpad dat helemaal naar de Jodensavanne loopt. Dit ‘Jodendorp’ is vervallen en wordt slechts nog door een verstrooide arme Joden bewoond. In 1790 woonden in de vijftig vervallen huizen nog slechts 22 huisgezinnen. Daarvan waren er in 1822 nog maar acht over. Ten zuidwesten van de militaire post Gelderland is een bron van rivierwater dat door de rotswand sijpelt. Het water, zo stelt Van Sandwijk, heeft de kleur van madeirawijn en een zeer aangename en frisse smaak.

Litho uit De Kleine Reiziger (detail). Buku Bibliotheca Surinamica Collectie.

Aan de Saramaccarivier zijn niet veel plantages te vinden. Groningen werd als militaire post aangelegd in 1790 door de gouverneur-generaal Jan Gerhard Wichers, en vernoemd naar zijn geboorteplaats. Aan de overkant ligt Voorzorg waar men geprobeerd heeft met Nederlandse arbeiders een kolonisatiepoging te doen. Deze is jammerlijk mislukt en de meeste arbeiders vonden er hun graf. Van Sandwijk neemt de jonge lezers eerst mee naar de Coppenamerivier en vervolgens naar Nickerie. Het wordt echt interessant als de onderwijzer zich kritisch uitlaat over de slavenbevolking. Zij werden, zo schrijft hij, op schandelijke wijze uit hun vaderland weggevoerd. Zij werden blootgesteld aan de meest willekeurige mishandelingen. Het is daarom geen wonder dat zij zich, door de bossen in te vluchten, onttrokken aan hun wrede meesters. Ook is het voor hem niet verwonderlijk dat zij zich verenigden om te vuur en te zwaard de eigendommen van hun onderdrukkers te vernielen. De afschaffing van de slavernij in Suriname noemt onze onderwijzer daarom ook een daad van menselijkheid en rechtvaardigheid.

Litho uit De Kleine Reiziger (detail). Buku Bibliotheca Surinamica Collectie.

De kleine reiziger door ons vaderland is een zeldzaam boek. Het is slechts in een paar bibliotheken te vinden. Ons exemplaar uit 1870 werd door J.P. Lancel, hoofdonderwijzer in Leiden, bewerkt. Het bevat twintig chromolitho’s waaronder die van Fort Amsterdam, een plantage aan de Commewijne, de Waterkant Paramaribo en twee uitslaande gekleurde kaarten. De band is van rood linnen en is met goud bedrukt. Bij antiquariaten worden exemplaren aangeboden voor bedragen tussen de €650,– en €850,–.

Carl Haarnack

Cover van De Kleine Reiziger
Titelpagina van De Kleine Reiziger

De kultuur en de bewerking van het suikerriet.C.J. Hering (1858)

Tags

, , , ,

De kultuur en de bewerking van het suikerriet. C. J. Hering. Rotterdam:  H. Nijgh, 1858.

De auteur Christiaan Johannes Hering werd in 1829 in Paramaribo geboren. Zijn vader Constantin Hering (Oschatz 1800 – Philadelphia 1880) was de grondlegger van de homeopathie. De grootvader van Christiaan Hering was directeur op de houtgrond Bergendal. Op de gouvernementsplantage ‘Catharina-Sophia’ leerde hij de beginselen van het verbouwen van suikerriet en het ‘koken’ van suiker. In 1851 kocht Hering de verlaten plantage ‘Abigaelslust’ aan het Pad van Wanica en plantte 50 akkers met rijst. Op plantage ‘Kent’ werd hij belast met ‘suikerkoken’ en deed hij proeven voor het drogen van muscovade-suiker door middel van een centrifugaal apparaat. Hij trad in Paramaribo in het huwelijk met Carolina Rosaline von Rieben met wie hij zes kinderen kreeg. Na haar dood hertrouwde hij met Antoinette Wilhelmina Smit. Christian Johannes Hering overleed op 77-jarigen leeftijd op 30 Mei 1907 in Paramaribo.

Plantage Bergendal

Hering schreef dit boek over de kultuur van het suikerriet en de suikerbereiding vanwege de toegenomen behoefte bij de planters aan een praktisch en wetenschappelijk werk. Ook bestond er geen boek over dat onderwerp dat in het Nederlands geschreven is. Uit zijn inleiding blijkt dat Hering beslist geen zonnetje in huis is. Uiteraard bedankt hij de planters die hem geholpen hebben door hem monsters suiker, melasse en rum te sturen. Speciale dank gaat uit naar de geneesheer van de plantage Catharina Sophia, dr. van Enspyck Kleinhoff. Hij is echter teleurgesteld omdat hij hoge verwachtingen had van de hulp die hij van de planters had ingeroepen. Van een aantal directeuren ontving hij, naar eigen zeggen, een onaangename en onbeleefde behandeling. Ook eigenaren van plantages en administrateurs lieten het afweten. Er waren echter een paar uitzonderingen: W. Humphreijs van de plantages Zorg & Hoop en Petersburg, P. Planteau van plantage Visserszorg, H.A. Tirion van plantages Slootwijk en De Eendragt en B. van den Ende van plantage Maagdenburg.

Plantage Zorg & Hoop. Ontleend aan document Suikerplantage Zorg en Hoop aan de Commewijne van Philip Dikland.

Hering begint zijn boek met een opsomming van maar liefst 50 boeken die hij geraadpleegd heeft. Alle boeken, met een paar kleine uitzonderingen, waren in zijn bezit. Het boek bestaat uit drie delen: 1) de kultuur en bewerking van het suikerriet; 2) De bereiding van de rietsuiker en de toestellen, daarvoor benoodigd; 3) De rum-destilleerkunst.

In deel 1 komen de geschiedenis van het suikerriet, de ontleed- en natuurkunde van het suikerriet aan de orde. Ook gaat de auteur uitvoerig in op de bestanddelen van de planten, de ontleding van suiker, stroop en melassie, bemesting, het rietzaad en rietsap. Het tweede deel gaat de auteur vooral in op de bereiding van de rietsuiker en de apparaten die daarvoor gebruikt worden. Het derde deel is getiteld  De Rum Destilleerkunst en verklapt dus alle geheimen voor hen die graag rum willen maken.

titelpagina De kultuur en de bewerking van het suikerriet. C. J. Hering. Rotterdam:  H. Nijgh, 1858.

Hering geeft ons een uitgebreid college over de geschiedenis van het suikerriet, te beginnen bij de Chinezen die al tweeduizend jaar vóór de Europeanen suiker produceerden. Over de vraag waar het suikerriet (Saccharum officinarum) oorspronkelijk vandaan komt is hij bijzonder stellig: de plant komt uit ´Oost-Indië´. Via Afrika werd het naar Brazilië gebracht en in het jaar 1506 kwam het terecht in Hispaniola (Haïti & Dominicaanse Republiek). Het moeten volgens de schrijver de Nederlanders zijn geweest die het gewas uit Brazilië naar Suriname brachten. Hij haalt George Warren aan die stelde dat er in het jaar 1665 zo’n vijftig suikerplantages in Suriname waren, langs de Surinamerivier en de Commewijne. Het hoofdstuk over de ontleding van de plant is uitgebreid en voorzien van illustraties. Voor de planter echter, zo schrijft Hering, is de stengel van het riet het belangrijkst. Het suikerriet is volgens Hering samengesteld uit water (72 %), houtvezel (10%) en suiker (13%). Omdat het, zoals Hering al in zijn voorwoord aankondigde, ook vooral een praktisch boek is, staat het boordevol handige tips voor hen die suikerriet willen verbouwen. Daarom ontkomt de auteur niet aan technische uiteenzettingen over de plant, over de werking van technische apparaten en over de verschillende natuurkundige- en scheikundige processen. Ik ga er vanuit dat het aantal aspirant suikerheren (m/v) onder mijn lezers beperkt is, daarom zal ik me hier beperken tot algemene observaties.

Suikerriet kappen. Uit: Merkwaardigheden uit alle bekende landen van Amerika. Isaac Taylor, voor Nederlanders bewerkt door J. Olivier, Jz. Amsterdam: bij G.J.A. Beijerinck, 1829. (Collectie Buku Bibliotheca Surinamica)

De verschillende soorten suikerriet die in Suriname worden gekweekt worden zijn het zg. ‘creole-riet’, het gele Bourbonsche riet en het Otaheitische riet. Deze laatste twee soorten zijn krachtiger en bevatten meer suikersap. Het aantal suikerrietvarianten dat over de hele wereld voorkomt, ik noem als voorbeeld de Tuba Batavia, het ‘roode riet van Bengalen’ of het ‘Salangore riet’,  is echter duizelingwekkend. Hering schrijft dat men in Suriname eigenlijk nooit gebruik heeft gemaakt van mest om de grond vruchtbaarder te maken. Dat heeft aan de ene kant te maken met de vruchtbaarheid van de grond. De plantages zijn aan de oevers langs de rivieren aangelegd. Door de regelmatige overstromingen van de rivieren vonden er rijke afzettingen plaats. Daarnaast had men in Suriname de luxe om, als de grond uitgeput raakte, er genoeg land was om een nieuw stuk grond te bewerken. Dit was echter alleen mogelijk omdat men in Suriname gebruik kon maken van slavenarbeid. Zou men dit hebben moeten doen met vrije arbeiders dan zouden de kosten veel te hoog zijn. Dan zou men eerder de oude bestaande gronden blijven gebruiken en dan had men wel moeten bemesten.

Hering besluit zijn boek met adviezen aan de heren planters en het gouvernement die een licht werpen op zijn visie op Suriname. Hij verafschuwt de in Suriname heersende cultuur waarin het vergaren van kennis en kunde als een groot kwaad gezien wordt. Hij haalt ter illustratie een voorbeeld aan van een ‘blank-officier’ die ontslagen werd omdat hij bij de (suiker-) molen een boek aan het lezen was. De maatschappelijke positie van blank-officieren is in Suriname volgens hem het aller ellendigst. Door de ontmoedigingen en vernederingen wordt hij vaak tot dronkenschap aangezet, een kwaal waarvan hij vrijwel nooit genezen kan. Wetenschap wordt in Suriname beschouwd als iets onwaardigs. Daarom, schrijft Hering, is de toestand van de landbouw in Suriname zeer achterlijk. De enige manier om uit die situatie te geraken is als planters met overleg handelen (gebruik maken van de kennis van andere planters), hun vrije uren gebruiken om wetenschappelijke kennis op te doen en deze aan te wenden voor de verbetering van hun bedrijf.

Voor de liefhebbers is er in bijlagen een schat aan informatie te vinden over de plantages en hun opbrengsten. Bijlage 1 bijvoorbeeld is getiteld: “Nominatieve staat der Suikerplantaadjes in de Kolonie Suriname, met vermelding van het getal slaven, akkers, werktuigen en toestellen, benevens de namen der eigenaren en beheerders in Suriname.

Dit kloeke boek is slechts in een handjevol universiteitsbibliotheken te vinden. Voor verzamelaars zal het niet meevallen een exemplaar te bemachtigen. In de afgelopen 25 jaar heb ik slechts één of twee exemplaren voorbij zien komen. Het exemplaar in de Buku Bibliotheca Surinamica collectie werd aangeschaft bij Antiquariaat Kok voor de lieve som van €450,–.  Dat was zo’n twintig jaar geleden een hoop geld maar sinds die aankoop heb ik het nergens meer te koop gezien.

Carl Haarnack

Gezigten uit Neerland’s West-Indien. G.W.C. Voorduin (1860-1862)

Tags

, , , , ,

Gezigten uit Neerland’s West-Indien, naar de natuur geteekend, en beschreven door G.W.C. Voorduin ; op steen gebragt door J.E. van Heemskerck van Beest. Amsterdam, F. Buffa & Zn. [1860-1862]

Eén van de zeldzaamste en kostbaarste objecten uit de Surinaamse bibliotheek is Gezigten uit Neerland’s West-Indien. Alleen al het formaat, zg. ´olifant folio´, is indrukwekkend: het werk is 68 cm hoog en 49 cm breed. Het bestaat uit een titelblad, tekstbladen en achttien losse chromolitho’s en twee gekleurde kaarten. Gerard Voorduin  (1830-1910) werd geboren in Utrecht. Hij werkte als luitenant ter zee bij de Nederlandse marine. Gedurende een periode van zes jaar verbleef hij in ´West-Indië’, op de Antillen en in Suriname. In zijn vrije tijd tekende en schilderde hij landschappen. De aquarellen die hij in Suriname en de Nederlandse Antillen maakte, werden ‘op steen gebracht’ door J.E. van Heemskerck van Beest (1828-1894), kunstschilder én voormalig luitenant ter zee. Van de achttien chromolitho’s hebben er zes betrekking op Curaçao, één op Bonaire, St. Eustatius, Sint Maarten en Saba. Acht platen laten ons een beeld zien van Suriname. Zo is er één plaat met een prachtig gezicht vanaf de rivier op de plantages Jagtlust en Suzanna’s Daal; het gouvernements-huis en het gouvernementsplein; de Reede van Paramaribo; Arowakken kamp; Post Gelderland en Jooden Savanna; Jooden Savannah; een Plantaadge Slavenkamp en tenslotte twee kaarten, één van de Nederlandse bezittingen in West-Indië en één Schetskaart van de Kolonie Suriname.

Gouvernementsplein Paramaribo. Getekend door Voorduin, litho door  Jacob Eduard van Heemskerck van Beest (Buku Bibliotheca Surinamica collectie)

Dit werk wordt in de literatuur vaak geroemd als het ‘beste geographische plaatwerk’ over de Nederlandse West-Indische koloniën. Voorduin had een bijzonder scherp oog voor detail. De litho’s van de Joden Savanne behoren tot de mooiste en zeldzaamste afbeeldingen (tezamen met die van P. Benoit) die we hebben van deze historische plek. Voorduin schreef ook de teksten bij dit werk. Hij schetst ons zijn blik op de geschiedenis van Suriname en geeft ons van iedere plaat een uitgebreide beschrijving.

De suikermolen op Suzanna’s Daal wordt door een stoommachine aangedreven. Interessant is dat Voorduin vermeldt dat er op deze plantage Portugese emigranten uit Madeira werden ingehuurd. Zij woonden afgezonderd van de slavenbevolking die ook op de plantage te werk was gesteld. Op de koffieplantage Jagtlust valt de grote koffieloods op. Op de afbeelding zien we ook een wc die boven de rivier gebouwd is.

De plantages Jagtlust en Suzanna’s daal. Getekend door Voorduin, litho door  Jacob Eduard van Heemskerck van Beest (Buku Bibliotheca Surinamica collectie)

Ook zien we de Kankantri onder welke volgens Voorduin de slaven hun godsdienstoefeningen houden. Voorduin beschrijft verder de geschiedenis van het Fort Zeelandia aan de hand van de plaat van het Fort. Zo lezen we ook hoe de eerste gouverneur, Van Sommelsdijck, in het fort werd vermoord door een bende opstandelingen, bestaande uit tuchthuisboeven en mannen die uit Nederland waren verbannen. Hij werd ook in het fort begraven trouwens. Bij de plaat van het gouvernementshuis schrijft de luitenant ter zee dat het in het midden ligt van een laan die door zware tamarindebomen omzoomd wordt. Op deze plek werd op 19 juli 1688 Van Sommeldijck vermoord. Bij de Reede van Paramaribo zien we de Waterkant van de Oranjestraat tot aan de Saramaccastraat. Bij de Oranjestraat begon in 1821 de grote brand. We zien hier ook het gebouw De Waag waar op de bovenverdieping concerten werden gegeven en waar vergaderd werd.

Joden Savanne. Gezigt op de Synagoge en het kerkhof van de zijde van het militaire Cordonpad gezien. Getekend door Voorduin, litho door  Jacob Eduard van Heemskerck van Beest (Buku Bibliotheca Surinamica collectie)

Voor de tekeningen van de Post Gelderland koos Voorduin voor de blik vanaf een eilandje in de Surinamerivier. Van de Jodensavanne zijn er alleen wat vervallen huizen en de grote synagoge te zien. Voor de afbeelding van Jodensavanne en de begraafplaats koos hij voor het gezichtspunt vanaf het Kordonpad. Voorduin ondernam zelf verschillende tochten. Zo ging hij ook naar een Arokwakken-Indianenkamp voorbij de Cassipoerakreek. Dat kamp bereikte hij na een tocht door savannen en zandvlakten waar het riet tot boven de hoofden groeide. Hij verbaasde zich over de netheid van de hutten die met pina- of palmbladeren waren bedekt. Het houtwerk was roodbeschilderd met ‘coesoewee’ een verfstof (ook wel Roucou genoemd).  Op de plaat van het slavenkamp zien we op de voorgrond een vrouw (Voorduin schrijft ‘negerin’) in baljaarkostuum. Enkele malen per jaar werd er een Banja- (of Baljaar) feest gehouden. Dan werd er gedanst op, volgens hem, zeer eentonige muziek. De instrumenten bestaan uit bamboe met hertenleer overtrokken, planken waarop getrommeld wordt maar soms zijn er ook fluiten of zelfs een viool. Er vinden voordrachten plaats waarin wordt geïmproviseerd, bespot en berispt over gebeurtenissen die op de plantages of in huiselijke kring plaatsvonden.

Gezigt op Fort Zelandia. Getekend door Voorduin, litho door  Jacob Eduard van Heemskerck van Beest (Buku Bibliotheca Surinamica collectie)

Zoals gezegd is dit ‘boek’ vooral belangrijk vanwege de kostelijke afbeeldingen. We vinden complete sets van Gezigten uit Neerland’s West-Indien  in Nederland in slechts in drie universiteitsbibliotheken. De Buku Bibliotheca Surinamica prijst zich ook gelukkig met dit plaatwerk. Op veilingen heb ik slechts drie maal incomplete sets voorbij zien komen. In de afgelopen dertig jaar heb ik nog nooit een complete set te koop aangeboden gezien, tot vorig jaar. Op de Amsterdam Book Fair werd een complete set door een antiquaar aangeboden voor maar liefst €15.000,–. Dat is ontzettend veel geld zult u zeggen, dat is waar. De set is naar verluidt toch verkocht aan een museum en de vraag is hoeveel jaar we weer moeten wachten dat er weer zo’n belangrijk werk op de markt komt?

Carl Haarnack

Cover van Gezigten uit Neerlands West-Indië. Getekend door Voorduin, litho door  Jacob Eduard van Heemskerck van Beest (Buku Bibliotheca Surinamica collectie)

Beschrijving van de Nederlandse Troepen; kleding en bewapening. J. Teupken (1823-1826)

Tags

, , ,

Beschrijving hoedanig de Koninklijke Nederlandsche Troepen en alle in militaire betrekking staande personen gekleed, geëquipeerd en gewapend zijn […] J.F. TEUPKEN. ‘s-Gravenhage en Amsterdam, Gebr. Van Cleef, 1823-26.

Aan het begin van de negentiende eeuw was Nederland een grote koloniale mogendheid. Het leger had daarom ook zeker betrekking op de troepen in de koloniën, ook in Suriname. In zijn boek probeert de auteur Jan Frederik Teupken een systematisch overzicht te geven van alle bepalingen over de kleding en uitrusting van alle onderdelen van de landmacht. Daarnaast laat hij in tientallen met hand gekleurde afbeeldingen hoe de officieren en manschappen van het Nederlandse leger gekleed horen te gaan en hoe zij bewapend zijn.

De productie van een boek van deze omvang met maar liefst 69 handgekleurde illustraties (51 platen in het eerste deel, en 18 platen in het Vervolg, op folio formaat) ging natuurlijk gepaard met enorme kosten. De auteur, die in dienst was op het ministerie van oorlog, schrijft in zijn voorwoord dat hij grote steun ontving van de Koning. Om de productie te kunnen financieren kon vooraf worden ‘ingetekend’ op het boek. Op de lijst van intekenaren staat bovenaan (hoe kan het ook anders) de Koning Willem I ((1772-1843). Alleen al het eerste deel van dit boek kostte maar liefst fl. 25,–, voor de afzonderlijk ‘cahiers van platen’ moesten bedragen fl.4,50 tot fl.6,40 betaald worden en voor de tekst fl.3,60. Dat was toen alleen weggelegd voor de welgestelden.

Voor ons is het natuurlijk heel aardig om te zien wie er vanuit Suriname op de lijst van intekenaren voor komt. Dat waren er beslist niet weinig! Vanuit Suriname waren er maar liefst 43 personen die op het boek hadden ingetekend. Uiteraard kwam gouverneur A. de Veer op de lijst voor. Hij bestelde twee exemplaren. Het merendeel van de intekenaars waren hoge militairen, Kapiteins, Majoors en Luitenant-Kolonels. Zo komen we Luitenant-Kolonel J.G.B. Böhm tegen; J.F. Favereij, Kapitein der Schutterij. Ook S. de la Parra (Kapitein), J.H. Zeegelaar, J.L. Soesman, J.J. de Mesquita, de heren Engelbrecht, G.C. van Meerten maakten deel uit van de schutterij en tekenden in op het boek. Op de lijst komen we ‘bekenden’ als Nicolaas Lemmers, Luitenant-Kolonel. Hij was erfgenaam van plantage Kweekhoven en mede-eigenaar van plantage Dijkveld en Sans Souci. Hij overleed in 1828 vlak voordat hij zijn geliefde en slavin Susanna, en de door hem bij haar verwekte kinderen kon vrijlaten. Zij werden op 9 november 1830 verkocht op de slavenveiling die door Pierre Benoit in zijn boek Voyage a Surinam (1839) in een litho werd vereeuwigd.

Lijst van de intekenaren (detail)

Ook herkennen we op de lijst G. Mabé, 1e Luitenant. Gualtherus Mabé werd geboren in Haarlem (1793-1838)  en groeide op in een ´gegoede´ en vooraanstaande familie. Zijn vader Pieter Mabé was notaris in Haarlem. Op 25 juli 1820 legt hij in Paramaribo de eed af in het bijzijn van de gouverneur en wordt hij beëdigd als landmeter. We weten dat hij ten tijde van de grote brand in Paramaribo op 21 januari 1821 in Suriname was. In het Rijksmuseum bevinden zich een aantal gravures van Leonardus Schweickhardt en Willem Hendrik Hoogkamer die zijn gemaakt naar schetsen van G. Mabé. Hij werkte gedurende een aantal jaren aan zijn Generale Kaart der Kolonie Suriname, hoofdzakelijk voorstellende de tegenwoordige bebouwing dier kolonie. Deze kwam in 1832 gereed. In 1835 vinden we de naam van Marbé terug in het boek De Landbouw in de Kolonie Suriname van Teenstra. Daar verschijnt zijn naam op de ‘Alphabetische Naamlijst der H.H. Inteekenaren in de Kolonie Suriname’. Toch waren het niet uitsluitend militairen die intekenden. Zo was er in Paramaribo een ‘Apothecar’  der 1e klasse genaamd Dieperink die op de lijst voor komt. Ook worden ene Niehoff en J.G. Ringeling als ‘particulier’ vermeld.

Schutterij Paramaribo, Suriname
Officieren – Onderofficier – Schutter
plaat no. 66

Het is onvoorstelbaar hoeveel verschillende onderdelen er binnen de Nederlandse troepen te onderscheiden waren. Elk onderdeel kende zijn eigen uniform en wapenuitrusting. Ook waren er dan weer binnen elk onderdeel verschillen op basis van militaire rang. We zijn misschien de afgelopen decennia gewend geraakt aan de vormloze legergroene kleding van soldaten. In de 18e en 19e eeuw hadden de uniformen ook een belangrijke functie door eenheid, hiërarchie en daadkracht uit te drukken. Vooral de officieren werden vaak zeer fraai uitgedost. Dit uniform-instructieboek werd bijzonder luxe uitgegeven. Het verscheen in twee delen, één in 1823 en het vervolgdeel in 1826.

Koloniale Guides Suriname
plaat no. 48 (Buku Bibliotheca Surinamica collectie)

Hier hebben we weinig ruimte om al te diep in te gaan op al die legeronderdelen. Onze aandacht gaat natuurlijk vooral uit naar wat er zoal over de Surinaamse onderdelen wordt gezegd. De Koloniale Guides van Suriname dienen o.a. gekleed te gaan in een donkerblauwe laken rok, met kraag en opslagen van dezelfde stof. Op de borst een rij van 9 witte gebombeerde knopen op de borst, twee kleine aan de opslagen, één voor de zwaluwstaart op elke schouder en twee grote op de taille. Hierbij hoort verder een vilten ronden hoed met ‘kokarde en lis’, een wijde linnen pantalon met schoenen, een bonte halsdoek, een geweer zonder bajonet en een ‘patroontasch’. Voor de kleding en de uitrusting van de ‘Jagers en Artillerie’ in West-Indië gelden er tal van bijzondere aanmerkingen. Zo wordt de stof die normaal gesproken gebruikt wordt voor militaire kleding voor West-Indië, zoals karsaai (‘een grof gekeperd soort laken’) te zwaar wordt bevonden. Ook wordt het militair hoofddeksel (Schakot of chachot) vervangen door gladde hoeden. De sokken ontbreken in de uitrusting omdat het de voeten van de soldaat schoner houdt en deze sneller verharden en zo beter tegen insectenbeten bestand zijn. In de West-Indische koloniën, zo schrijft Teupken, is de sabel voor de soldaat onmisbaar. Vooral op de buitenposten en op marsen, als de soldaten zich een pad moeten banen door het kreupelhout of bij het maken van zijn ‘bivouac’ (bivak) is een brede en stevige sabel vereist.

Bij de schutterij in Paramaribo wordt onderscheid gemaakt tussen de ‘Blanke kompagnien’ en de kompagnien van ‘vrije Kleurlingen en vrije Negers’.  Bij de laatste zijn de kleuren van de rode staande kraag en rode biezen vervangen door de kleur geel. De schutters zijn gewapend met geweren en vanaf rang van onder-officier dragen zij ook sabels. Bij de blanke officieren heeft de rok,  die het onderlichaam vanaf de taille bedekt,  een rode voering, bij de ‘Kleurlingen en Negers’ is de voering geel.

advertentie in krant van 1824

We vinden dit boek in een handjevol universiteitsbibliotheken in Nederland en natuurlijk in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. Ook de Buku Bibliotheca Surinamica collectie is in het bezit van een compleet en puntgaaf exemplaar. Een compleet exemplaar van het lijvige werk van Teupken is voor verzamelaars niet makkelijk te vinden. Zo af en toe verschijnt er een exemplaar op een veiling. Meestal is het echter niet compleet of in slechte staat. De losse handgekleurde platen worden soms voor €150,– of €200,– per stuk door ‘prentenhandelaren’ verkocht. Als een antiquaar een compleet en in goede staat verkerend exemplaar aanbiedt is dit vaak voor bedragen tussen de €6000,- en €8000,–.

Carl Haarnack

Drie maanden in de West. W. Wijnaendts Francken-Dyserinck (1913)

Tags

, ,

Drie maanden in de West. Reisbrieven. W. Wijnaendts Francken-Dyserinck.  Haarlem: H.D. Tjeenk Willink & Zoon, 1913.

Esther Welmoet Dijserinck (1876-1956) werd geboren in Den Helder. Ze was journalist en publicist en schreef honderden artikelen over uiteenlopende onderwerpen. Daarnaast was zij een feministe en voorzitter van de Nederlandsche Bond voor Vrouwenkiesrecht.

Welmoet Wijnaendts Francken-Dyserinck. Aquarel door Thérèse Schwartze (1914) (Collectie Atria).

Met haar man, Cornelis Johannes Wijnaendts Francken (1863-1944), maakte zij reizen onder meer naar Duitsland, Zwitserland, Frankrijk, Afrika en West-Indië. Over deze reizen publiceerde zij reisbrieven in het Algemeen Handelsblad in Nederland. De reisbrieven over West-Indië werden gebundeld in het boek Drie maanden in de West. Zo bezocht het paar o.a. Barbados, Jamaica, Trinidad en Grenada. Dat laatste eiland vond onze auteur schilderachtig maar het werd bedorven door het ergerlijk optreden van de ‘negerbevolking’. Nergens waren die zó brutaal, schrijft Wijnaendts Francken-Dyserinck.

Het echtpaar is opgelucht als ze Nederlands grondgebied bereiken. De grotere beschaving, het rustige en beschaafde gedrag van de bevolking viel haar direct op.  Interessant is de conclusie dat de gunstige indruk die zij van de zwarte bevolking in Suriname heeft toe te schrijven is aan het werk van de Hernhutters.

Gebouwen van de Missie in Paramaribo (ansichtkaart ca. 1910)

De klederdracht van de vrouwen noemt zij ‘buitengewoon aantrekkelijk’. De wijde gerimpelde rok is rondom het middel paniervormig opgenomen, schrijft de auteur. Daarover dragen zij kort wijd-uitstaand ‘omslagmanteltje’ met mouwen. Dit zijn volgens haar de ‘cotto-missies’. Maar er zijn ook ‘paletot-missies’ en ‘proddo-missies’. Het echtpaar nam hun intrek in het Mackintosh Hotel dat een aardig balkon aan de straatkant heeft, hoewel het ‘boarding-house’ van mevrouw Armstrong naar verluidt nog iets beter is. Het Sranantongo, de auteur spreekt hier over de ‘negertaal’ ‘Takki-takki’, is misschien niet makkelijk te spreken of te verstaan met enig geduld is het te lezen. Zo woonden zij een ‘beschaafde Hollandsche preek’ bij van een ‘negerpredikant’ (een ‘boschneger’), broeder Schmidt (Rasmus Schmidt, 1888-1975, ch).

Ds. Rasmus Schmidt (1888-1975)

Boven zijn hoofd hing de tekst: “Oen moe lobbi makandra”.  Ook de Fröbelschool van juffrouw Alvarez werd bezocht. De zusters Alvarez woonden boven de school. Een andere zuster was verpleegster in het militair ziekenhuis. Juffrouw Alvarez is van mening dat, als men Suriname uit zijn staat van verval wil halen, men bij de kinderen moet beginnen. Het percentage ‘buiten echt’ geboren kinderen gaat haar aan het hart en bedraagt naar schattingen maar liefst 74%! De ambtenaar van de burgerlijke stand vraagt bij de huwelijksvoltrekking aan de vrouw of zij haar man onderdanig zal zijn. De man vat die belofte letterlijk op en dan kan dat nooit goed gaan. Welmoet Wijnaendts Francken-Dyserinck stelt dat als we samenleven buiten de echt tegen willen gaan dát eerst veranderd moet worden. Daarvoor gaat de Vrouwenbond zich sterk maken, zo stelt zij.

Wijnaendts Francken-Dyserinck is kritisch als het gaat om de kennis over Suriname in Nederland. De gedachte ‘hoe minder we er van horen, hoe beter’ overheerst. Zij vindt het een leemte in ‘ons volk’ dat we zo weinig belangstelling voor de koloniën hebben. In navolging van een ‘hooggeplaatst persoon’ is zij van mening dat de betekenis van de koloniën voor Nederland wekelijks minstens een uur besproken zou moeten worden. De lezer wordt hier en daar getrakteerd op stevige neerbuigende taal over de koloniën en vooral over zwarte mensen. Wie haar dat vergeven kan krijgt met dit boek een bijzonder inkijkje in het leven in Suriname in een periode waarover eigenlijk maar weinig bekend is (1913). Ook worden er hier en daar mensen met naam en toenaam ten tonele gevoerd waardoor het boek een extra dimensie krijgt. Het boek is niet zeldzaam en is in vele (universiteits-) bibliotheken te vinden. Verschillende antiquariaten in Nederland bieden het boek voor een paar tientjes aan.

Carl Haarnack

Cover van Drie maanden in de West (1913)

De dresiman aan het werk (1933)

Tags

De dresiman aan het werk. Pro Justitia. Vonnis 1933. No. 100.

In het archief van de Buku Bibliotheca Surinamica bevindt zich een typoscript uit 1933. In 2012 kocht ik dit gebonden werk van antiquaar Jos Wijnhoven (1961- 2017) uit Deventer. Het ‘boekje’ is gevat in een bruin kartonnen omslag en op de voorkant is een papieren sticker geplakt met daarop de titel “De dresiman aan het werk”.

Op het eerste gezicht leek dit een interessant fictief verhaal maar al snel werd duidelijk dat het hier om een afschuwelijke gebeurtenis gaat die geheel op waarheid berust. Op 20 juni 1933 overleed Louise Jacqueline Theodora Emelie Klaverweide, ongehuwd, 34 jaar oud. Zij was geboren in het district Nickerie en woonde te Nieuw-Nickerie. Louise Klaverweide was een dochter van Johan Joseph Otway Klaverweide, die inmiddels al was overleden, en Sam Akui Cheung-Tok-Sam. Dit typoscript is het vonnis van de rechtbank in wat ik voor het gemak maar noem De zaak Louise Klaverweide. De kranten in Nederland en in Suriname brachten het nieuws groot naar buiten: ‘Een verbijsterend geval. Een meisje dood-gemarteld’  (De banier : staatkundig gereformeerd dagblad,  08-08-1933); ‘Suriname: Mishandeling met doodelijken afloop voor zg. Dresmans’ (Het Vaderland : staat- en letterkundig nieuwsblad, 06-01-1934).

De West : nieuwsblad uit en voor Suriname, 30 juni 1933.

In deze rechtszaak stonden terecht:  Joseph Emanuel Paal, 54 jaar oud, landbouwer, geboren op plantage John te Coronie; Frederik George Blijd, 45 jaar oud, timmerman, geboren op Belladrum te Coronie; Sewbalak Boodhee Gobind, 46 jaar oud, landbouwer, geboren op plantage Burnside te Coronie; George Alexander Klaverweide, 32 jaar oud, goudsmit van beroep, geboren te Nieuw-Nickerie in het district Nickerie. Hen werd ten laste gelegd dat zij op een perceel in Waldeck (Nickerie) opzettelijk met geweld Louise Klaverweide tegen haar wil en ondanks haar hevig verzet hoeveelheden van aftreksel van agavewortels en -bladeren vermengd met vloeistoffen door gewelddadig en ruw openen van de mond naar binnen goten. Beklaagde Paal hield haar stevig vast aan haar haren terwijl Blijd en/of Sewbalak haar gewelddadig aan het middenlijf en armen vasthielden. In detail wordt verder gerapporteerd welke andere afschuwelijke ‘behandelingen’ Klaverweide moet ondergaan. Ik zal u hier verdere details besparen. Uiteindelijk resulteerde dit alles in de dood van het slachtoffer op 20 juni 1933.   

Mr J.H.A. Westrik was in deze zaak  rechter commissaris en hij werd geassisteerd door de 2e ambtenaar ter griffie van het Hof van Justitie in Suriname, H.L. da Costa. Bij het verhoor van Frederik George Blijd trad de ad hoc beëdigde R.C. Clenem (Clemen?) op als tolk.

Coronie omstreeks 1920 (Buku Bibliotheca Surinamica collectie).

Blijd is 50 jaar oud, geboren in Suriname, timmerman, woonplaats Coronie. Blijd erkent twee dagen lang gelogen te hebben. Nu zal hij de waarheid vertellen: “Ik heb geleefd met de zuster van Paal en ken Paal heel goed. Verder controleer ik zijn grond voor hem wanneer hij met de boot weg is. Al sedert jaren ben ik ook zijn helper wanneer hij zieken behandelt”. Blijd hielp Paal eerder bij andere ‘zieken’ in Coronie zoals  Julia Riedewald, Marius Boldewijn, een zekere vrouw Blijd, mijn broer Edmond Blijd. Blijd: “Toen Paal bericht kreeg om over te komen naar Nickerie voor een ziektegeval heeft hij mij gevraagd om mede te gaan en hem te helpen. Op een Zaterdag in de maand juni zijn Paal, Sewbalak en ik met de boot van Sewbalak naar Nickerie gegaan.” Paal had Blijd verteld als hij bier drinkt hij bezeten wordt van vier geesten: een ziener, genaam Ba Louis, twee geneesheren genaamd Kwassi en Patakoewana en één geest die de boze geest waaraan de zieke leed weer terugbrengt bij de afzender. Deze geest draagt de naam Hé Gron-Cédré. Ba Louis had Paal in een spiegeltje verteld dat de witte mijnheer, de chef van het postkantoor waar Louise Klaverweide werkte, iets op haar stoel had gezet waardoor een boze geest in haar rug was binnengedrongen. Daardoor was zij ziek geworden en moest zij een dresie toegediend krijgen. Ba Louis eiste ook geld. Eerst eiste hij fl.100,–, zakte daarna af naar fl. 50,– maar nam later ook genoegen met een zegelring ter waarde van fl. 35,–.

Beklaagde Joseph Emanuel Paal vertelde de rechter dat hij jaren geleden heel ziek was en dat hij toen genezen is door een ‘boschneger’ die uitvond dat hij met een boozen geest behept was. Van hem leerde hij hoe hij mensen van boze geesten kon bevrijden. Dat gebeurde door het gebruik van braakmiddel en kruidenbaden. Meerdere mensen heeft hij met succes behandeld maar nooit heeft hij daarvoor geld gevraagd. Via brieven en telegrammen ontving hij het verzoek om naar Nickerie te komen om Louise Klaverweide te behandelen. Hij vertelde dat hij daarbij altijd gebruikt maakte van een spiegeltje, krijt en een brandende kaars. Hij deed dan alsof er een geest in hem gevaren was. Dan spraak hij onsamenhangende woorden in een Chinees of Indiaans dialect. Zijn assistenten Blijd en Sewbalak ‘vertaalden’ deze woorden dan voor Louise, haar moeder en broer.

Nickerie. Kaart van Cateau van Rosevelt.

Sewbalak Boodhee Gobind verklaarde als buitengewoon agent van politie in Coronie op te treden.  Hij bekende een kruidenbad te hebben gemaakt hoewel hij wist dat hij het meisje niet kon genezen. Hij deed dat met de bedoeling om daar voordeel uit te trekken. Omdat Louise zich hevig verzette en luid schreeuwde en men bang was dat de buren de politie zouden bellen zochten ze een afgelegen plek op. Daar werden haar bovenkleren uitgetrokken en moest zij in een kuil gaan staan. Daar kreeg zij een bad en werd er op buikhoogte kruit ontbrand. Toen het Louise niet goed bleek te gaan (haar ogen puilden uit) zou Paal haar voetzolen met een borstel ingewreven hebben. Toen bleek dat zij was overleden. Ook de broer van Louise, George Alexander Klaverweide, legde een verklaring af. Hij zou hebben geprobeerd om zijn moeder te bewegen zijn zus aar het Militair Hospitaal in Paramaribo te brengen. Zij wilde daar echter niets van weten. Eerst werden een zekere Bonapart en daarna zekere MacAndrew uit Coronie ingeschakeld. Maar deze ‘dresimans’ konden Louise niet helpen. Ook de hoofdagent van politie Willem Eduard Fitz Jim werd ook in deze rechtszaak gehoord. Net als Roosje Mietje Cheung-Tok-Saw, de moeder van Louise en George Klaverweide, Eduard Marius Richard Promes, Sophie Petronella Richards, Theophilus Augustinus Brathwaite, Georde Richard MacDonald en de geneesheren Salomon John Bueno de Mesquita en Benjamin Christiaan Marius Samson.

Het vonnis werd gewezen door mr. J.C. Brons (president van het hof), mr. K.J. van Erpecumen en mr. Vettewinkel. Paal, Blijd, Sewbalak en George Klaverweide werden schuldig bevonden aan mishandeling, de dood tot gevolg hebbende. Paal kreeg vijf jaar celstraf, Blijd drie jaar en zes maanden, Sewbalak drie jaar en negen maanden en Klaverweide tenslotte kreeg een jaar en zes maanden.

In 2016 publiceerde Henna Spalburg haar boek De moord op Louise Klaverweide dat op deze rechtszaak was gebaseerd.

Carl Haarnack

Nenne Albertina. Anna Kersten-Van Calker (1925)

Tags

, , ,

Nenne Albertina en Surinaamsch gemeenteleven : (schetsen uit den arbeid der Herrnhutter-zending in Suriname). Anna Kersten-van Calker (H. Rüffer, S. van Dorp). Zeist: Zendingsgenootschap der Evangel. Broedergem., Zeist, [ca. 1925].

Nenne Albertina moet rond 1845 geboren zijn op een suikerplantage, zo schijft Anna Kersten. Haar moeder was een jonge en mooie slavin. Dat het slavenleven hard en barbaars was hoeven we hier niet uit te leggen. De directeur van de suikerplantage nam de mooie slavin op in zijn huis. Hij verwekte een kind bij haar en nog vóór het geboren werd woonden moeder en kind weer op de plantage.

Toen op 1 juli 1863 de slavernij werd afgeschaft kreeg het kind de naam Mietje Madretsma (een omkering van Amsterdam). Mietje kwam terecht op de plantage Waterloo in Nickerie, vlakbij een zendingspost van de Evangelische Broedergemeente. Mietje werd gedoopt en kreeg toen de naam Albertina. Vanwege haar huwelijk met de onderwijzer Abrahams, die op Waterloo was aangesteld werd haar officiële naam Albertina Mietje Madretsma Abrahams. Albertina kreeg twee jongens. Na het vroege overlijden van haar echtgenoot vertrok zij met haar kinderen naar Paramaribo. Eerst werkte zij als kindermeisje bij het zendelingenechtpaar Lehman. In 1881 werd zij dienstbode bij Anna Kersten-Van Calcar, de auteur van dit boekje. Haar man was benoemd tot Praeses van de Zending in Suriname.

In 1894 werden Anna Kersten en haar man, na een verblijf van anderhalf jaar in Duitsland (wegens ziekte), naar Albina overgeplaatst. Het was voor Albertina geheel vanzelfsprekend dat zij met hun mee ging naar Albina. In totaal werkte Albertina vijftien jaar voor het echtpaar Kersten. Gedurende die periode was Albertina een vriendin geworden. Daarom zag Anna Kersten het als haar plicht om ons iets te vertellen over nenne Albertina. Tegelijkertijd vertelt zij de lezer het één en  ander over Suriname,  over Albina maar ook over een aantal mensen die zij daar ontmoet. Zo worden we voorgesteld aan drie Chinezen die winkels dreven in Albina. Wong-lung-hin was op jeugdige leeftijd uit China op plantage Catharina Sophia terecht gekomen. Hij trouwde met een mulattin en begon een winkel. Hij werd, net als zijn echtgenote, lid van de Evangelische Broedergemeente. Zij werden ware vrienden van het echtpaar Kersten.

Paulus Lijk-wan was de tweede Chinees die de revue passeerde. Lijk-wan was arbeider op een plantage. Samen met twee anderen vermoordde hij de opzichter (bij wie ze grote gokschulden hadden). Hij werd tot de strop veroordeeld. Bij de terechtstelling brak het touw. Ook bij de tweede poging brak het touw. De straf werd omgezet in levenslange gevangenisstraf. Later, bij een algemene amnestie, kreeg Paulus Lijkwan de vrijheid. Hij vestigde zich als koopman in Albina en trouwde met een Creoolse vrouw (en kreeg veel kinderen, ch). Als er geld nodig was voor de kerk of het zendingswerk was Lijk-wan altijd een gever. Tenslotte leren we Akai kennen een oude Chinees. Hij zijn eveneens oude vrouw uit China meegenomen maar in Suriname nam hij er nog een heel jonge Chinese vrouw erbij. Deze jonge vrouw wilde graag leren lezen. Als Akai op reis was leerde Anna Kersten haar lezen. Plotseling bleef zij weg. Akai had liever niet dat zij leerde lezen. Toch bleef de vriendschap bestaan.

Natuurlijk ontmoette Anna Kersten ook regelmatig goudzoekers die in Albina waren om verder richting de goudvelden te trekken of juist net daarvan waren teruggekeerd en op weg naar Paramaribo waren. De marrons zochten Anna Kersten en Albertina vaak op in de keuken. Over Anna zeiden ze: “Ze is wit tot in haar oogen!”. De marrons wilden altijd regenwater drinken. Zij noemden dat hemelwater. Normaliter dronken zij water uit de rivier. Anna werd wel eens boos als er in de droge tijd maar heel weinig regenwater op voorraad is. De goudzoekers zeiden dan: “Missi, U mag niet zuinig zijn op het hemelwater: God geeft het u en u moet het aan ons geven”. Nenne Albertina was altijd, zo schreef Anna, veel vriendelijker dan zij.

Dit papieren boekje vinden we slechts in een handjevol universiteitsbibliotheken. Het is waarschijnlijk in kleine oplage gedrukt maar zonder dit werkje van Anna Kersten hadden wij waarschijnlijk nooit iets vernomen over Nenne Albertina, noch over de drie Chinezen of de goudzoekers.

Carl Haarnack

zie ook:

https://bukubooks.wordpress.com/2017/09/23/alkmaar/: Nenne Albertina. Anna Kersten-Van Calker (1925) https://bukubooks.wordpress.com/2015/09/16/weiss/: Nenne Albertina. Anna Kersten-Van Calker (1925)