Tags
Beschrijving hoedanig de Koninklijke Nederlandsche Troepen en alle in militaire betrekking staande personen gekleed, geëquipeerd en gewapend zijn […] J.F. TEUPKEN. ‘s-Gravenhage en Amsterdam, Gebr. Van Cleef, 1823-26.
Aan het begin van de negentiende eeuw was Nederland een grote koloniale mogendheid. Het leger had daarom ook zeker betrekking op de troepen in de koloniën, ook in Suriname. In zijn boek probeert de auteur Jan Frederik Teupken een systematisch overzicht te geven van alle bepalingen over de kleding en uitrusting van alle onderdelen van de landmacht. Daarnaast laat hij in tientallen met hand gekleurde afbeeldingen hoe de officieren en manschappen van het Nederlandse leger gekleed horen te gaan en hoe zij bewapend zijn.
De productie van een boek van deze omvang met maar liefst 69 handgekleurde illustraties (51 platen in het eerste deel, en 18 platen in het Vervolg, op folio formaat) ging natuurlijk gepaard met enorme kosten. De auteur, die in dienst was op het ministerie van oorlog, schrijft in zijn voorwoord dat hij grote steun ontving van de Koning. Om de productie te kunnen financieren kon vooraf worden ‘ingetekend’ op het boek. Op de lijst van intekenaren staat bovenaan (hoe kan het ook anders) de Koning Willem I ((1772-1843). Alleen al het eerste deel van dit boek kostte maar liefst fl. 25,–, voor de afzonderlijk ‘cahiers van platen’ moesten bedragen fl.4,50 tot fl.6,40 betaald worden en voor de tekst fl.3,60. Dat was toen alleen weggelegd voor de welgestelden.
Voor ons is het natuurlijk heel aardig om te zien wie er vanuit Suriname op de lijst van intekenaren voor komt. Dat waren er beslist niet weinig! Vanuit Suriname waren er maar liefst 43 personen die op het boek hadden ingetekend. Uiteraard kwam gouverneur A. de Veer op de lijst voor. Hij bestelde twee exemplaren. Het merendeel van de intekenaars waren hoge militairen, Kapiteins, Majoors en Luitenant-Kolonels. Zo komen we Luitenant-Kolonel J.G.B. Böhm tegen; J.F. Favereij, Kapitein der Schutterij. Ook S. de la Parra (Kapitein), J.H. Zeegelaar, J.L. Soesman, J.J. de Mesquita, de heren Engelbrecht, G.C. van Meerten maakten deel uit van de schutterij en tekenden in op het boek. Op de lijst komen we ‘bekenden’ als Nicolaas Lemmers, Luitenant-Kolonel. Hij was erfgenaam van plantage Kweekhoven en mede-eigenaar van plantage Dijkveld en Sans Souci. Hij overleed in 1828 vlak voordat hij zijn geliefde en slavin Susanna, en de door hem bij haar verwekte kinderen kon vrijlaten. Zij werden op 9 november 1830 verkocht op de slavenveiling die door Pierre Benoit in zijn boek Voyage a Surinam (1839) in een litho werd vereeuwigd.
Ook herkennen we op de lijst G. Mabé, 1e Luitenant. Gualtherus Mabé werd geboren in Haarlem (1793-1838) en groeide op in een ´gegoede´ en vooraanstaande familie. Zijn vader Pieter Mabé was notaris in Haarlem. Op 25 juli 1820 legt hij in Paramaribo de eed af in het bijzijn van de gouverneur en wordt hij beëdigd als landmeter. We weten dat hij ten tijde van de grote brand in Paramaribo op 21 januari 1821 in Suriname was. In het Rijksmuseum bevinden zich een aantal gravures van Leonardus Schweickhardt en Willem Hendrik Hoogkamer die zijn gemaakt naar schetsen van G. Mabé. Hij werkte gedurende een aantal jaren aan zijn Generale Kaart der Kolonie Suriname, hoofdzakelijk voorstellende de tegenwoordige bebouwing dier kolonie. Deze kwam in 1832 gereed. In 1835 vinden we de naam van Marbé terug in het boek De Landbouw in de Kolonie Suriname van Teenstra. Daar verschijnt zijn naam op de ‘Alphabetische Naamlijst der H.H. Inteekenaren in de Kolonie Suriname’. Toch waren het niet uitsluitend militairen die intekenden. Zo was er in Paramaribo een ‘Apothecar’ der 1e klasse genaamd Dieperink die op de lijst voor komt. Ook worden ene Niehoff en J.G. Ringeling als ‘particulier’ vermeld.
Het is onvoorstelbaar hoeveel verschillende onderdelen er binnen de Nederlandse troepen te onderscheiden waren. Elk onderdeel kende zijn eigen uniform en wapenuitrusting. Ook waren er dan weer binnen elk onderdeel verschillen op basis van militaire rang. We zijn misschien de afgelopen decennia gewend geraakt aan de vormloze legergroene kleding van soldaten. In de 18e en 19e eeuw hadden de uniformen ook een belangrijke functie door eenheid, hiërarchie en daadkracht uit te drukken. Vooral de officieren werden vaak zeer fraai uitgedost. Dit uniform-instructieboek werd bijzonder luxe uitgegeven. Het verscheen in twee delen, één in 1823 en het vervolgdeel in 1826.
Hier hebben we weinig ruimte om al te diep in te gaan op al die legeronderdelen. Onze aandacht gaat natuurlijk vooral uit naar wat er zoal over de Surinaamse onderdelen wordt gezegd. De Koloniale Guides van Suriname dienen o.a. gekleed te gaan in een donkerblauwe laken rok, met kraag en opslagen van dezelfde stof. Op de borst een rij van 9 witte gebombeerde knopen op de borst, twee kleine aan de opslagen, één voor de zwaluwstaart op elke schouder en twee grote op de taille. Hierbij hoort verder een vilten ronden hoed met ‘kokarde en lis’, een wijde linnen pantalon met schoenen, een bonte halsdoek, een geweer zonder bajonet en een ‘patroontasch’. Voor de kleding en de uitrusting van de ‘Jagers en Artillerie’ in West-Indië gelden er tal van bijzondere aanmerkingen. Zo wordt de stof die normaal gesproken gebruikt wordt voor militaire kleding voor West-Indië, zoals karsaai (‘een grof gekeperd soort laken’) te zwaar wordt bevonden. Ook wordt het militair hoofddeksel (Schakot of chachot) vervangen door gladde hoeden. De sokken ontbreken in de uitrusting omdat het de voeten van de soldaat schoner houdt en deze sneller verharden en zo beter tegen insectenbeten bestand zijn. In de West-Indische koloniën, zo schrijft Teupken, is de sabel voor de soldaat onmisbaar. Vooral op de buitenposten en op marsen, als de soldaten zich een pad moeten banen door het kreupelhout of bij het maken van zijn ‘bivouac’ (bivak) is een brede en stevige sabel vereist.
Bij de schutterij in Paramaribo wordt onderscheid gemaakt tussen de ‘Blanke kompagnien’ en de kompagnien van ‘vrije Kleurlingen en vrije Negers’. Bij de laatste zijn de kleuren van de rode staande kraag en rode biezen vervangen door de kleur geel. De schutters zijn gewapend met geweren en vanaf rang van onder-officier dragen zij ook sabels. Bij de blanke officieren heeft de rok, die het onderlichaam vanaf de taille bedekt, een rode voering, bij de ‘Kleurlingen en Negers’ is de voering geel.
We vinden dit boek in een handjevol universiteitsbibliotheken in Nederland en natuurlijk in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. Ook de Buku Bibliotheca Surinamica collectie is in het bezit van een compleet en puntgaaf exemplaar. Een compleet exemplaar van het lijvige werk van Teupken is voor verzamelaars niet makkelijk te vinden. Zo af en toe verschijnt er een exemplaar op een veiling. Meestal is het echter niet compleet of in slechte staat. De losse handgekleurde platen worden soms voor €150,– of €200,– per stuk door ‘prentenhandelaren’ verkocht. Als een antiquaar een compleet en in goede staat verkerend exemplaar aanbiedt is dit vaak voor bedragen tussen de €6000,- en €8000,–.
Carl Haarnack




