ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 244

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

63e jaargang
29 juli 2020


Inhoud

 

I   Wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) 2020/1108 van de Raad van 20 juli 2020 tot wijziging van Verordening (EU) 2017/2454 wat betreft de toepassingsdata in respons op de COVID‐19-pandemie

1

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit (EU) 2020/1109 van de Raad van 20 juli 2020 tot wijziging van Richtlijnen (EU) 2017/2455 en (EU) 2019/1995 wat betreft de data van omzetting en toepassing in respons op de COVID‐19-pandemie

3

 

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

 

 

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

 

*

Besluit (EU) 2020/1110 van de Raad van 23 januari 2018 inzake de sluiting, namens de Europese Unie, van de Overeenkomst inzake luchtvervoer tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Verenigde Staten van Amerika, anderzijds

6

 

*

Besluit (EU) 2020/1111 van de Raad van 20 juli 2020 betreffende de ondertekening, namens de Unie, van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de regering van de Volksrepubliek China betreffende samenwerking op het gebied van geografische aanduidingen en de bescherming daarvan

8

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1112 van de Raad van 20 juli 2020 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2026 wat betreft de toepassingsdata in respons op de COVID-19-pandemie

9

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit (EU) 2020/1113 van de Raad van 20 juli 2020 betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het EPO-comité dat is opgericht bij de tijdelijke Economische Partnerschapsovereenkomst tussen Ghana, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, met betrekking tot de vaststelling van het reglement van orde van het EPO-comité

11

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1114 van de Raad van 23 juli 2020 tot goedkeuring van wijzigingen van het reglement van orde van Eurojust

13

 

*

Besluit (EU) 2020/1115 van de Raad van 24 juli 2020 betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het Gemengd Comité dat is opgericht bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap, enerzijds, en de regering van Denemarken en de Landsregering van de Faeröer, anderzijds, wat de vaststelling van wijzigingen van de Protocollen nrs. 1 en 4 bij de overeenkomst betreft

16

 

*

Besluit (EU) 2020/1116 van de Raad van 24 juli 2020 tot benoeming van een lid van de Rekenkamer

17

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1117 van de Raad van 27 juli 2020 houdende benoeming van de Europese aanklagers van het Europees Openbaar Ministerie

18

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

29.7.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 244/1


VERORDENING (EU) 2020/1108 VAN DE RAAD

van 20 juli 2020

tot wijziging van Verordening (EU) 2017/2454 wat betreft de toepassingsdata in respons op de COVID‐19-pandemie

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 113,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Parlement (1),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (2),

Handelend volgens een bijzondere wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EU) nr. 904/2010 van de Raad (3) zijn voorschriften betreffende de uitwisseling en de opslag van inlichtingen door de lidstaten vastgesteld met het oog op de invoering van de bijzondere regelingen als bedoeld in titel XII, hoofdstuk 6, van Richtlijn 2006/112/EG van de Raad (4).

(2)

Die bepalingen zijn gewijzigd bij Verordening (EU) 2017/2454 van de Raad (5), ter uitbreiding van het toepassingsgebied van die bijzondere regelingen en ter invoering van een nieuwe regeling. Die wijzigingen moeten met ingang van 1 januari 2021 worden toegepast.

(3)

Op 30 januari 2020 heeft de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) de COVID‐19-uitbraak uitgeroepen tot noodsituatie op het gebied van de volksgezondheid van internationaal belang. Op 11 maart 2020 heeft de WHO de COVID‐19-uitbraak uitgeroepen tot pandemie. De COVID‐19-pandemie heeft alle lidstaten getroffen. Vanwege de alarmerende toename van het aantal gevallen en het gebrek aan doeltreffende middelen om de COVID‐19-pandemie onmiddellijk het hoofd te bieden, hebben tal van lidstaten een nationale noodtoestand uitgeroepen.

(4)

De COVID‐19-pandemie vormt een onverwachte en ongekende noodtoestand die alle lidstaten zwaar treft en hen verplicht op nationaal niveau onmiddellijk actie te ondernemen door voor andere onderwerpen gereserveerde middelen over te hevelen om de huidige crisis met voorrang aan te pakken. Als gevolg van deze crisis ondervinden verscheidene lidstaten moeilijkheden bij het voltooien van de ontwikkeling van de IT-systemen die nodig zijn om Verordening (EU) 2017/2454 met ingang van 1 januari 2021 toe te passen. Sommige lidstaten hebben daarom om uitstel van de toepassingsdata van Verordening (EU) 2017/2454 verzocht.

(5)

Gezien de uitdagingen waarmee de lidstaten geconfronteerd worden bij het aanpakken van de COVID‐19-crisis, en het feit dat de nieuwe bepalingen uitgaan van het beginsel dat alle lidstaten hun IT-systemen moeten actualiseren om Verordening (EU) 2017/2454 te kunnen toepassen, en te zorgen voor het verzamelen en doorgeven van informatie en voor betalingen in het kader van de gewijzigde regelingen, moeten de toepassingsdata van die verordening met zes maanden worden uitgesteld. Een uitstel van zes maanden is passend, aangezien de vertraging zo kort mogelijk moet worden gehouden om de extra begrotingsverliezen voor de lidstaten tot een minimum te beperken.

(6)

Gelet op de aanzienlijke gevolgen van de economische verstoringen en de eventuele bijkomende moeilijkheden door de COVID‐19-pandemie, en om de nieuwe voorschriften inzake btw op e‐commerce correct en tijdig te kunnen toepassen, zou de Commissie nauw met de betrokken lidstaten kunnen samenwerken om toe te zien op de aanpassing van de nationale IT-systemen en zo nodig technische bijstand te verlenen.

(7)

Verordening (EU) 2017/2454 dient daarom dienovereenkomstig te worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EU) 2017/2454 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 1 wordt punt 7 als volgt gewijzigd:

a)

onder a) wordt de titel van afdeling 2 vervangen door:

Bepalingen geldig vanaf 1 januari 2015 tot en met 30 juni 2021 ”;

b)

punt b) wordt als volgt gewijzigd:

i)

de titel van afdeling 3 wordt vervangen door:

Bepalingen geldig vanaf 1 juli 2021 ”;

ii)

artikel 47 bis wordt vervangen door:

“Artikel 47 bis

De bepalingen van deze afdeling zijn geldig vanaf 1 juli 2021.”.

2)

In artikel 2 wordt de tweede alinea vervangen door:

“Zij is van toepassing met ingang van 1 juli 2021.”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 juli 2020.

Voor de Raad

De voorzitter

M. ROTH


(1)  Advies van 10 juli 2020 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  Advies van 10 juni 2020 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(3)  Verordening (EU) nr. 904/2010 van de Raad van 7 oktober 2010 betreffende de administratieve samenwerking en de bestrijding van fraude op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde (PB L 268 van 12.10.2010, blz. 1).

(4)  Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347 van 11.12.2006, blz. 1).

(5)  Verordening (EU) 2017/2454 van de Raad van 5 december 2017 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 904/2010 van de Raad betreffende de administratieve samenwerking en de bestrijding van fraude op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde (PB L 348 van 29.12.2017, blz. 1).


BESLUITEN

29.7.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 244/3


BESLUIT (EU) 2020/1109 VAN DE RAAD

van 20 juli 2020

tot wijziging van Richtlijnen (EU) 2017/2455 en (EU) 2019/1995 wat betreft de data van omzetting en toepassing in respons op de COVID‐19-pandemie

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 113,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Parlement (1),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (2),

Handelend volgens een bijzondere wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 2006/112/EG van de Raad (3) is gewijzigd bij Richtlijnen (EU) 2017/2455 (4) en (EU) 2019/1995 (5) van de Raad, ter modernisering van het rechtskader voor de belasting over de toegevoegde waarde (btw) voor grensoverschrijdende e‐handel tussen bedrijven en consumenten (b2c). De meerderheid van deze nieuwe bepalingen moet met ingang van 1 januari 2021 worden toegepast.

(2)

Op 30 januari 2020 heeft de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) de COVID‐19-uitbraak uitgeroepen tot noodsituatie op het gebied van de volksgezondheid van internationaal belang. Op 11 maart 2020 heeft de WHO de COVID‐19-uitbraak uitgeroepen tot pandemie. De COVID‐19-pandemie heeft alle lidstaten getroffen. Vanwege de alarmerende toename van het aantal gevallen en het gebrek aan doeltreffende middelen om de COVID‐19-pandemie onmiddellijk het hoofd te bieden, hebben tal van lidstaten een nationale noodtoestand uitgeroepen.

(3)

De COVID‐19-pandemie vormt een onverwachte en ongekende noodtoestand die alle lidstaten zwaar treft en hen verplicht op nationaal niveau onmiddellijk actie te ondernemen om de huidige crisis met voorrang aan te pakken door voor andere onderwerpen gereserveerde middelen over te hevelen. Als gevolg van deze crisis ondervinden verscheidene lidstaten moeilijkheden bij het afronden tegen 31 december 2020 van de ontwikkeling van de IT-systemen die nodig zijn om de in Richtlijnen (EU) 2017/2455 en (EU) 2019/1995 vastgelegde regels per 1 januari 2021 toe te passen. Een aantal lidstaten en postaanbieders en koeriersdiensten hebben daarom verzocht de toepassingsdata van zowel Richtlijn (EU) 2017/2455 als Richtlijn (EU) 2019/1995 uit te stellen.

(4)

Met inachtneming van de uitdagingen waarmee de lidstaten geconfronteerd worden bij het aanpakken van de COVID‐19-crisis, en van het feit dat de nieuwe bepalingen uitgaan van het beginsel dat alle lidstaten hun IT-systemen moeten actualiseren om de in Richtlijnen (EU) 2017/2455 en (EU) 2019/1995 vastgelegde regels te kunnen toepassen, en te zorgen voor het verzamelen en het doorgeven van informatie en voor betalingen in het kader van de gewijzigde regelingen, moeten de data van omzetting en toepassing van die richtlijnen met zes maanden worden uitgesteld. Een uitstel van zes maanden is passend, aangezien de vertraging zo kort mogelijk moet worden gehouden om de extra begrotingsverliezen voor de lidstaten tot een minimum te beperken.

(5)

Gelet op de aanzienlijke gevolgen van de economische verstoringen en de eventuele bijkomende moeilijkheden door de COVID‐19-pandemie, en mede om de nieuwe voorschriften inzake btw op e‐commerce correct en tijdig te kunnen toepassen, zou de Commissie nauw met de betrokken lidstaten kunnen samenwerken om toe te zien op de aanpassing van de nationale IT-systemen en zo nodig technische bijstand te verlenen.

(6)

De Richtlijnen (EU) 2017/2455 en (EU) 2019/1995 moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen van Richtlijn (EU) 2017/2455

Richtlijn (EU) 2017/2455 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de titel wordt vervangen door:

Wijzigingen van Richtlijn 2006/112/EG met ingang van 1 juli 2021 ”;

b)

de inleidende zin wordt vervangen door:

“Met ingang van 1 juli 2021 wordt Richtlijn 2006/112/EG als volgt gewijzigd:”.

2)

Artikel 3 wordt vervangen door:

Artikel 3

Wijziging van Richtlijn 2009/132/EG

Met ingang van 1 juli 2021 wordt titel IV van Richtlijn 2009/132/EG geschrapt.”.

3)

In artikel 4 wordt lid 1 als volgt gewijzigd:

a)

de tweede alinea wordt vervangen door:

“De lidstaten dienen uiterlijk op 30 juni 2021 de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken die nodig zijn om aan de artikelen 2 en 3 van deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.”;

b)

de vierde alinea wordt vervangen door:

“Zij passen de bepalingen die nodig zijn om aan de artikelen 2 en 3 van deze richtlijn te voldoen, toe met ingang van 1 juli 2021.”.

Artikel 2

Wijzigingen van Richtlijn (EU) 2019/1995

In artikel 2, lid 1, van Richtlijn (EU) 2019/1995 worden de eerste en tweede alinea vervangen door:

“1.De lidstaten dienen uiterlijk op 30 juni 2021 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken die nodig zijn om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.

Zij passen die bepalingen toe met ingang van 1 juli 2021.”.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Adressaten

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 20 juli 2020.

Voor de Raad

De voorzitter

M. ROTH


(1)  Advies van 10 juli 2020 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  Advies van 10 juni 2020 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(3)  Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347 van 11.12.2006, blz. 1).

(4)  Richtlijn (EU) 2017/2455 van de Raad van 5 december 2017 tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG en Richtlijn 2009/132/EG wat betreft bepaalde btw-verplichtingen voor diensten en afstandsverkopen van goederen (PB L 348 van 29.12.2017, blz. 7).

(5)  Richtlijn (EU) 2019/1995 van de Raad van 21 november 2019 tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG wat betreft de bepalingen inzake afstandsverkopen en bepaalde binnenlandse leveringen van goederen (PB L 310 van 2.12.2019, blz. 1).


II Niet-wetgevingshandelingen

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

29.7.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 244/6


BESLUIT (EU) 2020/1110 VAN DE RAAD

van 23 januari 2018

inzake de sluiting, namens de Europese Unie, van de Overeenkomst inzake luchtvervoer tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Verenigde Staten van Amerika, anderzijds

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en met name artikel 100, lid 2, juncto artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a),

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien de goedkeuring van het Europees Parlement (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Commissie heeft, overeenkomstig het besluit van de Raad waarbij de Commissie werd gemachtigd om onderhandelingen te openen, onderhandeld over de Overeenkomst inzake luchtvervoer tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Verenigde Staten van Amerika, anderzijds (“de overeenkomst”).

(2)

De overeenkomst is op 25 en 30 april 2007 ondertekend en wordt sedert 30 maart 2008 voorlopig toegepast.

(3)

De overeenkomst is door alle lidstaten bekrachtigd. Het is de bedoeling dat Kroatië overeenkomstig artikel 6, lid 2, van de Toetredingsakte die aan het Toetredingsverdrag van 5 december 2011 is gehecht, tot de overeenkomst toetreedt.

(4)

De overeenkomst dient te worden goedgekeurd.

(5)

Het namens de Unie in te nemen standpunt in het krachtens artikel 18 van de overeenkomst opgerichte Gemengd Comité met betrekking tot aangelegenheden die onder de bevoegdheid van de Unie vallen, moet in overeenstemming met de toepasselijke Verdragsbepalingen per geval worden vastgesteld.

(6)

Aangezien de Unie en haar lidstaten gezamenlijk partij bij de overeenkomst zijn, is het uiterst belangrijk dat zij nauw samenwerken. Teneinde die nauwe samenwerking alsmede eenheid in de externe vertegenwoordiging in het Gemengd Comité te bewerkstelligen, en onverminderd de Verdragen, met name artikel 16, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 218, lid 9, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, moet, voorafgaand aan iedere vergadering van het Gemengd Comité over aangelegenheden die onder de bevoegdheid van zowel de Unie als de lidstaten vallen, overleg worden gepleegd over de namens de Unie en de lidstaten in het Gemengd Comité in te nemen standpunten met betrekking tot die aangelegenheden.

(7)

Artikelen 3 tot en met 6 van Besluit 2007/339/EG van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de Raad bijeen (2), en de artikelen 2, 3 en 4 van Besluit 2010/465/EU van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de Raad bijeen (3), bevatten bepalingen met betrekking tot de besluitvorming door de Raad inzake verschillende aangelegenheden die vervat zijn in de overeenkomst, als gewijzigd bij het Protocol tot wijziging van de luchtvervoersovereenkomst tussen de Verenigde Staten van Amerika en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, ondertekend op 25 en 30 april 2007, alsmede betreffende het vaststellen van in het Gemengd Comité in te nemen standpunten en betreffende de informatieverplichtingen van de lidstaten, gedurende de periode waarin de overeenkomst voorlopig wordt toegepast. Aangezien de bepalingen met betrekking tot de besluitvorming door de Raad, die in de Verdragen zijn opgenomen, en de bepalingen inzake de informatieverplichtingen van de lidstaten niet langer noodzakelijk zijn, moeten zij vervallen op de datum van inwerkingtreding van onderhavig besluit. Na het arrest van het Hof van Justitie van 28 april 2015 in zaak C‐28/12 (4) is het aangewezen dat de bepalingen betreffende het vaststellen van in het Gemengd Comité in te nemen standpunten eveneens vervallen op de datum van inwerkingtreding van onderhavig besluit,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   De Overeenkomst inzake luchtvervoer tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Verenigde Staten van Amerika, anderzijds, wordt namens de Europese Unie goedgekeurd (5).

2.   De voorzitter van de Raad wijst de persoon (personen) aan die bevoegd is (zijn) om namens de Unie de in artikel 26 van de overeenkomst bedoelde akte van goedkeuring neer te leggen en doet de volgende kennisgeving:

“Ingevolge de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009 is de Europese Unie in de plaats getreden van de Europese Gemeenschap, waarvan zij de opvolgster is, en met ingang van die datum neemt zij alle rechten en plichten van de Europese Gemeenschap over. Derhalve moeten alle verwijzingen in de tekst van de overeenkomst naar “de Europese Gemeenschap” in voorkomend geval worden gelezen als “de Europese Unie”.”.

Artikel 2

Artikelen 3 tot en met 6 van Besluit 2007/339/EG en artikelen 2, 3 en 4 van Besluit 2010/465/EU vervallen op 23 januari 2018.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 23 januari 2018.

Voor de Raad

De voorzitter

R. PORODZANOV


(1)  Goedkeuring van 12 december 2017 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  Besluit 2007/339/EG van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de Raad bijeen, van 25 april 2007 inzake de ondertekening en voorlopige toepassing van de Overeenkomst inzake luchtvervoer tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Verenigde Staten van Amerika, anderzijds (PB L 134 van 25.5.2007, blz. 1).

(3)  Besluit 2010/465/EU van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de Raad bijeen, van 24 juni 2010 inzake de ondertekening en voorlopige toepassing van het Protocol tot wijziging van de luchtvervoersovereenkomst tussen de Verenigde Staten van Amerika, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds (PB L 223 van 25.8.2010, blz. 1).

(4)  Arrest van het Hof van Justitie van 28 april 2015 in zaak C‐28/12, Commissie/Raad, ECLI:EU:C:2015:282.

(5)  De overeenkomst werd bekendgemaakt in PB L 134 van 25.5.2007, blz. 4, samen met het besluit ter ondertekening. Het Protocol tot wijziging van de luchtvervoersovereenkomst tussen de Verenigde Staten van Amerika en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, ondertekend op 25 en 30 april 2007, is bekendgemaakt in PB L 223 van 25.8.2010, blz. 3, samen met het ondertekeningsbesluit.


29.7.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 244/8


BESLUIT (EU) 2020/1111 VAN DE RAAD

van 20 juli 2020

betreffende de ondertekening, namens de Unie, van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de regering van de Volksrepubliek China betreffende samenwerking op het gebied van geografische aanduidingen en de bescherming daarvan

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 207, lid 4, eerste alinea, in samenhang met artikel 218, lid 5,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 10 september 2010 heeft de Raad de Commissie gemachtigd onderhandelingen te openen met de regering van de Volksrepubliek China over een overeenkomst betreffende samenwerking op het gebied van geografische aanduidingen en de bescherming daarvan. Deze onderhandelingen zijn succesvol afgesloten met de parafering van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de regering van de Volksrepubliek China betreffende samenwerking op het gebied van geografische aanduidingen en de bescherming daarvan (de “Overeenkomst”).

(2)

Met de Overeenkomst wordt beoogd een zo hoog mogelijk niveau van bescherming voor geografische aanduidingen te verwezenlijken en instrumenten ter beschikking te stellen om misleidende praktijken en onrechtmatig gebruik van geografische aanduidingen tegen te gaan.

(3)

De Overeenkomst moet namens de Unie worden ondertekend, onder voorbehoud van de sluiting ervan op een latere datum,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Er wordt machtiging verleend voor de ondertekening, namens de Unie, van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de regering van de Volksrepubliek China betreffende samenwerking op het gebied van geografische aanduidingen en de bescherming daarvan, onder voorbehoud van de sluiting van de genoemde Overeenkomst (1).

Artikel 2

De voorzitter van de Raad wordt gemachtigd de persoon (personen) aan te wijzen die bevoegd is (zijn) de Overeenkomst namens de Unie te ondertekenen.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 20 juli 2020.

Voor de Raad

De voorzitter

J. KLOECKNER


(1)  De tekst van de Overeenkomst wordt samen met het besluit betreffende de sluiting ervan bekendgemaakt.


VERORDENINGEN

29.7.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 244/9


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2020/1112 VAN DE RAAD

van 20 juli 2020

tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2026 wat betreft de toepassingsdata in respons op de COVID-19-pandemie

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (1), en met name artikel 397,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 van de Raad (2) zijn gedetailleerde bepalingen vastgesteld voor bijzondere regelingen voor belastingplichtigen die bepaalde diensten verrichten voor niet-belastingplichtigen.

(2)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2026 van de Raad (3) zijn deze bepalingen gewijzigd ter uitbreiding van de reikwijdte van de bestaande bijzondere regelingen en ter invoering van een nieuwe regeling om het rechtskader voor de belasting over de toegevoegde waarde (btw) voor grensoverschrijdende e-handel tussen bedrijven en consumenten (b2c) te moderniseren. Die wijzigingen moeten met ingang van 1 januari 2021 worden toegepast.

(3)

Op 30 januari 2020 heeft de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) de COVID-19-uitbraak als een noodsituatie op het gebied van de volksgezondheid van internationaal belang aangemerkt. Op 11 maart 2020 heeft de WHO de COVID-19-uitbraak uitgeroepen tot pandemie. De COVID-19-pandemie heeft alle lidstaten getroffen. Vanwege de alarmerende toename van het aantal gevallen en het gebrek aan doeltreffende middelen om de COVID-19-pandemie onmiddellijk het hoofd te bieden, hebben tal van lidstaten een nationale noodtoestand uitgeroepen.

(4)

De COVID-19-pandemie vormt een onverwachte en ongekende noodtoestand die alle lidstaten zwaar treft en hen verplicht op nationaal niveau onmiddellijk actie te ondernemen door voor andere onderwerpen gereserveerde middelen over te hevelen om de huidige crisis met voorrang aan te pakken. Als gevolg van deze crisis ondervinden verscheidene lidstaten moeilijkheden bij het voltooien van de ontwikkeling van de IT-systemen die nodig zijn om Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2026 met ingang van 1 januari 2021 toe te passen. Meerdere lidstaten en postaanbieders en koeriersdiensten hebben daarom verzocht de toepassingsdata van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2026 uit te stellen.

(5)

Gezien de uitdagingen waarmee de lidstaten geconfronteerd worden bij het aanpakken van de COVID-19-crisis, en het feit dat de nieuwe bepalingen uitgaan van het beginsel dat alle lidstaten hun IT-systemen moeten actualiseren om Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2026 te kunnen toepassen, en te zorgen voor het verzamelen en doorgeven van informatie en voor betalingen in het kader van de gewijzigde regelingen, moeten de toepassingsdata van die uitvoeringsverordening met zes maanden worden uitgesteld. Een uitstel van zes maanden is passend, aangezien de vertraging zo kort mogelijk moet worden gehouden om de extra begrotingsverliezen voor de lidstaten tot een minimum te beperken.

(6)

Gelet op de aanzienlijke gevolgen van de economische verstoringen en de eventuele bijkomende moeilijkheden door de COVID-19-pandemie, en om de nieuwe voorschriften inzake btw op e-handel correct en tijdig te kunnen toepassen, zou de Commissie nauw met de betrokken lidstaten kunnen samenwerken om toe te zien op de aanpassing van de nationale IT-systemen en zo nodig technische bijstand te verlenen.

(7)

Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2026 moet bijgevolg dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2026 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 1, punt 5), wordt het nieuwe lid 1 van artikel 61 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 vervangen door:

“1.   Bedragen op een ingediende btw-aangifte die betrekking heeft op aangiftetijdvakken tot en met het tweede tijdvak in 2021, kunnen na de indiening van die btw-aangifte uitsluitend worden gewijzigd door middel van een wijziging van diezelfde aangifte en niet door middel van aanpassingen in een latere aangifte.

Bedragen op een ingediende btw-aangifte die betrekking heeft op aangiftetijdvakken vanaf het derde tijdvak in 2021, kunnen na de indiening van die btw-aangifte uitsluitend worden gewijzigd door middel van aanpassingen in een latere aangifte.”.

2)

In artikel 2 worden de tweede en derde alinea vervangen door:

“Zij is van toepassing met ingang van 1 juli 2021.

De lidstaten staan belastingplichtigen en voor hun rekening handelende tussenpersonen evenwel toe om vanaf 1 april 2021 de gegevens in te dienen die uit hoofde van artikel 360, artikel 369 quater of artikel 369 sexdecies van Richtlijn 2006/112/EG worden verlangd, teneinde gebruik te mogen maken van de bijzondere regelingen.”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 juli 2020.

Voor de Raad

De voorzitter

M. ROTH


(1)   PB L 347 van 11.12.2006, blz. 1.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 van de Raad van 15 maart 2011 houdende vaststelling van maatregelen ter uitvoering van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 77 van 23.3.2011, blz. 1).

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2026 van de Raad van 21 november 2019 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 wat betreft door elektronische interfaces gefaciliteerde leveringen van goederen of diensten en de bijzondere regelingen voor belastingplichtigen die diensten voor niet-belastingplichtigen, afstandsverkopen van goederen en bepaalde binnenlandse goederenleveringen verrichten (PB L 313 van 4.12.2019, blz. 14).


BESLUITEN

29.7.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 244/11


BESLUIT (EU) 2020/1113 VAN DE RAAD

van 20 juli 2020

betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het EPO-comité dat is opgericht bij de tijdelijke Economische Partnerschapsovereenkomst tussen Ghana, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, met betrekking tot de vaststelling van het reglement van orde van het EPO-comité

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 207, lid 4, eerste alinea, en artikel 209, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De tijdelijke Economische Partnerschapsovereenkomst tussen Ghana, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds (1) (de “Overeenkomst”) is op 28 juli 2016 ondertekend door de Unie en haar lidstaten. Zij is sinds 15 december 2016 voorlopig toegepast tussen de Unie, enerzijds, en Ghana, anderzijds (2).

(2)

Krachtens artikel 73, lid 3, van de Overeenkomst is het comité voor de Economische Partnerschapsovereenkomst (EPO) verantwoordelijk voor het beheer van alle door de Overeenkomst bestreken gebieden en voor de uitvoering van alle in de Overeenkomst genoemde taken. Krachtens artikel 73, lid 2, legt het EPO-comité de regels voor zijn organisatie en werking vast.

(3)

Het EPO-comité zal in 2020 een besluit over zijn reglement van orde vaststellen.

(4)

Het is passend het standpunt te bepalen dat namens de Unie moet worden ingenomen in het EPO-comité, aangezien het beoogde besluit van het EPO-comité juridisch bindende regels voor de werking van het EPO-comité vaststelt.

(5)

EPO’s maken deel uit van de algemene betrekkingen tussen de Unie en haar lidstaten enerzijds, en de ACS-landen anderzijds, als vervat in de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van Staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds (3), zoals laatst gewijzigd (de “Partnerschapsovereenkomst van Cotonou”) en de vervolgovereenkomst ervan, zodra deze van toepassing is. Krachtens artikel 34, lid 1, van de Partnerschapsovereenkomst van Cotonou heeft economische en commerciële samenwerking tussen de partijen tot doel de soepele en geleidelijke integratie van de ACS-landen in de wereldeconomie te bevorderen, met inachtneming van politieke keuzes en ontwikkelingsprioriteiten, om zo hun duurzame ontwikkeling te bevorderen en bij te dragen aan de uitroeiing van armoede in de ACS-landen. EPO’s kunnen in dit verband worden beschouwd als instrumenten voor ontwikkeling, als bedoeld in artikel 36, lid 2, van de Partnerschapsovereenkomst van Cotonou. De Overeenkomst houdt derhalve rekening met de verschillen in ontwikkelingsniveau van de partijen en met de specifieke economische en sociale situatie van Ghana, alsook met het aanpassingsvermogen van Ghana en zijn vermogen om zijn economie aan het liberaliseringsproces aan te passen. Voorts heeft Besluit (EU) 2016/1850 betreffende de ondertekening en de voorlopige toepassing van de Overeenkomst, die een gemengde overeenkomst is en een titel over partnerschap voor ontwikkeling bevat, als rechtsgrondslag zowel de rechtsgrondslag voor handel als die voor ontwikkelingssamenwerking. Dat moet ook in dit besluit tot uitdrukking komen,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen is gebaseerd op het ontwerpbesluit van het EPO-comité met betrekking tot de vaststelling van het reglement van orde van het EPO-comité (4).

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 20 juli 2020.

Voor de Raad

De voorzitter

J. KLOECKNER


(1)  Tijdelijke Economische Partnerschapsovereenkomst tussen Ghana, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds (PB L 287 van 21.10.2016, blz. 3).

(2)  Besluit (EU) 2016/1850 van de Raad van 21 november 2008 tot ondertekening en voorlopige toepassing van de tijdelijke Economische Partnerschapsovereenkomst tussen Ghana, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds (PB L 287 van 21.10.2016, blz. 1).

(3)   PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3.

(4)  Zie document ST 9240/20 on http://register.consilium.europa.eu.


29.7.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 244/13


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2020/1114 VAN DE RAAD

van 23 juli 2020

tot goedkeuring van wijzigingen van het reglement van orde van Eurojust

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2018/1727 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor justitiële samenwerking in strafzaken (Eurojust), en tot vervanging en intrekking van Besluit 2002/187/JBZ van de Raad (1), en met name artikel 5, lid 5,

Gezien het reglement van orde van Eurojust (2), zoals vastgesteld op 20 december 2019,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het college van Eurojust (“het college”) kan het reglement van orde van Eurojust (“het reglement van orde”) wijzigen op voorstel van de raad van bestuur of van een derde van de leden van het college, volgens dezelfde procedure als die voor de vaststelling ervan, overeenkomstig artikel 5, lid 5, van Verordening (EU) 2018/1727 en artikel 18 van het reglement van orde. De Raad keurt dergelijke wijzigingen van het reglement van orde goed bij uitvoeringshandeling.

(2)

Ontwerpwijzigingen van het reglement van orde zijn overeenkomstig artikel 5, lid 5, van Verordening (EU) 2018/1727 door het college goedgekeurd op 14 juli 2020.

(3)

De wijzigingen van het reglement van orde moeten door de Raad worden goedgekeurd.

(4)

Denemarken is niet gebonden door Verordening (EU) 2018/1727 en neemt daarom niet deel aan de vaststelling en toepassing van dit besluit, waarmee Verordening (EU) 2018/1727 ten uitvoer wordt gelegd.

(5)

Ierland is gebonden door Verordening (EU) 2018/1727 en neemt daarom deel aan de vaststelling en toepassing van dit besluit, waarmee Verordening (EU) 2018/1727 ten uitvoer wordt gelegd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De aan dit besluit gehechte wijzigingen van het reglement van orde van Eurojust worden goedgekeurd.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 23 juli 2020.

Voor de Raad

De voorzitter

M. ROTH


(1)   PB L 295 van 21.11.2018, blz. 138.

(2)   PB L 50 van 24.2.2020, blz. 1.


BIJLAGE

WIJZIGINGEN VAN HET REGLEMENT VAN ORDE VAN EUROJUST

HET COLLEGE VAN EUROJUST,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 85,

Gezien Verordening (EU) 2018/1727 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor justitiële samenwerking in strafzaken (Eurojust), en tot vervanging en intrekking van Besluit 2002/187/JBZ van de Raad (1) (hierna “de Eurojust-verordening” genoemd), en met name artikel 5, lid 5,

Gezien het reglement van orde van Eurojust (2), dat door de Raad is goedgekeurd bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/2250 van 19 december 2019 (3) en door het college is vastgesteld op 20 december 2019 (hierna het “reglement van orde” genoemd), en met name de artikelen 2, 3, 5 en 18,

Overwegende hetgeen volgt:

Overeenkomstig artikel 5, lid 5, van de Eurojust-verordening en artikel 18 van het reglement van orde kan het college het reglement van orde van Eurojust wijzigen op voorstel van de raad van bestuur of van een derde van de leden van het college, en wel volgens dezelfde procedure als die voor de vaststelling ervan. Wijzigingen worden aangenomen bij tweederdemeerderheid van de leden van het college. Ingeval geen overeenstemming met een tweederdemeerderheid kan worden bereikt, wordt de wijziging in de volgende vergadering van het college bij gewone meerderheid aangenomen.

Naar aanleiding van de COVID‐19-pandemie hebben de lidstaten een aantal buitengewone preventie- en beperkende maatregelen getroffen. Door deze maatregelen is het voor de leden van het college zeer moeilijk, zo niet onmogelijk geworden om persoonlijk aanwezig te zijn bij de vergaderingen van het college op het hoofdkantoor van Eurojust of op een andere plaats. Hierdoor wordt het lastig om het in artikel 6, lid 1, van het reglement van orde voorgeschreven quorum te bereiken en om formele zittingen van het college te houden en de besluitvorming te waarborgen.

Teneinde de continuïteit van de institutionele werkzaamheden te verzekeren, is het derhalve noodzakelijk dat het reglement van orde toestaat dat het college vergaderingen houdt met gebruikmaking van technische middelen, waaronder videoconferentie, indien buitengewone gebeurtenissen of omstandigheden waar de leden van het college geen vat op hebben, het college verhinderen om te vergaderen in overeenstemming met de vereisten van artikel 2, artikel 3, artikel 5, lid 2, en artikel 6, lid 1, van het reglement van orde,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen van het reglement van orde

Artikel 2 van het reglement van orde wordt als volgt gewijzigd:

 

het volgende nieuw lid 13 wordt toegevoegd:

“Overeenkomstig de vereisten van artikel 5, lid 2, tweede alinea, van dit reglement van orde, mogen vergaderingen van het college voor de verkiezing van de voorzitter worden georganiseerd met gebruikmaking van technische middelen, waaronder videoconferentie. Met deze technische middelen moet door de leden van het college anoniem elektronisch kunnen worden gestemd, zodat de vertrouwelijkheid is gewaarborgd, en moet hun deelname aan een dergelijke stemming ook geverifieerd kunnen worden. De andere bepalingen uit dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op deze vergaderingen.”.

Artikel 3 van het reglement van orde wordt als volgt gewijzigd:

 

lid 3 wordt vervangen door:

“De procedure voor de verkiezing van de voorzitter in artikel 2, leden 3 tot en met 13, van dit reglement van orde is van overeenkomstige toepassing op de verkiezing van de vicevoorzitters, onverminderd lid 4 van dit artikel.”.

Artikel 5 van het reglement van orde wordt als volgt gewijzigd:

 

aan lid 2 wordt de volgende tweede alinea toegevoegd:

“In geval van buitengewone gebeurtenissen of omstandigheden waar de leden van het college geen vat op hebben (overmacht) en waardoor het college niet kan vergaderen overeenkomstig de vereisten van dit lid van het reglement van orde, kan het college, in overeenstemming met artikel 7 van dit reglement van orde, besluiten om zijn vergaderingen te organiseren met gebruikmaking van technische middelen, waaronder videoconferentie. De duur van deze maatregel wordt vastgesteld in een besluit van het college. Het besluit van het college kan worden verlengd wanneer de buitengewone gebeurtenissen of omstandigheden (overmacht) voortduren. Dergelijke vergaderingen van het college mogen worden georganiseerd, mits het met de beschikbare technische middelen mogelijk is de identiteit van de leden van het college vast te stellen en de leden aan de besprekingen kunnen deelnemen op een wijze die collegiale beraadslagingen waarborgt. De bepalingen van de artikelen 5 en 6 van dit reglement van orde zijn van overeenkomstige toepassing op deze vergaderingen.”.

Artikel 2

Inwerkingtreding en bekendmaking

Deze wijziging van het reglement van orde van Eurojust treedt in werking op de datum waarop deze wordt vastgesteld.

Deze wijziging van het reglement van orde wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.


(1)   PB L 295 van 21.11.2018, blz. 138.

(2)   PB L 50 van 24.2.2020, blz. 1.

(3)   PB L 336 van 30.12.2019, blz. 309.


29.7.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 244/16


BESLUIT (EU) 2020/1115 VAN DE RAAD

van 24 juli 2020

betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het Gemengd Comité dat is opgericht bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap, enerzijds, en de regering van Denemarken en de Landsregering van de Faeröer, anderzijds, wat de vaststelling van wijzigingen van de Protocollen nrs. 1 en 4 bij de overeenkomst betreft

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 207, lid 4, eerste alinea, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap, enerzijds, en de regering van Denemarken en de Landsregering van de Faeröer, anderzijds (“de overeenkomst”), is door de Europese Gemeenschap gesloten bij Besluit 97/126/EG van de Raad (1) en is op 1 januari 1997 in werking getreden.

(2)

Ingevolge artikel 34 van de overeenkomst kan het uit hoofde van artikel 31 van de overeenkomst opgerichte Gemengd Comité (“het Gemengd Comité”) de bepalingen van de aan de overeenkomst gehechte protocollen wijzigen.

(3)

Na onderhandelingen zijn de Unie en de Landsregering van de Faeröer overeengekomen een aantal bepalingen van de Protocollen bij de overeenkomst, met name Protocol nr. 1 betreffende de tariefbehandeling en de bepalingen welke van toepassing zijn op bepaalde soorten vis en visserijproducten die in de Gemeenschap in het vrije verkeer zijn gebracht of die in de Faeröer zijn ingevoerd en Protocol nr. 4 betreffende de bijzondere bepalingen welke van toepassing zijn op de invoer van bepaalde andere landbouwproducten dan die welke worden genoemd in Protocol nr. 1, te wijzigen. Met die wijzigingen wordt beoogd de markttoegang voor bepaalde producten voor beide partijen te verbeteren.

(4)

Het gemengd comité zal een besluit nemen tot wijziging van de Protocollen nrs. 1 en 4.

(5)

Het is passend het standpunt te bepalen dat namens de Unie moet worden ingenomen in het gemengd comité wat de vaststelling van wijzigingen van de Protocollen nrs. 1 en 4 betreft, aangezien het besluit tot wijziging van die Protocollen voor de Unie bindend zal zijn,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Enig Artikel

Het standpunt dat door de Unie moet worden ingenomen in het gemengd comité met betrekking tot wijzigingen van de Protocollen nrs. 1 en 4 bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap, enerzijds, en de regering van Denemarken en de Landsregering van de Faeröer, anderzijds, is gebaseerd op het ontwerpbesluit van het gemengd comité (2).

Gedaan te Brussel, 24 juli 2020.

Voor de Raad

De voorzitter

M. ROTH


(1)  Besluit 97/126/EG van de Raad van 6 december 1996 inzake de sluiting van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap, enerzijds, en de regering van Denemarken en de Landsregering van de Faeröer, anderzijds (PB L 53 van 22.2.1997, blz. 1).

(2)  Zie document ST 9385/20 op http://register.consilium.europa.eu


29.7.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 244/17


BESLUIT (EU) 2020/1116 VAN DE RAAD

van 24 juli 2020

tot benoeming van een lid van de Rekenkamer

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 286, lid 2,

Gezien het voorstel van de Republiek Oostenrijk,

Gezien het advies van het Europees Parlement (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De ambtstermijn van de heer Oskar HERICS is op 29 februari 2020 verstreken.

(2)

Derhalve moet een nieuw lid van de Rekenkamer worden benoemd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Mevrouw Helga BERGER wordt benoemd tot lid van de Rekenkamer voor de periode van 1 augustus 2020 tot en met 31 juli 2026.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 24 juli 2020.

Voor de Raad

De voorzitter

M. ROTH


(1)  Advies van 8 juli 2020 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).


29.7.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 244/18


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2020/1117 VAN DE RAAD

van 27 juli 2020

houdende benoeming van de Europese aanklagers van het Europees Openbaar Ministerie

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (“EOM”) (1), en met name artikel 16,

Gezien Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/1696 van de Raad van 13 juli 2018 over de werkwijze van de selectiecommissie als bedoeld in artikel 14, lid 3, van Verordening (EU) 2017/1939 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (“EOM”) (2),

Gezien Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/1275 van de Raad van 18 september 2018 tot benoeming van de leden van de in artikel 14, lid 3, van Verordening (EU) 2017/1939 bedoelde selectiecommissie (3),

Gezien Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/598 van de Raad van 9 april 2019 betreffende de overgangsmaatregelen voor de benoeming van de Europese aanklagers voor en gedurende de eerste ambtstermijn, overeenkomstig artikel 16, lid 4, van Verordening (EU) 2017/1939 (4),

Gezien de gemotiveerde adviezen en de rangschikking van de kandidaten die door de selectiecommissie zijn opgesteld,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het Europees Openbaar Ministerie (EOM) is ingesteld bij Verordening (EU) 2017/1939. De Commissie is belast met het opzetten en voorlopig laten functioneren van het EOM, totdat het de capaciteit heeft om zelf zijn begroting uit te voeren.

(2)

De Europese aanklagers houden toezicht op onderzoek en vervolging overeenkomstig artikel 12 van Verordening (EU) 2017/1939.

(3)

Overeenkomstig artikel 120, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EU) 2017/1939 dient het EOM de taken op het gebied van onderzoek en strafvervolging die het bij die verordening zijn opgedragen, op te nemen op een datum die op voorstel van de Europees hoofdaanklager bij besluit van de Commissie wordt vastgesteld zodra het EOM is opgezet.

(4)

De Europees hoofdaanklager is benoemd bij Besluit (EU) 2019/1798 van het Europees Parlement en de Raad (5). Voor de oprichting van het EOM, dat bestaat uit de Europees hoofdaanklager en één Europees aanklager per deelnemende lidstaat, moet de Raad de Europees aanklagers benoemen.

(5)

Bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/1696 is de werkwijze van de selectiecommissie als bedoeld in artikel 14, lid 3, van Verordening (EU) 2017/1939 (“de werkwijze van de selectiecommissie”) vastgesteld.

(6)

Overeenkomstig artikel 16, lid 1, van Verordening (EU) 2017/1939 dient elke deelnemende lidstaat drie kandidaten voor het ambt van Europees aanklager voor te dragen uit kandidaten die actief lid zijn van het openbaar ministerie of de rechterlijke macht van de betrokken lidstaat, die alle waarborgen bieden voor onafhankelijkheid en die aan alle gestelde eisen voldoen om in hun onderscheiden lidstaten de hoogste ambten als aanklager of rechterlijke ambten te bekleden, en die beschikken over relevante praktische ervaring met nationale rechtssystemen, met financiële onderzoeken en met internationale justitiële samenwerking in strafzaken.

(7)

De selectiecommissie heeft de gemotiveerde adviezen en de rangschikking opgesteld van elk van de voorgedragen kandidaten die aan de voorwaarden in artikel 16, lid 1, van Verordening (EU) 2017/1939 voldoen, en deze aan de Raad voorgelegd die hen heeft ontvangen op 29 mei, 20 juni, 11 oktober, 18 november en 10 december 2019 en op 16 juli 2020.

(8)

Overeenkomstig de vierde alinea van punt VII.2 van de werkwijze van de selectiecommissie heeft de selectiecommissie de kandidaten volgens hun kwalificaties en ervaring gerangschikt. Deze rangschikking geeft de voorkeur van de selectiecommissie weer en is niet bindend voor de Raad.

(9)

Overeenkomstig artikel 16, lid 2, van Verordening (EU) 2017/1939 selecteert en benoemt de Raad, na ontvangst van de gemotiveerde adviezen van de selectiecommissie, één van de kandidaten als Europees aanklager van de deelnemende lidstaat in kwestie.

(10)

Overeenkomstig artikel 16, lid 3, van Verordening (EU) 2017/1939 selecteert en benoemt de Raad met gewone meerderheid van stemmen de Europese aanklagers voor een niet-verlengbare termijn van 6 jaar. De Raad kan besluiten de ambtstermijn, na die zes jaar, met maximaal drie jaar te verlengen.

(11)

Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/598 stelt overgangsmaatregelen vast voor de benoeming van de Europese aanklagers voor en gedurende de eerste ambtstermijn na de inwerkingtreding van Verordening (EU) 2017/1939. Overeenkomstig artikel 2, lid 1, van Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/598 moet, vóór de benoeming van Europese aanklagers, een groep bestaande uit een derde van het aantal deelnemende lidstaten op het tijdstip van de toepassing van die overgangsregels worden bepaald door loting. De loting vond plaats op 20 mei 2019 en de lidstaten in die groep zijn Griekenland, Spanje, Italië, Cyprus, Litouwen, Nederland, Oostenrijk en Portugal. Artikel 3 van dat uitvoeringsbesluit bepaalt dat de ambtstermijn van de Europese aanklagers uit de lidstaten die tot die groep behoren, drie jaar bedraagt en niet verlengbaar is.

(12)

De Raad heeft de respectieve verdiensten van de kandidaten beoordeeld aan de hand van de gemotiveerde adviezen van de selectiecommissie. Met betrekking tot het gemotiveerde advies inzake de door Malta voorgedragen kandidaten, toont de selectiecommissie afdoende aan dat deze lidstaat objectief gezien, gelet op de uitzonderlijke omstandigheden in die lidstaat, onmogelijk binnen een redelijke termijn een andere kandidaat kan vinden, ondanks dat die lidstaat daarvoor al het nodige in het werk heeft gesteld. Derhalve zijn de voorwaarden van regel VII.2, derde alinea, van de werkwijze van de selectiecommissie vervuld. In het licht van de hierboven vermelde omstandigheden heeft de Raad geoordeeld dat het gemotiveerde advies dat is ingediend met betrekking tot de door Malta voorgedragen kandidaten hem voldoende keuze aan geschikte kandidaten bood en, aangezien ieder verder uitstel bij de benoeming van de Europese aanklagers de doeltreffendheid van het Unierecht ernstig zou aantasten, heeft hij besloten om op deze basis verder te handelen.

(13)

Naar aanleiding van die beoordeling heeft de Raad de door de selectiecommissie aangegeven niet-bindende volgorde van voorkeur gevolgd voor de kandidaten die zijn voorgedragen door Tsjechië, Duitsland, Estland, Griekenland, Spanje, Frankrijk, Kroatië, Italië, Cyprus, Letland, Litouwen, Luxemburg, Malta, Nederland, Oostenrijk, Roemenië, Slovenië, Slowakije en Finland. Wat de door België, Bulgarije en Portugal voorgedragen kandidaten betreft, heeft de Raad niet de niet-bindende volgorde van voorkeur van de selectiecommissie gevolgd, op basis van een andere beoordeling van de verdiensten van die kandidaten die in de betrokken voorbereidende instanties van de Raad is verricht,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De volgende personen worden benoemd tot Europese aanklagers van het EOM als tijdelijk functionaris in rang AD 13 voor een niet-verlengbare termijn van zes jaar met ingang van 29 juli 2020.

 

De heer Yves VAN DEN BERGE (6)

 

Mevrouw Teodora GEORGIEVA (7)

 

De heer Petr KLEMENT (8)

 

De heer Andrés RITTER (9)

 

Mevrouw Kristel SIITAM-NYIRI (10)

 

De heer Frédéric BAAB (11)

 

Mevrouw Tamara LAPTOŠ (12)

 

De heer Gatis DONIKS (13)

 

De heer Gabriel SEIXAS (14)

 

Mevrouw Yvonne FARRUGIA (15)

 

De heer Cătălin-Laurențiu BORCOMAN (16)

 

De heer Jaka BREZIGAR (17)

 

De heer Juraj NOVOCKÝ (18)

 

De heer Harri TIESMAA (19)

Artikel 2

De volgende personen worden benoemd tot Europese aanklagers van het EOM als tijdelijk functionaris in rang AD 13 voor een niet-verlengbare termijn van drie jaar met ingang van 29 juli 2020:

 

De heer Dimitrios ZIMIANITIS (20)

 

Mevrouw María Concepción SABADELL CARNICERO (21)

 

De heer Danilo CECCARELLI (22)

 

Mevrouw Katerina LOIZOU (23)

 

De heer Tomas KRUŠNA (24)

 

Mevrouw Daniëlle GOUDRIAAN (25)

 

Mevrouw Ingrid MASCHL-CLAUSEN (26)

 

De heer José Eduardo MOREIRA ALVES D'OLIVEIRA GUERRA (27)

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de datum van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 27 juli 2020.

Voor de Raad

De voorzitter

M. ROTH


(1)   PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1.

(2)   PB L 282 van 12.11.2018, blz. 8.

(3)   PB L 238 van 21.9.2018, blz. 92.

(4)   PB L 103 van 12.4.2019, blz. 29.

(5)  Besluit (EU) 2019/1798 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 tot benoeming van de Europese hoofdaanklager van het Europees Openbaar Ministerie (PB L 274 van 28.10.2019, blz. 1).

(6)  Voorgedragen door België.

(7)  Voorgedragen door Bulgarije.

(8)  Voorgedragen door Tsjechië.

(9)  Voorgedragen door Duitsland.

(10)  Voorgedragen door Estland.

(11)  Voorgedragen door Frankrijk.

(12)  Voorgedragen door Kroatië.

(13)  Voorgedragen door Letland.

(14)  Voorgedragen door Luxemburg.

(15)  Voorgedragen door Malta.

(16)  Voorgedragen door Roemenië.

(17)  Voorgedragen door Slovenië.

(18)  Voorgedragen door Slowakije.

(19)  Voorgedragen door Finland.

(20)  Voorgedragen door Griekenland.

(21)  Voorgedragen door Spanje.

(22)  Voorgedragen door Italië.

(23)  Voorgedragen door Cyprus.

(24)  Voorgedragen door Litouwen.

(25)  Voorgedragen door Nederland.

(26)  Voorgedragen door Oostenrijk.

(27)  Voorgedragen door Portugal.