En daar was het onvermijdelijke sjibbolet: Schriftkritiek. “Deputaten M/V in de kerk gaan langs de afgrond van de Schriftkritiek en misschien soms wel er net overheen.” Verweer je maar eens tegen dat verwijt. Vaak is een werkelijk gesprek niet meer mogelijk. Omdat de loopgraven betrokken worden, zo ze dat al niet waren.
Misschien is het ook wel goed, dat de term expliciet ter tafel kwam. Onderhuids schuurde het al in de reacties met oordelen als ‘te veel openheid voor de cultuur’ en ‘een exegese die gedomineerd wordt door de eigen context’. Typerend daarvoor is de verwoording van de mededeputaat Dick Slump, die geen verantwoordelijkheid voor de eindconclusies van het rapport van deputaten wilde dragen:
“Het rapport kent dus naar mijn mening aan de ene kant een te groot gewicht toe aan de veranderde culturele context waarin de vraag van de synode moet worden beantwoord, aan de andere kant geeft het ook geen overtuigende antwoorden op de vraag waarom Paulus zich bij zijn aanwijzingen voor mannen en vrouwen beroept op argumenten die moeilijk als cultuurbepaald kunnen worden geduid”, (Rapport Deputaten M/V in de kerk, p. 40).
Onderliggende vraag is op welke wijze je recht doet aan het gezag van Gods spreken in de bijbel. Betekent dat je je vandaag in elk opzicht (letterlijk) moet houden aan al de regels en voorschriften, die in de bijbel vermeld staan? Op welke wijze beroep je je op de bijbel? In die zin legt deputaat Slump in zijn verantwoording terecht de vraag naar het Schriftverstaan op tafel. In de wijze waarop hij dit Schriftverstaan vervolgens uitwerkt wordt zichtbaar, dat hij daarbij verschillende knopen doorhakt die voor discussie vatbaar zijn:
“Bevestiging van de gereformeerde visie op het Schriftverstaan. De Schrift is haar eigen uitlegger. De teksten van Paulus in de verschillende brieven mogen niet tegen elkaar worden uitgespeeld. Zij geven samen een beeld van de positie van man en vrouw in de kerk. Kritisch over de moderne hermeneutiek in die zin dat de verschillen tussen de cultuur van de bijbel (voor zover daarover eensgezindheid zou bestaan) en de huidige Nederlandse cultuur niet doorslaggevend kunnen zijn om tot een invulling van de ambten te komen die zich niet verdraagt met richtinggevende en met apostolisch gezag gegeven uitspraken van Paulus over de grenzen van de bevoegdheden van vrouwen in de (samenkomsten) van de gemeente”, (idem, 42).
Mijn grootste moeite zit hem in het feit, dat Slump stelt dat de teksten van Paulus een beeld geven van de positie van man en vrouw in de kerk. De vraag naar de directe normativiteit van Paulus concrete richtlijnen destijds voor vandaag is hiermee voorondersteld, terwijl dat juist het punt is waar het in het gesprek over zal moeten gaan. Zoals deputaten terecht concluderen:
De vraag: “Op welke manier zijn de bijbelse voorschriften, gegeven in een concrete culturele situatie, van toepassing op onze huidige situatie?” blijft dus staan, (idem, p. 7).
In de gereformeerde traditie is het gangbaar om allerlei bepalingen uit het Oude Testament niet meer van toepassing te verklaren, omdat wij nu onder het nieuwe verbond leven: in Christus zijn ze vervuld. De conclusie die dan vaak (onbewust) getrokken wordt, is dat dus alle bepalingen uit het Nieuwe Testament gelding hebben, omdat die binnen het nieuwe verbond geformuleerd zijn. Een beroep op N.T.-ische teksten lijkt vaak een definitief uitsluitsel te kunnen geven. Slumps visie is daar een voorbeeld van.
Toch blijken er ook dan ten aanzien van N.T.-ische teksten naast verschillende interpretaties algemeen aanvaarde uitzonderingen met een beroep op culturele verschillen te bestaan. Het meest bekende en typerende voorbeeld is wel 1 Tim. 2 : 8: “Ik wil dat bij iedere samenkomst de mannen met geheven handen bidden, vol toewijding, zonder wrok of onenigheid.” Wij bidden niet meer met geheven handen.
Wanneer Paulus daar 1 Tim. 2 : 11 en 12 in één adem aan toevoegt, “Een vrouw dient zich gehoorzaam en bescheiden te laten onderwijzen; ik sta haar dus niet toe dat ze zelf onderwijst of gezag over mannen heeft; ze moet bescheiden zijn”, is het voor velen meteen duidelijk dat dit niet cultureel bepaald is, omdat Paulus zijn visie beargumenteert met een beroep op het oorsprongsverhaal in Gen. 2 en 3. Slump komt in zijn verantwoording dan ook meteen op voor de normatieve betekenis van deze tekst voor onze tijd:
“Mag je dan – zonder dat de tekst zelf daarvoor een aanwijzing geeft – aannemen dat Paulus zich bij zijn verwijzing naar schepping en zondeval als motivering voor dit onderwijs, bedient van een argument zonder normatieve betekenis voor onze tijd?”, (idem, p. 40).
Deputaten beargumenteren echter, dat er zeer wel redenen zijn om ook hier met culturele verschillen te rekenen en deze tekst dus niet automatisch van normatieve betekenis voor onze tijd te laten zijn, (idem, 24).
Laat het gesprek op de synode hierover gaan. Kun je tot gemeenschappelijk richtlijnen komen om richting te bieden voor de vraag, wanneer en op welke wijze teksten uit de bijbel van normatieve betekenis zijn voor onze tijd? Op welke wijze kunnen en mogen wij de verschillen in culturele context tussen de bijbel en nu in rekening brengen? Dat voorkomt misschien dat het woord “Schriftkritiek’ een sjibbolet in de m/v discussie wordt.