Geografie van zegen en heil

De vraag ligt elk najaar weer op tafel, maar dit jaar wel heel expliciet. Wat mag je zien als de zegen van God, waar je op dankdag voor dankt? Als het in economisch opzicht goed gaat, lijkt dat niet zo moeilijk. Maar als de winstverwachtingen door alle coronamaatregelen verdampt zijn en het normale kerkelijk leven stil is gevallen, waar dank je dan voor? Bezinning op die vraag scherpt je oog voor hoe God in Christus zijn zegen schenkt.

Artikel in: Gereformeerd Kerkblad d.d. 27 november 2020

Er is een gevaar dat je vanuit het godsdienstige principe ‘voor wat, hoort wat’ er vanuit gaat dat voorspoed zegen van God is en ongeluk vloek. Maar in de bijbelse ‘geografie van zegen en heil’ is bepalend dat de zegen onlosmakelijk met God zelf verbonden is als degene die zegent. Zonder de verbinding met God zijn rijkdom en voorspoed voor ons mensen een vloek of kunnen ze tot vloek worden.  

Dat is de conclusie die ik verbind aan het gebed in Jona 2. Het besef dat zijn heil in God ligt, is het fundament van Jona’s gebed. Het van God verstoten zijn, het uit diens ogen verbannen zijn, dat is het onheil wat hem overkomt nu hij in de woeste zee gegooid is en het dodenrijk tegemoet gaat. Want daar is geen contact meer met de hemel of met het land van de levenden mogelijk, omdat de grendels van het dodenrijk voorgoed achter zijn rug gesloten zullen worden.

Gods toewending

In de tijd van Jona was het symbool van dat heil de tempel. Daar is contact met God. Daar troont God op de cherubs boven de ark van het verbond. Daar schenkt God zijn zegen: in het onderwijs in de Thora, in de verzoening op het altaar, in de vrijspraak van schuld, in de zegende handen van de priesters.

Je wordt gezegend en je bent gezegend, wanneer je de toewending van God naar jou toe ervaart en je in de aanwezigheid van God mag zijn. Al die symbolische uitdrukkingen die wij in de Psalmen tegen komen gaan daar over: te mogen verblijven bij de Heer en te mogen wonen in zijn huis, op zijn heilige berg.

In de hogepriesterlijke zegen is dat alles samengevat. Zegen is vandaag de goedheid van de Heer mogen zien, zijn liefdevolle ogen over jouw leven zien schijnen en te mogen leven in zijn vrede.

Godverlatenheid

Het tegengestelde van zegen is ‘niet in de aanwezigheid van God zijn’ en ‘niet zijn liefdevolle ogen over jouw leven zien schijnen.’ Het is de Godverlatenheid. Een oorzaak daarvan kan zijn, dat God zijn oordeel over jouw leven heeft geveld en dat je dus zijn toorn ervaart. Dat is wat Jona ervaart.

Niet bij God zijn kan ook een bewuste keus worden. Jona maakte die keus, maar wil die – nu hij zo diep in het dodenrijk wegzakt – graag ongedaan maken. Maar er is ook het raadsel van de volharding in zo’n keus. Jona verwijst daarnaar: ‘Zij die armzalige afgoden vereren, verlaten u’ (Jona 2:9). Dat zijn mensen die zich vastklemmen aan wat ‘geen bestand’ heeft, dat wat in Prediker vertaald wordt als ‘lucht en leegte’ – zij jagen hun eigen wensbeelden na. Maar als je zo in het leven staat, dan is het gevaar groot dat je Gods zegen in het leven zult missen, ook al ervaar je nog zoveel voorspoed.

Zegen en vloek

Als het over zegen en vloek gaat zijn de reeksen zegenbeloften en vloekaankondigingen in Deut. 28 indrukwekkend. Essentieel is dat ze over het leven in het beloofde land gaan. Ze zijn voorwaardelijk geformuleerd, omdat ze bedoeld zijn om daadwerkelijk het samenleven met God te stimuleren. Want ook al hebben ze betrekking op vruchtbaarheid en materiële voorspoed, ook hier mag de zegen niet losgemaakt worden van God zelf. Het geestelijke is onlosmakelijk verbonden met het materiële. Dit blijkt ook uit de aansporing dat de zegen van de voorspoed ten overstaan van God en in verbinding met de naaste genoten zal worden. Zo wil de Heer de God van Israël zijn en zullen zij het volk zijn dat aan de Hem gewijd is (Deut. 26:11,19). 

Ten diepste geeft God zijn zegen zodat de schepping daarin tot zijn bestemming komt (Gen. 1,28). In het ontvangen van de zegen ligt dan ook een opdracht besloten om die voor dat doel te gebruiken.

Vrede

Kenmerkend voor onze manier van denken en leven is dat we dingen op zichzelf beschouwen, en ze ook zo gaan waarderen en gebruiken. We maken ze los van de verbanden en relaties, waarin ze voorkomen en waarin ze hebben te functioneren. Voorspoed en geluk in relaties, seksualiteit, economie, persoonlijke ontwikkeling en vrije tijd kunnen dan dingen op zichzelf worden. Ze worden dan losgemaakt van God als gever en ingezet voor de doelen die wij stellen en op het oog hebben.

Christus kwam naar onze wereld om deze secularisatie van het goede leven te keren en ons weer te verbinden met de zegen van God. Het heil dat hij op aarde bracht, is dat wij levend in de nabijheid van God als zijn volk onze voeten weer zouden zetten op de weg van de vrede (Lucas 1, 79).

Een ander fundament?

Het in de GKv verschijnend maandblad Nader Bekeken was de afgelopen jaren het gezicht voor degenen, die een pleidooi voerden tegen de vrouw in het ambt. Men volgde kritisch de besluitvorming daarover op de synode. Zowel in 2014 toen er een meerderheidsrapport op de synodetafel lag, waarin de visie verdedigd werd: ‘Dat vrouwen ambtsdrager mogen zijn is bij het licht van de Schrift legitiem’, als in 2017 toen de synode het ambt voor de vrouw openstelde.

Afgelopen september heeft de GKv-synode, na een intensief traject van hoor en wederhoor te hebben afgelegd, de revisieverzoeken uitgebreid beargumenteerd afgewezen en bevestigd dat ‘het mogelijk is om op basis van eerbiedige en zorgvuldige afweging van de Schriftgegevens te komen tot de overtuiging dat de ambten voor vrouwen openstaan.’

Begrijpelijk dat Nader Bekeken ook nu haar lezers wil informeren over de betekenis en consequenties van dit besluit. Men doet dat onder het opschrift ‘Een ander fundament.’ Ik denk dat zij daarin meer gelijk hebben dan ze zelf beseffen.

  • Reactie ‘Nader Bekeken’

De eerste reactie in het oktober-nummer stelt dat het besluit de GKv in een crisis brengt. Want, ‘door dit besluit wordt het fundament van het kerkverband aangetast.’

In het recente november-nummer motiveert het bestuur van de ‘Stichting Woord en Wereld’, de uitgever van Nader Bekeken, de term ‘crisis’ breder door het besluit te kwalificeren als ‘twijfelachtige schriftverklaring’, ‘het loslaten van de confessioneel-gereformeerde positie’ en ‘een kritische bejegening van de Schrift’. Men stelt dat er sprake is van ‘een onbijbels gelijkheidsidee, die een typisch denkpatroon van onze moderne cultuur is’ en men suggereert ‘dat de bijbeltekst niet meer als uitgangspunt gehandhaafd is.’

Over de behandeling van de revisieverzoeken oordeelt men dat er ‘de facto geen eerlijke toetsing en revisie is geweest’ en ‘schriftelijke bezwaren niet deugdelijk zijn besproken’. 

Volgens Nader Bekeken heeft de synode ook met haar besluiten de tendens ‘kerkelijk geijkt’, dat in de praktijk van het kerkelijk leven ‘eigentijdse en/of gevoelsmatige redeneringen de overhand krijgen over bijbelse argumenten en het gezag van de Schrift’ en dat ‘het beroep op de aangenomen belijdenis als samenvatting van de Schrift bij veel broeders en zusters helemaal niet meer in beeld’ is.

De synode weekt volgens hen de GKv ‘los van hun gereformeerde wortels’ en maakt ‘de gemeente van Christus weerloos tegen allerlei wind van leer’, met als gevolg ‘sluipende aanpassing aan het denken en leven van deze wereld.’

Samenvattend oordeelt men dat de synode ‘het Woord onderwerpt aan cultuur- en denkpatronen van de wereld’, en roept het bestuur de GKv op tot ‘terugkeer naar de eenvoudige gehoorzaamheid aan dat Woord van de levende Heer.’

  • Onderbouwing

Ontrouw aan de Schrift en afwijken van de gereformeerde belijdenis. Door grote woorden te gebruiken, beladen termen te hanteren en forse aantijgingen te uiten verplicht Nader Bekeken zich tot een zorgvuldige argumentatie en onderbouwing van haar oordeel, lijkt mij. Wanneer die er niet is, dan is er alleen sprake van kerkelijke stemmingmakerij en opruiing.

Er zijn de afgelopen maanden drie nummers van Nader Bekeken verschenen, waarin het revisiebesluit en het eerste van de daaraan ten grondslag liggende twee rapportages besproken is. In deze blog wil ik eerst nagaan welke onderbouwing daarin voor de beoordeling te vinden is om vervolgens te bezien of de argumentatie voldoet om de beschuldiging van het afwijken van de bijbelse leer en de gereformeerde belijdenis te kunnen dragen.

Ik begin met het artikel van Bart van Egmond in het oktober-nummer onder de titel ‘Een ander fundament’, vervolgens sta ik stil bij het artikel van Pieter Boonstra uit het juli/augustus-nummer ‘M/V en ambt: het commissierapport gewogen’, om als derde zijn artikel in het november-nummer ‘Hoe nu verder? Een principiële verkenning’ te bespreken. Ik rond af met een samenvatting en conclusie over de draagkracht van de beschuldigingen.

  • ‘Een ander fundament’

In dit artikel uit het oktober-nummer is Bart van Egmond snel klaar met de onderbouwing van wat er mis is met de wijze waarop de revisieverzoeken behandeld zijn en met de manier waarop in het rapport met de Schrift wordt omgegaan. Hij verwijst daarvoor naar het artikel van Pieter Boonstra in het juli/augustus-nummer. De argumentatie in dat artikel zal ik straks als tweede behandelen.

Van Egmond zelf concentreert zich op het gegeven, dat de synode ‘door volwaardig ruimte te geven aan twee tegengestelde opvattingen’ geprobeerd heeft ‘iedereen binnen het kerkverband te houden.’ Maar daarvoor wordt zijns inziens ‘de geestelijke eenheid van ons kerkverband principieel opgeofferd’, omdat zo ‘het criterium waaraan opvattingen en praktijken in de kerk getoetst moeten worden’ door de synode buitenspel is gezet. Door ‘twee tegenstrijdige opvattingen gelijkwaardig te verklaren, zolang men zich maar op de Bijbel beroept, ontken je daarmee in de praktijk de duidelijkheid van Gods Woord.’ Volgens hem impliceert het synodebesluit, dat ‘als jij zegt te bouwen op Gods Woord, heeft jouw opvatting of praktijk dáármee recht van bestaan. Ook al is die volkomen tegengesteld aan de opvatting of praktijk waartoe een ander komt, die ook de Bijbel leest.’

De betrouwbare, eenduidige bijbel is zijns inziens als fundament voor het kerkelijk samenleven opgegeven en ‘ons eigen denken en voelen is het criterium geworden voor de inhoud van ons geloof en belijden als kerken.’ Daarom mogen de synodebesluiten niet aanvaard worden: ‘om de eenheid met de heilige, algemene en apostolische kerk te bewaren, moeten we blijven bouwen op het fundament dat gelegd is, namelijk Gods Woord.’

Het is m.i. kwalijk, dat Van Egmond niet ingaat op de aangevoerde gronden van het besluit dat ‘beide overtuigingen en praktijken hun volwaardige plaats in de kerken’ (Besluit 3a) en het besluit tegenover de GS Ede 2014 ‘dat er, behalve voor het spreken over twee lijnen in de Schrift (gelijkwaardigheid maar ook verschil in verantwoordelijkheid tussen mannen en vrouwen) ook ruimte is om te spreken over één lijn van gelijkwaardigheid, beschadigd door zonde en vloek maar hersteld in Christus’ (Besluit 5a). Want zo kan hij een eigen interpretatie aan deze besluiten bieden en allerlei bedoelingen veronderstellen, die de betekenis van deze besluiten helemaal vertekenen.

Daarnaast zou je toch op zijn minst verwachten, dat waar Van Egmond volop inzet op zijn interpretatie van het fundament van het kerkverband, hij zich ook zou confronteren met de visie van de synode op de grondslag en de eenheid van het kerkverband.

De synode verwijst in de grond voor het besluit om twee tegengestelde exegeses op de verhouding van man en vrouw en de implicaties daarvan te accepteren, naar het commissierapport. Daar wordt in Hoofdstuk 4 betoogt, dat ‘verschil in exegese niet nieuw is’ en dat ‘we die elkaar moeten gunnen.’ Wanneer dat tot ‘een toename aan diversiteit in de praktijk van het kerkelijk leven leidt, zullen we wegen moeten vinden om daar op een Bijbelse manier mee om te gaan.’ Maar deze diversiteit is alleen mogelijk, ‘omdat het onderwerp in kwestie niet gaat over de leer van de verlossing maar over de inrichting van de ambten, de manier waarop je de kerkregering vormgeeft’ (35).

Expliciet verantwoordt het rapport dat wij vasthouden aan één waarheid, die gevormd wordt door het ene Woord van God (art. 7 NGB): ‘Deze ene waarheid is door de kerk samengevat in de ware en volkomen leer van de verlossing (tweede doopvraag), datgene wat we in onze belijdenissen hebben verwoord.’ Maar zij constateert ook, dat ‘opvallend genoeg er niets is in onze belijdenis wat ons ervan weerhoudt om de ambten voor vrouwen open te stellen’ (35).

Vandaar dat de synode in de gronden onder Besluit 4 als argument kan geven, dat door de diversiteit in vormgeving van de eredienst en invulling van de ambtelijke taken in onze kerken ‘de eenheid van het kerkverband niet wordt aangetast.’ Want de eenheid van de kerk ligt ‘in haar ene Heer, Jezus Christus en wordt bepaald door de waarheid die de Schrift ons leert: de ware en volkomen leer, samengevat in de geloofsbelijdenissen (KO, art. A1); de vraag naar de openstelling van de ambten voor vrouwen maakt daar geen deel van uit.’

Mijn conclusie is dan ook, dat Van Egmond’s argumentatie niet gebruikt kan worden om het synodebesluit als onbijbels en in strijd met de gereformeerde belijdenis af te wijzen.

  • ‘M/V en ambt: het commissierapport gewogen’

Naar dit artikel van Pieter Boonstra wordt door Van Egmond verwezen als onderbouwing dat er wat mis is ‘met de wijze waarop de revisieverzoeken behandeld zijn en met de manier waarop in het rapport met de Schrift wordt omgegaan.’

Als het erom gaat dat aan de revisieverzoeken geen recht zou worden gedaan noemt Boonstra een aantal zaken onder het kopje ‘Methode’, waarop hij concludeert: ‘Met deze methode zet dit commissierapport de synode op het verkeerde been. Het staat een vruchtbare bespreking van de bezwaren in de weg. In plaats van dat hun bezwaren eerlijk besproken worden, worden de bezwaarden in een verdachtenhoek geplaatst. Hierin mag de synode niet meegaan. Zij behoort de ingebrachte bezwaren inhoudelijk te toetsen en uit te spreken of de bezwaarde kerken terecht of onterecht stellen dat het besluit van Meppel 2017 in strijd is met Gods Woord. Dat is de broederlijke omgang die we van elkaar mogen verwachten.’

Duidelijk is dat Boonstra de strekking van dit rapport verkeerd heeft ingeschat en daarom ook tot een onjuiste beoordeling daarvan komt.

De commissie schrijft over het door haar gepresenteerde rapport, dat het rapport dient als ‘voorbereiding’ en als ‘onderbouwing’ van de besluiten die genomen gaan worden over de revisieverzoeken. Het rapport ‘wil een op de Bijbel gefundeerde visie bieden die kan dienen als een samenhangend toetsingskader bij de beoordeling van de ingebrachte bezwaren tegen deze besluiten.’

Het rapport had niet de bedoeling om de bezwaren die in de revisieverzoeken tegen de openstelling van de ambten samen te vatten of weer te geven, laat staan dat de commissie karikaturale weergaves daarvan zou bieden. Voor het weergeven van de bezwaren was juist de tweede rapportage van de commissie – die in augustus gepubliceerd werd – bedoeld, geheel conform de wens van Boonstra, ‘nauwkeurig weergegeven en gerubriceerd’, zodat deze bezwaren vervolgens door de commissie en de synode getoetst konden worden op hun houdbaarheid.

Dit betekent in ieder geval, dat Van Egmond voor dit aspect ten onrechte naar dit artikel verwijst als onderbouwing dat ‘er wat mis is met de wijze waarop de revisieverzoeken behandeld zijn’ en ook dat het geen steun biedt voor de uitspraak van het bestuur van de ‘Stichting Woord en Wereld’ dat er ‘de facto geen eerlijke toetsing en revisie is geweest’ en ‘schriftelijke bezwaren niet deugdelijk zijn besproken.’

Ten aanzien van het andere aspect, de manier waarop in het rapport met de Schrift wordt omgegaan, noemt ook Boonstra het punt van het fundament en criterium om te bepalen wat bijbels is, wat Van Egmond in zijn artikel ‘Een ander fundament’ breder zal uitwerken. Zakelijk gezien geldt voor de visie van Boonstra hetzelfde wat ik ook bij de bespreking van het artikel van Van Egmond al heb laten zien, dat de visie en de argumentatie van het commissierapport niet wordt vermeld of besproken dat ‘een tegengestelde exegese mogelijk is’, omdat het bij de zaak van ‘vrouw en ambt’ niet gaat om ‘de ware en volkomen leer van de verlossing’, maar om een kwestie van een praktische vormgeving van het kerkelijk leven.

Het is niet zo, dat de commissie ‘de Bijbel naar haar hand zet’. Het verschil tussen Boonstra en de commissie is, dat beiden op grond van een verschillende exegese tot een andere toepassing van de bijbeltekst komen. Ten onrecht suggereert Boonstra dat hier een andere visie op de bijbel aan ten grondslag ligt, zoals ik in het commentaar bij het artikel van Van Egmond heb laten zien.

Ook is de suggestie onjuist dat de commissie het gezag van Paulus niet zou honoreren. Boonstra verwijst naar Paulus’ opmerking in 2 Tess. 3:14, dat de gemeente op de hoede moet zijn ‘voor wie geen gehoor geven aan wat wij in deze brief schrijven’. Deze zinsnede heeft echter betrekking op ‘het evangelie wat hij verkondigd heeft’ en op ‘die traditie waarin zij door hem en zijn medewerkers onderwezen zijn’ (2 Tess. 2:14 en 15). Uit het rapport van de synodecommissie blijkt eenzelfde houding als waar Paulus de Tessalonicenzen toe oproept.

Mijn conclusie is dan ook, dat Boonstra ook wat dit aspect betreft niet heeft laten zien, zoals Van Egmond stelt, ‘dat er wat mis is met de manier waarop in het rapport met de Schrift wordt omgegaan.’ Dit betekent dat zijn argumentatie niet gebruikt kan worden om het synodebesluit als onbijbels en in strijd met de gereformeerde belijdenis af te wijzen.

  • ‘Hoe nu verder? Een principiële verkenning’

Tenslotte het artikel van Pieter Boonstra uit het november-nummer. Dat begint met een verwijzing naar de Verklaring van het bestuur van de ‘Stichting Woord en Wereld’. Boonstra schrijft:

‘In de Verklaring die hiervoor is weergegeven, wordt nog eens duidelijk onder woorden gebracht wat in Nader Bekeken al vele jaren aan de orde is gesteld. Namelijk dat een nieuwe manier van bijbellezen vaste voet aan de grond heeft gekregen binnen onze kerken.’

Inderdaad stelt de Verklaring dat ‘een nieuwe manier van bijbellezen vaste voet aan de grond heeft gekregen’, maar een onderbouwing van die aanname wordt niet geboden. Zoals ik heb laten zien, is die ook niet geboden in het juli/augustusnummer noch in het oktober-nummer van Nader Bekeken. Wat Nader Bekeken inderdaad al vele jaren beweert, is dat er sprake is van een ‘nieuwe hermeneutiek’ zo gauw als mede Gkv-ers tot een andere conclusie over ‘man, vrouw en ambt’ komt dan in de traditie gangbaar was. Maar dat er sprake is van een ‘nieuwe hermeneutiek’ heeft Nader Bekeken nooit hard kunnen maken.[1]

In zijn artikel stelt Boonstra opnieuw dat in het besluit om de vrouw in het ambt toe te laten sprake is van een ‘nieuwe hermeneutiek´. Dat de synode in een van de gronden er op wijst, dat ´een gewijzigde uitleg van teksten of toepassing van Schriftgegevens op de vragen m.b.t. man, vrouw en ambt niet betekent dat op een andere manier met de Schrift wordt omgegaan´, pareert Boonstra met de stelling dat die grond ´geen enkele waarde heeft wanneer niet wordt ingegaan op argumenten die naar voren zijn gebracht´. Dat zou niet gebeurd zijn, omdat ´de synode in haar besluiten slechts verwijst naar het commissierapport Elkaar van harte dienen

Zoals al eerder aangegeven, is dat rapport inderdaad bedoeld als ´toetsingskader´ en ´onderbouwing´ van de besluiten die de synode heeft genomen. M.i. is het gebruik van de dat woordje ´slechts´ hier niet op zijn plaats, omdat het commissierapport juist op de blz. 40-45 onder het kopje ‘Hermeneutiek en Schriftgezag’ in Hoofdstuk 5 daar zelfs speciaal aandacht aan besteedt.  

Om te ‘bewijzen’ dat er in het commissierapport sprake is van ‘nieuwe hermenetiek’ wijst Boonstra er op, dat ‘daarin een nieuwe onderbouwing gegeven is van de besluiten van Meppel 2017, op basis van nieuwe exegeses van Genesis 2 en 1 Timoteüs 3. Maar die exegeses worden op een beslissende manier beïnvloed door gedachten die in de tekst worden ingelezen. En dat is niet anders dan nieuwe hermeneutiek.’

Dat er ‘gedachten in de tekst worden ingelezen’, onderbouwt hij met een verwijzing naar zijn artikel uit het juli/augustus-nummer, waarvan ik in de vorige paragraaf heb laten zien, dat er inderdaad sprake is van een andere exegese, maar niet van een andere visie op de bijbel, en waar ik nu aan toevoeg: ook niet van een andere hermeneutiek. Boonstra is echter van mening, dat omdat de synode in haar besluiten deze exegese aanvaardt, zij ‘feitelijk ruimte gegeven heeft aan deze nieuwe hermeneutiek’.

Net als Van Egmond bespreekt Boonstra ook Besluit 5a, waarin de synode ‘behalve voor het spreken over twee lijnen in de Schrift (gelijkwaardigheid maar ook verschil in verantwoordelijkheid tussen mannen en vrouwen) ook ruimte ziet om te spreken over één lijn van gelijkwaardigheid, beschadigd door zonde en vloek maar hersteld in Christus.’

Voor Boonstra is dat ook een vorm van ‘nieuwe hermeneutiek’. Want: ‘het suggereert dat met Christus een nieuwe werkelijkheid is aangebroken waarbij er geen sprake meer is van verschil in verantwoordelijkheid.’ Als dat werkelijk zo was, dan zouden zowel Jezus als Paulus daar ook regels voor hebben moeten geven als het gaat om de ambten, die wij niet vanuit het Nieuwe Testament kennen, aldus Boonstra. Jezus koos toch 12 mannen als apostelen en Paulus geeft nog steeds voorschriften over een verschil in verantwoordelijkheid van man en vrouw, zowel in het huwelijk als in de kerk?

Vanuit een traditionele lezing van de teksten worden deze nieuwtestamentische gegevens ingepast in een theorie over verschil in verantwoordelijkheid van man en vrouw. In de alternatieve lezing van de synodecommissie worden deze gegevens op andere wijze geduid, zodat ze de traditionele theorie van ‘verschil in verantwoordelijkheid van man en vrouw’ niet meer bevestigen, maar inderdaad kunnen wijzen op één doorgaande lijn. Deze lijn wordt met name bepaald wordt door de uitleg van Gen. 1, dat man en vrouw gelijkwaardig geschapen zijn en gezamenlijk de opdracht hebben gekregen om de aarde te bebouwen en te bewaren.

Dit is niet een toepassen van een ‘nieuwe hermeneutiek’, maar het toepassen van een gangbare gereformeerde hermeneutische regel van ‘Schrift met Schrift vergelijken’ en op basis daarvan conclusies trekken. En daarbij is het inderdaad ook belangrijk om rekening te houden met de context en cultuur waarin de voorschriften en teksten gegeven zijn.  

Tenslotte brengt Boonstra net als Van Egmond naar voren, dat deze manier van exegese onverenigbaar is met ons gereformeerd belijden. Hierop is dezelfde conclusie van toepassing dat de belijdenis dat de bijbel Gods Woord is, betrekking heeft op ‘de leer van de verlossing’, die hier niet in geding is, omdat het gaat over de praktische vormgeving van het kerkelijk leven.

Mijn conclusie is dat de argumentatie in dit artikel geen ondersteuning kan bieden om het synodebesluit als onbijbels en in strijd met de gereformeerde belijdenis af te wijzen.

  • Samenvatting en conclusies

Op basis van mijn analyse van de argumentatie in de verschillende artikelen kom ik tot de conclusie dat de reactie van Nader Bekeken niet adequaat is om de forse beschuldigingen te onderbouwen dat het synodebesluit onbijbels is en in strijd met de gereformeerde belijdenis. Van een zorgvuldige argumentatie en onderbouwing van deze claims is geen sprake.

Wat betreft het oordeel van het bestuur van ‘Stichting Woord en Wereld’ ten aanzien van de behandeling van de revisieverzoeken dat er ‘de facto geen eerlijke toetsing en revisie is geweest’ en ‘schriftelijke bezwaren niet deugdelijk zijn besproken’, en van de visie van Van Egmond dat ‘er wat mis is met de wijze waarop de revisieverzoeken behandeld zijn’, wil ik slechts opmerken dat in het tweede rapport van de commissie, het zogenaamde ‘Aanbiedingsrapport’, meer dan de helft van het aantal bladzijden – totaal 39 kantjes A4 van de totaal 74 – de visie van de zgn. ‘acht samenwerkende kerken (GKv Blije-Holwerd; Bruchterveld; Capelle aan den IJssel-Noord; Hattem-Centrum; Ommen-Noord Oost; Urk; Vroomshoop; Zuidwolde (Dr)) opgenomen is, terwijl ook uit een in de rapportage opgenomen brief ondertekend door Van Egmond blijkt dat men zelf bedankte om nog een tweede keer gehoord te worden.

Ik heb in mijn analyse van de artikelen niet het idee gekregen, dat men zich inhoudelijk uitgebreid met de besluiten en de onderbouwing daarvan geconfronteerd heeft. Pieter Boonstra wel meer dan Bart van Egmond, en het bestuur van de ‘Stichting Woord en Wereld’ nauwelijks. Voor zover ik kan zien is het feit, dat de synode een alternatieve exegese biedt ter onderbouwing van de toelating van vrouwen in de ambten, voldoende om het eigen gelijk bevestigd te zien en de al jarenlang gebruikte kwalificaties als ‘onbijbels’, ‘nieuwe hermeneutiek’, ‘in strijd met de gereformeerde belijdenis van de bijbel als Gods Woord’ ook op deze revisiebesluiten van toepassing te verklaren en als zodanig te duiden.

Men stelt dat er sprake is van een ander fundament dan waar Nader Bekeken zich op ziet staan. Ik denk dat daar meer waarheid in is, dan men zelf beseft. De vraag is wel, of het fundament en de visie waar Nader Bekeken vanuit gaat, de juiste vertolking is van de gereformeerde belijdenis van de bijbel als Gods Woord. Bij analyse van de argumentatie van Van Egmond en Boonstra, blijkt dat zij de bijbel in al zijn delen als fundament van de kerk beschouwen. Terecht stelt de synode, dat het fundament Christus is en dat wij ons als gereformeerden gebonden hebben aan ‘de volkomen leer van de verlossing’ (NGB Art. 7),  

Naar mijn oordeel ligt er in de formuleringen die Nader Bekeken gebruikt om het fundament van de kerkgemeenschap te omschrijven een tendens naar biblicisme. Die proef ik ook in het pleiten voor ‘de eenvoudige gehoorzaamheid aan dat Woord van de levende Heer’. Het is echter een gezonde gereformeerde hermeneutische regel dat je niet automatisch of ‘eenvoudig’ alles wat in de bijbel staat op letterlijke of directe wijze in onze eigen tijd kunt toepassen. Hermeneutische bezinning en rekening houden met de omstandigheden van de bijbeltekst en die van de situatie waarin toepassing nodig is, blijven noodzakelijk.

Dr. Jochem Douma was als het gaat om het schriftberoep van mening dat wij rekening te houden hebben met ‘het culturele standpunt.’ En het is m.i. onjuist om daar de term ‘nieuwe hermeneutiek’ op te plakken. Hij schreef:

‘We kunnen onmogelijk alles overnemen wat de Schrift van Genesis tot Openbaring aan geboden en verboden bevat. De omgang met de Schrift vraagt ook iets anders dan gehoorzaamheid aan een daaruit op te diepen wetscode.’

Mijn inziens is zijn opmerking nog steeds to the point en ook van toepassing op de reactie van Nader Bekeken: ’Het geloof dat een goed Schriftberoep mogelijk is, gaat samen met zelfkritiek waarin wij ons voortdurend rekenschap moeten geven óf ons Schriftberoep wel zuiver en niet biblicistisch is.’[2]


[1] Ik heb regelmatig op mijn weblog de argumentatie dat er sprake zou zijn van ´een nieuwe hermeneutiek´ en de kwalificatie van ´Schriftkritiek´ in de GKv tegen het licht gehouden en kon niet anders dan concluderen dat deze termen vooral gebruikt worden om de visie van de voorstanders van de vrouw in het ambt te diskwalificeren, zonder dat aangetoond wordt op welke wijze een andere hermeneutiek toegepast is, zie b.v.: https://fpathuis.wordpress.com/2019/02/01/m-v-en-de-nieuwe-hermeneutiek-in-de-gkv/ en https://fpathuis.wordpress.com/2019/03/06/de-gkv-en-de-schriftkritiek/.

[2] Dr. J. Douma, Grondslagen christelijke ethiek, Kampen: Uitgeverij Kok, 1999, p. 96.