Religieuze betekenis

Op 1 april jl. is de filosoof Paul van Tongeren benoemd tot de nieuwe Denker des Vaderlands. Het is een eretitel die sinds 2011 elke twee jaar door de Stichting Maand van de Filosofie aan een gerenommeerd denker wordt verleend. De nieuwe Denker mag zijn taak naar eigen inzicht invullen. De 70-jarige Paul van Tongeren is o.a. emeritus hoogleraar wijsgerige ethiek van de Radboud Universiteit in Nijmegen, en verder een groot kenner van het werk van Aristoteles en Nietzsche.

[Artikel op website http://www.gereformeerdkerkblad.nl d.d. 14 september 2021]

Ter gelegenheid van zijn benoeming verscheen er gelijktijdig een interviewbundel met hem onder de titel ´Het wonder van betekenis´. In mijn vakantie heb ik deze bundel met grote belangstelling gelezen. Wat me daarin vooral aansprak was zijn pleidooi, dat er geen feiten zijn zonder betekenis.

Een voorbeeld, dat Van Tongeren gebruikt om dat te illustreren, is dat de dingen om ons heen altijd op een bepaalde manier aan ons verschijnen. Je staat ’s morgens op, doet het gordijn open en ziet, dat het ´mooi weer´ is, of ´rotweer´ of ´hetzelfde weer´. Je ervaart dat onmiddellijk op hetzelfde moment dat je naar buiten kijkt. De ´betekenis´ die het weer heeft, ervaren we als ´gegeven´. Zo ervaren we de wereld altijd: ´Wij kunnen niet om ons heen kijken zonder betekenis te zien, te horen, te proeven, te ruiken. De werkelijkheid toont zich aan ons altijd al in termen van mooi en lelijk, goed en slecht, uitdagend of saai; dat zijn allemaal “betekenissen”’.

Aandacht vragen voor ‘dat wonder van betekenis´ ziet Van Tongeren als de invulling van zijn functie als Denker des Vaderlands. Hij vindt dat belangrijk, omdat wij door het wetenschappelijk wereldbeeld geneigd zijn om die ‘betekenis’ over het hoofd te zien. Voor hem is dat een misleidende gedachte. Alsof de dingen zijn, zoals de wetenschap ze beschrijft, kaal, objectief en betekenisloos. En alsof wij daar dan vervolgens subjectief een betekenis aan geven of opplakken. Toch is de ‘betekenis’ er al, voordat wij de werkelijkheid op wetenschappelijke wijze gaan beschrijven.

Een ander voorbeeld dat Van Tongeren noemt, is muziek. Wanneer wij noten of klanken horen, dan ervaren wij het onmiddellijk als ‘muziek’ of als ‘lawaai’, en ervaren we het als mooi of lelijk. En wanneer het op het eerste gehoor niet duidelijk is, dan ga je opnieuw en nog een beter luisteren om te bepalen of het echt wel muziek is of niet.

Ik vind dit een waardevolle manier om als gelovige te kijken en te luisteren naar de werkelijkheid. Want het pleidooi van Van Tongeren geldt denk ik niet alleen voor het schone (mooi/lelijk) of het goede (wel/niet moreel verantwoord), maar ook voor het religieuze. Dat we door de dominantie van het wetenschappelijk wereldbeeld geneigd zijn om de religieuze betekenis van de werkelijkheid over het hoofd te zien. Voor mij is het een appel om nog intensiever uit te zien naar het wonder van Gods aanwezigheid of sporen daarvan in onze werkelijkheid.

Mede n.a.v. Marc van Dijk, Het wonder van betekenis. Op zoek naar geluk en wijsheid met Paul van Tongeren, Amsterdam: Boom Uitgevers, 2021.

Het christelijk huwelijk – een verloren ideaal?

Deze zomer las ik een fictieve roman vanuit het perspectief van de vrouw van Jezus. De vraag of Jezus ooit getrouwd is geweest, is al eeuwenlang gesteld en met tal van verhalen en legenden beantwoord. Voor sommige gelovigen is de vraag stellen al een vorm van heiligschennis – hoe kun je Jezus, die God zelf was, associëren met zoiets aards en lichamelijks als het huwelijk? Toch is het huwelijk in de christelijke traditie ook als iets heiligs beschouwd. Wat is vandaag de dag nog de waarde van een christelijk huwelijk?

[Artikel in ‘Gereformeerd Kerkblad’ d.d. 3 september 2021 door Anne-Maaike Pathuis]  

Ik hoor jonge mensen de waarde van het huwelijk soms relativeren. Het voegt voor een stel weinig toe, omdat hun relatie vooral iets tussen hen is. ‘Wij weten toch wel dat we altijd bij elkaar willen blijven.’ Hier weerklinkt een idee over relatie en huwelijk dat bij onze postmoderne tijd past, waarin de persoonlijke vrijheid in het vormgeven van je leven normatief is. Heel gechargeerd gezegd: iets is goed wanneer het voor mij – of binnen een relatie: voor ons – goed voelt. En waarom zou je een huwelijk (maar denk hierbij ook aan andere duurzame samenlevingsvormen) dan nog ‘voor God en zijn gemeente’ laten bevestigen?

Economische redenen

In vroeger tijden ging het bij relaties en huwelijk niet (alleen maar) over wat goed voelde. In het nawoord van de roman over de vrouw van Jezus legt de auteur uit waarom ze de mogelijkheid veronderstelt dat Jezus getrouwd was. ‘Je zou kunnen stellen dat het huwelijk in de Joodse wereld van Galilea in de eerste eeuw zo volslagen standaard was, dat het min of meer vanzelfsprekend was. (…) Ik zie reden om te denken dat Jezus op 20-jarige leeftijd, een decennium voor het begin van zijn evangeliebediening, de religieuze en culturele ethiek van zijn tijd en plaats niet terzijde legde.’ Deze overweging geeft aan dat het huwelijk in Jezus’ tijd niet zozeer met liefde en passie te maken had als wel met economische en familiaire overwegingen.

Gemeenschap

Het is een groot goed, dat tegenwoordig liefde een veel grotere rol speelt in de keuze voor een huwelijkspartner dan in vroeger tijden. Ik ben een kind van mijn tijd als ik stel, dat je zonder liefde beter niet aan een levenslange verbintenis kunt beginnen. Daarom is het ook niet per definitie een verkeerd signaal als geliefden zoveel vertrouwen hebben in hun relatie, dat zij het huwelijk niet nodig denken te hebben. Maar tegelijkertijd denk ik dat het belangrijk is om het aspect van de gemeenschap waarin je een relatie of huwelijk aangaat, niet te verwaarlozen. Met het laten bevestigen van een huwelijk ‘voor God en zijn gemeente’ geef je woorden aan het grotere geheel waarbinnen je een relatie ziet. Dat werkt twee kanten op.

God en naaste

Aan de ene kant geven twee geliefden bij een huwelijksbevestiging expliciet aan dat zij in hun relatie niet alleen hun eigen wederzijdse belangen willen dienen. Zij hebben met hun relatie ook de verhouding tot God en hun naaste op het oog. Het huwelijk is een plek waarin zij God willen dienen en ook een thuis willen bieden voor andere mensen. Op die manier kan hun relatie vruchtbaar zijn – ook als er geen kinderen worden geboren.

Aan de andere kant geven twee geliefden aan dat ze aanspreekbaar willen zijn op hun relatie. Dan gaat het om de al eerder genoemde dienstbaarheid van een huwelijk aan de geloofs- en familiegemeenschap waarin hun relatie een plek heeft. Maar ook om het bewustzijn dat de steun van God en de naasten onmisbaar zijn om hun relatie duurzaam te laten zijn. Volgens mij heeft een (huwelijks)relatie pas echt duurzame waarde, wanneer je deze óók laat opnemen in het grotere verband van de verhouding tot God en de gemeenschap.

Kerk en ongehuwd samenwonen

Ongehuwd samenwonen was in de jaren ’70 in de kerk ondenkbaar, dat was ‘hokken’. Maar nu is het in de samenleving eerder regel dan uitzondering dat jongeren al samenwonen voordat ze naar het stadhuis gaan om te gaan trouwen, als dat al de volgende stap wordt. Want ook het geregistreerd partnerschap en het samenlevingscontract zijn een alternatief voor een huwelijk. Voor de kerk is het belangrijk om op deze veranderingen een visie te vormen. Ook gereformeerde jongeren gaan samenwonen, ouders en de kerk zijn er verlegen mee, en de jongeren zelf vervreemden van het kerkelijk leven.

 [Artikel in het ‘Gereformeerd Kerkblad’ d.d. 3 september 2021]

In de Kerkorde van de GKv is vastgelegd, dat ‘de kerkenraad erop toeziet dat leden van de gemeente die zich als man en vrouw aan elkaar willen verbinden, daarvoor een burgerlijk huwelijk aangaan en dat kerkelijk laten bevestigen’, (C46.2). In de voorgestelde Nieuwe Kerkorde is als bepaling opgenomen, dat de kerkenraad dit bevordert (C7.1).[1]

Taak overheid

Het is interessant om de geschiedenis van dit kerkordeartikel op te halen. In de Middeleeuwen was de verloving de grondslag voor het huwelijk, die in overeenstemming met de Germaanse ‘Muntehe[2] een overeenkomst was tussen clans of families, waarbij de wettelijke macht over de vrouw overging van de vader/voogd in de hand van de echtgenoot. Tegelijk groeide de praktijk dat de huwelijkssluiting zelf in de kerk tegenover de priester plaatsvond, want het r.k.-huwelijk werd beschouwd als een sacrament.

Vanwege hun visie op het huwelijk als een ‘wereldlijke’ ordening pleitten de gereformeerden er in de Reformatietijd voor dat het sluiten van het huwelijk een taak van de overheid werd. Omdat de overheid daar onvoldoende voorzieningen voor trof, werd in 1619 in art. 70 van de Kerkorde geformuleerd dat de kerk tijdelijk de huwelijkssluiting zou blijven waarnemen, zoals ze dat ‘in overeenstemming met Gods Woord en de kerkelijke regelgeving’ tot nu gedaan had. Pas in 1809 trok de Franse overheid in het kader van de scheiding van kerk en staat de huwelijkssluiting exclusief naar zich toe.

Positie kerk

Op zichzelf gezien had de kerk in de 19e eeuw, toen het haar verboden werd een huwelijk te sluiten, art. 70 KO kunnen schrappen. Maar in dit artikel was ook opgenomen, dat de overheid zich in de huwelijkswetgeving zou moeten richten naar de bijbelse richtlijnen, zoals de kerk haar die aan zou reiken. Naast de burgerlijke aspecten kent het huwelijk ook ethische aspecten waar de kerk op betrokken is. Daarom wilde men bij de sluiting van een huwelijk aandacht vragen voor de specifiek christelijke setting van het samenleven als man en vrouw. In de Kerkorde van 1905 vinden we dan ook een sterk ingekorte formulering van art. 70, waarbij gesteld wordt dat ‘alzoo het behoorlijk is, dat de huwelijkse staat voor Christus’ gemeente bevestigd worde, volgens het Formulier daarvan zijnde, zullen de Kerkeraden daarop toezien.’

Wie het klassieke huwelijksformulier (gebaseerd op dat van 1566) erop naslaat, merkt dat dit inderdaad stamt uit de tijd dat de kerkelijke bevestiging tegelijk de burgerlijke huwelijkssluiting was. Dat betekent dat sinds de 19e eeuw de huwelijkssluiting, ingebed in een kerkelijke setting, werd herhaald.[3] Theologisch beargumenteerde Abraham Kuyper de rechtmatigheid daarvan vanuit de idee, dat eerst door het kerkelijk handelen de ‘finale’ huwelijkssluiting tot stand kwam.

Pas in 1981 is er definitief gebroken met deze ‘dubbele huwelijkssluiting’. In het huwelijksformulier van de GS Arnhem hebben de beloften die van het bruidspaar ‘voor God en zijn heilige gemeente’ gevraagd worden, alleen betrekking op het christelijk willen leven in het huwelijk, terwijl daarna daarover een zegen gevraagd en gegeven wordt.

Burgerlijk huwelijk

Vandaag de dag is het aangaan van een huwelijk geen zaak meer van families en vormt ook de verloving niet de grondslag daarvan. Jongeren zijn met 18 jaar wettelijk meerderjarig en kunnen in vrijheid besluiten of ze willen trouwen of niet. Aan het samenwonen heeft de overheid gevolgen verbonden op het gebied van met name de belastingwetgeving en sociale zekerheid. Wil je meer vastleggen dan kun je een samenlevingscontract opstellen, een geregistreerd partnerschap aangaan of trouwen. Maar in alle gevallen worden aan de levensvormen wettelijk vastgelegde rechten en plichten verbonden.

De cruciale vraag is op grond waarvan de kerk samenwonen afwijst en in de kerkorde uitspreekt, dat gereformeerde jongeren die als man en vrouw het leven willen delen daarvoor als levensvorm het burgerlijk huwelijk dienen te kiezen. Het is namelijk overduidelijk, dat in de Nederlandse wetgeving de bijbelse waarden voor het samenleven van man en vrouw niet als eis of als ideaal in het burgerlijk huwelijk voorgehouden worden. Integendeel. Voor Abraham Kuyper was het neutrale karakter van de overheid en het ‘anti-clericalisme’ dat hij in het toenmalige Burgerlijk Wetboek meende op te merken, het motief om een kerkelijke bevestiging als aanvulling op en voltooiing van de huwelijkssluiting te beschouwen. Ook pleitten in de jaren ’90 om die reden C. Trimp en A.L.Th. de Bruijne er al voor om zo nodig als kerk tegenover de burgerlijke huwelijkswetgeving een eigen ‘huwelijksrecht’ te gaan handhaven.

Verwelkomen

Mijn pleidooi is als kerk met betrekking tot ‘huwelijk of samenwonen’ niet in te zetten op de juridische vorm, maar op het doel en de inhoudelijke vormgeving van het samenleven als man en vrouw.

Belangrijk is om in het onderlinge gesprek hierover in de argumentatie terminologisch heldere onderscheidingen aan te brengen. Op zijn minst moet er onderscheiden worden tussen (a) ‘het huwelijk als instelling van God’ d.w.z. Gods bedoeling met het samenleven van man en vrouw, (b) het bijbelse huwelijk d.w.z. de wijze waarop het samenleven van man en vrouw binnen de toenmalige context en cultuur in de bijbelse tijd werd vormgegeven, (c) het burgerlijk huwelijk d.w.z. de wijze waarop de overheid aan de sluiting van een huwelijk eisen stelt en rechtsgevolgen verbindt, en (d) het christelijke huwelijk d.w.z. de wijze waarop vandaag christenen als man en vrouw samenleven.

Laten we het gesprek voeren over de bijbelse waarden, die ten grondslag liggen aan het samenleven als man en vrouw; zoals een leven in liefde en levenslange trouw, voor het aangezicht van God, met een verantwoordelijkheid voor eventuele kinderen, en daarin van betekenis zijn voor de samenleving. Wanneer jongeren bereid zijn om zich hieraan te verbinden, zullen we hen als kerk van harte kunnen verwelkomen en uitnodigen om Gods zegen te vragen over hun ‘ongehuwd’ samenwonen.


[1] C7.1. ‘De kerkenraad bevordert dat leden van de gemeente die zich als man en vrouw aan elkaar willen verbinden, een burgerlijk huwelijk aangaan en dat kerkelijk laten bevestigen.’

[2] Vanuit het oudhoogduits: ‘munt’ is ‘wettelijke bescherming, scherm, voogdijschap’ en ‘ēwa’ is ‘huwelijk[scontract], wet, statuut’. In het middelnederlands heeft het verwante ‘mondig’ o.a. de betekenis ‘volmacht hebben’.

[3] Ook het gegeven dat de huwelijksbevestiging nog steeds de instemming van de gemeente behoeft en van te voren afgekondigd wordt, is terug te voeren op de eisen die in de 16e eeuw aan het sluiten van een burgerlijk huwelijk gesteld werden.