Ongehuwd samenwonen was in de jaren ’70 in de kerk ondenkbaar, dat was ‘hokken’. Maar nu is het in de samenleving eerder regel dan uitzondering dat jongeren al samenwonen voordat ze naar het stadhuis gaan om te gaan trouwen, als dat al de volgende stap wordt. Want ook het geregistreerd partnerschap en het samenlevingscontract zijn een alternatief voor een huwelijk. Voor de kerk is het belangrijk om op deze veranderingen een visie te vormen. Ook gereformeerde jongeren gaan samenwonen, ouders en de kerk zijn er verlegen mee, en de jongeren zelf vervreemden van het kerkelijk leven.
[Artikel in het ‘Gereformeerd Kerkblad’ d.d. 3 september 2021]
In de Kerkorde van de GKv is vastgelegd, dat ‘de kerkenraad erop toeziet dat leden van de gemeente die zich als man en vrouw aan elkaar willen verbinden, daarvoor een burgerlijk huwelijk aangaan en dat kerkelijk laten bevestigen’, (C46.2). In de voorgestelde Nieuwe Kerkorde is als bepaling opgenomen, dat de kerkenraad dit bevordert (C7.1).[1]
Taak overheid
Het is interessant om de geschiedenis van dit kerkordeartikel op te halen. In de Middeleeuwen was de verloving de grondslag voor het huwelijk, die in overeenstemming met de Germaanse ‘Muntehe’[2] een overeenkomst was tussen clans of families, waarbij de wettelijke macht over de vrouw overging van de vader/voogd in de hand van de echtgenoot. Tegelijk groeide de praktijk dat de huwelijkssluiting zelf in de kerk tegenover de priester plaatsvond, want het r.k.-huwelijk werd beschouwd als een sacrament.
Vanwege hun visie op het huwelijk als een ‘wereldlijke’ ordening pleitten de gereformeerden er in de Reformatietijd voor dat het sluiten van het huwelijk een taak van de overheid werd. Omdat de overheid daar onvoldoende voorzieningen voor trof, werd in 1619 in art. 70 van de Kerkorde geformuleerd dat de kerk tijdelijk de huwelijkssluiting zou blijven waarnemen, zoals ze dat ‘in overeenstemming met Gods Woord en de kerkelijke regelgeving’ tot nu gedaan had. Pas in 1809 trok de Franse overheid in het kader van de scheiding van kerk en staat de huwelijkssluiting exclusief naar zich toe.
Positie kerk
Op zichzelf gezien had de kerk in de 19e eeuw, toen het haar verboden werd een huwelijk te sluiten, art. 70 KO kunnen schrappen. Maar in dit artikel was ook opgenomen, dat de overheid zich in de huwelijkswetgeving zou moeten richten naar de bijbelse richtlijnen, zoals de kerk haar die aan zou reiken. Naast de burgerlijke aspecten kent het huwelijk ook ethische aspecten waar de kerk op betrokken is. Daarom wilde men bij de sluiting van een huwelijk aandacht vragen voor de specifiek christelijke setting van het samenleven als man en vrouw. In de Kerkorde van 1905 vinden we dan ook een sterk ingekorte formulering van art. 70, waarbij gesteld wordt dat ‘alzoo het behoorlijk is, dat de huwelijkse staat voor Christus’ gemeente bevestigd worde, volgens het Formulier daarvan zijnde, zullen de Kerkeraden daarop toezien.’
Wie het klassieke huwelijksformulier (gebaseerd op dat van 1566) erop naslaat, merkt dat dit inderdaad stamt uit de tijd dat de kerkelijke bevestiging tegelijk de burgerlijke huwelijkssluiting was. Dat betekent dat sinds de 19e eeuw de huwelijkssluiting, ingebed in een kerkelijke setting, werd herhaald.[3] Theologisch beargumenteerde Abraham Kuyper de rechtmatigheid daarvan vanuit de idee, dat eerst door het kerkelijk handelen de ‘finale’ huwelijkssluiting tot stand kwam.
Pas in 1981 is er definitief gebroken met deze ‘dubbele huwelijkssluiting’. In het huwelijksformulier van de GS Arnhem hebben de beloften die van het bruidspaar ‘voor God en zijn heilige gemeente’ gevraagd worden, alleen betrekking op het christelijk willen leven in het huwelijk, terwijl daarna daarover een zegen gevraagd en gegeven wordt.
Burgerlijk huwelijk
Vandaag de dag is het aangaan van een huwelijk geen zaak meer van families en vormt ook de verloving niet de grondslag daarvan. Jongeren zijn met 18 jaar wettelijk meerderjarig en kunnen in vrijheid besluiten of ze willen trouwen of niet. Aan het samenwonen heeft de overheid gevolgen verbonden op het gebied van met name de belastingwetgeving en sociale zekerheid. Wil je meer vastleggen dan kun je een samenlevingscontract opstellen, een geregistreerd partnerschap aangaan of trouwen. Maar in alle gevallen worden aan de levensvormen wettelijk vastgelegde rechten en plichten verbonden.
De cruciale vraag is op grond waarvan de kerk samenwonen afwijst en in de kerkorde uitspreekt, dat gereformeerde jongeren die als man en vrouw het leven willen delen daarvoor als levensvorm het burgerlijk huwelijk dienen te kiezen. Het is namelijk overduidelijk, dat in de Nederlandse wetgeving de bijbelse waarden voor het samenleven van man en vrouw niet als eis of als ideaal in het burgerlijk huwelijk voorgehouden worden. Integendeel. Voor Abraham Kuyper was het neutrale karakter van de overheid en het ‘anti-clericalisme’ dat hij in het toenmalige Burgerlijk Wetboek meende op te merken, het motief om een kerkelijke bevestiging als aanvulling op en voltooiing van de huwelijkssluiting te beschouwen. Ook pleitten in de jaren ’90 om die reden C. Trimp en A.L.Th. de Bruijne er al voor om zo nodig als kerk tegenover de burgerlijke huwelijkswetgeving een eigen ‘huwelijksrecht’ te gaan handhaven.
Verwelkomen
Mijn pleidooi is als kerk met betrekking tot ‘huwelijk of samenwonen’ niet in te zetten op de juridische vorm, maar op het doel en de inhoudelijke vormgeving van het samenleven als man en vrouw.
Belangrijk is om in het onderlinge gesprek hierover in de argumentatie terminologisch heldere onderscheidingen aan te brengen. Op zijn minst moet er onderscheiden worden tussen (a) ‘het huwelijk als instelling van God’ d.w.z. Gods bedoeling met het samenleven van man en vrouw, (b) het bijbelse huwelijk d.w.z. de wijze waarop het samenleven van man en vrouw binnen de toenmalige context en cultuur in de bijbelse tijd werd vormgegeven, (c) het burgerlijk huwelijk d.w.z. de wijze waarop de overheid aan de sluiting van een huwelijk eisen stelt en rechtsgevolgen verbindt, en (d) het christelijke huwelijk d.w.z. de wijze waarop vandaag christenen als man en vrouw samenleven.
Laten we het gesprek voeren over de bijbelse waarden, die ten grondslag liggen aan het samenleven als man en vrouw; zoals een leven in liefde en levenslange trouw, voor het aangezicht van God, met een verantwoordelijkheid voor eventuele kinderen, en daarin van betekenis zijn voor de samenleving. Wanneer jongeren bereid zijn om zich hieraan te verbinden, zullen we hen als kerk van harte kunnen verwelkomen en uitnodigen om Gods zegen te vragen over hun ‘ongehuwd’ samenwonen.
[1] C7.1. ‘De kerkenraad bevordert dat leden van de gemeente die zich als man en vrouw aan elkaar willen verbinden, een burgerlijk huwelijk aangaan en dat kerkelijk laten bevestigen.’
[2] Vanuit het oudhoogduits: ‘munt’ is ‘wettelijke bescherming, scherm, voogdijschap’ en ‘ēwa’ is ‘huwelijk[scontract], wet, statuut’. In het middelnederlands heeft het verwante ‘mondig’ o.a. de betekenis ‘volmacht hebben’.
[3] Ook het gegeven dat de huwelijksbevestiging nog steeds de instemming van de gemeente behoeft en van te voren afgekondigd wordt, is terug te voeren op de eisen die in de 16e eeuw aan het sluiten van een burgerlijk huwelijk gesteld werden.