De God van levende mensen

In veel kerken is op Eeuwigheidszondag, de laatste zondag van het kerkelijk jaar, stilgestaan bij de mensen die in het afgelopen jaar zijn overleden. Maar het hele jaar door is de kerk een plek waar regelmatig over het sterven en de dood wordt gesproken, omdat het over Jezus’ dood en opstanding gaat. In een christelijk perspectief staan dood en leven altijd dichtbij elkaar.

[Artikel van Anne-Maaike Pathuis in Gereformeerd Kerkblad van 26 november 2021]

Veel mensen denken liever niet te vaak aan het feit dat ze ooit moeten sterven. De spreuk ‘memento mori’, dat is ‘gedenk te sterven’, kan op weinig populariteit rekenen. Daar kan angst voor de dood achter zitten. Doodgaan is immers onbekend en ongrijpbaar, je weet niet wat er komt. Datzelfde geldt voor de eeuwigheid, daar kunnen we ons moeilijk een voorstelling van maken.

Er zijn er, ook of juist onder christenen, die bang zijn voor het oordeel na hun dood. Mensen kunnen ook opzien tegen het sterfproces, omdat ze dan ziek of zwak zullen zijn. Of ze hechten zo sterk aan het leven, dat ze de dood als spelbreker zien.

Hoop

Ik denk dat het tot op zekere hoogte gezond is om niet teveel met de dood bezig te zijn, zeker als je nog jonger bent. Dan is het goed om de woorden van Pred. 9:9 ter harte te nemen: ‘Geniet op alle dagen van je leven, die God je heeft gegeven.’

Wat Prediker schrijft over het leven met het oog op de dood, onthult tegelijkertijd wel dat zijn kennis over God nog beperkt was. Prediker stelt bijvoorbeeld ‘dat hun leven eindigt bij de doden’ (9:3) en ‘de doden weten niets’ (9:5). ‘Er is meer!’ zou ik Prediker daarom wel willen toeroepen. Want sinds Jezus is opgestaan is er hoop, ook door de dood heen.

Zeker, de dood is vanuit menselijk perspectief pijnlijk: het heeft te maken met de afbraak van ons lichaam en met het afscheid nemen van geliefden. Maar als gelovigen mogen we erop vertrouwen dat er meer is dan die pijnlijke kant: de dood vormt juist een doorgang naar een leven zonder verval, ziekte en zonde (HC Zondag 16, v/a 42).

Eeuwig leven

Die doorgang is geen lange weg, getuige wat we in de evangeliën uit Jezus’ mond horen over sterven en opstanding. Marta is diepbedroefd na de dood van haar broer Lazarus, ook al gelooft ze dat hij zal opstaan ‘op de laatste dag’. Maar Jezus gaat een stap verder, als hij lijkt te zeggen dat dit leven meteen overgaat in het nieuwe leven: ‘Wie in mij gelooft zal leven, ook wanneer hij sterft, en ieder die leeft en in mij gelooft zal nooit sterven’ (Joh. 11:25-26). Tegen de misdadiger die naast hem aan het kruis hangt, zegt Jezus: ‘nog vandaag zul je met mij in het paradijs zijn’ (Luc. 23:43).

Dood betekent dus meteen verder leven, als je gelooft heb je namelijk – nu al! – eeuwig leven. En eeuwig leven betekent leven met Jezus en God kennen zoals hij is. Waar Prediker nog schrijft dat doden niets weten en niets doen, mogen wij door het geloof in Jezus weten dat we na onze dood juist meer zullen weten en mogen ontdekken – het leven wordt mooier dan ooit!

Vertrouwen

Veel vragen over de dood gaan over het oordeel en over hemel en hel. Mensen maken zich dan zorgen over geliefden die niet (meer) geloven of over de vraag of hun eigen geloof wel voldoende is. Deze vragen houden ook mij soms bezig, maar toch geeft het rust om steeds terug te vallen op het vertrouwen dat God de God van levenden is. Hij wil niets liever dan dat mensen kiezen voor het leven – en het echte leven vind je uiteindelijk alleen bij hem.

Dit vertrouwen wordt prachtig verwoord in Ps. 16:10-11: ‘U levert mij niet over aan het dodenrijk en laat uw trouwe dienaar het graf niet zien. U wijst mij de weg naar het leven: overvloedige vreugde in uw nabijheid, voor altijd een lieflijke plek aan uw zijde.’

De duidelijkheid en het gezag van de Bijbel

Een zestal leden van de GKv Katwijk gaat eigen samenkomsten beleggen. Ze kunnen zich niet verenigen met de visie dat verschillende opvattingen over de vrouw in het ambt in de kerk naast elkaar kunnen bestaan. Volgens hen druist deze uitspraak van de GS Goes 2020 lijnrecht in tegen Gods Woord: ‘De Heilige Schrift is duidelijk en spreekt zichzelf nooit tegen. De Generale Synode gaat in tegen het Woord van God, terwijl de Bijbel leidend moet zijn.’ [1]  Wat betekent het als we spreken over ‘de duidelijkheid’ of de ‘klaarblijkelijkheid’ van de Heilige Schrift?

[Artikel in Gereformeerd Kerkblad van 26 november 2021]

De term ‘duidelijkheid’ als eigenschap van de Bijbel heeft zijn oorsprong in de theologie van Luther, toen hij onder de indruk was geraakt van zijn ontdekking van het evangelie. De rooms-katholieke theologie was voor hem een sta-in-de-weg geweest om Gods boodschap van genade te leren kennen. Nu had hij zonder bemiddeling van de kerk, alleen maar door het lezen en bestuderen van de bijbelteksten, zelf Gods stem en uitnodiging in de Bijbel horen klinken. Zo had hij door het geloof in Jezus Christus Gods vrijspraak van schuld en zonde mogen ontvangen. Het licht van het evangelie was over hem gaan stralen. Dat was voor hem de ‘claritas’, de klare taal en de ‘duidelijkheid’ van de Bijbel.

Geloofsbelijdenis

Wanneer wij spreken over de ‘duidelijkheid’ van de Bijbel, is dat een geloofsbelijdenis. Daarmee spreken we het vertrouwen uit dat God in staat is om door middel van de Bijbel ons met zijn boodschap en zijn liefde te bereiken. Dat als wij de Bijbel gaan lezen, het niet onduidelijk is wat de strekking van de Bijbel is en dat we God daarin als de oorsprong van die boodschap zullen herkennen. Zo belijden we in art. 5 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis ‘dat de Heilige Geest in ons hart getuigt dat zij van God zijn’, omdat het bewijs daarvan in de boeken zelf ligt: ‘Want zelfs blinden kunnen tasten dat de dingen die erin voorzegd zijn, gebeuren.’ Op de Bijbel kunnen wij ons geloof richten, gronden en bevestigen.

Art. 5 grijpt daarmee terug op wat in art. 2 beleden is over hoe wij God kennen. Allereerst kennen we Gods eeuwige kracht en zijn goddelijkheid door de schepping, onderhouding en regering van de hele wereld. Maar nog duidelijker en volkomener heeft Hij zichzelf bekend gemaakt door zijn Woord, ‘namelijk voor zover dat voor ons in dit leven nodig is tot zijn eer en tot behoud van de zijnen.’ Daarom vervolgt art. 7 ook met de belijdenis dat we geloven ‘dat de Heilige Schrift de wil van God volkomen bevat en voldoende leert al wat de mens moet geloven om behouden te worden.

Tegenstrijdigheden

Het is theologisch en pastoraal brokken maken om op basis van deze belijdenisartikelen eenvoudigweg te concluderen, dat alles in de Bijbel evenveel gezag heeft of dat de Bijbel geen strijdigheden bevat, omdat ‘ze zichzelf nooit tegenspreekt.’ Hoe evident bepaalde uitspraken ook lijken, je zult ze altijd in hun context en op basis van een zorgvuldige exegese moeten lezen en toepassen.

Een voorbeeld is de bijbelse visie op echtscheiding. Hoewel het duidelijk is dat echtscheiding niet volgens de bedoeling van God is, wordt in Ezra 10 een grootscheepse echtscheidingsprocedure opgestart tegen uitheemse vrouwen. De teruggekeerde ballingen hadden hun zonen met niet-Joodse meisjes uit de bevolking van het land laten trouwen. Om deze verontreiniging op te heffen worden deze vrouwen met hun kinderen verbannen. Hieruit blijkt dat de toepassing van Gods leefregels contextafhankelijk is, waardoor in deze situatie echtscheiding door Ezra juist geboden wordt.

Interessant detail hierbij is overigens, dat de door God in Deut. 7:2 gegeven opdracht om de inheemse bevolking door middel van de ban te doden, in Ezra 10 op basis van een metaforische toepassing leidt tot een wegsturen van deze vrouwen en kinderen.

Gezag

Exegeten en dogmatici hebben de gelaagdheid in het gezag van de Bijbel tot uitdrukking willen brengen door te onderscheiden tussen teksten die ‘descriptief’ (beschrijvend) of ‘prescriptief’ (voorschrijvend) zijn en door te spreken over ‘historisch Schriftgezag’ en ‘normatief Schriftgezag’.

Het is daarom belangrijk om het gezag en de duidelijkheid van de Bijbel te verbinden met de boodschap van de Bijbel oftewel ‘de leer’ van de Bijbel. Dat is de vertaling van wat Luther en Calvijn de hemelse of goddelijke ‘doctrina’ noemen: dat God in Christus zijn heil geopenbaard heeft. Omdat het doel van de exegese is om Jezus Christus in al zijn rijkdom te leren kennen, is het gezag van de Bijbel vooral christologisch-soteriologisch bepaald: Christus en het heil (‘soteria’) zijn het centrum. Zo valt er vanuit Christus licht over heel de Schrift.

Verschil van inzicht

De ‘duidelijkheid’ van de Bijbel is geen richtlijn voor de exegese, hoewel deze eigenschap van de Bijbel verbonden kan worden met de hermeneutische regel ‘de Schrift is zijn eigen uitlegster.’ De apostel Petrus schrijft dat ‘geen enkele profetie uit de Schrift een eigenmachtige uitleg toelaat’ (2 Pet. 1:20). Maar die uitleg gaat via de bijbeltekst, waardoor de Geest zijn interpreterend werk uitoefent. De oproep van Petrus vraagt onze inschakeling om de Bijbel uit te leggen.[2]

Daarom is het mogelijk dat er teksten zijn waar de exegese moeite mee blijft houden, omdat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om tot zekerheid over de betekenis te komen. Of dat er tegenstrijdige interpretaties of toepassingen van teksten gegeven worden. Dat kan aan onduidelijkheden in de tekst liggen, maar ook omdat wij als lezers onvermijdelijk ons eigen denkkader meenemen. Daar zullen we ons rekenschap van moeten geven.

Met de belijdenis van de duidelijkheid van de Bijbel hebben wij dus geen criterium in handen om te bepalen welke uitleg de juiste is. Wel ligt er een aanwijzing in hoe we met die verschillen in exegese om hebben te gaan. Zolang deze niet de leer van het evangelie van onze redding betreffen, hebben we elkaar daarin te dragen.


[1] Zie het nieuwsbericht in het Nederlands Dagblad d.d. 5 november 2021.

[2] Voor een korte introductie in de betekenis van de hermeneutiek voor het uitleggen van de Bijbel zie het artikel ‘De Bijbel lezen in andere tijden’ op mijn weblog d.d. 19 november 2021, waarin ik ook kort twee leesregels toelicht: https://fpathuis.wordpress.com/2021/11/19/de-bijbel-lezen-in-andere-tijden/.

Als gereformeerd theoloog leven in vrije ruimte

Jan Veenhof heeft in een mooi tijdsbeeld zijn memoires beschreven. Daarin kijkt hij terug op ruim 100 jaar gereformeerde theologie. Geboren in 1934 als de oudste zoon van de latere hoogleraar C. Veenhof stond hij voorgesorteerd om een plek in de vrijgemaakte wereld in te nemen. Maar al vroeg bekroop hem het gevoel dat hij ‘eigenlijk in een verkeerde kerk geboren was’. Vandaar dat hij de ruimte zocht, die hij vond in Duitsland en Zwitserland. Staande in de Nederlandse gereformeerde traditie heeft hij met open mind het werk van Gods Geest in onze wereld onder woorden gebracht en bevorderd.

[Artikel in Gereformeerd Kerkblad van 26 november 2021]

Het boek is chronologisch opgezet. Eerst geeft Veenhof een inkijkje in zijn jeugd. Daarna beschrijft hij de tijd van zijn studie aan de Theologische Hogeschool vanaf 1951, zijn baantje als journalist van het Nieuw Kamper Dagblad en het proefschrift over Herman Bavinck, waarop hij in 1967 in Göttingen promoveert. Na een kort intermezzo over zijn eerste periode in Zwitserland gaat hij uitgebreid in op zijn hoogleraarschap Dogmatiek aan de Vrije Universiteit (1973-1989) als opvolger van Gerrit C. Berkouwer. Daarna komt zijn 10-jarig predikantschap in Thun (Zwitserland) en het leven na zijn emeritaat aan de orde. Hij eindigt met een reflectie op de theologie van Herman Bavinck en zijn persoonlijk leven nu.

Kerkgeschiedenis

De autobiografie van Jan Veenhof kan in meerdere opzichten een waardevol boekje genoemd worden. Allereerst biedt het vanuit een persoonlijk perspectief een beschrijving van de 20e-eeuwse kerkgeschiedenis van de Gereformeerde Kerken in Nederland, zowel van voor als na de breuk in 1944, waarbij uit de GKN het kerkverband van de Gereformeerde Kerk vrijgemaakt ontstond. En natuurlijk zijdelings ook de gevolgen van de breuk in 1967 in de GKv, waaruit de Nederlands Gereformeerde Kerken voortkwamen.

Als zoon van een belangrijk speler op het kerkelijk veld maakte Jan Veenhof de kerkelijke gebeurtenissen van dichtbij mee, waardoor hij allerlei persoonlijke details naar voren kan brengen. Als theoloog weet hij de achtergronden bondig te beschrijven en te verhelderen. Ook al vindt hij dat de afzettingen in 1944 onterecht waren, toch heeft hij in de loop der jaren deze scheuring steeds meer als een diepdroevige zaak ervaren, met schadelijke gevolgen naar alle kanten. Vooral omdat dit ook in de GKv leidde tot een isolationisme in een ijveren voor een ‘doorgaande reformatie’, waarbij verdraagzaamheid en barmhartigheid vaak het loodje moesten leggen.

Doordat hij als hoogleraar ook allerlei activiteiten en werkzaamheden in de GKN ontplooide, biedt Veenhof een boeiende inkijk in zijn vele contacten in het kerkelijk leven en geeft hij zijn visie op allerlei kerkelijke ontwikkelingen. Zo gaat hij bijvoorbeeld ook in op zijn bijdrage aan het Schriftgezagrapport ‘God met ons’ (1980).

Theologiegeschiedenis

Vervolgens geeft Veenhof inzicht in de ontwikkelingen van de gereformeerde theologie in de 20e eeuw. Omdat hij vanaf 1946 in Kampen woonde, maakte hij via klasgenoten en tijdens zijn studie kennis met zowel docenten en personeel van de Theologische Hogeschool aan de Broederweg als die van de Oudestraat. In de jaren ’70 en ’80 had hij beroepsmatig met veel theologen in alle disciplines  contact. Veenhof weet hen allen op een faire wijze te karakteriseren en te waarderen, ook al heeft hij soms inhoudelijk duidelijk een andere visie.

Veenhof’s eigen bijdrage aan de theologie liggen met name op het terrein van de geschiedenis van het neocalvinisme, in het bijzonder de openbaringstheologie van Bavinck en zijn relatie tot de ethische theologie, en in zijn doordenking van de leer en de gaven van de Heilige Geest. Boeiend is wat hij vertelt over het opstarten van zegenings- en genezingsdiensten in Thun.

Spiegel

Het is een plezier om deze goed gestructureerde autobiografie te lezen. De waarde van het boek is tenslotte, dat we zijn reflecties kunnen lezen als een spiegel op ontwikkelingen waarin wij als vrijgemaakte kerken nog middenin zitten. Terecht wijst hij erop, dat de vrijgemaakt-gereformeerde wereld nu voor dezelfde vragen staat als de synodaal-gereformeerde zo’n 40 jaar geleden. Jan Veenhof’s wijsheid en zijn rotsvast vertrouwen dat Gods Geest nog steeds een bron van liefde is, kan ons inspireren om in te gaan op de uitdagingen waar wij als GKv en NGK vandaag voor staan.

N.a.v. Vrij en verbonden. Memoires van Jan Veenhof. Bezorgd, ingeleid en geannoteerd door Leon van den Broeke, (AD Chartas-reeks 38), Amersfoort: Uitgeverij De Vuurbaak bv, 2021, 224 pagina’s. Prijs: €24,50.

De Bijbel lezen in andere tijden

In het dagelijks leven verwachten we dat we elkaar begrijpen als we met elkaar in gesprek zijn of elkaars teksten lezen. We gaan er vanuit dat we elkaar verstaan, omdat we dezelfde taal spreken, uitgaan van dezelfde vooronderstellingen en een gemeenschappelijke leefwereld hebben, kortom omdat we een verstaanshorizon delen. Bij teksten uit het verleden of uit andere culturen is zo’n verstaanshorizon niet vanzelfsprekend. Bezinning op hoe begrijpen dan mogelijk is, vindt vanouds plaats in de hermeneutiek. Ook bij het lezen van de Bijbel heeft de hermeneutiek de eeuwen door richting gegeven om Gods Woord te blijven begrijpen.

[Artikel in Onderweg van 13 november 2021 (Jrg. 7, nr.15)][i]

Toen het Hebreeuws rond de 2e eeuw voor Christus niet meer voldoende begrepen werd, vertaalden geschoolde tolken in de synagogen van Palestina de Hebreeuwse Bijbel in het Aramees. Op basis hiervan formuleerden de rabbijnen regels om de Tora (de 5 boeken van Mozes) uit te leggen en voor andere levensomstandigheden te actualiseren. Bekende regels zijn dat de Schrift een eenheid is, dat alle tekstelementen een betekenis hebben en dat je ‘Schrift met Schrift vergelijkt’. In de tijd van Jezus gebruikt de filosoof Philo de allegorische methode van de Grieken om de waarde van de Bijbel te verdedigen. Kenmerkend voor de Joodse hermeneutiek is dat historische gebeurtenissen, personen en voorwerpen in de Tora naast de letterlijke òòk – en soms vooral òf uitsluitend – een geestelijke, dat wil zeggen een figuurlijke of morele betekenis hebben.

De Vroege Kerk past de Joodse hermeneutiek toe om Israëls Schriften in een nieuwe situatie te lezen. Zo verkondigen de apostelen op basis van een geestelijke interpretatie van de Tora en de profetie, dat Jezus de Messias is. Hij is de vervulling van Gods beloften aan Israël. Deze christologische interpretatie wordt de basis voor de geloofsbelijdenis van de Vroege Kerk, die vervolgens zelf weer als norm gaat functioneren voor de uitleg van de Bijbel.

Viervoudige Schriftzin

Eind 4e eeuw vat Augustinus de hermeneutische regels van de Vroege Kerk in zijn boekje De doctrina christiana samen als hulp voor de prediker, catecheet en pastor om de Bijbel te lezen en toe te passen. Volgens hem verwijst de letterlijke tekst van de Bijbel in zijn geestelijke betekenis naar de werkelijkheid van God om de lezer te brengen tot het liefhebben van God: ‘Wie denkt de heilige Schriften of welk deel ook daarvan te hebben begrepen, maar niet begrijpt dat hij door dat inzicht die dubbele liefde tot God en tot de naaste moet opbouwen, heeft er nog niets van begrepen.’ De hermeneutiek van Augustinus wordt de grondslag voor de middeleeuwse ‘viervoudige Schriftzin’: de Bijbel heeft naast de letterlijke betekenis (sensus litteralis) een geestelijke betekenis (sensus spiritualis), die zich ontvouwt naar de drieslag van geloof (sensus allegoricus, het dogma), liefde (sensus moralis, de ethiek) en hoop (sensus anagogicus, de eschatologie).

Het kruis als lens  

Maarten Luther wijst de middeleeuwse verallegorisering van de Bijbel af. Allegorie is alleen verantwoord als illustratie van wat op basis van de historische lezing al vaststaat. De uitleg van de Bijbel is gericht op het gelovig ontvangen van Christus. Omdat God ook vandaag via de Bijbeltekst tot ons spreekt en Christus als inhoud heeft, is de Bijbel Gods Woord.

Om zijn christologische interpretatie te verantwoorden onderscheidt Luther tussen een letterlijk-historische en een letterlijk-profetische betekenis. Het evangelie van Christus’ kruis en opstanding gebruikt hij als lens om vast te stellen wat vandaag nog normatief is: ‘We beschouwen Mozes als leraar maar niet als onze wetgever, behalve als hij overeenstemt met zowel het Nieuwe Testament als de natuurwet.

Met Luther sluit ook Johannes Calvijn zich in zijn hermeneutiek aan bij de Vroege Kerk door de christologische betekenis centraal te stellen: ‘Wat we in het kort in het geheel van de Schrift moeten zoeken is werkelijk Jezus Christus te kennen en de oneindige rijkdommen die in hem begrepen zijn en ons door de Vader via hem aangeboden worden.’ Dat is de ‘historische’, ‘letterlijke’, of ‘authentieke’ betekenis van de Bijbeltekst. In dit kader beroepen de reformatoren zich tegenover de Rooms-Katholieke theologie op het ‘sola Scriptura’: de Schrift legt zichzelf uit.

Verbanning van Gods stem

De 18e-eeuwse Verlichting beschouwt de Bijbel niet meer als Gods Woord, maar als teksten van ‘persoonlijk begenadigde’  en ‘met levendige verbeeldingskracht’ begiftigde mensen. Zij hebben onder woorden gebracht wat zij vanuit hun beperkte bevattingsvermogen en visies als religieuze waarheid van God zagen. Daarom moet de exegese met behulp van ‘de natuurlijke rede’ als criterium onderscheiden wat in de Bijbel vandaag nog als waarheid geldt en wat als aanpassingen aan het toenmalige wereld- en mensbeeld als tijdgebonden verklaard moet worden.

De historisch-kritische hermeneutiek heeft met dit uitgangspunt het verstaan van Gods stem in de Bijbel als doel van de exegese geëlimineerd. De tekst moet verstaan worden zoals de auteur en de eerste lezers ze begrepen hebben. Daarom verklaart men de Bijbel met dezelfde methoden als andere teksten uit de klassieke oudheid en richt men alle aandacht op hun ontstaan en de literair-historische betekenis. Een geestelijke betekenis die naar Christus verwijst, wordt afgewezen.

De concentratie op de historische, literaire en culturele inbedding van de Bijbeltekst in de eigen tijd heeft een schat aan informatie opgeleverd, die ons kan helpen scherper zicht te krijgen op de oorspronkelijke betekenis. Tegelijk hebben we daardoor meer besef gekregen van de historische en culturele afstand tussen toen en nu.

Filosofische en ´nieuwe hermeneutiek´

In de 19e eeuw bezint de theoloog Friedrich Schleiermacher zich op de vraag hoe verstaan mogelijk is en wat dit betekent voor het interpreteren van teksten. Dit heeft geleid tot een eigen methodologie voor de geschied- en literatuurwetenschappen en tot de uitbouw in de 20e eeuw van een filosofische hermeneutiek, waarin geprobeerd wordt te omschrijven wat ‘verstaan’ is.

De 20e-eeuwse ‘nieuwe hermeneutiek’ van o.a. Rudolf Bultmann is een exegetische methode die met inzichten uit de filosofische hermeneutiek de historische kloof tussen de Bijbel en onze tijd wil overbruggen. Het begrijpen van de Bijbel valt hierbij uiteindelijk samen met het jezelf verstaan, waardoor de (heils)geschiedenis en de historiciteit van de Bijbel niet meer van betekenis zijn.

Tegenover o.a. de ´nieuwe hermeneutiek´ greep Kees Trimp terug op het ´theopneustie’-begrip (d.w.z. het met Gods Geest doorademd zijn van de Bijbel) van Herman Bavinck. Daarmee kwam hij krachtig op voor de actuele werking van Gods Geest in het lezen en verkondigen van de Bijbel. De Geest spreekt ons aan en wil ons de relevantie van de Bijbel voor vandaag laten ontdekken en zo tot verstaan van Gods stem doen komen.

Twee leesregels

Als voorbeeld wat het voor het lezen van de Bijbel betekent dat God zich in een bepaalde tijd en cultuur openbaarde, werk ik kort twee leesregels uit.

Allereerst onderscheiden we tussen de Bijbel en de Godsopenbaring zonder deze aan elkaar gelijk te stellen. Niet alles wat in de Bijbel opgetekend is of aan cultuurbepaalde normen in de Bijbel gegeven is, heeft hetzelfde gezag. Herman Bavinck onderscheidde in reactie op de historisch-kritische exegese al tussen ‘historisch Schriftgezag’ en ‘normatief Schriftgezag’. De normativiteit van de Bijbel ligt in zijn ‘religieuze-ethische bestemming’. Het gezag, de genoegzaamheid en volmaaktheid van de Bijbel hebben betrekking op het doel, waarmee de Bijbel ons gegeven is. Het gaat ‘om de zaligmakende kennis van God’, opdat wij in Christus geloven, met de Heilige Geest vervuld zijn en gemeenschap met God zullen hebben.

Een tweede is dat de Bijbelse geschiedschrijving een eigen karakter heeft, die anders is dan onze wetenschappelijke geschiedschrijving. De heilsgeschiedenis wordt beschreven in de genres van ‘profetische’ (OT) en ‘verkondigende´ (NT) geschiedschrijving. Daarin zijn de historische, literaire en theologische intentie zo met elkaar verbonden, dat een uitsluitend letterlijk-historische uitleg – die uitgaat van het principe ‘we moeten gewoon lezen wat er staat’ – niet meer verantwoord is. Er is geen één-op-één relatie tussen feit en beschrijving. Daarom mogen we met de Vroege Kerk de scheppingsdagen op figuurlijke wijze lezen. Ook kunnen we de symbolische taal en het gebruik van mythologische elementen in het paradijsverhaal erkennen zonder te eisen dat ze als ‘zintuiglijk waarneembaar’ verklaard moeten worden. Tenslotte zijn verschillen in theologische bedoeling en literaire vormgeving vaak verantwoordelijk voor de historisch tegenstrijdig lijkende beschrijvingen van de geschiedenis van Israël in het Oude Testament of die van Jezus’ leven en werk in de evangeliën.

Belofte

Wie deze leesregels toepast op oude en actuele thema’s, van de slavernij en de schepping naar m/v en seksualiteit, beseft hoe veelvormig en vol in beweging het verstaan van de Bijbel in elke tijd is. Zo lezen ook wij in andere tijden de Bijbel als Gods Woord, door middel waarvan de Geest ons op grond van Christus’ belofte uitnodigt om Zijn koninkrijk binnen te gaan en als Gods kinderen vandaag gelovig ons leven in liefde met Hem vorm te geven.


[i] Dit betreft een themanummer rond het thema ‘Samen de Bijbel verstaan’, waarin o.a. ook twee interviews met de CGK-predikanten André Jansen en Anne van Olst en een nabeschouwing daarop van Hans Burger zijn opgenomen. Verder is er ook een reportage over een cursus ‘Hermeneutisch Bijbellezen’ in de NGK Nijmegen onder leiding van de predikant Gerry Bos, zie: http://www.onderwegonline.nl.

Soli Deo Gloria

In de week van maandag 18 t/m vrijdag 22 oktober was het weer de Week van de Klassieke Top 400 van Radio 4. De traditie die in 2012 begon als de Hart & Ziel Lijst met 100 nummers en het jaar daarop met 300 nummers, werd in 2020 de Klassieke Top 400. Maar het doel is nog steeds een lijst samen te stellen, die luisteraars het meest raken, inspireren, ontroeren, energie geven, troosten of herinneringen tot leven brengen.

[Artikel op www.gereformeerdkerkblad.nl  d.d. 1 november 2021]

Wat opvalt is dat in de top 5 grotendeels religieuze werken staan, de Mattheuspassion van Johann Sebastian Bach, daarna het Requiem van Wolfgang Amadeus Mozart en het Requiem van Gabriel Fauré. Ook al is Nederland geen christelijke natie meer, als het om muziek gaat die het hart raakt en troost biedt, grijpt men toch terug op christelijke religieuze muziek.

Een lobby in 2018 van Lex Bohlmeijer, programmamaker op Radio 4, om de Mattheuspassion van de 1e plek te verdringen en te vervangen door een seculier lijdensdrama, heeft daar uiteindelijk geen structurele verandering in kunnen brengen. De liederencyclus Die Winterreise van Franz Schubert stond inderdaad toen op 1, maar zakte in de jaren daarna terug naar plek 12, 23 en 26.

Ik vind het altijd iets moois hebben, wanneer de Hohe Messe van Johann Sebastian Bach, de Messiah van Georg Friedrich Händel, een Mis van Giovanni Pierluigi da Palestrina, een Psalm van Jan Pieterszoon Sweelinck of het Pater Noster van Peteris Vasks op de radio te horen is. In de kerk zingen wij Psalm 67 met die oproep: ‘Dat de volken u loven, God, dat alle volken u loven.’ Hoe geseculariseerd onze wereld ook geworden is, Gods lof wordt wereldwijd tot klinken gebracht, en zelfs op de radio aangekondigd en toegelicht. Aan God alle eer!

Liefde als verdienmodel versus vadergevoel

Op 7 oktober jl. zei ds. Matthijs Schuurman in de rubriek ‘3 argumenten’ van het Nederlands Dagblad, dat ‘over verloren kunnen gaan en hoe daarover kan of moet worden gepreekt, alleen in kerken als de Gereformeerde Gemeenten wordt nagedacht.’ Met de manier waarop, kon hij niet uit de voeten. Daarom was het zijn stelling: ‘Er is nieuwe taal nodig om in de prediking te vertellen dat je een verloren bestaan kunt leiden en verloren kunt gaan.’ Hier moest ik aan denken, toen ik het boekje ‘Gods liefde voor jou’ las. Daar komt de vraag aan de orde, of er nog wel over Gods toorn wordt gesproken.

[Recensie in Gereformeerd Kerkblad d.d. 29 oktober 2021]

De Gereformeerde Bijbelstudiebond wil praktische ondersteuning bieden voor het bestuderen van Gods Woord, de belijdenis en de kerkgeschiedenis. Naast het blad ‘Wegwijs’ (6x per jaar) publiceert hij regelmatig nieuwe Bijbelstudieboekjes. Van de hand van ds. Rutger Heij verscheen recent een boekje met een negental Bijbelstudies over de liefde van God.

Therapeutisch geloven

Heij signaleert in zijn inleiding dat het spreken over Gods liefde vandaag iets therapeutisch kan krijgen. Daarmee bedoelt hij dat het bij Gods liefde vooral om de mooie kant van het geloof gaat. Door Gods liefde zullen wij gelukkige mensen worden en rust en hulp in het leven kunnen ervaren. Door dit grote accent op het positieve van Gods liefde kan het spreken over Gods woede over de zonde gemakkelijk buiten beeld raken. Als dat het geval is, verlies je veel. Als God alleen maar liefde is, waarom zou je dan geloven en gelovig leven? God snapt dan toch ook wel, dat je niets met hem hebt of je eigen leven leidt? Tegelijk komt Heij ook veel wettisch denken tegen, omdat men juist bang is voor een toornige God en daarom probeert zo goed mogelijk volgens de regels te leven, zonder dat men een liefdevolle relatie met God heeft.

Ingaande op beide tendensen heeft Heij waardevolle Bijbelstudies geschreven, waarin hij zowel recht doet aan de veelkleurige omvang van Gods liefde voor ons mensen alsook aan Gods toorn, die ontbrandt wanneer mensen Zijn liefde afwijzen. Zo helpt hij ons als Bijbellezers om te ontdekken, waarom je in deze God zou willen geloven en volgens Zijn geboden wil leven.

Diamant met facetten

Heij gaat thematisch te werk, waardoor hij start met een hoofdstuk over Gods mensenliefde (Titus 3) en eindigt met de vraag ‘Wat liefde is’ (Hosea 1-3). Het tweede en derde hoofdstuk gaan over ‘Gods woede’ (Psalm 2) en ‘De reden voor straf en redding’ (Ez. 36). Het vierde hoofdstuk stelt de vraag ‘Waarom zou je God dienen?’ (Job 1-2). Hoofdstuk 5 en 6  gaan over ‘Liefdevol recht’ (1 Kon. 3) en ‘Een rijk van goedheid’ (Matt. 20). Hoofdstuk 7 over ‘Geloven in onvoorwaardelijke genade’ (1 Petrus 1) en hoofdstuk 8 over ‘Kerk van Gods liefde’ (Ef. 3).

Heij is er goed in geslaagd om de verschillende facetten van de diamant van Gods liefde te laten schitteren. Regelmatig word je verrast door een originele invalshoek, bijvoorbeeld zijn stelling dat het in Job niet gaat om de vraag waarom Job moet lijden, maar vooral om de vraag of God slaagt voor de test, waar hij door satan aan onderworpen wordt. De vragen die bij de studies gevoegd zijn stimuleren tot persoonlijk nadenken en dagen uit om je eigen mening te vormen. Ook de stellingen zijn regelmatig prikkelend: ‘Het is eng dat je toch zelf iets moet doen (geloven) om in de hemel te komen.’

Eigenschappen van God

Heij heeft een mooie bijbels-theologische invalshoek gekozen voor een onderwerp, waar de kerk al eeuwenlang in het dogma over heeft nagedacht: wat is de verhouding tussen Gods liefde en Gods toorn als eigenschappen van God? En: hoe kom je van Gods eigenschappen bij Gods wezen uit? Terecht benadrukt Heij het overwicht van Gods onveranderlijke liefde. Het is een mooie uitdaging om vanuit het door hem aangedragen materiaal nu na te denken over hoe je dat ook theologisch in een nieuwe taal zou kunnen formuleren. Eigentijdse woorden die hij gebruikt, zoals ‘verdienmodel’ (God dienen zodat je iets van hem krijgt) en ‘vadergevoel’, kunnen daar zeker bij helpen.

Ds. Rutger Heij, Gods liefde voor jou. Negen bijbelstudies over de liefde van God, Amersfoort: Uitgeverij De Vuurbaak, 2021, 80 pagina’s, € 10,90.