In het dagelijks leven verwachten we dat we elkaar begrijpen als we met elkaar in gesprek zijn of elkaars teksten lezen. We gaan er vanuit dat we elkaar verstaan, omdat we dezelfde taal spreken, uitgaan van dezelfde vooronderstellingen en een gemeenschappelijke leefwereld hebben, kortom omdat we een verstaanshorizon delen. Bij teksten uit het verleden of uit andere culturen is zo’n verstaanshorizon niet vanzelfsprekend. Bezinning op hoe begrijpen dan mogelijk is, vindt vanouds plaats in de hermeneutiek. Ook bij het lezen van de Bijbel heeft de hermeneutiek de eeuwen door richting gegeven om Gods Woord te blijven begrijpen.
[Artikel in Onderweg van 13 november 2021 (Jrg. 7, nr.15)][i]
Toen het Hebreeuws rond de 2e eeuw voor Christus niet meer voldoende begrepen werd, vertaalden geschoolde tolken in de synagogen van Palestina de Hebreeuwse Bijbel in het Aramees. Op basis hiervan formuleerden de rabbijnen regels om de Tora (de 5 boeken van Mozes) uit te leggen en voor andere levensomstandigheden te actualiseren. Bekende regels zijn dat de Schrift een eenheid is, dat alle tekstelementen een betekenis hebben en dat je ‘Schrift met Schrift vergelijkt’. In de tijd van Jezus gebruikt de filosoof Philo de allegorische methode van de Grieken om de waarde van de Bijbel te verdedigen. Kenmerkend voor de Joodse hermeneutiek is dat historische gebeurtenissen, personen en voorwerpen in de Tora naast de letterlijke òòk – en soms vooral òf uitsluitend – een geestelijke, dat wil zeggen een figuurlijke of morele betekenis hebben.
De Vroege Kerk past de Joodse hermeneutiek toe om Israëls Schriften in een nieuwe situatie te lezen. Zo verkondigen de apostelen op basis van een geestelijke interpretatie van de Tora en de profetie, dat Jezus de Messias is. Hij is de vervulling van Gods beloften aan Israël. Deze christologische interpretatie wordt de basis voor de geloofsbelijdenis van de Vroege Kerk, die vervolgens zelf weer als norm gaat functioneren voor de uitleg van de Bijbel.
Viervoudige Schriftzin
Eind 4e eeuw vat Augustinus de hermeneutische regels van de Vroege Kerk in zijn boekje De doctrina christiana samen als hulp voor de prediker, catecheet en pastor om de Bijbel te lezen en toe te passen. Volgens hem verwijst de letterlijke tekst van de Bijbel in zijn geestelijke betekenis naar de werkelijkheid van God om de lezer te brengen tot het liefhebben van God: ‘Wie denkt de heilige Schriften of welk deel ook daarvan te hebben begrepen, maar niet begrijpt dat hij door dat inzicht die dubbele liefde tot God en tot de naaste moet opbouwen, heeft er nog niets van begrepen.’ De hermeneutiek van Augustinus wordt de grondslag voor de middeleeuwse ‘viervoudige Schriftzin’: de Bijbel heeft naast de letterlijke betekenis (sensus litteralis) een geestelijke betekenis (sensus spiritualis), die zich ontvouwt naar de drieslag van geloof (sensus allegoricus, het dogma), liefde (sensus moralis, de ethiek) en hoop (sensus anagogicus, de eschatologie).
Het kruis als lens
Maarten Luther wijst de middeleeuwse verallegorisering van de Bijbel af. Allegorie is alleen verantwoord als illustratie van wat op basis van de historische lezing al vaststaat. De uitleg van de Bijbel is gericht op het gelovig ontvangen van Christus. Omdat God ook vandaag via de Bijbeltekst tot ons spreekt en Christus als inhoud heeft, is de Bijbel Gods Woord.
Om zijn christologische interpretatie te verantwoorden onderscheidt Luther tussen een letterlijk-historische en een letterlijk-profetische betekenis. Het evangelie van Christus’ kruis en opstanding gebruikt hij als lens om vast te stellen wat vandaag nog normatief is: ‘We beschouwen Mozes als leraar maar niet als onze wetgever, behalve als hij overeenstemt met zowel het Nieuwe Testament als de natuurwet.’
Met Luther sluit ook Johannes Calvijn zich in zijn hermeneutiek aan bij de Vroege Kerk door de christologische betekenis centraal te stellen: ‘Wat we in het kort in het geheel van de Schrift moeten zoeken is werkelijk Jezus Christus te kennen en de oneindige rijkdommen die in hem begrepen zijn en ons door de Vader via hem aangeboden worden.’ Dat is de ‘historische’, ‘letterlijke’, of ‘authentieke’ betekenis van de Bijbeltekst. In dit kader beroepen de reformatoren zich tegenover de Rooms-Katholieke theologie op het ‘sola Scriptura’: de Schrift legt zichzelf uit.
Verbanning van Gods stem
De 18e-eeuwse Verlichting beschouwt de Bijbel niet meer als Gods Woord, maar als teksten van ‘persoonlijk begenadigde’ en ‘met levendige verbeeldingskracht’ begiftigde mensen. Zij hebben onder woorden gebracht wat zij vanuit hun beperkte bevattingsvermogen en visies als religieuze waarheid van God zagen. Daarom moet de exegese met behulp van ‘de natuurlijke rede’ als criterium onderscheiden wat in de Bijbel vandaag nog als waarheid geldt en wat als aanpassingen aan het toenmalige wereld- en mensbeeld als tijdgebonden verklaard moet worden.
De historisch-kritische hermeneutiek heeft met dit uitgangspunt het verstaan van Gods stem in de Bijbel als doel van de exegese geëlimineerd. De tekst moet verstaan worden zoals de auteur en de eerste lezers ze begrepen hebben. Daarom verklaart men de Bijbel met dezelfde methoden als andere teksten uit de klassieke oudheid en richt men alle aandacht op hun ontstaan en de literair-historische betekenis. Een geestelijke betekenis die naar Christus verwijst, wordt afgewezen.
De concentratie op de historische, literaire en culturele inbedding van de Bijbeltekst in de eigen tijd heeft een schat aan informatie opgeleverd, die ons kan helpen scherper zicht te krijgen op de oorspronkelijke betekenis. Tegelijk hebben we daardoor meer besef gekregen van de historische en culturele afstand tussen toen en nu.
Filosofische en ´nieuwe hermeneutiek´
In de 19e eeuw bezint de theoloog Friedrich Schleiermacher zich op de vraag hoe verstaan mogelijk is en wat dit betekent voor het interpreteren van teksten. Dit heeft geleid tot een eigen methodologie voor de geschied- en literatuurwetenschappen en tot de uitbouw in de 20e eeuw van een filosofische hermeneutiek, waarin geprobeerd wordt te omschrijven wat ‘verstaan’ is.
De 20e-eeuwse ‘nieuwe hermeneutiek’ van o.a. Rudolf Bultmann is een exegetische methode die met inzichten uit de filosofische hermeneutiek de historische kloof tussen de Bijbel en onze tijd wil overbruggen. Het begrijpen van de Bijbel valt hierbij uiteindelijk samen met het jezelf verstaan, waardoor de (heils)geschiedenis en de historiciteit van de Bijbel niet meer van betekenis zijn.
Tegenover o.a. de ´nieuwe hermeneutiek´ greep Kees Trimp terug op het ´theopneustie’-begrip (d.w.z. het met Gods Geest doorademd zijn van de Bijbel) van Herman Bavinck. Daarmee kwam hij krachtig op voor de actuele werking van Gods Geest in het lezen en verkondigen van de Bijbel. De Geest spreekt ons aan en wil ons de relevantie van de Bijbel voor vandaag laten ontdekken en zo tot verstaan van Gods stem doen komen.
Twee leesregels
Als voorbeeld wat het voor het lezen van de Bijbel betekent dat God zich in een bepaalde tijd en cultuur openbaarde, werk ik kort twee leesregels uit.
Allereerst onderscheiden we tussen de Bijbel en de Godsopenbaring zonder deze aan elkaar gelijk te stellen. Niet alles wat in de Bijbel opgetekend is of aan cultuurbepaalde normen in de Bijbel gegeven is, heeft hetzelfde gezag. Herman Bavinck onderscheidde in reactie op de historisch-kritische exegese al tussen ‘historisch Schriftgezag’ en ‘normatief Schriftgezag’. De normativiteit van de Bijbel ligt in zijn ‘religieuze-ethische bestemming’. Het gezag, de genoegzaamheid en volmaaktheid van de Bijbel hebben betrekking op het doel, waarmee de Bijbel ons gegeven is. Het gaat ‘om de zaligmakende kennis van God’, opdat wij in Christus geloven, met de Heilige Geest vervuld zijn en gemeenschap met God zullen hebben.
Een tweede is dat de Bijbelse geschiedschrijving een eigen karakter heeft, die anders is dan onze wetenschappelijke geschiedschrijving. De heilsgeschiedenis wordt beschreven in de genres van ‘profetische’ (OT) en ‘verkondigende´ (NT) geschiedschrijving. Daarin zijn de historische, literaire en theologische intentie zo met elkaar verbonden, dat een uitsluitend letterlijk-historische uitleg – die uitgaat van het principe ‘we moeten gewoon lezen wat er staat’ – niet meer verantwoord is. Er is geen één-op-één relatie tussen feit en beschrijving. Daarom mogen we met de Vroege Kerk de scheppingsdagen op figuurlijke wijze lezen. Ook kunnen we de symbolische taal en het gebruik van mythologische elementen in het paradijsverhaal erkennen zonder te eisen dat ze als ‘zintuiglijk waarneembaar’ verklaard moeten worden. Tenslotte zijn verschillen in theologische bedoeling en literaire vormgeving vaak verantwoordelijk voor de historisch tegenstrijdig lijkende beschrijvingen van de geschiedenis van Israël in het Oude Testament of die van Jezus’ leven en werk in de evangeliën.
Belofte
Wie deze leesregels toepast op oude en actuele thema’s, van de slavernij en de schepping naar m/v en seksualiteit, beseft hoe veelvormig en vol in beweging het verstaan van de Bijbel in elke tijd is. Zo lezen ook wij in andere tijden de Bijbel als Gods Woord, door middel waarvan de Geest ons op grond van Christus’ belofte uitnodigt om Zijn koninkrijk binnen te gaan en als Gods kinderen vandaag gelovig ons leven in liefde met Hem vorm te geven.
[i] Dit betreft een themanummer rond het thema ‘Samen de Bijbel verstaan’, waarin o.a. ook twee interviews met de CGK-predikanten André Jansen en Anne van Olst en een nabeschouwing daarop van Hans Burger zijn opgenomen. Verder is er ook een reportage over een cursus ‘Hermeneutisch Bijbellezen’ in de NGK Nijmegen onder leiding van de predikant Gerry Bos, zie: http://www.onderwegonline.nl.