Pieter Boonstra heeft in het recente Januari-nummer van het in de GKv verschijnend blad Nader Bekeken opnieuw geschreven over de tegenstelling tussen een zgn. ‘oude’ en ‘nieuwe hermeneutiek’.[1] In eerdere jaargangen behandelde hij al regelmatig de verschillen in visies in de Gkv en de NGK op ‘vrouw en ambt’ en op homoseksualiteit vanuit dit kader.[2]
Aanleiding
Belangrijk motief voor dit nieuwe artikel is dat Boonstra de visie van de GS Goes 2020 niet aanvaardt, dat de openstelling van het ambt voor vrouwen in de GKv niet het resultaat is van ‘nieuwe hermeneutiek’, maar slechts van een andere uitleg van de bijbel. Hij suggereert dat deze opvatting van de synode voortkomt uit kerkpolitieke strategie (‘zo kun je het besluit beter verkopen aan de kerkgangers’) of uit onkunde (‘het hermeneutische vraagstuk is zelfs voor predikanten ingewikkeld als je je daarin niet hebt gespecialiseerd’).
In zijn artikel wil hij aantonen, dat (1) er wel degelijk sprake is van ‘nieuwe hermeneutiek’ in de GKv en (2) dat pleidooien voor de vrouw in het ambt gedragen worden door ‘nieuwe hermeneutiek’. Wat het eerste betreft heeft hij een artikel van mijn hand in Onderweg van 13 november 2021 gelezen. Wat het tweede betreft verwijst hij naar de brochure van dr. Bert Loonstra over hoe om te gaan met verschillen in de CGK rond de vraag van ‘vrouw en ambt’.[3] Zijn uitgangspunt is dat in deze publicaties ‘het niet meer wordt ontkend dat er sprake is van een andere manier van bijbellezen.’ Integendeel: ‘‘oude hermeneutiek’ wordt voorgesteld als afgedaan en ‘nieuwe hermeneutiek’ wordt naar voren geschoven als oplossing.’
Aangezien ik in mijn artikel geen pleidooi voer voor een ‘nieuwe hermeneutiek’ en ook niet stel dat de ‘oude hermeneutiek’ heeft afgedaan, was ik nieuwsgierig op welke wijze Boonstra zijn stelling zou beargumenteren.
Achtergrondartikel
Mijn artikel in Onderweg is een achtergrondartikel over wat hermeneutiek is en hoe wij vandaag de bijbel lezen. De term ‘oude hermeneutiek’ komt in mijn artikel niet voor, terwijl ik uitleg dat ‘nieuwe hermeneutiek’ staat voor de manier waarop de theoloog Rudolf Bultmann met inzichten uit de filosofische hermeneutiek de historische kloof tussen de Bijbel en onze tijd wil overbruggen. Zijn methode leidt ertoe dat de (heils)geschiedenis en de historiciteit van de Bijbel niet meer van betekenis zijn.[4] Daarom plaats ik tegenover deze ‘nieuwe hermeneutiek’ de inzichten van dr. C. Trimp, die ‘krachtig opkwam voor de actuele werking van Gods Geest in het lezen en verkondigen van de Bijbel.’[5] Diens visie is voor de huidige discussie m.i. nog steeds vruchtbaar.
Vervolgens werk ik kort twee leesregels uit om te illustreren wat het voor het lezen van de Bijbel vandaag betekent dat God zich in een bepaalde tijd en cultuur geopenbaard heeft. De eerste leesregel die ik noem, is dat je niet automatisch alles wat in de bijbel staat voor ons vandaag normatief kunt verklaren. Er is een onderscheid tussen ‘historisch Schriftgezag’ en ‘normatief Schriftgezag’. De tweede leesregel is dat de Bijbelse geschiedschrijving een eigen karakter heeft, die anders is dan onze wetenschappelijke geschiedschrijving. In dat kader schrijf ik dat ‘we de symbolische taal en het gebruik van mythologische elementen in het paradijsverhaal kunnen erkennen zonder te eisen dat ze als ‘zintuiglijk waarneembaar’ verklaard moeten worden.’
Stellingen van Boonstra
Op basis van deze laatste zinsnede stelt Boonstra vervolgens, (a) dat ik ‘de ‘nieuwe hermeneutiek’ verdedig, zonder die te benoemen’ en ‘de oude hermeneutiek niet meer verantwoord vind’, en (b) dat ik ‘laat zien waar de nieuwe [hermeneutiek] je brengen kan: je hoeft het scheppingsverhaal en het verhaal van Adam en Eva niet meer op te vatten als echt gebeurd, maar meer als symbool of mythe.’
De vraag is natuurlijk (a) op basis waarvan Boonstra concludeert dat ik de ‘oude hermeneutiek’ niet verantwoord vind en pleit voor ‘nieuwe hermeneutiek’, en (b) of ik inderdaad beweer dat je Gen. 1-3 moet opvatten als ‘niet echt gebeurd’, maar als symbool of mythe.
Ad a. Twee leesregels
De twee leesregels die ik noem en kort illustreer zijn leesregels, die ook in de handboeken genoemd worden die Boonstra als ‘oude hermeneutiek’ typeert.
Voor het onderscheid tussen ‘historisch Schriftgezag’ en ‘normatief Schriftgezag’ in de eerste leesregel verwees ik zelf naar de dogmatiek van Herman Bavinck. Maar ook F.W. Grosheide maakt in zijn Hermeneutiek gebruik van dit onderscheid. Hij schrijft dat ‘het Nieuwe Testament de openbaring van God is en daarom waar’, waaraan hij toevoegt: ‘Zeer zeker is er verschil van gezag, we vermelden weer de oude onderscheiding tusschen auctoritas historiae en auctoritas normae, maar daarmee wordt de waarheid en doelmatigheid niet aangerand.’[6] S. Greijdanus benoemt in zijn Schriftbeginselen ter Schriftverklaring hetzelfde onderscheid, bijvoorbeeld in een paragraaf gewijd aan ‘Woord Gods in formeelen en in materielen zin’ (§24). Maar ook als hij de leesregel uitlegt dat we bij de exegese rekening moeten houden met ‘de onderscheiden tijden en bedeelingen’ past hij dit onderscheid toe: ‘Dientengevolge hebben wij niet zonder meer wat God tot Noach zeide, of tot Abraham sprak, of aan Israël verordende, als in dien letterlijken zin ook geldende voor de geloovigen van de Nieuwe bedeling op te vatten.’[7]
Wanneer ik als tweede leesregel noem ik dat ‘de Bijbelse geschiedschrijving een eigen karakter heeft’, dan is dat een voorbeeld van de regel dat bij de exegese rekening gehouden moet worden met ‘het bepaalde karakter van de te exegetiseren stof’ (Grosheide)[8] of zoals Greijdanus het formuleert: ‘Elk boek en elk deel en elk onderdeel der Heilige Schrift moet verstaan en verklaard worden naar zij in dat boek of deel of gedeelte zich geeft.’[9]
Het mag duidelijk zijn dat ik de door mij genoemde leesregels onderschrijf. Daarom begrijp ik niet hoe Boonstra desondanks de conclusie kan trekken, dat ik de ‘oude hermeneutiek’ niet verantwoord vind en dat ik pleit voor ‘nieuwe hermeneutiek’.
Ad b. Gen. 1-3 symbool dan wel mythe?
Wanneer Boonstra op basis van mijn uitwerking van de tweede leesregel stelt, dat ik beweer dat je ‘het scheppingsverhaal en het verhaal van Adam en Eva niet meer hoeft op te vatten als echt gebeurd, maar meer als symbool of mythe’, dan dicht hij mij iets toe wat ik niet heb geschreven.
Ik ben ervan overtuigd dat aan het scheppingsverhaal en aan het paradijsverhaal geschiedenis ten grondslag ligt. Wat ik in mijn artikel beweer is, dat er gezien het karakter van de Bijbelse geschiedschrijving geen één-op-één relatie is tussen feit en beschrijving zoals wij die kennen in onze wetenschappelijke vorm van geschiedschrijving. Dat betekent dat ‘een uitsluitend letterlijk-historische uitleg’ van Gen. 1-3 niet meer te verantwoorden is. Ik beweer niet dat het scheppingsverhaal opgevat moet worden als symbool of mythe. Wel geef ik aan dat je bijvoorbeeld, net als de Vroege Kerk, de scheppingsdagen op figuurlijke wijze mag lezen. En verder dat er in het paradijsverhaal symbolische taal gebruikt wordt en dat daarin mythologische elementen aan te wijzen zijn, en dat je daarom niet van de exegese moet eisen om die ‘symbolische taal’ en ‘die elementen’ als ‘zintuiglijk waarneembaar’ te verklaren.
De wijze waarop ik voorstel het scheppings- en het paradijsverhaal te lezen, is een uitwerking van de door mij als tweede genoemde leesregel, die door Grosheide en Greijdanus gedeeld wordt. Dat mijn exegese tot een andere uitkomst leidt dan waar zij voor staan, komt niet omdat ik van een ‘nieuwe hermeneutiek’ uit zou gaan. Het verschil ligt daarin, dat Grosheide en Greijdanus m.i. in de toepassing van die regel nog te weinig gereflecteerd hebben op het verschil tussen de Bijbelse geschiedschrijving en de hen vertrouwde manier van 19e– en 20e-eeuwse geschiedschrijving.[10]
In de uitwerking van deze leesregel sluit ik mij welbewust nauw aan bij de wijze waarop prof. B.J. Oosterhoff daarover geschreven heeft. Zijn uitgangspunt is, dat ‘Gen. 2 en 3 ons feiten verhalen, maar dat deze ons worden meegedeeld in symbolische taal.’ Vandaar dat het onjuist is om deze verhalen te zien als ‘de exakt-historische beschrijving van de werkelijkheid.’[11]
Conclusie
Ik herken mij niet in de visie, waarvan Boonstra zegt dat ik die heb. Ik kan niet anders concluderen dan dat Boonstra zijn stellingen onderbouwt door mijn artikel in de mal van een vooropgezette tegenstelling tussen ‘oude’ en ‘nieuwe’ hermeneutiek te persen. Om dat te rechtvaardigen en mijn visie als ‘nieuwe hermeneutiek’ te kunnen typeren, dicht hij zonder enige grond mij een visie toe die ik niet heb.
Als je het in termen van de argumentatietheorie analyseert maakt Boonstra gebruik van de ‘stroman’- drogreden: het standpunt van de tegenstander wordt zodanig geïnterpreteerd dat het gemakkelijk te weerleggen is, waarbij gesuggereerd wordt dat dat het werkelijke standpunt van de tegenstander is.[12]
Als je eenmaal stelt dat de verdachte term ‘nieuwe hermeneutiek’ past op een bepaalde bijbeluitleg, dan is het vervolgens gemakkelijk om met de vermeende filosofische en theologische achtergrond daarvan die uitleg verdacht te maken, zoals Boonstra vervolgens in de rest van zijn artikel doet. Ik vind dit vrij beschamend en een gereformeerd theoloog onwaardig. Andere theologen worden ten onrechte als niet-gereformeerd afgeserveerd. Afgezien nog van het feit dat Boonstra door de manier waarop hij selectief leest, ‘hinein’-interpreteert en argumenteert ook niet zijn verantwoordelijkheid vervult om als doctor in de theologie te voldoen aan een wetenschappelijke standaard.
Nader Bekeken laat zich er op voorstaan dat zij staat voor de gereformeerde waarheid. Wanneer men meent op deze wijze exegetische verschillen als ‘virus’-gevaarlijk en onbetrouwbaar op te kunnen blazen en weg te kunnen zetten, speelt men m.i. met vuur. Het verspreiden van ongefundeerd confessioneel wantrouwen heeft in de kerkgeschiedenis van de 20e en 21e eeuw alleen maar tot betreurde breuken in de Gereformeerde Kerken geleid.[13]
[1] Pieter Boonstra, ‘Nogmaals oude of nieuwe hermeneutiek’, in: Nader Bekeken, Januari 2022, Jaargang 29, Nr. 1, p. 6-9. Ook te vinden als artikel van de maand op de website van de uitgever Woord en Wereld: https://www.woordenwereld.nl/files/openbaar/nader_bekeken/artikelen/2022/janAVM.pdf
[2] In 2020 bundelde hij deze artikelen in de brochure ´Hoe lezen we de Bijbel? Over hermeneutiek, interpretatie en Gods Woord´, (Cahier 123), Uitgeverij Woord en Wereld, 2020.
[3] Bert Loonstra, Hoe komt de kerk uit de crisis? Oproep om elkaar vast te houden en los te laten, Buijten & Schipperheijn, Amsterdam, 2021.
[4] Strikt genomen staat ‘de nieuwe hermeneutiek’ voor de school van Bultmann, waar Ernst Fuchs en Gerhard Ebeling de leidende figuren van zijn geworden, zie: Arie W. Zwiep, Tussen tekst en lezer. Een historische inleiding in de bijbelse hermeneutiek. Deel II: Van moderniteit naar postmoderniteit, Amsterdam: VU University Press, 2013, p. 147-152. Vgl. ook de opmerking van Anthony C. Thiselton: ‘This emphasis on present application rather than simply antiquarian biblical research stems partly from connexions between the new hermeneutic an the thought of Rudolf Bultmann, but also from a pastor’s deep and consistent concern on the part of Fuchs and Ebeling, both of whom served as pastors for some years, about the relevance and effectiveness of Christian preaching’, in: A.C. Thiselton, ‘The new hermeneutic’, in: I. Howard Marshall, (editor), New Testament Interpretation. Essays on Principles and Methods, Grand Rapids: Wm. B. Eerdmans Publishing Co, 1981, p. 308.
[5] Wie niet het blad Onderweg leest, verwijs ik naar de versie van het artikel op mijn weblog, dat zakelijk gezien identiek is: https://fpathuis.wordpress.com/2021/11/19/de-bijbel-lezen-in-andere-tijden/.
[6] F.W. Grosheide, Hermeneutiek ten dienste van de bestudering van het Nieuwe Testament, Amsterdam: H.A. van Bottenburg, 1929, p. 35-36.
[7] S. Greijdanus, Schriftbeginselen ter Schriftverklaring, Kampen: J.H. Kok N.V., 1946, p. 130-131.
[8] F.W. Grosheide, Hermeneutiek, p. 184
[9] S. Greijdanus, Schriftbeginselen ter Schriftverklaring, p. 115.
[10] Wanneer Boonstra mijn richting voor de exegese van Gen. 1-3 afwijst, ben ik benieuwd hoe Boonstra zelf het karakter van de Bijbelse geschiedschrijving duidt en Gen. 1-3 uitlegt tegen de achtergrond van de wetenschappelijke opvattingen over de ouderdom van de aarde en het ontstaan van de mens.
[11] B.J. Oosterhoff, Hoe lezen wij Genesis 2 en 3? Een hermeneutische studie, Kampen: J.H. Kampen N.V., 1972, p. 193.
[12] Ik beperk me in deze blog tot Boonstra’s bespreking van mijn eigen visie, maar zijn weergave van de visie van dr. Bert Loonstra is even tendentieus en frustrerend. Voor de reactie van Loonstra op Boonstra verwijs ik naar diens weblog: https://www.bertloonstra.nl/blog/pieter-boonstra-versus-bert-loonstra/.
[13] Vgl. A.P. van Langevelde, In het klimaat van het absolute. C. Veenhof (1902-1983) Leven en werk, Barneveld: Uitgeverij De Vuurbaak, 2015. Over de manier waarop in het blad Nader Bekeken zonder onderbouwing andere visies dan de eigen visie op ‘vrouw en ambt’ als ‘onbijbels’ en ‘in strijd met de belijdenis’ worden weggezet, schreef ik eerder al een blog: https://fpathuis.wordpress.com/2020/11/24/een-ander-fundament/.