De kanteling wordt steeds meer zichtbaar

Eind januari berichtte het Nederlands Dagblad over PKN-kerken in de Betuwe, die vermoedelijk in de komende 10 jaar door krimp als gevolg van vergrijzing en secularisatie zullen omvallen. Er zijn te weinig ambtsdragers om het kerkelijk leven draaiende te houden. Wat bij mij bleef haken in het artikel was de opmerking dat de generatie van 25-60 nauwelijks kerkelijk vertegenwoordigd is en dat de gemeente minder kerkelijk betrokken is dan vroeger.

[Artikel in Gereformeerd Kerkblad d.d. 18 februari 2022]

Ik moest bij die opmerkingen denken aan de afscheidsrede in 2015 van dr. Mees te Velde als hoogleraar Kerkgeschiedenis en Gemeenteopbouw aan de TU Kampen. Die had als titel ‘Koninkrijk van priesters, uitnodiging tot een nieuwe dynamiek.’

Tweedeling

De aanleiding voor het onderwerp van zijn afscheidsrede was een observatie in 2010. Tijdens een groepsinterview in het kader van een achterbanonderzoek voor de TU nam hij een tweedeling waar. De 40-plussers die in de kerk leven en vandaar participeren in de samenleving en zij (doorgaans 40-min) die in de samenleving leven en vandaar participeren in een plaatselijke kerk. Te Velde realiseerde zich opeens dat zich in de achterban kennelijk een kanteling aan het voltrekken was, waarbij de uitgangspositie van christenen niet meer in de kerk, maar in het gewone leven ligt.

Niet dat jongere kerkleden per se minder gelovig zijn, maar hun kerkelijke betrokkenheid is niet meer vanzelfsprekend. Op termijn zou dat kunnen betekenen, dat het persoonlijke en het professionele leven van elke dag èn het leven in de kerkelijke gemeente twee werelden worden, die elkaar maar af en toe zullen raken. Reden voor hem om in zijn rede op deze kanteling te reflecteren.

Kerktheorie

We zijn zo’n 10 jaar verder, nadat Te Velde zijn observatie deed. Dat betekent dat de grens in de GKv nu zal liggen tussen globaal 50+ en 50-. Als je er vanuit gaat dat zich in de PKN ook zo’n proces heeft voorgedaan en misschien al wel een halve generatie eerder, dan kan dat licht werpen op die opmerking over de generatie van 25-60 in de PKN. Dat zij niet vertegenwoordigd zijn, hoeft niet alleen te wijten te zijn aan secularisatie, opgevat als een afscheid nemen van het christelijk geloof. Het kan ook zijn dat men de inspiratie voor en de vormgeving van het geloofsleven ergens anders zoekt dan in de traditionele kerkvormen. Jongere gezinnen wijken bijvoorbeeld uit naar de evangelische gemeente Mozaïek Veenendaal.

Dat roept de vraag op, wat zijn de normen en vormen voor kerk-zijn? Moet de manier waarop het kerkelijk leven door de oudere generaties vormgegeven is, normerend zijn voor die van de jongere generaties? Als die oude vormen, die voornamelijk gebaseerd zijn op het ambtelijk karakter van de kerk, zullen omvallen, verdwijnt dan de kerk?

Uit de rede van Te Velde blijkt dat theologisch gezien er nog geen antwoorden op deze vragen zijn. In de kerktheorie is de visie op het ambt behoorlijk verankerd, maar de visie op de plaats van gemeenteleden, met hun geloof en praktijken, is onderontwikkeld. Ook is het gewone, seculiere leven van de gemeenteleden onvoldoende met de huidige normale kerkelijke praktijken verbonden.

Ambt van de gelovigen

Volgens HC Zondag 12 hebben alle gemeenteleden deel aan het ambt van de gelovigen. Ze zijn alle koning, priester en profeet. Toch is de gemeente, zoals Te Velde dat noemt, in de systematische theologie ‘niet een wezenlijke en constitutieve helft van christelijk kerkzijn.’ Luther heeft de tegenstelling tussen de geestelijkheid en de leken niet kunnen doorbreken. Ook in het door Calvijn geïnspireerde kerkconcept bleven de ambten en de genademiddelen domineren. ‘Het ambt is actief en de gemeente is receptief, dat is in hoofdzaak het beeld.’

Wel heeft de Reformatie de weg geopend dat de gelovige direct toegang heeft tot Gods openbaring in de Bijbel en dat hij die zelf mag lezen en in zijn leven kan toepassen. Het Woord van God woont in de harten en levens van individuele gelovigen. Dit is echter vooral uitgewerkt richting de persoonlijke vroomheid. Pas in de 20e eeuw komt het besef dat het ambt van alle gelovigen ook van betekenis is voor de gemeenteopbouw en het getuige-zijn in de eigen omgeving. Vandaag spreken we daarom vaker over discipelschap en het ‘leerling’-zijn van Jezus van de gelovigen. 

Waar is de verbinding?

In zijn rede pleit Te Velde ervoor om positief-kritisch met de kanteling mee te gaan en er mee te rekenen dat jongere christenen zich niet meer laten leiden door instituut en ambt om vooral binnenkerkelijk te opereren. Zeker niet als zij er uitdrukkelijk voor kiezen om vanuit hun private leven van gezin en opvoeding in de seculiere wereld van samenleving en werk als christen te leven.

Dat betekent wel dat de theologie meer werk zal moeten maken van het leven als gelovige in het private en het seculiere christenleven. Er zal naast de ambtstheologie ook een theologie van het ‘algemeen priesterschap’ moeten worden ontwikkeld en hoe deze twee zich tot elkaar èn tot het private leven verhouden en met elkaar verbonden zijn. Deze kanteling is een uitdaging om ook in het kerkzijn meer aandacht te hebben voor ‘het echte seculiere leven, het economische, politieke, technische, de huizenmarkt, de struggle in huwelijk en gezin, en noem maar op.’

Nieuwe dynamiek

Te Velde eindigt zijn rede met een pleidooi om de visie op de kerk te herijken door niet in één dimensie (ambt, instituut, kerkdienst) te denken, maar in drie: kerkelijk leven, persoonlijk leven en leven in de wereld. En deze drie dimensies ieder een eigen ‘onder de Heer Christus functionerend domein te laten zijn, in verbinding en wisselwerking.’ Dat zal een nieuwe dynamiek bieden, die zowel bij de jongere als de oudere generaties kan aansluiten, en hen verbindt ‘in het ene door God zelf ons toegekende onvervreemdbare priesterschap.’ Ook het christelijke leven door de week is volop een vorm van ‘kerk van Christus’-zijn.

Het pleidooi van Te Velde heeft nog niets aan relevantie ingeboet. Deze periode van corona heeft enerzijds laten zien hoe ver de door Te Velde gesignaleerde kanteling zijn invloed in het kerkelijk leven laat gelden, terwijl er anderzijds grote verlegenheid is om het kerkzijn in al zijn dimensies te doordenken. Wat betekent het voor de herstart van het kerkelijk leven na corona dat ‘een gemeenschap zijn’ en ‘verbinding maken’ de sleutelwoorden zijn die overal klinken? Als het brede christelijke leven door de week ‘de body’ van het kerkelijk leven is, wat betekent dat voor de zondagse kerkdienst en de wijze waarop wij de kerk opnieuw zullen inrichten?

De zwanenzang van dr. H. de Jong

Toen de NGK-predikant drs. Henk de Jong in 1997 met emeritaat ging, bleef hij schrijven en preken. Een van die teksten was een langer artikel over de ‘verkiezing-in-Christus’. Een thema dat hem vanuit pastorale overwegingen na aan het hart ligt. Nu hij zijn schrijversbestaan vlak voor zijn 90e verjaardag af gaat sluiten, wil hij graag dit artikel nog eens voor het voetlicht van zijn lezers brengen. Want hij is er oprecht nieuwsgierig naar, wat wij ervan zullen vinden. Vandaar dat hij het opnam in de bundel, die je zijn zwanenzang kunt noemen.

[Recensie in Gereformeerd Kerkblad d.d. 4 februari 2022]

Wie deze nieuwe bundel van dr. De Jong doorneemt, zal veel bekends tegenkomen. Tegelijk is het niet louter een herhaling van wat hij eerder schreef. In hoofdlijnen wel, maar er is ook sprake van verrassende variatie, nadere uitwerking en nieuwe aspecten.  

Verkiezing en verwerping

Over verbond en verkiezing heeft De Jong twee belangrijke opstellen geschreven in de bundel ‘Van oud naar nieuw. De ontwikkelingsgang van het Oude naar het Nieuwe testament’ uit 2002. Daar betoogde hij al, dat verbond en verkiezing in het Oude Testament alleen vastliggen in de in het Nieuwe Testament komende Christus en zijn heilswerk in kruis en opstanding. Uit de geschiedenis van het volk Israël in het Oude Testament blijkt dat Gods heilsplan helemaal aangelegd is op Christus’ komst. Spreken over het verkiezen van God is daarom alleen mogelijk, wanneer de verkiezing op Christus betrokken wordt en pas in tweede instantie op hen, die door het geloof met Christus verbonden worden.

In het nieuwe artikel ‘Gods verkiezing-in-Christus’ vat De Jong zijn visie uit 2002 bondig samen in zo’n 30 pagina’s. Ten opzichte van 2002 sluit De Jong nu bewust in zijn formulering zo dicht mogelijk bij de Dordtse Leerregels aan. Tegelijk blijft hij erbij, dat de term ‘verwerping’ een ongelukkige is en dat elke suggestie van een ‘dubbele predestinatie van verkiezing en verwerping’ als onbijbels afgewezen moet worden. Zo wil hij de hoofdbedoeling van de Dordtse Leerregels onderstrepen, dat wij ‘al ons heil aan de Here God te danken hebben.’ Zo te spreken over de verkiezing, daar wordt een mens blij van, omdat zonder enige voorbehoud duidelijk wordt dat God ons via Christus Zijn liefde blijft verklaren.  

Verbond

Verrassend is het hoofdstuk ‘Verbond of testament’, oorspronkelijk een preek over Hebr. 9:15-22. Daarin staat de vraag centraal, waarom de bijbel in twee testamenten onderverdeeld is en waarom die twee delen ‘testament’ genoemd worden. De bijbel bevat de boeken van het Oude en het Nieuwe Verbond. Het Griekse woord voor ‘verbond’ is ‘diathèkè’, maar dat kan ook vertaald worden als ‘beschikking’ en als ‘testament als laatste wilsbeschikking’. Via deze drie betekenissen stelt de Heilige Geest de relatie tussen God met zijn volk voor ‘als een goddelijke en persoonlijke beschikking, die op grond van de dood en het zoenoffer van Christus in werking treedt en aan eenieder die in Hem gelooft uitgekeerd wordt.’

De Jong verbindt aan dit inzicht twee conclusies. Allereerst dat de bijbel een christelijk boek is en dat we zowel het Oude als het Nieuwe Testament moeten lezen en uitleggen vanuit het centrum: Jezus Christus en zijn offer aan het kruis. De tweede is dat we het verbond dat God sluit meer moeten zien als een beschikking in de vorm van een ‘erfenis’ dan als een ‘overeenkomst’ tussen twee partners. De Jong pleit ervoor om de gelovige niet te typeren als ‘verbondspartner’, maar als ‘erfgenaam’, zoals Paulus schrijft dat wij ‘erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus zijn’ (Rom. 8:17). Juist in de ongelijkwaardigheid ligt de kracht van het verbond en wordt Gods genade zichtbaar.

Inspirerend Schriftgeleerde

Doordat De Jong zich zo concentreert op de uitleg van de Schrift zelf, biedt hij veel om te overwegen, zelfs waar zijn argumentatie niet overtuigt. Een voorbeeld daarvan is zijn pleidooi om in 1 Joh. 5:7 het zogenaamde ‘Comma Johanneum’ te handhaven als funderend argument.  M.i. functioneert het getuigenis van ‘water, bloed en Geest’ al als sterk hemels argument.  

Uit heel de bundel blijkt dat De Jong een leerling in het Koninkrijk van de hemel is, die uit de schatkamer van de bijbel nieuwe en oude dingen tevoorschijn haalt. Zijn taalgebruik is fris, zijn denken bewegelijk en stimulerend, bijna net zo dynamisch als de lijnen die hij in de bijbel weet te schetsen. ‘God is anders’ is een gelovig en liefderijk testament van een inspirerend Schriftgeleerde.

N.a.v. Dr. H. de Jong, God is anders, Franeker: Uitgeverij Van Wijnen, 2021, 124 pagina’s. Prijs: € 17,50.

Leven vanuit hoop

Prof. C. Trimp schreef eens dat in de preek ‘het goud van het evangelie en de wet van Christus als pasmunt moet worden meegegeven.’ Hetzelfde geldt ook voor de hoop. Vanuit de belofte dat Gods nieuwe wereld komt èn al onder ons is, mogen we als christenen zoeken naar kleine vormen van hoop in het leven van elke dag.

[Artikel in Gereformeerd Kerkblad d.d. 4 februari 2022]

Paulus smeedde de drieslag ‘geloof, hoop en liefde’ als kenmerkende typering van het leven van de eerste christenen. Dit kun je actief omschrijven als vertrouwen op God, uitzien naar zijn toekomst en leven in zijn liefde. In de christelijke traditie worden deze drie vormen wel aangeduid als de drie christelijke deugden. Daarmee wordt duidelijk dat het christelijk geloof een levenshouding is, die door oefening kan groeien. Hopen en liefhebben zijn een middel om ons geloof te vernieuwen en iedere dag opnieuw in ons geloof bevestigd te worden.

Verwachtingsvol handelen

Als je hoop hebt, kun je ook in moeilijke situaties volhouden. Zoals het spreekwoord zegt, doet hoop leven. Wanneer iemand niet langer meer iets te hopen heeft, zal hij het eerder opgeven, omdat er geen perspectief is om voor te leven. Voor verpleegkundigen, onderwijzers, opvoeders, social workers en managers is het daarom een belangrijke taak om in situaties die uitzichtloos lijken toch hoop aan te boren. In 2019 verscheen het inspirerende boek ‘Met verwachting handelen’, waarin verslag wordt gedaan van onderzoek aan de Christelijke Hogeschool Ede hoe deze hoop zichtbaar kan worden.[1]

Een mooie voorbeeld is het gesprekje tussen een verpleegkundige en een mevrouw die weet dat ze ongeneeslijk ziek is. Wanneer de verpleegkundige op een foto bij het bed wijst, waarop een pasgeborene staat, kan de vrouw blij vertellen dat het haar eerste kleinkind Boris is. Tegelijk begint ze te huilen, omdat ze beseft dat zij hem niet zal zien opgroeien. Zonder te ontkennen dat ze erg ziek is en niet meer in jaren of maanden kan denken, biedt de verpleegkundige toch een nieuw perspectief, dat ze nog wel per dag van de kleine jongen kan genieten.

Zo kun je hoopvol opvoeden ook omschrijven als het bieden van een positief perspectief aan kinderen: dat kinderen het gevoel hebben dat ze ertoe doen, en dat ze waardevol en van betekenis zijn. En dat als er dingen verkeerd gaan, kinderen niet afgeschreven worden, maar ze een nieuwe kans krijgen. Zoals een schooldirecteur zegt: ‘Vandaag is een nieuwe dag. God begint opnieuw met ons. Vandaag beginnen we opnieuw met jou.’

Aansluiten bij de beleving

Een van de bemoedigende conclusies van het onderzoek is, dat je bij hoop niet direct hoeft te denken aan grote vergezichten.

Hoop ontstaat in de persoonlijke relatie. Door in het gesprek dicht aan te sluiten bij de belevingswereld van de ander kun je een omgeving creëren, waarin iemand op een nieuwe manier betekenis kan geven aan zijn situatie of daarin een nieuw perspectief kan ontdekken. Daarbij komt veel aan op echte aandacht geven en fijngevoelig zijn voor wat zich op het moment zelf afspeelt.

Een andere conclusie is dat hopen mogelijk is, ook in situaties waarin iemand op verlies, grenzen en beperkingen stuit. Zelfs in de gebrokenheid en de tragiek van het bestaan kan hoop en moed ontstaan om het leven vol te houden. Vaak gebeurt het waar door kanteling van het perspectief betekenis en doel gevonden wordt voor wat er in het leven gebeurd is en voor wat je realistisch gezien nog van de toekomst mag verwachten.

Belofte

In het vinden van hoop spelen psychologische processen een belangrijke rol. Toch overstijgt de christelijke hoop de psychologie. Want gelukkig hoeven wij de hoop niet zelf te creëren. Uiteindelijk ligt het fundament van de hoop in de belofte van God, dat Hij met ons is en zal zijn.

Dat betekent dat wanneer het iemand niet gelukt is om een hoopvol perspectief te ontvangen, wij als medegelovigen de ander in zijn onvermogen en wanhoop mogen dragen, in gebed en als het mogelijk is door daadwerkelijk in betrokkenheid nabij te zijn. Als een teken van hoop, geloof en liefde.

Met Paulus geloven wij dat God beloofd heeft, dat Hij zich niet uit het lijden en de zinloosheid van ons bestaan terug zal trekken om ons aan ons lot over te laten. Net als de vier vrienden van de verlamde man mogen wij de ander bij Jezus brengen in het vertrouwen dat God zelf perspectief op een hoopvol leven zal schenken, zelfs door de dood heen.


[1] Jan van der Stoep, René Erwich, Danielle van de Koot-Dees (red.), Met verwachting handelen. Hoop en professionele vorming, Utrecht: KokBoekencentrum Uitgevers, 2019.

Vermeende ‘nieuwe hermeneutiek’ in de GKv

Pieter Boonstra heeft in het recente Januari-nummer van het in de GKv verschijnend blad Nader Bekeken opnieuw geschreven over de tegenstelling tussen een zgn. ‘oude’ en ‘nieuwe hermeneutiek’.[1] In eerdere jaargangen behandelde hij al regelmatig de verschillen in visies in de Gkv en de NGK op ‘vrouw en ambt’ en op homoseksualiteit vanuit dit kader.[2]

Aanleiding

Belangrijk motief voor dit nieuwe artikel is dat Boonstra de visie van de GS Goes 2020 niet aanvaardt, dat de openstelling van het ambt voor vrouwen in de GKv niet het resultaat is van ‘nieuwe hermeneutiek’, maar slechts van een andere uitleg van de bijbel. Hij suggereert dat deze opvatting van de synode voortkomt uit kerkpolitieke strategie (‘zo kun je het besluit beter verkopen aan de kerkgangers’) of uit onkunde (‘het hermeneutische vraagstuk is zelfs voor predikanten ingewikkeld als je je daarin niet hebt gespecialiseerd’).

In zijn artikel wil hij aantonen, dat (1) er wel degelijk sprake is van ‘nieuwe hermeneutiek’ in de GKv en (2) dat pleidooien voor de vrouw in het ambt gedragen worden door ‘nieuwe hermeneutiek’. Wat het eerste betreft heeft hij een artikel van mijn hand in Onderweg van 13 november 2021 gelezen. Wat het tweede betreft verwijst hij naar de brochure van dr. Bert Loonstra over hoe om te gaan met verschillen in de CGK rond de vraag van ‘vrouw en ambt’.[3] Zijn uitgangspunt is dat in deze publicaties ‘het niet meer wordt ontkend dat er sprake is van een andere manier van bijbellezen.’ Integendeel: ‘‘oude hermeneutiek’ wordt voorgesteld als afgedaan en ‘nieuwe hermeneutiek’ wordt naar voren geschoven als oplossing.

Aangezien ik in mijn artikel geen pleidooi voer voor een ‘nieuwe hermeneutiek’ en ook niet stel dat de ‘oude hermeneutiek’ heeft afgedaan, was ik nieuwsgierig op welke wijze Boonstra zijn stelling zou beargumenteren.

Achtergrondartikel

Mijn artikel in Onderweg is een achtergrondartikel over wat hermeneutiek is en hoe wij vandaag de bijbel lezen. De term ‘oude hermeneutiek’ komt in mijn artikel niet voor, terwijl ik uitleg dat ‘nieuwe hermeneutiek’ staat voor de manier waarop de theoloog Rudolf Bultmann met inzichten uit de filosofische hermeneutiek de historische kloof tussen de Bijbel en onze tijd wil overbruggen. Zijn methode leidt ertoe dat de (heils)geschiedenis en de historiciteit van de Bijbel niet meer van betekenis zijn.[4] Daarom plaats ik tegenover deze ‘nieuwe hermeneutiek’ de inzichten van dr. C. Trimp, die ‘krachtig opkwam voor de actuele werking van Gods Geest in het lezen en verkondigen van de Bijbel.’[5] Diens visie is voor de huidige discussie m.i. nog steeds vruchtbaar.

Vervolgens werk ik kort twee leesregels uit om te illustreren wat het voor het lezen van de Bijbel vandaag betekent dat God zich in een bepaalde tijd en cultuur geopenbaard heeft. De eerste leesregel die ik noem, is dat je niet automatisch alles wat in de bijbel staat voor ons vandaag normatief kunt verklaren. Er is een onderscheid tussen ‘historisch Schriftgezag’ en ‘normatief Schriftgezag’. De tweede leesregel is dat de Bijbelse geschiedschrijving een eigen karakter heeft, die anders is dan onze wetenschappelijke geschiedschrijving. In dat kader schrijf ik dat ‘we de symbolische taal en het gebruik van mythologische elementen in het paradijsverhaal kunnen erkennen zonder te eisen dat ze als ‘zintuiglijk waarneembaar’ verklaard moeten worden.

Stellingen van Boonstra

Op basis van deze laatste zinsnede stelt Boonstra vervolgens, (a) dat ik ‘de ‘nieuwe hermeneutiek’ verdedig, zonder die te benoemen’ en ‘de oude hermeneutiek niet meer verantwoord vind’, en (b) dat ik ‘laat zien waar de nieuwe [hermeneutiek] je brengen kan: je hoeft het scheppingsverhaal en het verhaal van Adam en Eva niet meer op te vatten als echt gebeurd, maar meer als symbool of mythe.

De vraag is natuurlijk (a) op basis waarvan Boonstra concludeert dat ik de ‘oude hermeneutiek’ niet verantwoord vind en pleit voor ‘nieuwe hermeneutiek’, en (b) of ik inderdaad beweer dat je Gen. 1-3 moet opvatten als ‘niet echt gebeurd’, maar als symbool of mythe.

Ad a. Twee leesregels

De twee leesregels die ik noem en kort illustreer zijn leesregels, die ook in de handboeken genoemd worden die Boonstra als ‘oude hermeneutiek’ typeert.

Voor het onderscheid tussen ‘historisch Schriftgezag’ en ‘normatief Schriftgezag’ in de eerste leesregel verwees ik zelf naar de dogmatiek van Herman Bavinck. Maar ook F.W. Grosheide maakt in zijn Hermeneutiek gebruik van dit onderscheid. Hij schrijft dat ‘het Nieuwe Testament de openbaring van God is en daarom waar’, waaraan hij toevoegt: ‘Zeer zeker is er verschil van gezag, we vermelden weer de oude onderscheiding tusschen auctoritas historiae en auctoritas normae, maar daarmee wordt de waarheid en doelmatigheid niet aangerand.[6] S. Greijdanus benoemt in zijn Schriftbeginselen ter Schriftverklaring hetzelfde onderscheid, bijvoorbeeld in een paragraaf gewijd aan ‘Woord Gods in formeelen en in materielen zin’ (§24). Maar ook als hij de leesregel uitlegt dat we bij de exegese rekening moeten houden met ‘de onderscheiden tijden en bedeelingen’ past hij dit onderscheid toe: ‘Dientengevolge hebben wij niet zonder meer wat God tot Noach zeide, of tot Abraham sprak, of aan Israël verordende, als in dien letterlijken zin ook geldende voor de geloovigen van de Nieuwe bedeling op te vatten.’[7]

Wanneer ik als tweede leesregel noem ik dat ‘de Bijbelse geschiedschrijving een eigen karakter heeft’, dan is dat een voorbeeld van de regel dat bij de exegese rekening gehouden moet worden met ‘het bepaalde karakter van de te exegetiseren stof’ (Grosheide)[8] of zoals Greijdanus het formuleert: ‘Elk boek en elk deel en elk onderdeel der Heilige Schrift moet verstaan en verklaard worden naar zij in dat boek of deel of gedeelte zich geeft.[9]

Het mag duidelijk zijn dat ik de door mij genoemde leesregels onderschrijf. Daarom begrijp ik niet hoe Boonstra desondanks de conclusie kan trekken, dat ik de ‘oude hermeneutiek’ niet verantwoord vind en dat ik pleit voor ‘nieuwe hermeneutiek’.

Ad b. Gen. 1-3 symbool dan wel mythe?

Wanneer Boonstra op basis van mijn uitwerking van de tweede leesregel stelt, dat ik beweer dat je ‘het scheppingsverhaal en het verhaal van Adam en Eva niet meer hoeft op te vatten als echt gebeurd, maar meer als symbool of mythe’, dan dicht hij mij iets toe wat ik niet heb geschreven.

Ik ben ervan overtuigd dat aan het scheppingsverhaal en aan het paradijsverhaal geschiedenis ten grondslag ligt. Wat ik in mijn artikel beweer is, dat er gezien het karakter van de Bijbelse geschiedschrijving geen één-op-één relatie is tussen feit en beschrijving zoals wij die kennen in onze wetenschappelijke vorm van geschiedschrijving. Dat betekent dat ‘een uitsluitend letterlijk-historische uitleg’ van Gen. 1-3 niet meer te verantwoorden is. Ik beweer niet dat het scheppingsverhaal opgevat moet worden als symbool of mythe. Wel geef ik aan dat je bijvoorbeeld, net als de Vroege Kerk, de scheppingsdagen op figuurlijke wijze mag lezen. En verder dat er in het paradijsverhaal symbolische taal gebruikt wordt en dat daarin mythologische elementen aan te wijzen zijn, en dat je daarom niet van de exegese moet eisen om die ‘symbolische taal’ en ‘die elementen’ als ‘zintuiglijk waarneembaar’ te verklaren.

De wijze waarop ik voorstel het scheppings- en het paradijsverhaal te lezen, is een uitwerking van de door mij als tweede genoemde leesregel, die door Grosheide en Greijdanus gedeeld wordt. Dat mijn exegese tot een andere uitkomst leidt dan waar zij voor staan, komt niet omdat ik van een ‘nieuwe hermeneutiek’ uit zou gaan. Het verschil ligt daarin, dat Grosheide en Greijdanus m.i. in de toepassing van die regel nog te weinig gereflecteerd hebben op het verschil tussen de Bijbelse geschiedschrijving en de hen vertrouwde manier van 19e– en 20e-eeuwse geschiedschrijving.[10]

In de uitwerking van deze leesregel sluit ik mij welbewust nauw aan bij de wijze waarop prof. B.J. Oosterhoff daarover geschreven heeft. Zijn uitgangspunt is, dat ‘Gen. 2 en 3 ons feiten verhalen, maar dat deze ons worden meegedeeld in symbolische taal.’ Vandaar dat het onjuist is om deze verhalen te zien als ‘de exakt-historische beschrijving van de werkelijkheid.’[11]

Conclusie

Ik herken mij niet in de visie, waarvan Boonstra zegt dat ik die heb. Ik kan niet anders concluderen dan dat Boonstra zijn stellingen onderbouwt door mijn artikel in de mal van een vooropgezette tegenstelling tussen ‘oude’ en ‘nieuwe’ hermeneutiek te persen. Om dat te rechtvaardigen en mijn visie als ‘nieuwe hermeneutiek’ te kunnen typeren, dicht hij zonder enige grond mij een visie toe die ik niet heb.

Als je het in termen van de argumentatietheorie analyseert maakt Boonstra gebruik van de ‘stroman’- drogreden: het standpunt van de tegenstander wordt zodanig geïnterpreteerd dat het gemakkelijk te weerleggen is, waarbij gesuggereerd wordt dat dat het werkelijke standpunt van de tegenstander is.[12]

Als je eenmaal stelt dat de verdachte term ‘nieuwe hermeneutiek’ past op een bepaalde bijbeluitleg, dan is het vervolgens gemakkelijk om met de vermeende filosofische en theologische achtergrond daarvan die uitleg verdacht te maken, zoals Boonstra vervolgens in de rest van zijn artikel doet. Ik vind dit vrij beschamend en een gereformeerd theoloog onwaardig. Andere theologen worden ten onrechte als niet-gereformeerd afgeserveerd. Afgezien nog van het feit dat Boonstra door de manier waarop hij selectief leest, ‘hinein’-interpreteert en argumenteert ook niet zijn verantwoordelijkheid vervult om als doctor in de theologie te voldoen aan een wetenschappelijke standaard.

Nader Bekeken laat zich er op voorstaan dat zij staat voor de gereformeerde waarheid. Wanneer men meent op deze wijze exegetische verschillen als ‘virus’-gevaarlijk en onbetrouwbaar op te kunnen blazen en weg te kunnen zetten, speelt men m.i. met vuur. Het verspreiden van ongefundeerd confessioneel wantrouwen heeft in de kerkgeschiedenis van de 20e en 21e eeuw alleen maar tot betreurde breuken in de Gereformeerde Kerken geleid.[13]



[1] Pieter Boonstra, ‘Nogmaals oude of nieuwe hermeneutiek’, in: Nader Bekeken, Januari 2022, Jaargang 29, Nr. 1, p. 6-9. Ook te vinden als artikel van de maand op de website van de uitgever Woord en Wereld: https://www.woordenwereld.nl/files/openbaar/nader_bekeken/artikelen/2022/janAVM.pdf

[2] In 2020 bundelde hij deze artikelen in de brochure ´Hoe lezen we de Bijbel? Over hermeneutiek, interpretatie en Gods Woord´, (Cahier 123), Uitgeverij Woord en Wereld, 2020.

[3] Bert Loonstra, Hoe komt de kerk uit de crisis? Oproep om elkaar vast te houden en los te laten, Buijten & Schipperheijn, Amsterdam, 2021.

[4] Strikt genomen staat ‘de nieuwe hermeneutiek’ voor de school van Bultmann, waar Ernst Fuchs en Gerhard Ebeling de leidende figuren van zijn geworden, zie: Arie W. Zwiep, Tussen tekst en lezer. Een historische inleiding in de bijbelse hermeneutiek. Deel II: Van moderniteit naar postmoderniteit, Amsterdam: VU University Press, 2013, p. 147-152. Vgl. ook de opmerking van Anthony C. Thiselton: ‘This emphasis on present application rather than simply antiquarian biblical research stems partly from connexions between the new hermeneutic an the thought of Rudolf Bultmann, but also from a pastor’s deep and consistent concern on the part of Fuchs and Ebeling, both of whom served as pastors for some years, about the relevance and effectiveness of Christian preaching’, in: A.C. Thiselton, ‘The new hermeneutic’, in: I. Howard Marshall, (editor), New Testament Interpretation. Essays on Principles and Methods, Grand Rapids: Wm. B. Eerdmans Publishing Co, 1981, p. 308.

[5] Wie niet het blad Onderweg leest, verwijs ik naar de versie van het artikel op mijn weblog, dat zakelijk gezien identiek is: https://fpathuis.wordpress.com/2021/11/19/de-bijbel-lezen-in-andere-tijden/.

[6] F.W. Grosheide, Hermeneutiek ten dienste van de bestudering van het Nieuwe Testament, Amsterdam: H.A. van Bottenburg, 1929, p. 35-36.

[7] S. Greijdanus, Schriftbeginselen ter Schriftverklaring, Kampen: J.H. Kok N.V., 1946, p. 130-131.

[8] F.W. Grosheide, Hermeneutiek, p. 184

[9] S. Greijdanus, Schriftbeginselen ter Schriftverklaring, p. 115.

[10] Wanneer Boonstra mijn richting voor de exegese van Gen. 1-3 afwijst, ben ik benieuwd hoe Boonstra zelf het karakter van de Bijbelse geschiedschrijving duidt en Gen. 1-3 uitlegt tegen de achtergrond van de wetenschappelijke opvattingen over de ouderdom van de aarde en het ontstaan van de mens.

[11] B.J. Oosterhoff, Hoe lezen wij Genesis 2 en 3? Een hermeneutische studie, Kampen: J.H. Kampen N.V., 1972, p. 193.

[12] Ik beperk me in deze blog tot Boonstra’s bespreking van mijn eigen visie, maar zijn weergave van de visie van dr. Bert Loonstra is even tendentieus en frustrerend. Voor de reactie van Loonstra op Boonstra verwijs ik naar diens weblog: https://www.bertloonstra.nl/blog/pieter-boonstra-versus-bert-loonstra/.

[13] Vgl. A.P. van Langevelde, In het klimaat van het absolute. C. Veenhof (1902-1983) Leven en werk, Barneveld: Uitgeverij De Vuurbaak, 2015. Over de manier waarop in het blad Nader Bekeken zonder onderbouwing andere visies dan de eigen visie op ‘vrouw en ambt’ als ‘onbijbels’ en ‘in strijd met de belijdenis’ worden weggezet, schreef ik eerder al een blog: https://fpathuis.wordpress.com/2020/11/24/een-ander-fundament/.