Veranderende visie op het ambt

Op de komende synode van NGK/GKv zal opnieuw aan de orde komen of een kerkelijk werker de sacramenten mag bedienen. Sacramentsbediening behoort bij de taak van de predikant. Omdat de kerkelijk werker geen ambt vervult, mag hij niet het avondmaal of de doop bedienen. Dat een ouderling-ambtsdrager het sacrament niet mag bedienen, wordt beargumenteerd met een verwijzing naar de verbondenheid van verkondiging en sacrament. In de reformatorische ambtstheologie blijft dan de vraag over, of een voorganger die wel het Woord mag bedienen ook de sacramenten mag bedienen, als hij geen ambtsdrager is.

[Artikel in Gereformeerd Kerkblad van 16 september 2022.]

De verbinding van ambtsdrager zijn en de sacramenten bedienen is historisch verbonden met de essentiële betekenis van de priester voor het uitvoeren van de mis. Het offer dat volgens de rooms-katholieke traditie met de mis verbonden is, maakt het noodzakelijk dat een gewijde priester de mis consecreert. Alleen zo wordt tijdens het uitspreken van de instellingswoorden van de eucharistie het brood en de wijn veranderd in het lichaam en bloed van Christus, de zgn. transsubstantiatie.

Het priesterlijke ambt  

De grond voor deze visie in de R.K.-kerk is dat Christus via het priesterlijke ambt het heil bemiddelt. Deze heilsbemiddelende taak is toebedeeld aan de clerus die tegenover de leken in de kerk een afgezonderde en gewijde geestelijke stand vormen. Hun wijding is zelf een sacrament, dat teruggaat op de roeping van de twaalf apostelen, welke roeping volgens de traditie overgegaan is op de bisschoppen met de Paus als eerste en belangrijkste bisschop in de hiërarchie. De bisschoppen oefenen het priesterschap van Christus in zijn volheid uit en delen die door handoplegging aan anderen mee, allereerst de gewone priesters, daarna ook aan de diakenen als helpers van de bisschoppen en priesters. Door de handoplegging is de priester als geordineerde ambtsdrager op ‘ontologische’ of ‘substantiële’ wijze aan Christus gelijkvormig gemaakt; deze handoplegging stempelt hem voor heel zijn leven ‘onvervreemdbaar’ als lid van de geestelijke stand. Verbonden met de hiërarchie krijgt de priester deel aan de bovennatuurlijke kracht van de genade, die Christus aan zijn kerk verleend heeft. Zo leeft Christus in het wijdingssacrament substantieel voort in de kerk. Alleen dankzij dit fundamentele wijdingssacrament is het mogelijk dat ook de andere zes sacramenten, waaronder de eucharistie en de doop, bediend kunnen worden.

De Reformatie

De reformatoren hebben van deze rooms-katholieke visie op de heilsbemiddeling via een geestelijke stand radicaal afstand genomen. Met het afschaffen van het wijdingssacrament hebben zij ook de hiërarchie van het priesterlijke ambt en de apostolische successie opgeblazen. Het aantal van zeven sacramenten bracht men terug tot de twee die door Christus zelf zijn ingesteld, te weten doop en avondmaal.

Tegenover het priesterlijke ambt plaatste de Reformatie het ‘ministerium verbi divini’ (dienst van het goddelijke Woord). Zoals de Heidelbergse Catechismus formuleert: wij krijgen door het geloof deel aan Christus en al zijn weldaden. Dat geloof wordt door de Heilige Geest in ons gewerkt door de verkondiging van het evangelie en door Hem versterkt door het gebruik van de sacramenten (HC Zondag 25). Zo regeert Christus ons als koning ‘met zijn Woord en Geest, en beschermt hij ons bij de verworven verlossing’ (HC Zondag 12).

Het was op een bepaalde manier vanzelfsprekend dat de taken die de priester verrichtte, sinds de Reformatie door de predikant uitgevoerd zouden worden. Niet alleen de bediening van de sacramenten, maar ook de andere vijf sacramenten, die wij nu sacramentalia noemen: de bevestiging in het ambt, de bevestiging van het huwelijk, het afnemen van de openbare geloofsbelijdenis, het voorgaan in een rouwdienst. Soms met het argument dat b.v. de huwelijksbevestiging bij de bediening van het Woord behoort.

Veranderde ambtsvisie

Wanneer vandaag aan niet-predikanten en kerkelijk werkers de bevoegdheid wordt gegeven om het Woord te verkondigen, zal de beperking van de sacramentsbevoegdheid tot de predikant als ambtsdrager nader beargumenteerd moeten worden. Historisch gezien is de evidentie daarvan ook niet altijd gezien. In de 17e en 18e eeuw mocht in de Friese kerken een proponent of kandidaat ‘de sacramenten bedienen, en alles doen wat tot het herdersambt behoort, ook vóór hij in een plaatselijke kerk bevestigd was.’ In de bezinning zal de vraag centraal moeten staan wat het betekent dat de Reformatie in de ambtstheologie de ‘ontologische’ visie op het ambt vervangen heeft door een ‘functionele’ benadering.

Preken voor tijdgenoten

Het spannende van preken is of er een verbinding tot stand komt tussen de (bijbel)tekst en de hoorder. Een preek is geslaagd wanneer de hoorder de wereld van de tekst zo met de eigen werkelijkheid kan verbinden, dat hij zich in de preek door God aangesproken weet. Het doel van de verkondiging is dat de hoorder aangeraakt wordt door Gods genade en ‘woorden van God’ verneemt. Dat betekent dat de prediker zich zowel moet verhouden tot de tekst die hij ‘bepreekt’ als tot de context en de cultuur van de hoorder. Kees van Ekris bespreekt op een stimulerende wijze wat de prediker hierbij kan helpen.

[Recensie in Gereformeerd Kerkblad van 2 september 2022.]

Kees van Ekris (1972) is programmaleider van Areopagus, de afdeling binnen de IZB – de Inwendige Zendingsbond, onderdeel van de Gereformeerde Bond in de PKN – die zich richt op de toerusting van predikanten om contextueel-missionair te preken. Daarnaast is hij docent homiletiek (preekkunde) op de Evangelische Theologische Faculteit (ETF) te Leuven. Ook is hij betrokken bij de podcastseries ‘Eerst Dit’ en ‘Moderne profeten’ van de EO en IZB.

Actueel en relevant

De prediker is zelf altijd de eerste hoorder. Dat is een inzicht van Calvijn: ‘Ook degene die onderwijst moet net zo goed als de anderen leerling zijn.’ Ook in Geneve lag de nadruk al op de relevantie van de preek: ‘Van de Geneefse predikanten werd niet alleen verwacht dat zij in staat waren een perikoop goed te exegetiseren, maar ook dat zij wat daar beschreven wordt vruchtbaar konden maken voor de actuele situatie waarin het Woord verkondigd wordt.’[1]

In de gereformeerde preektheorie is dit altijd uitgangspunt geweest. De preek is ‘een boodschap aan deze zeer bepaalde mensen, hier en nu, nooit plaats- en nog minder tijdloos’, aldus Tjeerd Hoekstra in 1920, wat voor de prediker mensenkennis en het verstaan van de tijd vereist.[2] Om de relevantie van de tekst te ontdekken moet in de preekvoorbereiding volgens Kees Trimp in 1978 op de exegese van de tekst altijd de zgn. ‘homiletische exegese’ of ‘meditatie’ volgen. Allereerst om de tekst zelf tot de prediker te laten spreken en hem in dienst van zijn boodschap te nemen. Maar ook opdat de concrete boodschap voor de gemeente gestalte krijgt door ‘allerlei beelden, vergelijkingen, zinswendingen, etc.’ die hem bij de meditatie zullen invallen.[3]

In het verlengde hiervan was het niet vreemd, dat Kees de Ruijter als hoogleraar methodisch aandacht vroeg voor ‘hoordergericht’ preken. De boodschap van de preek zal moeten aansluiten bij de situatie van de hoorders, bij hun vragen en aanvechtingen. ‘De prediker richt zich concreet tot de hoorders in de werkelijkheid van hun bestaan. Hij preekt dus binnen hun herkenbare werkelijkheid, niet binnen de historische werkelijkheid van de tekst.’ De Ruijter brengt dat op formule als ‘preken voorbij de tekst’. Zo bewijst de verkondiging van Gods Woord zijn relevantie en actualiteit.[4]

Methodisch richtlijnen

In zijn homiletiek heeft De Ruijter in 2013 het homiletisch proces van de preekvoorbereiding uitgewerkt volgens de homiletische drieslag ‘tekst – prediker – hoorder’, die vraagt om resp. ‘exegetische analyse’, ‘persoonlijke meditatie’ en ‘pastorale reflectie’. De inhoud van de preek komt in een constant circulair proces vanuit deze drie bronnen tot stand, waarbij de tekst het theologisch primaat moet ontvangen.[5]

Kees van Ekris structureert in zijn homiletiek het preekproces systematisch vanuit de prediker als hoorder. Net als de gemeente is hij participant in de hedendaagse cultuur en laat zo de Geest tot zich spreken in de Bijbeltekst. Van daaruit formuleert hij/zij de boodschap van de tekst voor de gemeente, met als doel dat de gemeente en de hoorders door de boodschap getransformeerd en gezegend worden in hun leven van elke dag.

Rijk (werk)boek

Van Ekris heeft een zeer inspirerende homiletiek geschreven, waarbij in 10 hoofdstukken alle facetten van het maken en houden van een preek, ondersteund met veel achtergronden, voorbeelden en suggesties, aan de orde komen. Door de verdiepende vragen bij elk hoofdstuk is het een echt werkboek geworden, niet alleen voor de prediker, maar ook voor de kerkenraad en belangstellende gemeenteleden. Het is een boek, dat ik nog regelmatig hoop te herlezen.

N.a.v. Kees van Ekris, Dialoog, dans en duel. Preken voor tijdgenoten, Utrecht: KokBoekencentrum Uitgevers, 2022, 352 pagina’s. Prijs: € 24,99.


[1] Wim Moehn, ‘Preken’, in: Herman J. Selderhuis (red.), Calvijn Handboek, Kampen: Uitgeverij Kok, 2008, p. 205-214, citaten op p. 209 en 210.

[2] Vgl. T. Hoekstra, Gereformeerde prediking, Baarn: Uitgeversmaatschappij E.J. Bosch JBzn, 1920, p. 48: ‘Het eischt van den prediker eene groote menschenkennis, hij moet zijn tijd verstaan, „bij” zijn.’

[3] C. Trimp, De preek. Een praktisch verhaal over het maken en houden van preken, Kampen: Copieerinrichting v.d. Berg, 1980, 2e druk, p. 19-21.

[4] C.J. de Ruijter, ‘Licht op het pad. Over exegetisch verantwoord preken’, in: Theologia Reformata, Vol. 57, No. 2 (2014), p. 129-138, citaat op p. 137.

[5] Kees de Ruijter, Horen naar de stem van God. Theologie en methode van de preek, Zoetermeer: Uitgeverij Boekencentrum, 2013. Zie m.n. Hoofdstuk 8, ‘Preekvisie en methode’, p. 157-173.