Groeien in liefde

In de oudste brief die we van Paulus hebben, 1 Tessalonicenzen, smeedt Paulus voor het eerst de drieslag ‘geloof, hoop en liefde’. Hij dankt God voor ‘hoeveel hun geloof tot stand gebracht heeft, hoe krachtig hun liefde is en hoe standvastig ze blijven hopen op de komst van Jezus Christus, de Heer’ (1:3). Met betrekking tot de liefde roept hij de gemeente van Tessalonica later in de brief op om de onderlinge liefde nog meer te beoefenen dan ze al doen.

[Artikel in Gereformeerd Kerkblad van 14 oktober 2022.]

Wanneer je de brieven van Paulus aan de gemeenten in Korinte of Rome leest, dan blijkt hoe belangrijk deze drieslag in zijn denken geworden is. Geloof wordt concreet zichtbaar in de onderlinge liefde, die geïnspireerd wordt door de hoop te mogen delen in Jezus’ luister. Het uitzien naar de komst van Jezus kleurt nu al het leven van de gemeente. Het geheim daarvan is de Geest, die door Christus als voorschot vanuit de hemelse werkelijkheid gegeven is.

Vrucht van de Geest

Paulus noemt de betekenis van de Geest op verschillende plaatsen in de eerste brief aan de Tessalonicenzen. De overtuigingskracht van Paulus’ boodschap lag in de Geest (1:5). Die bewerkte dat de Tessalonicenzen tot geloof kwamen. Maar ook het blijven geloven is zijn werk. Vandaar dat Paulus als gebed zijn verlangen uitspreekt, dat ‘de Heer hun liefde voor elkaar en ieder ander groter mag maken’ en dat ‘de Heer hen door die liefde kracht mag geven’ (3:12-13). Het geloof en het samen gemeente-zijn zijn vruchten van Christus’ Geest.

Opvallend blijft dat de kracht van de Geest zo op menselijke wijze zichtbaar wordt. Zoals God in het Oude Testament op mensvormige wijze aan Abraham verscheen en het Woord van God in het Nieuwe Testament in Jezus Christus mens werd, zo verschijnt de Geest in het handelen van mensen. De Tessalonicenzen aanvaardden de verkondiging van Paulus ‘als het woord van God, dat werkzaam is in de gelovigen’ (2:13).

Voor ons gemeente-zijn vandaag betekent dit dat wij in het uitwerken van plannen, ideeën, wensen en visies ons afhankelijk moeten weten van de Geest van Christus. Geven we hem de ruimte om – weliswaar door ons heen – zelf de richting te laten wijzen? Als we afhankelijk willen zijn van zijn inzicht, dan zullen we hem daar ook bewust om moeten vragen. Zonder het voortdurend gebed om de Geest zullen onze inspanningen weinig effect hebben. Niet voor niets roept Paulus in hoofdstuk 5 op om ‘onophoudelijk te bidden’ (5:17). Net zoals hij zelf ook onophoudelijk bidt voor het welzijn van de verschillende gemeenten waarmee hij in contact staat.

Testcase

Op een bepaalde manier is de mate van onderlinge liefde de testcase voor het geloof. Dat we niet alleen elkaars broers en zussen zijn, maar ons ook als broers en zussen gedragen. Door de doop ben je met Christus en daarmee ook met je broers en zussen in Christus’ lichaam verbonden. Paulus vraagt daarom de Tessalonicenzen om die verbondenheid tot uitdrukking te brengen door elkaar steeds meer lief te hebben.

Liefhebben betekent dat je tijd en aandacht aan de ander besteedt en contact met elkaar onderhoudt. Dat je het goede voor de ander zoekt. Dat je naar elkaar omziet, niet selectief, maar open naar iedereen. In de gemeente mag het niet zo zijn, dat mensen aan zichzelf overgelaten worden, omdat de anderen alleen betrokken zijn op de eigen groep of kring.  Liefhebben is ook niet gebaseerd op sympathie, maar op een keuze. Wie liefheeft zal samen met de ander de weg van het geloof willen lopen, zelfs als dat voor hem of haar moeite en zelfverloochening betekent.  

Christus’ komst

Paulus zet zijn aanwijzingen voor het gemeente-zijn in het perspectief van Jezus’ komst. Het gaat erom, ‘dat wij zuiver en heilig voor onze God en Vader zullen staan, wanneer onze Heer Jezus met al zijn heiligen komt’ (3:13). Omdat de gemeente de bruid van Christus is en het volk van God.

Dat was Gods doel al in het Oude Testament. Hij verloste het volk Israël uit Egypte, zodat zijn volk in zijn nabijheid zou leven. Hij in de tabernakel en het volk daaromheen verzameld. Om samen naar het beloofde land te gaan, waar Hij in de tempel zou wonen en het volk voor zijn aangezicht zou verschijnen. En dat onder de oproep om heilig te leven, zoals de HEER zelf ook heilig is. Vandaag is dat nog steeds Gods doel.

Paulus weet dat zo aan God toegewijd leven niet het louter volgen van regels is en alleen maar mogelijk is door Gods Geest. Daarom bidt hij in 5:23, of God zèlf het leven van de gemeente in alle opzichten wil heiligen, zodat zijn doel gerealiseerd zal worden: dat wij bij Christus’ komst een zuivere en heilige gemeente zullen zijn.