Als een olifant door de porseleinkast

Ik voel plaatsvervangend schaamte voor de wijze, waarop Ernst Leeftink in zijn blog over lhbti+ en de kerk zijn visie over dit delicate onderwerp onder woorden brengt[1]. Grote woorden als het gaat om de intentie van de besluitteksten te duiden die komende zaterdag 8 maart a.s. op de vergadertafel van de NGK Synode van Deventer liggen (angst om kleur te bekennen, de wil om als heel tolerant beschouwd te worden) of het effect daarvan (christelijke vrijblijvendheid en verwaterde kleurloosheid) tezamen met in dit kader onpasselijke beeldspraak (‘roze olifant’). Prudentie is ver te zoeken.

Volgens Leeftink walst de commissie van de Synode als een ‘roze olifant door de porseleinkast van gevoeligheden binnen de breedte van NGK.’ Uit de onderbouwing en de samenvatting van zijn blog blijkt dat de strekking van de voorgestelde besluitteksten vooral niet in lijn ligt met zijn eigen visie op homoseksualiteit, het huwelijk en het ambt. Want in zijn optiek zullen de NGK, wanneer deze besluiten worden aangenomen ‘verworden tot een kleurloos kerkverband,’ waarin:

  1. Gods oorspronkelijke goede schepping waarin homoseksualiteit niet voorkwam (Genesis 1 en 2) niet meer serieus genomen wordt;
  2. het huwelijk tussen man en vrouw zoals God dat bedoeld heeft niet meer in alle omstandigheden in ere gehouden wordt (Hebreeën 13:4);
  3. en het ambt, dat aan gemeenteleden hogere eisen stelt dan aan iedere avondmaalsganger, niet meer hoog gehouden wordt (1 Timotheüs 3:1-13 en Titus 1:5-9).

De onderbouwing van deze boude uitspraak lijkt door de verwijzing naar diverse teksten Bijbels verantwoord, maar is helaas nogal kort door de bocht en gestoeld op verschillende discutabele aannames.

Ad a. De visie op homoseksualiteit

Volgens Leeftink wordt er ‘een nieuwe visie, die de gevolgen van de zondeval ontkent, zonder enige onderbouwing binnengehaald als passend binnen de bandbreedte van een gereformeerde visie op de Bijbel.’ Zelfs worden er voor ‘de lens van variatie’ zijns inziens ‘geen gereformeerde theologen aangehaald.’

In het rapport wordt op p.74 in noot 97 Almatine Leene geciteerd, die voor zover ik weet een gereformeerd theoloog is. Zij schrijft: ‘Vanuit een genderspectrum waarbij sprake is van beweeglijkheid of fluïditeit en waarbij genderidentiteit zichtbaar wordt in een diversiteit aan seksuele expressies, krijg je een ander perspectief. Deze overtuiging wordt versterkt door ons verstaan van onder andere Genesis 1:26-27, waarin wij Gods schepping van ’man en vrouw’ niet zien als een binair en polair gegeven, maar als een continuüm waarbinnen ruimte voor diversiteit is.’

Ik lees hier niet anders dan dat zij op exegetische gronden verdedigt dat ook ‘in Gods oorspronkelijke goede schepping’ homoseksualiteit gewaardeerd kan worden als een gelovig te aanvaarden gendervariatie. Je kunt van mening verschillen over de exegese van deze verzen en over de consequenties daarvan, maar de stelling dat ‘Gods oorspronkelijke goede schepping niet meer serieus genomen wordt’ lijkt mij niet houdbaar. Net zo goed als dat in dit licht bezien ook de stelling dat ‘in Gods oorspronkelijke goede schepping homoseksualiteit niet voorkomt’ niet evident meer is.

Ad b. De visie op het huwelijk

Leeftink legt de besluitteksten zo uit, dat het mogelijk moet zijn ‘om een homohuwelijk op dezelfde manier in te zegenen als het Bijbelse huwelijk tussen man en vrouw, inclusief beloften van liefde en trouw en het ontvangen van Gods zegen op de knielbank.’ Dit is zijn formulering van wat de commissie zelf expliciet als omschrijving bij de herziene versie van dit onderdeel van het besluit (besluit 5) biedt, namelijk: ‘Het gaat om die relaties, waarin mensen zich in hun homoseksuele relatie op een zelfde manier aan elkaar willen verbinden – en in de gemeente van Christus ook aan de Heer van de kerk – als in het huwelijk tussen man en vrouw. Zo’n relatie kan een kerkenraad aanvaarden, in lijn met besluit 2. Dan past het ook om daaraan in de gemeente aandacht te besteden. Het midden van de gemeente is de plek waar we met elkaar voor Gods aangezicht ons eigen leven in Zijn hand willen leggen.’

Het verschil in omschrijving is dat Leeftink met de formulering ‘een homohuwelijk op dezelfde manier in te zegenen als het Bijbelse huwelijk tussen man en vrouw’ al een voorschot neemt op wat de uitkomst zal zijn van de eventuele opdracht voor ‘de landelijke commissie liturgische ondersteuning om, zo mogelijk in samenwerking met Kerkpunt, hiervoor materiaal te ontwikkelen en de kerken aan te reiken.’ Dit in weerwil van de commissie die er juist voor heeft gewaakt om daarover inhoudelijke dingen te zeggen en schrijft: ‘Dát is niet de scope van de voorliggende besluiten. En het is niet goed om daarover en passant uitspraken te doen die óf niet gevraagd óf niet voldoende onderbouwd zouden zijn.’

Ik vind het unfair van Leeftink om ondanks deze expliciete toelichting toch zijn omschrijving van de besluittekst te geven en dat als argument te gebruiken om de uitspraak te onderbouwen dat deze besluiten veeleer ‘een knieval’ zijn voor wat het studierapport op dezelfde blz. p. 109 [in de blog staat abusievelijk p. 104]: ‘de dominante visie in onze cultuur’ noemt. Zeker ook omdat al in het rapport al gezegd is, dat men ‘onvoldoende tijd gehad heeft om alle vragen rond het zegenen of bevestigen van een homoverbintenis goed te doordenken.’

Het blijft natuurlijk staan, dat er wel degelijk een verschil van visie is op de interpretatie van Gen. 1:27, zoals die ook in het rapport op p. 109 wordt gegeven: ‘De seksuele omgang tussen man en vrouw is vanwege dat wonder van het nieuwe leven meer dan een variant binnen het spectrum van de menselijke seksualiteit. Tegelijkertijd erkennen we in de werkelijkheid van mensen om ons heen een breedte van variaties waar we respectvol nabij willen zijn.’ Maar je kunt op grond daarvan niet met een loutere verwijzing naar Hebreeën 13:4 volhouden, dat ‘het huwelijk tussen man en vrouw zoals God dat bedoeld heeft niet meer in alle omstandigheden in ere gehouden wordt.’ Dat vergt heel wat meer onderbouwing, dan nu in een enkele pennenstreek wordt geclaimd.

Ad c. De visie op het ambt

Leeftink stelt dat wanneer in de NGK iemand die in een homoseksuele verbintenis samenleeft ambtsdrager wordt ‘het ambt niet meer hoog gehouden wordt.’ Hij wijst de visie van de commissie af, dat ‘wanneer er geen reden is om iemand het avondmaal te ontzeggen, in beginsel ook de weg naar de ambtsdienst open staat.’ Ik begrijp niet goed waarom Leeftink deze formulering bestrijdt, omdat het duidelijk is dat ook de commissie door het begrip ‘in beginsel’ te gebruiken erkent dat een persoon voor het vervullen van een ambt aan aanvullende criteria zal moeten voldoen. In de voorgestelde besluittekst staat volgens mij daarom ook expliciet geformuleerd: ‘het aan de kerken over te laten om in voorkomende situaties zorgvuldig af te wegen of zij iemand met een homoseksuele relatie kunnen roepen tot het ambt van predikant, ouderling of diaken.’

Waar Leeftink eigenlijk bezwaar tegen maakt is, dat in de visie van de commissie ‘het loutere feit van een homoseksuele verbintenis’ geen voldoende argument is om niet een ambt te kunnen dragen. Zijns inziens is in dit verband ‘nogal belangrijk, de voorwaarde dat de ambtsdrager ‘de man van maar één vrouw’ is (1 Tim. 3:2 / Titus 1:6).’ Wat zijns inziens ‘duidelijk verwijst naar de instelling van het huwelijk als een levenslange relatie tussen één man en één vrouw.’

Ik vind dit argument te pijnlijk voor woorden en acht het behalve als exegetisch onzorgvuldig vooral als een teken van een groot gebrek aan hermeneutische sensitiviteit. Allereerst omdat het mijns inziens duidelijk is, dat de focus van de voorwaarde die Paulus in de genoemde teksten inbrengt vooral de ‘huwelijkstrouw’ betreft, door Van Houwelingen in zijn commentaar omschreven als: ‘geen buitenechtelijke relaties maar trouw in liefde.’[2] Vervolgens omdat Leeftink niet rekent met de implicaties van het uitgangspunt, dat hij aan het begin van zijn blog lijkt te onderschrijven, namelijk dat ‘de bijbelschrijvers een diepgewortelde homoseksuele oriëntatie / geaardheid / gerichtheid niet op het netvlies stond en van gelijkgeslachtelijke seks moet worden onderscheiden.’ De criteria die Paulus in zijn brieven aan het ambt stelt hebben vooral te maken met het gedrag en de houding van de toekomstige ambtsdragers en niet met het zijn van de persoon. Ook hier geldt, dat een hermeneutische toepassing van deze criteria in onze tijd meer vraagt, dan een simpele verwijzing naar deze criteria op zichzelf om te onderbouwen dat wanneer een persoon die in liefde en trouw in een homoseksuele relatie leeft, als ambtsdrager het ambt zou devalueren.

Conclusie

De voorgestelde besluitteksten rond het thema ‘lhbti+ en de kerk’ op de vergadering van komende zaterdag 8 maart 2025 van de Synode van Deventer roepen tegenspraak op. Eerder al het ingezonden van Dick Westerkamp in het Nederlands Dagblad van 25 februari jl.,[3] en nu de blog van Ernst Leeftink. Juist omdat het een emotioneel gevoelig onderwerp betreft zou je verwachten dat men zorg zou besteden aan een zorgvuldige en onderbouwde argumentatie. Ik vind het beschamend en teleurstellend, dat het hen niet gelukt is om dat niveau te bewaken.


[1] https://ernstleeftink.com/2025/03/04/als-een-roze-olifant-door-de-ngk-porseleinkast/

[2] P.H.R. van Houwelingen, Timoteüs/Titus. Pastorale instructiebrieven, (CNT), Kampen, 2009, 86.

[3] Zie: https://fpathuis.wordpress.com/2025/03/04/gereformeerden-gender-en-de-vrijzinnigheid/

Gereformeerden, gender en de vrijzinnigheid

Voor gereformeerden blijft de omgang met gender lastig. Ging het eerst over de positie van de vrouw in de kerk, vandaag gaat het om de lhbtqia+ en de kerk.

Nu er de komende zaterdag, 8 maart 2025, door de NGK Synode van Deventer een besluit moet worden genomen over de vraag ‘wat de gemeente te bieden heeft aan broers en zussen met een homoseksuele geaardheid in haar midden’[1], spelen de reflexen weer op om de positie, waar men vanuit eigen overtuiging niet mee in kan stemmen, te beschuldigen van onzuiverheid in de leer. Werden in de discussie rond de vrouw en het ambt daarvoor de begrippen ‘Schriftkritiek’ en ‘nieuwe hermeneutiek’ gebruikt, vandaag is de term ‘vrijzinnigheid’ het sjibbolet om de visie van de ander af te wijzen.

Dick Westerkamp gebruikt in zijn ingezonden in het Nederlands Dagblad van dinsdag 25 februari 2025 als definitie van de term ‘vrijzinnig’: ‘de bewuste afwijking van de klaarblijkelijke betekenis van de bijbeltekst’, waarmee meteen duidelijk wordt hoe lastig het is om deze term eenduidig toe te passen, omdat het in de overwegingen op de synode juist ging om de vraag wat ‘de klaarblijkelijke betekenis van de bijbeltekst’ is, en men het daarover niet eens kon worden. Het is mijns inziens te gemakkelijk om in zo’n situatie de eigen exegese van de bijbeltekst normatief als ‘de klaarblijkelijke’ te verklaren. Afgezien nog van de manier waarop je kunt nagaan of iemand ‘bewust’ afwijkt van die ‘klaarblijkelijke betekenis.’

Westerkamp doet wel een poging om het begrip ‘de klaarblijkelijke betekenis van de bijbeltekst’ zodanig te operationaliseren, dat er een werkbaar instrument ontstaat. Hij verwijst naar een uitspraak van Alvin Plantinga: ‘Als je een keer hebt vastgesteld wat je denkt dat God leert in een gegeven passage, wat Hij ons voorhoudt te geloven, dan is de zaak beklonken. Je hoeft verder niet te vragen of het waar is, of aannemelijk, of dat er een goede zaak is opgebouwd. God hoeft geen zaak op te bouwen’.

Op deze manier gehanteerd, vind ik dit een gevaarlijk instrument om mee te werken, omdat er de suggestie van uitgaat dat er een =-gelijkteken is tussen dat ‘wat jij denkt dat God leert in een gegeven passage’ en dat ‘wat God zegt’, wat je verder niet meer hoeft te onderbouwen. Het ‘klaarblijkelijke van wat God zegt’ wordt geïdentificeerd met ‘de zaak is beklonken als jij hebt vastgesteld wat jij denkt dat God leert’: doorvragen of je terecht tot die conclusie bent gekomen, en of dit werkelijk is wat God leert of zegt, is niet meer nodig, met de impliciete strekking dat als je dat wel doet, je God niet gehoorzaamt, omdat ‘God geen zaak hoeft op te bouwen’. 

Afgezien van dit principiële bezwaar, lijkt mij dat de geschiedenis heeft laten zien dat het een onwerkbaar instrument is. Te vaak hebben de kerk en de theologen moeten erkennen, dat de klaarblijkelijkheid van bepaalde exegeses uiteindelijk toch minder klaarblijkelijk was, als dat ze jarenlang gepresenteerd werd. Ik neem aan, dat Westerkamp onder verwijzing naar dit citaat van Plantinga er niet voor zal willen pleiten dat de vrouw geen predikant mag worden, omdat de kerk conform de klaarblijkelijke bedoeling van de bijbeltekst eeuwenlang geleerd heeft ‘dat de vrouw in de gemeente moet zwijgen.’

De paradox van het spreken over ‘de klaarblijkelijke betekenis van de bijbeltekst’ is, dat men een beroep daarop juist noodzakelijk acht in situaties waarin duidelijk is, dat ‘de klaarblijkelijkheid’ van de betekenis afwezig is. Wanneer men in zo’n situatie de exegese van de ander etiketteert als ‘Schriftkritiek’, ‘nieuwe hermeneutiek’ of ‘vrijzinnig’, vervangt men de bezinning op de hermeneutiek door een retoriek, die helaas vaak gebruikt is om een onwelgevallige exegese niet op basis van gesprek en argumentatie te weerleggen, maar op basis van macht te cancelen.


[1] https://ngk.nl/actueel-2/. Zie verder ook mijn tweede blog n.a.v. de tegenspraak over de concepten voor de besluitvorming: https://fpathuis.wordpress.com/2025/03/06/als-een-olifant-door-de-porseleinkast/.