Geen hermeneutische kunstgrepen

Dr. Bert Loonstra schreef een ingezonden in het Nederlands Dagblad van 11 juni 2024 over de wijze waarop je op grond van de bijbel kunt komen tot het aanvaarden van duurzame homoseksuele relaties in liefde en trouw, zonder dat je daarvoor ‘hermeneutische kunstgrepen’ hoeft toe te passen. Met zijn toestemming herplaats ik zijn visie op mijn weblog.

Aanleiding

In de Nederlandse Gereformeerde Kerken zou het gezag van de Schrift op de helling staan. Henk van den Belt beweert het (ND 23 mei), Paul Voorberg bestrijdt het (ND 29 mei) en Dick Westerkamp (ND 7 juni) neemt het op voor Van den Belt. Maar hoe zit het nu?

Van den Belt doet zijn uitlating met verwijzing naar besluitvorming over vrouw en ambt en over homoseksuele relaties. Voorberg benadrukt dat ten aanzien van vrouw en ambt de besluitvorming het gezag van de Bijbel vooropstelt. Westerkamp is dat met hem eens: op grond van Bijbelse exegese is de vrouw in een ambt goed te verdedigen. 

Maar ten aanzien van homoseksualiteit ligt dat volgens hem anders. Alle bijbelteksten wijzen gelijkgeslachtelijke seksuele relaties af. Daar is iedereen het over eens. Hoe kun je dan homorelaties in liefde en trouw aanvaarden, als je je aan de Schrift wilt onderwerpen? Dan moet je wel uitlegkundige kunstgrepen gaan toepassen. Aldus Westerkamp.

Geen is-gelijk teken

Helaas is dit de zoveelste keer dat de trouw aan de Schrift versimpeld wordt tot volgen wat er letterlijk staat. Er gaat echt van alles mis wanneer we cultureel bepaalde uitgangspunten die de context vormen niet meewegen. Zoals dit gegeven: homoseksualiteit als persoonlijkheidsprobleem was onbekend. Het verschijnsel stond in de Bijbel altijd in de context van heidendom en goddeloosheid, dus van het niet erkennen van God de Schepper. Als je dit gegeven niet meeneemt, ga je een is-gelijk tekens zetten tussen toen en nu, juist waar ze niet terecht zijn.

Bovendien houd je die is-gelijk tekens niet vol. Volgt iemand die homorelaties onder alle omstandigheden afwijst de evidente uitspraken van de Bijbel op? Nee. Een voorbeeld is de liefdevolle, geduldige en empathische wijze waarop het synoderapport van de Christelijke Gereformeerde Kerken uit 2013, dat homorelaties afwijst, met homo’s in hun moeizame strijd om wil gaan, ook als die aan zijn of haar neigingen heeft toegegeven. Die manier kom je in de Bijbel niet tegen. Overal waar de Bijbel homoseksualiteit afwijst doet hij dat met weerzin en toorn, zonder pardon, en zeker niet met begrip en meeleven.

Maar het is toch bijbels dat we vergevingsgezind met de boetvaardige zondaar omgaan? Ja, maar juist hier ligt mijn punt. Homoseksualiteit bestaat in de Bijbel niet als strijd van een individu met zijn of haar geaardheid, maar alleen als moedwillige ongehoorzaamheid tegen God. Als we dan toch over homoseksualiteit in onze context spreken, hebben we het over iets anders dan wat in de Bijbel staat.

Eerlijke exegese

Moet je een uitlegkundige kunstgreep uithalen om dan uit te komen bij het toestaan van duurzame homoseksuele relaties? We hebben al vastgesteld dat het over iets anders gaat dan wat de Bijbel op het oog heeft. Verder lezen we een overvloed aan nieuwtestamentische teksten waarin de ware bedoeling en vervulling van de wet in de gevende liefde wordt gelokaliseerd die het welzijn van de ander zoekt. Allemaal resultaten van eerlijke exegese, geen kunstgrepen. Het enige dat wij doen is ons hoeden voor misleidende versimpeling bij de uitleg van wat er staat.

Beperkte zeggingskracht van de bijbel?

Naar aanleiding van dit ingezonden werd mij op Twitter de vraag voorgelegd, ‘waarom de context van heidendom en goddeloosheid in de bijbel (zo Loonstra) vandaag minder veelzeggend wordt, wanneer in onze cultuur homoseksualiteit als een persoonlijkheidsprobleem wordt gezien?’ Binnen de beperkte marges van Twitter heb ik deze vraag op de volgende wijze beantwoord.

Verschillende vormen van homoseksualiteit

Ik zal een poging wagen, al vergt het wat meer nuance als op Twitter mogelijk is. Ik vind in ieder geval dat Loonstra niet beweert dat de context minder veelzeggend wordt, maar dat zijn visie is dat je niet zomaar een-op-een de norm van toen naar vandaag kunt overzetten.

Loonstra zegt m.i. dat homoseksualiteit in de bijbel besproken wordt onder het aspect van het niet-erkennen van God als Schepper. Maar daarom blijft de context van heidendom en goddeloosheid voor het verstaan van wat de bijbel over homoseksualiteit toen en nu zegt, nog wel belangrijk.

De vraag is, of je op grond van de bijbelse veroordeling van de homoseksualiteit toen ook vandaag een vorm van homoseksualiteit moet afwijzen, die men als zodanig niet in de bijbel kende, namelijk homoseksualiteit als persoonlijkheidsprobleem, (zoals Loonstra dat typeert). Waarbij ik overigens liever met De Bruijne deze vorm typeer als ‘de hedendaagse homoseksuele oriëntatie en identiteit´ (272).

Loonstra vindt dat je vanwege dit verschil niet op grond van de gemeenschappelijke term ‘homoseksualiteit’ een is-gelijk teken kunt zetten tussen homoseksualiteit toen en homoseksualiteit nu. En dus ook niet de veroordeling van de homoseksualiteit in de bijbel een-op-een van toepassing verklaren voor homoseksualiteit nu.

Bijbelse normativiteit blijft

Immers, in de verwoording van De Bruijne: ‘de hedendaagse homoseksuele oriëntatie en identiteit behoorden nog niet tot het verstaanskader van de auteurs en de eerste lezers en hoorders van die bijbelpassages.’ (272).

Daarmee is niet gezegd dat de inhoud van die teksten niet normatief is voor vandaag. Wel moet je de vraag beantwoorden op welke wijze die teksten over een fenomeen toen van betekenis zijn voor een fenomeen vandaag dat de bijbel toen niet kende, maar daar wel gelijkenis mee heeft. Wat zijn de verschillen en wat zijn de overeenkomsten van die verschillende fenomenen, en wat betekent in dat licht bezien de beoordeling van het fenomeen toen voor onze beoordeling van de homoseksualiteit vandaag?

Loonstra zegt, dat dit meer bezinning vraagt dan het een-op-een van toepassing verklaren van de bijbelse veroordeling omdat ‘het zo (letterlijk) in de bijbel staat’. Want ‘de homoseksualiteit in onze context is iets anders dan wat in de Bijbel staat.’

Samenvattend is mijn antwoord op de gestelde vraag naar de betekenis van de context van homoseksualiteit toen voor vandaag: Omdat de fenomenen verschillend zijn, ‘is de manier waarop Gods openbaring vandaag in dergelijke passages de weg wijst, indirecter [d.w.z. in termen van de vraag: minder veelzeggend als gedacht] en sluit die ook onze bezinning in.’ (Ad de Bruijne, Verbonden voor het leven, KokBoekencentrum, 2022, 269).

‘Thuis op plaatsen zonder hoop’

Vanaf 12 september jl. tot het moment van schrijven werd er dagelijks gedemonstreerd op de A12 in Den Haag, om de regering op te roepen te stoppen met het subsidiëren van fossiele bedrijven. De demonstraties konden op steun én ergernis rekenen. In de christelijke media was er discussie of deze manier van demonstreren wel proportioneel en doeltreffend is. Hoe je ook denkt over de manier van demonstreren, volgens mij kun je de demonstraties in ieder geval zien als een teken van hoop in een wereld die onmiskenbaar te lijden heeft onder klimaatverandering.

[Artikel van Anne-Maaike Pathuis in Gereformeerd Kerkblad van 13 oktober 2023.]

Als moderne profeten leggen de demonstranten uit wat volgens hen de consequenties zijn van het gedrag van individuen, maar zeker ook van de overheid en grote bedrijven. Ze roepen de overheid op tot bekering, en door op zo’n zichtbare manier aandacht te vragen dwingen ze ook een groot deel van de burgers om na te denken over klimaatverandering. Daarbij stilstaand, kan het zijn dat we ontdekken dat in de basis – om met woorden van Katherine Hayhoe uit haar boek ‘Hoop voor de aarde’ te spreken – ‘we […] alleen maar mensen […] zijn die graag willen dat deze planeet een veilig, gastvrij thuis voor ons allemaal blijft’ (p. 42). Het geeft mij hoop dat mensen, die zelf in een welvarend land leven, verder kijken dan hun eigen geluk en rijkdom.

Hopeloosheid

Want er zijn zoveel plekken waar mensen de hoop wel aan het verliezen zijn. Bijvoorbeeld daar waar mensen in Senegal door de regering uit hun eigen huizen worden gezet vanwege het oprukkende zeewater – sommigen leven al vijf jaar in een ‘tijdelijk’ opvangkamp. Of daar waar in de Hoorn van Afrika van 2019-2021 oogsten mislukten vanwege droogte en sprinkhanenplagen. Of daar waar in Syrië de oorlog – volgens sommige onderzoekers – begon doordat er na drie droge jaren een grote volksverhuizing op gang kwam, met alle sociale en economische gevolgen van dien. Als je verhalen over deze plekken leest, of er beelden van ziet, dan zinkt je, ook in het welvarende Nederland, de moed in de schoenen. Het contrast met onze veilige en rijke leefomgeving is zo groot, en de kloof haast onoverbrugbaar.

Schuldgevoel

Dat we uit machteloosheid soms de hoop verliezen, lijkt onontkoombaar. Bovendien is er sprake van schuld. In een leespreek ter gelegenheid van Micha Zondag schrijft een Bengalese bisschop: ‘De veroorzakers van klimaatverandering wonen regelmatig op andere plekken in de wereld dan degenen die de schade ondervinden. Dat is klimaatonrechtvaardigheid. (…) Maar wie voelt zich verantwoordelijk? Om eerlijk te zijn, vraag ik me soms af of mensen uit westerse landen de pijn en het verdriet begrijpen die de natuurrampen in ons leven veroorzaken. Bij veel landgenoten zie ik de neiging om de hoop te verliezen.’ De sterkste schouders zijn van diegenen die al decennialang profiteren van economische groei door fossiele brandstoffen en hulpbronnen, en deze schouders dragen de lichtste lasten als het gaat om klimaatverandering. Het vergaren van onze rijkdom gaat ten koste van medemensen in arme gebieden.

Geen wanhoop

Toch hoeven we niet in een schuldcomplex te blijven hangen, want dat werkt vooral verlammend. Veel beter kunnen we, zo schrijft Hayhoe, er wel bewust van worden wat er aan de hand is en daar bezorgd over zijn, maar vervolgens ook naar oplossingen zoeken en die in de praktijk proberen te brengen. Een derde manier om met onze schuld om te gaan is het zoeken naar vergeving en verlossing. Hayhoe trekt lessen uit 2 Tim. 1:7, waar staat dat we geen geest van angst hebben gekregen, maar een geest van kracht (waardoor we kunnen handelen), van liefde (waardoor we vanuit compassie kunnen leven), en bezonnenheid (waardoor we goede beslissingen kunnen nemen). Ook de profeten zijn belangrijk voor Hayhoe, omdat ze weliswaar scherp zijn in het benoemen van zonde en oproepen tot bekering, maar ook radicale hoop ten toon spreiden.

God is met de armen

Zo zijn we terug bij onze eigen moderne profeten op de A12, met hun oproep tot bekering. Als christen betekent bekering niet alleen maar anders leven, maar je ook tot God richten. Een keuze maken om toch weer te luisteren naar zijn stem, om te ontdekken waar hij mee bezig is in deze wereld. En dan kan het zo maar zijn dat je, met Bono van U2, ontdekt: ‘God is met de armen. En God is met ons als wij met hen zijn.’ Dat God de wereld niet loslaat, ook niet als wij er een zooitje van maken, en dat Hij juist met de armsten is – dat is uiteindelijk dé reden voor onze hoop.[1]


[1] Vgl. het lied ‘Dan bent u met ons’ van Schrijvers voor Gerechtigheid: https://www.youtube.com/watch?v=wlns-jjdKhY

Kom Jezus kom
U lijkt ver bij ons vandaan
maar het is juist andersom
Heer U bent nooit weggegaan

Want U woont waar niemand meer kan leven
U bent thuis op plaatsen zonder hoop
waar de aarde niets meer heeft te geven
waar de zee de dorpen binnenstroomt
U bent vrienden met de allerarmsten
U zit naast hen in de hete zon
En zijn wij met hen
dan bent U met ons

Een nieuwe standaard voor gereformeerde ethiek

Ad de Bruijne heeft een uitzonderlijk omvattend, integer, moedig en noodzakelijk boek over homoseksualiteit geschreven, dat hij presenteert als een ‘theologisch-ethisch voorstel rond homoseksualiteit en seksuele diversiteit.’[1] 50 jaar na de richtinggevende publicatie van Jochem Douma over ‘Homofilie’ (1973) is hernieuwde bezinning geen luxe. De traditionele visie riep steeds grotere pastorale verlegenheid op, wat tegelijk tot verontrusting leidde over de bijbelse koers van de GKv.

[Recensie in Gereformeerd Kerkblad van 6 januari 2023.]

Eén van de meest waardevolle elementen van dit boek is dat het op excellente wijze een voorbeeld is van hoe je een ethische casus behandelt. Ook al gaat de aandacht sterk uit naar homoseksualiteit, feitelijk biedt De Bruijne een bijbelse visie op seksualiteit in al zijn breedte, dus ook op heteroseksualiteit.

De Bruijne maakt daarbij gebruik van het model van de ethicus Oliver O’Donovan met zijn dimensies (1) persoon en zelf, (2) context en wereld, en (3) tijd. Zo maakt de studie ook in zijn structurering zichtbaar dat je je voor een bijbelse visie op een theologisch-ethisch thema niet uitsluitend kunt beroepen op de tekst(en) van de Bijbel, maar dat je ook altijd de ontwikkeling in de heilsgeschiedenis en in de tijd in rekening moet brengen.

De waarde van deze studie is daarom ook veel groter dan dat het louter een studie is over homoseksualiteit. Het wordt gedragen door een belangrijke schets van een gereformeerde gemeente-ethiek van Gods koninkrijk, waarin De Bruijne een model biedt voor het navolgen van Christus in een postmoderne geseculariseerde samenleving. Wat je ook over de uitkomst van zijn studie voor de benadering van het fenomeen homoseksualiteit vindt, je zult je moeten confronteren met zijn weloverwogen argumentatie.

De homo recht doen

Als motivatie voor zijn studie noemt De Bruijne zelf dat er iets ontbrak aan de manier waarop kerken en christenen vanuit de traditionele visie omgingen met homo’s, lesbiennes en homoseksualiteit.

Wanneer hen de weg van de onthouding gewezen moet worden, dan (1) kan dat niet zonder hun diepe spirituele motivatie, (2) is er minstens enig begrip nodig waarom God homorelaties zou afkeuren, (3) en is er een positieve insteek nodig in welk opzicht een homoseksuele gerichtheid vruchtbaar kan zijn voor God en mensen, terwijl (4) de gemeente in hun richting de onderlinge gastvrijheid zal moeten beoefenen, en (5) ook zelf een radicale weg van navolging moet gaan. De Bruijne constateerde dat aan geen van deze belangrijke voorwaarden voldaan werd.

Al deze elementen zien we verspreid door het boek terug. Tegelijk is duidelijk dat de uiteindelijke visie een andere is dan De Bruijne zelf oorspronkelijk voor ogen had. Juist door na te denken over de homoseksuele gerichtheid als positieve ‘gave’ en zich te verdiepen in wat homoseksualiteit is, werd het hem duidelijk dat de bijbelse onderbouwing voor de onthouding van een homoseksuele levenswijze tekort schoot. Daarnaast kwam hij tot de overtuiging dat je door te werken met een onderscheiding tussen homofilie en homoseksualiteit, kort gezegd ‘je mag het wel zijn, maar niet praktiseren’, de homo van vandaag geen recht doet.

Een belangrijk inzicht waar De Bruijne mee rekent, is dat de homoseksualiteit als iemands persoonlijke identiteit een nieuw fenomeen is, dat wij pas sinds de moderne tijd kennen en waar de Bijbel niet rechtstreeks uitspraken over doet. Denkend vanuit een bijbels perspectief moet je homoseksualiteit als seksuele minderheidsidentiteit niet als ‘gebrokenheid’ typeren, maar zien als een aan de heteroseksualiteit gelijkwaardige manier van mens-zijn, van waaruit je Christus kunt navolgen op weg naar zijn koninkrijk.

Blijvend gesprek

Ik vind het moedig en te prijzen dat De Bruijne in alle bescheidenheid zijn visie naar voren brengt, ook al kon hij vermoeden dat die vanuit een traditioneel perspectief gezien zou worden als een niet willen buigen voor de Schrift en als in strijd met Gods wil voor de homoseksueel. Het is ook niet zonder aanvechtingen of hij God en zijn woord gehoorzaam is, dat hij zijn voorstel presenteert. Hij weet al te goed dat er ook veel te zeggen valt voor andere benaderingen dan die van hem. In deze situatie van pluraliteit in visies is het belangrijk om vast te stellen hoe je daarmee omgaat.

Een van de richtlijnen daarvoor is wat Paulus in Rom. 14  zegt, dat iedere christen vanuit de toewijding en trouw aan Jezus en naar eigen geweten moet handelen. De Bruijne dringt er verder op aan, dat welke keuze er ook gemaakt wordt, – en dat geldt niet alleen voor homoseksualiteit, maar ook voor heteroseksualiteit -, dat een keuze voor onthouding of voor het openstaan voor seksueel verkeer altijd gedragen wordt door een spiritualiteit waarin het patroon van Jezus’ kruis en opstanding zichtbaar kan worden.

Terecht benadrukt hij dat zolang er over dit thema onder christenen verschillen bestaan, het gesprek daarover voortgang moet vinden. Zowel de argumentaties voor als tegen moeten hoorbaar blijven en serieus worden genomen, met daarin respect voor wie anders denkt. Tegelijk zullen christenhomo’s die andere keuzes maken dan de traditionele, aanvaard kunnen blijven. Tucht en vermaan moeten niet over visie of praxis gaan, maar over de onderliggende attitude en het hart daarachter. Het argument dat de gemeente heilig gehouden moet worden is niet steekhoudend, omdat die heiligheid niet draait om morele zuiverheid, maar als kern Gods bewogenheid met en ontferming over zondaars heeft. ‘Wanneer zonde niet de kern van het evangelie raakt, moeten wij soms veel verdragen en bij God neerleggen.’

Hermeneutiek

Nuchter constateert De Bruijne dat wie primair afgaat op bijbelteksten, niet anders kan concluderen dan dat deze alle homoseksueel verkeer uitsluit en dat alleen hermeneutische overwegingen ertoe kunnen leiden, dat wij vandaag als christenen anders handelen dan deze teksten zeggen.

Ook hierin biedt De Bruijne de argumentatie waarom dit binnen een gereformeerde theologie mogelijk is. In essentie sluit hij zich daarin aan bij de omschrijving van ethiek zoals we die van Klaas Schilder en Jochem Douma kennen, waarin te onderscheiden is in (a) blijvende gronden, (b) wisselende heilshistorische bedelingen, en (c) actuele concrete bepaaldheid. De algemene geldigheid en normativiteit van Gods geboden kunnen alleen maar in beeld komen, wanneer we deze zien als ‘de particuliere lokalisering van de door God in onze historie gesproken levende woorden.’ Daarom zul je in je beroep op de Bijbel er rekening mee moeten houden, dat God zich in zijn openbaring ook heeft aangepast aan de tijd en de context van de openbaring.

Dat er in de GKv de afgelopen decennia juist polarisatie en afscheiding is ontstaan op thema’s die raken aan historische veranderingen in de samenleving, zoals de rustdag, de positie van de vrouw, het ambt en (homo)seksualiteit, wijst er op dat er in de gereformeerde theologie te weinig werk is gemaakt om op hermeneutisch gebied tot een gemeenschappelijke visie te komen. Ook in dit opzicht beschouw ik deze studie van De Bruijne als een belangrijke aanzet om ons daarin verder helpen.

Noodzakelijk vervolg

Juist bij zo’n veelomvattend boek als dit blijven er allerlei punten over, die uitnodigen tot een vervolggesprek.

Voor mijzelf heb ik o.a. genoteerd: (1) de verhouding tussen het denken vanuit de schepping in relatie tot het eschaton [= de toekomst op de nieuwe hemel en aarde], alsmede de exegetisch-hermeneutische fundering van dat nieuwe leven, waarbij ik mij soms afvroeg of daarin een platonische onderstroom te onderkennen is, (2) de m.i. dubbelzinnige wijze waarop De Bruijne in zijn argumentatie homoseksualiteit ogenschijnlijk soms wel en soms niet als variant van de primaire man-vrouw polariteit ziet, en (3) de praktische houdbaarheid van het onderscheid tussen het huwelijk en andere partnerschapsrelaties. Verder ontbreekt node een tekst-, personen- en zaakregister.

Mijn grootste verlangen is echter, dat er op basis van dit wetenschappelijke werk een publicatie verschijnt, waarin de resultaten van dit prachtige boek ook geschikt gemaakt worden voor het noodzakelijk gesprek in de gemeente over thema’s als hermeneutiek, bijbelgebruik, seksualiteit en de navolging van Christus in de 21e eeuw.


[1] Ad de Bruijne, Verbonden voor het leven. Een theologisch-ethisch voorstel rond homoseksualiteit en seksuele diversiteit, Utrecht: KokBoekencentrum Uitgevers, 2022, 509 pagina’s, € 34,99, E-book € 19,99.

Het christelijk huwelijk – een verloren ideaal?

Deze zomer las ik een fictieve roman vanuit het perspectief van de vrouw van Jezus. De vraag of Jezus ooit getrouwd is geweest, is al eeuwenlang gesteld en met tal van verhalen en legenden beantwoord. Voor sommige gelovigen is de vraag stellen al een vorm van heiligschennis – hoe kun je Jezus, die God zelf was, associëren met zoiets aards en lichamelijks als het huwelijk? Toch is het huwelijk in de christelijke traditie ook als iets heiligs beschouwd. Wat is vandaag de dag nog de waarde van een christelijk huwelijk?

[Artikel in ‘Gereformeerd Kerkblad’ d.d. 3 september 2021 door Anne-Maaike Pathuis]  

Ik hoor jonge mensen de waarde van het huwelijk soms relativeren. Het voegt voor een stel weinig toe, omdat hun relatie vooral iets tussen hen is. ‘Wij weten toch wel dat we altijd bij elkaar willen blijven.’ Hier weerklinkt een idee over relatie en huwelijk dat bij onze postmoderne tijd past, waarin de persoonlijke vrijheid in het vormgeven van je leven normatief is. Heel gechargeerd gezegd: iets is goed wanneer het voor mij – of binnen een relatie: voor ons – goed voelt. En waarom zou je een huwelijk (maar denk hierbij ook aan andere duurzame samenlevingsvormen) dan nog ‘voor God en zijn gemeente’ laten bevestigen?

Economische redenen

In vroeger tijden ging het bij relaties en huwelijk niet (alleen maar) over wat goed voelde. In het nawoord van de roman over de vrouw van Jezus legt de auteur uit waarom ze de mogelijkheid veronderstelt dat Jezus getrouwd was. ‘Je zou kunnen stellen dat het huwelijk in de Joodse wereld van Galilea in de eerste eeuw zo volslagen standaard was, dat het min of meer vanzelfsprekend was. (…) Ik zie reden om te denken dat Jezus op 20-jarige leeftijd, een decennium voor het begin van zijn evangeliebediening, de religieuze en culturele ethiek van zijn tijd en plaats niet terzijde legde.’ Deze overweging geeft aan dat het huwelijk in Jezus’ tijd niet zozeer met liefde en passie te maken had als wel met economische en familiaire overwegingen.

Gemeenschap

Het is een groot goed, dat tegenwoordig liefde een veel grotere rol speelt in de keuze voor een huwelijkspartner dan in vroeger tijden. Ik ben een kind van mijn tijd als ik stel, dat je zonder liefde beter niet aan een levenslange verbintenis kunt beginnen. Daarom is het ook niet per definitie een verkeerd signaal als geliefden zoveel vertrouwen hebben in hun relatie, dat zij het huwelijk niet nodig denken te hebben. Maar tegelijkertijd denk ik dat het belangrijk is om het aspect van de gemeenschap waarin je een relatie of huwelijk aangaat, niet te verwaarlozen. Met het laten bevestigen van een huwelijk ‘voor God en zijn gemeente’ geef je woorden aan het grotere geheel waarbinnen je een relatie ziet. Dat werkt twee kanten op.

God en naaste

Aan de ene kant geven twee geliefden bij een huwelijksbevestiging expliciet aan dat zij in hun relatie niet alleen hun eigen wederzijdse belangen willen dienen. Zij hebben met hun relatie ook de verhouding tot God en hun naaste op het oog. Het huwelijk is een plek waarin zij God willen dienen en ook een thuis willen bieden voor andere mensen. Op die manier kan hun relatie vruchtbaar zijn – ook als er geen kinderen worden geboren.

Aan de andere kant geven twee geliefden aan dat ze aanspreekbaar willen zijn op hun relatie. Dan gaat het om de al eerder genoemde dienstbaarheid van een huwelijk aan de geloofs- en familiegemeenschap waarin hun relatie een plek heeft. Maar ook om het bewustzijn dat de steun van God en de naasten onmisbaar zijn om hun relatie duurzaam te laten zijn. Volgens mij heeft een (huwelijks)relatie pas echt duurzame waarde, wanneer je deze óók laat opnemen in het grotere verband van de verhouding tot God en de gemeenschap.

Kerk en ongehuwd samenwonen

Ongehuwd samenwonen was in de jaren ’70 in de kerk ondenkbaar, dat was ‘hokken’. Maar nu is het in de samenleving eerder regel dan uitzondering dat jongeren al samenwonen voordat ze naar het stadhuis gaan om te gaan trouwen, als dat al de volgende stap wordt. Want ook het geregistreerd partnerschap en het samenlevingscontract zijn een alternatief voor een huwelijk. Voor de kerk is het belangrijk om op deze veranderingen een visie te vormen. Ook gereformeerde jongeren gaan samenwonen, ouders en de kerk zijn er verlegen mee, en de jongeren zelf vervreemden van het kerkelijk leven.

 [Artikel in het ‘Gereformeerd Kerkblad’ d.d. 3 september 2021]

In de Kerkorde van de GKv is vastgelegd, dat ‘de kerkenraad erop toeziet dat leden van de gemeente die zich als man en vrouw aan elkaar willen verbinden, daarvoor een burgerlijk huwelijk aangaan en dat kerkelijk laten bevestigen’, (C46.2). In de voorgestelde Nieuwe Kerkorde is als bepaling opgenomen, dat de kerkenraad dit bevordert (C7.1).[1]

Taak overheid

Het is interessant om de geschiedenis van dit kerkordeartikel op te halen. In de Middeleeuwen was de verloving de grondslag voor het huwelijk, die in overeenstemming met de Germaanse ‘Muntehe[2] een overeenkomst was tussen clans of families, waarbij de wettelijke macht over de vrouw overging van de vader/voogd in de hand van de echtgenoot. Tegelijk groeide de praktijk dat de huwelijkssluiting zelf in de kerk tegenover de priester plaatsvond, want het r.k.-huwelijk werd beschouwd als een sacrament.

Vanwege hun visie op het huwelijk als een ‘wereldlijke’ ordening pleitten de gereformeerden er in de Reformatietijd voor dat het sluiten van het huwelijk een taak van de overheid werd. Omdat de overheid daar onvoldoende voorzieningen voor trof, werd in 1619 in art. 70 van de Kerkorde geformuleerd dat de kerk tijdelijk de huwelijkssluiting zou blijven waarnemen, zoals ze dat ‘in overeenstemming met Gods Woord en de kerkelijke regelgeving’ tot nu gedaan had. Pas in 1809 trok de Franse overheid in het kader van de scheiding van kerk en staat de huwelijkssluiting exclusief naar zich toe.

Positie kerk

Op zichzelf gezien had de kerk in de 19e eeuw, toen het haar verboden werd een huwelijk te sluiten, art. 70 KO kunnen schrappen. Maar in dit artikel was ook opgenomen, dat de overheid zich in de huwelijkswetgeving zou moeten richten naar de bijbelse richtlijnen, zoals de kerk haar die aan zou reiken. Naast de burgerlijke aspecten kent het huwelijk ook ethische aspecten waar de kerk op betrokken is. Daarom wilde men bij de sluiting van een huwelijk aandacht vragen voor de specifiek christelijke setting van het samenleven als man en vrouw. In de Kerkorde van 1905 vinden we dan ook een sterk ingekorte formulering van art. 70, waarbij gesteld wordt dat ‘alzoo het behoorlijk is, dat de huwelijkse staat voor Christus’ gemeente bevestigd worde, volgens het Formulier daarvan zijnde, zullen de Kerkeraden daarop toezien.’

Wie het klassieke huwelijksformulier (gebaseerd op dat van 1566) erop naslaat, merkt dat dit inderdaad stamt uit de tijd dat de kerkelijke bevestiging tegelijk de burgerlijke huwelijkssluiting was. Dat betekent dat sinds de 19e eeuw de huwelijkssluiting, ingebed in een kerkelijke setting, werd herhaald.[3] Theologisch beargumenteerde Abraham Kuyper de rechtmatigheid daarvan vanuit de idee, dat eerst door het kerkelijk handelen de ‘finale’ huwelijkssluiting tot stand kwam.

Pas in 1981 is er definitief gebroken met deze ‘dubbele huwelijkssluiting’. In het huwelijksformulier van de GS Arnhem hebben de beloften die van het bruidspaar ‘voor God en zijn heilige gemeente’ gevraagd worden, alleen betrekking op het christelijk willen leven in het huwelijk, terwijl daarna daarover een zegen gevraagd en gegeven wordt.

Burgerlijk huwelijk

Vandaag de dag is het aangaan van een huwelijk geen zaak meer van families en vormt ook de verloving niet de grondslag daarvan. Jongeren zijn met 18 jaar wettelijk meerderjarig en kunnen in vrijheid besluiten of ze willen trouwen of niet. Aan het samenwonen heeft de overheid gevolgen verbonden op het gebied van met name de belastingwetgeving en sociale zekerheid. Wil je meer vastleggen dan kun je een samenlevingscontract opstellen, een geregistreerd partnerschap aangaan of trouwen. Maar in alle gevallen worden aan de levensvormen wettelijk vastgelegde rechten en plichten verbonden.

De cruciale vraag is op grond waarvan de kerk samenwonen afwijst en in de kerkorde uitspreekt, dat gereformeerde jongeren die als man en vrouw het leven willen delen daarvoor als levensvorm het burgerlijk huwelijk dienen te kiezen. Het is namelijk overduidelijk, dat in de Nederlandse wetgeving de bijbelse waarden voor het samenleven van man en vrouw niet als eis of als ideaal in het burgerlijk huwelijk voorgehouden worden. Integendeel. Voor Abraham Kuyper was het neutrale karakter van de overheid en het ‘anti-clericalisme’ dat hij in het toenmalige Burgerlijk Wetboek meende op te merken, het motief om een kerkelijke bevestiging als aanvulling op en voltooiing van de huwelijkssluiting te beschouwen. Ook pleitten in de jaren ’90 om die reden C. Trimp en A.L.Th. de Bruijne er al voor om zo nodig als kerk tegenover de burgerlijke huwelijkswetgeving een eigen ‘huwelijksrecht’ te gaan handhaven.

Verwelkomen

Mijn pleidooi is als kerk met betrekking tot ‘huwelijk of samenwonen’ niet in te zetten op de juridische vorm, maar op het doel en de inhoudelijke vormgeving van het samenleven als man en vrouw.

Belangrijk is om in het onderlinge gesprek hierover in de argumentatie terminologisch heldere onderscheidingen aan te brengen. Op zijn minst moet er onderscheiden worden tussen (a) ‘het huwelijk als instelling van God’ d.w.z. Gods bedoeling met het samenleven van man en vrouw, (b) het bijbelse huwelijk d.w.z. de wijze waarop het samenleven van man en vrouw binnen de toenmalige context en cultuur in de bijbelse tijd werd vormgegeven, (c) het burgerlijk huwelijk d.w.z. de wijze waarop de overheid aan de sluiting van een huwelijk eisen stelt en rechtsgevolgen verbindt, en (d) het christelijke huwelijk d.w.z. de wijze waarop vandaag christenen als man en vrouw samenleven.

Laten we het gesprek voeren over de bijbelse waarden, die ten grondslag liggen aan het samenleven als man en vrouw; zoals een leven in liefde en levenslange trouw, voor het aangezicht van God, met een verantwoordelijkheid voor eventuele kinderen, en daarin van betekenis zijn voor de samenleving. Wanneer jongeren bereid zijn om zich hieraan te verbinden, zullen we hen als kerk van harte kunnen verwelkomen en uitnodigen om Gods zegen te vragen over hun ‘ongehuwd’ samenwonen.


[1] C7.1. ‘De kerkenraad bevordert dat leden van de gemeente die zich als man en vrouw aan elkaar willen verbinden, een burgerlijk huwelijk aangaan en dat kerkelijk laten bevestigen.’

[2] Vanuit het oudhoogduits: ‘munt’ is ‘wettelijke bescherming, scherm, voogdijschap’ en ‘ēwa’ is ‘huwelijk[scontract], wet, statuut’. In het middelnederlands heeft het verwante ‘mondig’ o.a. de betekenis ‘volmacht hebben’.

[3] Ook het gegeven dat de huwelijksbevestiging nog steeds de instemming van de gemeente behoeft en van te voren afgekondigd wordt, is terug te voeren op de eisen die in de 16e eeuw aan het sluiten van een burgerlijk huwelijk gesteld werden.

Framing

De wetten van de communicatie blijken zelfs voor doorgewinterde journalisten lastig te doorgronden of het kan zijn dat journalisten een blinde vlek hebben. Dat waren zo wat overwegingen die bij mij opkwamen toen ik afgelopen zaterdag 7 november in het Nederlands Dagblad (ND) een verantwoording van de hoofdredacteur Sjirk Kuijper las over de commotie, die bij de Kerkenraad Algemene Zaken van de CGK Zwolle ontstaan was na het interview met ds. Henk Mijnders in het ND die zaterdag daarvoor.

Ik kreeg in ieder geval het gevoel dat Kuijper zijn journalistieke straatje probeerde schoon te vegen door omstandig uit te leggen, dat de kerkenraad van de CGK Zwolle eigenlijk niet snapt hoe het journalistieke handwerk in elkaar zit en dat ze volledig ten onrechte en onnodig die zelfde zaterdagmiddag bij elkaar hebben gezeten om met elkaar over het interview door te spreken. Maar ja, dat komt natuurlijk omdat de CGK Zwolle gewoon een eigenwijze kerk is. Ons als ND valt niets te verwijten, maar zij doen gewoon raar! Eigenlijk kun je ook niet anders verwachten, is de suggestie die ik in de slotzin las: ‘Enfin, de CGK Zwolle gaat wel vaker haar eigen weg’. Waarmee hij de beeldvorming van een kerk die eigen kerkelijke wegen gaat nog maar weer eens aanscherpte.

Waar het over moet gaan is: heeft het ND in deze casus ethisch gezien journalistiek zorgvuldig gehandeld of niet? Dat ze volgens de geldende journalistieke protocollen gewerkt hebben, dat meet Sjirk Kuiper breed uit en dat geloof ik graag. Maar wanneer er ter verantwoording van eigen handelen een beroep op protocollen gedaan moet worden, gaan er bij mij belletjes rinkelen.

Ik snap die leden van de kerkenraad wel, dat ze schrikken van een item op p. 3 met als kop: ‘CGK Zwolle gaat eigen weg’. Een nieuwsbericht op p. 3 geeft informatie over een stand van zaken en je mag ervan uitgaan als lezer van een krant, dat de kop boven zo’n bericht een adequate weergave van het betreffende item biedt. Dat is vervolgens ook de framing, van waaruit je het bericht leest en interpreteert. Ga er maar vanuit, dat de beeldvorming geslaagd is. Dit is wat er blijft hangen van dit nieuwsitem: ‘O ja, die CGK in Zwolle, dat is die kerk die gewoon zijn eigen gang gaat. Die trekt zich niets van het kerkverband aan.’ Daarom kan ik mij voorstellen dat de kerkenraad zich zorgen maakte, dat deze beeldvorming zijn werk zal blijven doen als straks het revisieverzoek van de CGK Zwolle ter bespreking op de synodetafel zal liggen. En dat zij daarom op die bewuste zaterdagmiddag geprobeerd heeft om zich van deze beeldvorming te distantiëren.

Het weerwoord van de redactie van het ND, dat ‘niemand afstand hoeft te nemen van een suggestie die niemand gewekt heeft’, is mij te goedkoop. Want daarmee loopt ze voor de vraag weg of zij als ND misschien in hun samenvatting van het interview toch niet de suggestie gewekt hebben, dat de CGK Zwolle haar eigen gang gaat. Volgens Kuijper kan de kerkenraad het niet maken een standje uit te delen over het de maken van het nieuwsbericht op p. 3 en tegelijk een compliment maken over het interview zelf. Voor mij is het echter duidelijk, dat op p. 3 op journalistieke wijze nieuws gemaakt is, waarbij geen recht gedaan is aan interview zelf. De kerkenraad maakte zich m.i. terecht zorgen over gewekte suggesties, die door het ND aan het interview verbonden werden.

De drie opties die ds. Mijnders in het interview opsomt als mogelijke reacties op een afwijzen van een revisieverzoek staan in een context van een zoeken van een weg, waarvan ook hijzelf zegt dat hij niet weet wat het zal moeten worden. Daarbinnen staat dan zijn opmerking, ‘dat het haast niet ander kan of er moet iets van een herverkaveling komen in de kerkelijke kaart.’ Dat is in mijn ogen meer een verzuchting en hartekreet, dan een vastomlijnd plan dat die herkaveling er zal moeten komen.

Maar journalisten van het ND hebben naar hun aard in zijn opmerkingen nieuws gelezen. Zoals Sjirk Kuijper in zijn verantwoording zegt: wij lezen in het portretinterview nieuws, omdat de spanning tussen de lokale praktijk en de lijn van het kerkverband door de predikant zo helder verwoord wordt en hij zonder kerkpolitieke meel in de mond een vraag naar de toekomst beantwoordde. Ds. Mijnders schetst drie wegen en wat doen wij dan: “Wij vragen aan de kerkredactie een berichtje te maken voor pagina 3, waarin we het nieuws uit de bijlage oplichten en een andere predikant (Dingeman Quant, voorzitter van de laatste CGK-synode) kort laten reageren op de geschetste opties.”

En dat is precies wat de ingeschakelde redacteur doet. Het ‘nieuws’ dat het ND in het interview ingelezen heeft, wordt als ‘feit’ gepresenteerd. Wat ds. Mijnders als een van de opties voor een mogelijke weg ziet in een context van zoeken en overwegen, poneert de journalist als een vaststaand gegeven: ‘Als de christelijk-gereformeerde synode het besluit om homorelaties af te wijzen niet herziet, komt het lidmaatschap van de Christelijke Gereformeerde Kerk van Zwolle op losse schroeven te staan. Dat maakt ds. Henk Mijnders, predikant van de Zwolse kerk, duidelijk in een portretinterview in het Nederlands Dagblad. Volgens hem gaat zijn gemeente dan of zelfstandig verder, of sluit zij zich aan bij een ander kerkverband.’ Dit is echter niet, – zoals Sjirk Kuijper stelt -, een nieuwsbericht, waarin ‘de overwegingen uit het interview prima samengevat zijn’. Want in deze samenvatting wordt aan het karakter en de status van die overwegingen binnen het interview geen recht meer gedaan. Kennelijk is er te weinig besef van genreverschil.

Voor mij is dit een typerend voorbeeld van het bekende framen en nieuwsmaken, zoals wij dat veel vaker in de journalistiek zien. Uitspraken en citaten worden uit hun verband gerukt, waardoor ze een andere betekenis en lading krijgen dan ze oorspronkelijk hadden. Het zoeken van een onbekende weg en het weergeven van mogelijke opties door ds. Mijnders krijgt de betekenis van ‘een prognose’ en van ‘feiten’. Vervolgens worden deze ‘harde’ en ‘duidelijke’ uitspraken als feiten aan anderen voor commentaar voorgelegd, dat dan weer als journalistiek nieuws gepresenteerd wordt. Zo maakt men als krant en journalist nieuws en doet men mee aan het creëren van beeldvorming.

Fijn en terecht dat het ND graag de complimenten voor het interview met ds. Mijnders in ontvangst wil nemen, toch zal ze er wat mij betreft wijs aandoen om het volgens haar ‘volstrekt misplaatst standje‘ van de kerkenraad over het nieuwsitem op p. 3 niet zomaar weg te wuiven, maar zich in alle eerlijkheid af te vragen of de kerkenraad toch geen punt heeft. Mijn inziens is het ND op een onverantwoorde wijze met het interview aan de haal gegaan. Van het tegendeel heeft deze oratio pro domo van de hoofdredacteur mij niet kunnen overtuigen.

Eer bieden

(Fragmenten uit een preek over het 5e gebod, gehouden in de Veertigdagentijd 2015)

1.

Ik weet niet of u Hanna Schygulla kent. Ze was in de jaren ’70 een belangrijke favoriet van de duitse regisseur Rainer Werner Fassbinder. In een groot aantal films van hem speelt ze een belangrijke rol. Onder andere de hoofdrol in ‘Die Ehe der Maria Braun’ en in ‘Lily Marleen’. Ook werkte ze met een groot aantal andere beroemde duitse regisseurs.

Het meest opvallende aan haar filmcarrière is dat die een kleine 20 jaar zo goed als onderbroken is geweest. In 1987, ze was toen 44, trok ze zich bijna helemaal uit het openbare leven terug om eerst haar moeder, die getroffen was door verscheidene beroertes, en later haar vader naar de dood te begeleiden. Ze wist natuurlijk van te voren niet hoe lang haar ouders nog zouden leven en dat het bijna 18 jaar van haar carrière zou kosten. Toch is ze altijd voor hen blijven zorgen. Haar moeder stierf na 8 jaar in 1995, haar vader tien jaar later in 2005 op 96-jarige leeftijd. Het was voor haar volkomen vanzelfsprekend om als hun enige kind voor hen te zorgen. Ze heeft er geen seconde over getwijfeld. Een daad van liefde voor haar moeder, die aan het eind van de 2e wereldoorlog met haar als 2-jarig kind vanuit Polen naar Beieren was gevlucht. En voor haar vader die in 1948 gebroken uit de Russische krijgsgevangenschap was teruggekeerd, hoewel haar relatie met hem daardoor altijd afstandelijk was geweest.

Dit is de oorspronkelijke kern van dat 5e gebod: eer uw vader en moeder.

Hou ouderen in waarde, hou ze hoog, juist als ze hulpbehoevend zijn en ze in hun ouderdom economisch niet meer van waarde zijn en zelfs een grote financiële en emotionele last kunnen worden. Verzorg ze juist dan op passende wijze met voedsel, kleding en een woning, en blijf respectvol met ze omgaan ondanks afnemende levenskracht of afnemende verstandelijke vermogens, en geef ze uiteindelijk een eervolle begrafenis.

Als ik het kort op een noemer breng: in het 5e gebod gaat het niet primair over gezag en gezagsrelaties, maar vooral om de verbinding en de verantwoordelijkheid van de generaties voor elkaar.

2.

Degene die Psalm 71 bidt, is een voorbeeld van iemand die oud is en nu juist vanwege zijn ouderdom niet meer serieus genomen wordt, en daarom een gemakkelijk mikpunt geworden is van onderdrukking, uitstoting en smadelijke behandeling, kortom van oneer en schande.

Heel deze psalm is doortrokken door en wordt gedragen door die tegensteling tussen eer en schande. En dat is niet verwonderlijk. De bijbel is een boek afkomstig uit een oud-oosterse cultuur. Het joodse geloof en daarmee ook het christelijk geloof is geworteld in een cultuur, waarin eer en schande een van de dragende waarden in de samenleving zijn.

De dichter van Psalm 71 wendt zich tot God en smeekt hem om uitkomst, verlossing, redding. Hij vraagt of God hem weer in aanzien en eer wil herstellen: verhoog mij in aanzien, staat er in vers 21. En tegelijk vraagt hij of God zijn tegenstanders van schaamte wil laten bezwijken en met schande bedekt wil laten worden, vers 13.

Maar het gaat niet om de eer voor de psalmdichter op zichzelf. Dat is een ander belangrijk dragend element in deze psalm. In alles gaat het om de eer van God: dat hij geprezen wordt, dat hem de lof wordt gebracht, dat het herdenken van zijn daden het brandpunt en centrum van de dichter is en van de samenleving wordt. In het bijzonder in vers 17 en 18:

‘God, u onderwees mij van jongs af aan, en steeds nog vertel ik uw wonderen. Nu ik oud en grijs ben, verlaat mij niet, o God, zodat ik het nageslacht, elk nieuw kind, kan verhalen van de macht van uw arm.’

Het gaat er om dat Gods gerechtigheid zichtbaar wordt in de samenleving. Dat is Gods bedoeling geweest toen hij het volk Israel verloste uit Egypte en hen Kanaan als het beloofde land gaf. Daarvoor gaf hij hen de Decaloog, die 10 woorden. Ook dat 5e gebod om de ouderen te eren. Opdat het volk in dat land een goed leven zou hebben. Als zijn volk wonend in vrijheid, in welvaart, en zo gezegend door hun God. En degene, die daarvoor moest waken, – dat het recht in het land zou heersen -, dat was de koning. Daarvoor had God hen een koning gegeven. De koning, die in Psalm 72 uitgetekend wordt als de messiaanse d.w.z. de gezalfde koning.

Je kunt Psalm 72 binnen de structuur van het boek der Psalmen zien als een toespitsing en als antwoord op dat gebed van de dichter van Psalm 71: “Heer, brengt recht in mijn situatie, verlos mij.”

In Psalm 72 wordt gebeden of de koning dan ook daadwerkelijk het volk rechtvaardig zal besturen. Of God hem daarvoor zijn wetten en gerechtigheid wil schenken, vers 1 en 2. Want daarvoor is hij geroepen, vers 12 tot 14:

‘Hij zal bevrijden wie arm is en om hulp roept, wie zwak is en geen helper heeft. Hij ontfermt zich over weerlozen en armen, wie arm is, redt hij het leven. Hij verlost hen van onderdrukking en geweld, hun bloed is kostbaar in zijn ogen.’

Dat is de manier waarop God vrede en recht wil brengen. Via de koning als zijn vertegenwoordiger op aarde. Als hij zijn taak als ‘gezagsdrager’ op de juiste wijze zal uitvoeren, zal er vrede met de volken zijn, zal het land vruchtbaar zijn, de economie ieder ten goede komen en zal via hem Gods zegen over heel de wereld verspreid worden. Kortom, dan zal werkelijk de messiaanse tijd aanbreken.

3.

Toen kwam Jezus als koning – rijdend op een veulen werd hij Jeruzalem binnengehaald. Hij vervulde in zijn leven ook dit gebod. En als je naar hem kijkt, dan zie je dat hij de zaken heel sterk op God zelf focust als degene, op wie je al jouw eer en ontzag moet richten.

Hij was zijn ouders onderdanig, maar hoe jong hij ook was hij maakte wel duidelijk zijn oriëntatiepunt lag in de zaken die op zijn Vader in de hemel betrekking hadden.

Hij relativeerde de natuurlijke bloedband ten gunste van de geestelijke band tussen broers en zussen in het geloof. Zoals Lukas optekent in Lukas 14 : 26 – 27:

‘Als je bij mij wilt horen, dan moet je alles opgeven: je vader en je moeder, je vrouw en je kinderen, en je broers en je zussen. Je moet zelfs bereid zijn om je eigen leven op te geven. Als je dat niet wilt, dan kun je mijn leerling niet zijn. Je kunt alleen mijn leerling zijn als je je kruis op je neemt en mij op mijn weg volgt.’

Daarmee schuift Jezus het 5e gebod niet aan de kant. Wel maakt hij duidelijk dat discipelschap gaat boven andere zaken waar je je aan kunt wijden, zoals je werk, je gezin, je geld. Dat het vooral gaat om het je richten op God en zijn rijk en op het volgen van Jezus zelf.

Net als Abraham en het volk Israel moet je vandaag je land, je bedrijf, je familie achterlaten om naar het beloofde land te trekken, je daar te settelen en je verantwoordelijkheid te nemen, ook ten aanzien van het 5e gebod. Ik geloof dat vandaag de geloofsgemeenschap een belangrijk plek is van waaruit je dat beloofde land en die messiaanse samenleving gestalte mag geven.

4.

Vanuit dit perspectief wil ik deze preek toespitsen door nog een enkele vraag en overweging mee te geven om verder over na te denken.

Als eerste: tegen mensonterende situaties. Je mag best in rekening brengen, dat wij vandaag veel meer geïndividualiseerd leven als in de collectieve samenleving van vroeger. Wij hebben het kerngezin van vader, moeder en kind, en kennen niet meer de grote familie waarin 3 of 4 generaties samenwonen. Dat betekent dat je niet hetzelfde hoeft te doen als Hanna Schygulla door de last van de zorg voor ouders op je te nemen als gezin alleen. Bejaardenhuizen en verzorgingshuizen zijn waardevolle instellingen. Toch is het juist de plicht van ons als geloofsgemeenschap om in het geweer te komen als daarin vanwege economische overwegingen pyamadagen en andere mensonterende situaties ontstaan. Volgens mij een belangrijk punt om als kerkgemeenschap er over door te denken, hoe je daarin iets kunt betekenen. Hoe lastig dat ook is, omdat je daarin je je kritisch moet opstellen tegenover ons sociaal en economisch systeem, dat door dat individualisme ook behoorlijk verworden is.

Als tweede: het zoeken van de verbinding tussen de generaties. Als geloofsgemeenschap staan jullie voor de opdracht deze verbondenheid vorm te geven. Daar zul je met elkaar over door moeten spreken. Hoe geef je als ouderen aan jongeren in de kerk de ruimte om daarin een eigen weg te gaan, die misschien anders is als de weg waarin jij gegaan bent? En hoe respecteer je als jongeren de weg en de traditie, waarin ouderen hun geloof en ontzag voor God vorm hebben gegeven? Ben je bereid om de geschiedenis van de ouderen respectvol te behandelen en die ook een plek te geven in jouw leven? Zijn jullie werkelijk bereid om samen de onderlinge verbondenheid vorm te geven door als jongeren èn ouderen in elkaar te investeren: door tijd, aandacht en geloof met elkaar te delen?

En als laatste: Jezus Christus heeft als dè messiaanse koning laten zien, dat gezag en verbondenheid vooral tot zijn recht komen in een houding van wederzijdse dienstbaarheid, van een elkaar vergeven, en een elkaar tot zegen zijn. Dat is de weg van het kruis die Jezus gegaan is. Dat is ook de manier waartoe wij opgeroepen worden om dit 5e gebod inhoud te geven: eer je vader en moeder, opdat het je goed zal gaan in het land dat God jullie geven zal. In mijn woorden: wees elkaar als generaties in onderlinge verbondenheid en in wederzijdse dienstbaarheid tot een zegen.

22 maart 2015, de 5e zondag van de Veertigdagentijd.

Lessen van Justin Lee

Het was begin jaren ’80. Ik maakte voor het eerst in de vrijgemaakte kerk van nabij mee, wat het betekent als je als homo ‘uit de kast’ komt: de verwarring, worsteling en strijd die daaraan vooraf ging, het ongeloof van de omstanders en de discussie en veroordeling die daarop volgde. Maar wat mij het meest raakte was de liefdevolle barmhartigheid en strijdbaarheid van de directe familie en vrienden: ‘wat er ook gebeurt, wij houden van je en gaan voor je door het vuur, we laten je niet vallen!’

Ik was begin 20 en totaal onwetend wat homo zijn inhield. In theorie wel, maar ik kende er geen. Terwijl toch in elke klas waar ik in gezeten had er statistisch gezien op zijn minst 1 jongen of meisje homo zou moeten zijn. En in elke kerk waar ik bij hoorde, toch zeker 5 tot 10. En anders zouden er op de studentenvereniging wel zo’n 3 tot 5 leden zijn. Pas later hoorde ik dat iemand homo of lesbisch was en van velen weet ik het waarschijnlijk nog steeds niet.

Ik ben nu in de 50 en het aantal homo’s of lesbiennes dat ik ken, is nog steeds niet erg groot. Ook zie ik nog steeds zich dezelfde patronen van ongemakkelijkheid voltrekken, wanneer iemand in mijn omgeving vertelt dat hij homo of lesbisch is: hoe stel ik mij op? Hoe reageren wij als omstanders? Hoe gaan wij als kerkgemeenschap er mee om?

Afgelopen jaar verscheen ‘Verscheurd’, de Nederlandse vertaling van een boek van Justin Lee[i]. Daarin vertelt hij over zijn ervaringen om als homo binnen een christelijke gemeenschap ‘uit de kast’ te komen. Alleen al vanwege het inzicht in de worstelingen en strijd om voor jezelf te erkennen dat je homo bent, is dit boek het waard om gelezen te worden. Toch was dit niet de voornaamste reden dat ik dit boek rond de jaarwisseling in één adem uit heb gelezen. Dat was met name omdat dit persoonlijke verhaal op een innemende wijze drager is van het gesprek over homoseksualiteit en christelijk geloof. Het boek van Justin Lee gaat vooral over de worsteling hoe je tegelijk homo en christen kunt zijn.

Binnen mijn kerkgemeenschap (de GKV) is het nog steeds niet normaal dat je als christen homo of lesbisch kunt zijn. In theorie wel, maar in de praktijk weten we ons vaak geen raad. Het gesprek over homoseksualiteit is daarom blijvend noodzakelijk. Daarom vooral is het belangrijk om te weten hoe je dat gesprek kunt voeren. Het boek van Justin Lee zie ik als een voorbeeld, hoe je dat op een christelijk genadevolle wijze kunt doen. Ik hoop dat velen het om die reden zullen lezen en daar inspiratie uit zullen putten om zijn voorbeeld na te volgen.

Het thema van de homoseksualiteit zal de komende jaren in onze kerken een hot item worden. Een indicatie daarvoor zie ik in een reactie op de Synode van Ede-Zuid 2014, waarin gesteld wordt dat de wijze waarop wij met het thema homoseksualiteit om zullen gaan, bepalend zal zijn voor het behoud van het gereformeerde karakter van onze kerken. Vanuit zo’n principiële insteek zal het extra noodzakelijk zijn om dit gesprek over homoseksualiteit op zorgvuldige wijze aan te gaan. De ervaring leert dat het staan voor de waarheid zo maar het liefhebben van de ander in de weg kan staan. Wat ik van harte wil, is dat de homo’s en lesbiennes in onze kerkgemeenschap niet opnieuw slachtoffers van een (hernieuwde) discussie over homoseksualiteit zullen worden.

Daarom geef ik hier enkele lessen door die ik vooral of soms opnieuw van Justin Lee geleerd heb.

–          Allereerst dat we niet weten waarom iemand homo of lesbienne is. Maar als je het bent, is het zeer waarschijnlijk dat de biologische aanleg een belangrijke rol speelt en dat je allerlei sociologisch bepaalde theorieën, die de oorzaak in de opvoeding of in (traumatische) levensomstandigheden zien, met een gerust hart aan de kant kunt leggen.

–          De tweede is dat je homo voor het leven bent, net zoals je ook hetero voor het leven bent. Een eventueel onderscheid tussen zijn en gedrag is daarin niet helpend. De mogelijkheid dat je van seksuele oriëntatie verandert is te verwaarlozen. Daarom moet je ook homo’s niet adviseren om zo’n verandering door therapie proberen te bereiken. Integendeel, de ex -homobedieningen hebben in de VS, ondanks hun goede bedoelingen, uitzonderlijke destructieve gevolgen gehad voor zowel de kerken als voor de homo’s zelf.

–          Een derde is dat celibaat voor christenen een reële optie zal moeten zijn. Mensen die daarvoor kiezen zullen zich binnen de kerk volkomen aanvaard en gesteund moeten weten. Dit vind ik een belangrijke les, vooral omdat Lee zelf in zijn zoektocht om zijn christen zijn met het homo zijn te verbinden tot de conclusie gekomen is, dat God niet van homo’s eist dat ze celibatair leven. Wie kiest voor het celibaat heeft een lange, moeilijke weg te gaan waar eenzaamheid en ontmoediging op de loer liggen. Daarom hebben homoseksuele christenen die geloven dat God hen hiertoe roept, de steun van hun kerkelijke gemeente hard nodig.

–          Een vierde – en m.i. belangrijkste les – is, dat wil er echt een zinnig gesprek ontstaan over homoseksualiteit en bijbel er de bereidheid moet zijn om werkelijk naar de ander te luisteren. Een bereidheid die zo groot moet zijn, dat je de homo en de lesbienne als medechristen blijft aanvaarden en behandelen, zelfs al strookt zijn of haar interpretatie van de bijbel niet met die van jou.

Door het levensverhaal van Justin Lee ben ik opnieuw doordrongen van de christelijke opdracht om de ander lief te hebben en ieder in zijn gevoelens en ervaringen te respecteren, maar ook hoe christenen hier op een ongelofelijke wijze, – zelfs als zij dat niet willen -, kunnen falen.

Voor de uitkomst van het gesprek over homoseksualiteit, bijbel en kerk zal veel afhangen of we inderdaad bereid zijn de liefdevolle houding, die Jezus in zijn leven op aarde liet zien, in ons eigen kerkelijk leven na te volgen. Ik ben nog steeds dankbaar, dat ik daar in mijn eerste homocasus in de jaren ’80 al inspirerende voorbeelden van heb mogen zien.

 

[i] Justin Lee, Verscheurd, Ark Media. Amsterdam, 2014

 

Beeldvorming

0

Disclaimer: je hoeft deze blog niet te lezen – ik hou ook niet van polemiek.

1.

Afgelopen week kruiste de website ‘werkenaaneenheid.nl’ mijn pad. Onder mijn blog vond ik een verwijzing naar een reactie. Ik kende deze website niet. Dit wil zeggen: ik wist van het bestaan, maar had tot nu toe geen reden gevonden om deze te raadplegen.

2.

Toen in doorklikte zag ik een vette kop boven het artikel staan, waarin mijn naam wordt genoemd, maar waarin vooral prominent benadrukt wordt dat ik kandidaat ben in de GKv. Een noot onderaan het artikel onderstreept het nog eens.

De reactie heeft de vorm van een opstel van meer dan 2000 woorden. Vrij veel als antwoord op een blog van ca. 500. Bij nader toezien constateerde ik al, dat ze niet allemaal voor mij bedoeld zijn.

Mijn blog wordt namelijk vooral als een opstapje gebruikt om ds. Wim van der Schee eens goed de oren te wassen. En passant worden prof. B. Kamphuis en deputaten Herziening Kerkorde in het betoog meegenomen. Tenslotte wordt een waarschuwend woord aan de GKv Synode gericht, dat als de synodeleden met genoemde deputaten meegaan zij ‘metterdaad’ instemmen met de uitspraak: “De tijd van het handhaven van belijdenissen en kerkordes is onontkoombaar verleden tijd.” Kennelijk gaat het de schrijver in zijn reactie om dit laatste punt, want hij eindigt met de profetische woorden: ‘Bij ontbinding (en opheffing van de handhaving) aan Gods Woord en de belijdenissen verklaar je jezelf en elkaar vogelvrij.

3

Mijn eerste indruk is dat dit een artikel is van het soort ‘van dik hout zaagt men planken’, dat met grote woorden en korte stappen thuis is en suggereert dat het wel ergens over gaat. Vandaar dat ik ook maar eens verder naar de rest van de site gekeken heb.

Dat is wat ik mijn leerlingen ook altijd heb voorgehouden. Als je wilt verwijzen naar een artikel op internet, doe ook onderzoek naar de website waar het op geplaatst is. Wat is de waarde en status van de site? Wat is de kwaliteit van de artikelen die er op staan?  Net als in real life is er verschil tussen een artikel in een wetenschappelijk tijdschrift, de NRC of een blad als Privé. Er is verschil tussen kwaliteitsjournalistiek en roddeljournalistiek. Op internet is het niet anders. Rijp en groen staan door elkaar heen. Dus zoek ook iets op over de achtergronden en weeg de geboden informatie. En als het geen niveau heeft of als de website dubieus is, kun je de informatie daarvan niet gebruiken ter ondersteuning van je betoog. In sommige gevallen is het zelfs beter om bij bepaalde websites weg te blijven.

4.

De achtergrond en doelstelling van de website is gemakkelijk te vinden. De initiatiefnemer, Johan Trip, schrijft dat hij vanaf het ontstaan donateur van ‘St. Woord en Wereld’ was en in 1991 samen met dr. P. van Gurp een van de mede-oprichters van de vereniging Reformanda. Hij was daar enige jaren actief als correspondent, eindredacteur en bestuurslid. Ook draaide hij mee in de LWVKO (Landelijke Werkgroep Kerkelijke Ontwikkelingen) en was hij één van de ondertekenaars van de ‘Oproep tot Reformatie’ d.d. 12 februari 2003, die leidde tot de definitieve breuk met de GKv.

In 2003 heeft hij zich vrijgemaakt van de GKV Zwolle-Centrum en zijn plek ingenomen in de toen door dr. P. van Gurp gestichte Gereformeerde Kerken (hersteld). Eerst als lid van het voorlopig bestuur in Zwolle e.o., daarna als ouderling en catecheet. Met betrekking tot de doelstelling van de website schrijft hij dat hij zeer betrokken is bij het bevorderen van kerkelijke eenheid van alle gereformeerden die bij elkaar horen.

Eerlijk gezegd was me dat laatste bij het lezen van de reactie op mijn blog niet opgevallen. Ik vind de reactie niet echt een voorbeeld van het werken aan of het bevorderen van eenheid onder gereformeerden. Ik merk vooral dat mensen en instanties de maat worden genomen, terwijl het geheel gedragen wordt door wantrouwen en bevooroordeelde interpretaties, waarin gesprekspartners nauwelijks recht wordt gedaan. Ik constateer vooral een gedrevenheid om te benadrukken en aan de kaak te stellen wat er allemaal niet in de GKv zou deugen en hoe slecht dat allemaal wel niet is.

Vandaar dat mijn voorlopige conclusie is: lang geleden vanwege onvrede uit de GKv gestapt en nog steeds proberen te laten zien, hoe verderfelijk de weg van de GKv wel niet is. Op de een of andere manier is het eigen gelijk nog niet zo duidelijk, dat kennelijk na 10 jaar dat gelijk nog steeds bewezen moet worden. En dat kleurt de argumentatie en de bejegening van de gesprekspartners vanuit de GKv behoorlijk. Blijvend punt van aandacht lijkt mij.

5.

Behalve de achtergrond van de reactie te bekijken is het ook goed om de kwaliteit van de argumentatie te wegen. En die vind ik op zijn zachtst gezegd niet sterk. Laat ik dat op 2 punten illustreren.

Een eerste voorbeeld is de wijze waarop de auteur aan de haal gaat met een zinsnede uit een blog van ds. Wim van der Schee. Alleen al het gegeven, dat ik daarover schreef dat ds. Van der Schee die zin ‘geschreven zou hebben’, roept een forse reactie op. Immers, – zo betoogt de auteur met alle klem -, ds. Van der Schee heeft die zin echt wel geschreven. Echt wel!  Lees maar: het staat echt in zijn blog: ‘De tijd van het handhaven van belijdenissen en kerkordes is onontkoombaar verleden tijd’.  Zwart op wit! Daar is toch geen twijfel over mogelijk?

Men mag van mij aannemen, dat ik die zinsnede inderdaad gelezen heb. En toch formuleerde ik welbewust in mijn blog: ‘Hij zou namelijk hebben geschreven, dat ‘de tijd van het handhaven van belijdenissen en kerkordes onontkoombaar verleden tijd’ zou zijn.’

Ik ben er namelijk van overtuigd, – gezien de context van deze zinsnede -, dat het niet de bedoeling van ds. Van der Schee was om te zeggen, ‘dat de tijd van het handhaven van belijdenissen en kerkordes onontkoombaar verleden tijd is’. Uit het geheel van zijn blog blijkt dat dàt niet de strekking van zijn betoog is. Ds. Van der Schee zegt hier niet meer dan dat wij niet op dezelfde manier, zoals dat vroeger wel kon, vandaag belijdenissen en kerkordes kunnen handhaven. De Engelsen zouden zeggen: that’s obvious, zo duidelijk als wat.

Wat hier gebeurt is dat men één zin uit een betoog isoleert en dan aan deze op zichzelf staande zin allerlei interpretaties toekent. Interpretaties die in bepaalde contexten best geldig kunnen zijn. Maar die gezien de context, waaruit de zin genomen is, als onjuiste interpretaties moeten worden afgewezen.

Laat ik een voorbeeld gebruiken. Het woord ‘bank’ heeft meerdere betekenissen. Het kan (1) een zitmeubel zijn, (2) een bij laag water droogvallend stuk of (3) een financiële instelling. Als je dan de zin: ‘Hij stort zijn geld op de bank’ leest, is de meest waarschijnlijke interpretatie dat iemand zijn geld naar een financiële instelling brengt. Natuurlijk kun je je geld op een zitmeubel storten of in zee. Maar als de zin voorkomt in een verhaaltje over een jongen, die zijn eerste vakantiegeld verdiend heeft en dat geld op zijn spaarrekening wil zetten, dan vallen de laatste twee interpretaties duidelijk af.

Op dezelfde manier vallen allerlei voorgestelde interpretaties van die zin, die ds. Van der Schee in zijn blog geschreven heeft, af. Wanneer men dan tegen de duidelijke bedoeling van ds. Van der Schee in aan deze zin allerlei betekenissen toekent, die daar gezien het verband niet aan toegekend kunnen worden, dan neemt men de schrijver van de blog niet serieus. Des te kwalijker wordt het, als men welbewust in de wetenschap dat het een onjuiste interpretatie is, de schrijver wegzet als iemand die over de gereformeerde schreef gaat. Dan is er sprake van moreel laakbaar gedrag. Ik vind dat je als christenen niet zo met elkaar kunt omgaan. Vandaar de strekking van mijn blog, dat je daar op zijn minst voor mag fluiten.

Deze manier van redeneren en argumenteren vind ik ten voeten uit terug in de onderhavige reactie. De betreffende zin wordt op zichzelf gezet en dan van een viertal mogelijke interpretaties voorzien, die vervolgens in de schoenen worden geschoven van respectievelijk ds. Van der Schee, de synode en deputaten Herziening Kerkorde. Tenslotte wordt de enige juiste interpretatie van deze zin – die van de auteur zelf – gehanteerd als meetlat voor wat de synode zou moeten besluiten of niet. Op deze manier geargumenteerd en geredeneerd heb je altijd gelijk: je stopt erin wat er uit moet komen. Tijdens mijn opleiding heb ik geleerd dat dit een vorm van onzindelijk denken is.

6

Een tweede voorbeeld. Curieus is de wijze waarop in de reactie de rechtmatigheid van de gehanteerde benadering wordt verdedigd. Dat gaat via een beschouwing over de mate waarin je bij de interpretatie van een tekst wel of niet rekening moet houden met de bedoeling van de auteur.

De auteur van het artikel laakt de visie van zowel de synode als van prof. B. Kamphuis, omdat die er voor pleiten om bij de interpretatie van een tekst rekening te houden met de bedoeling van de schrijver. Volgens de auteur betekent dat dus: ‘niet wat staat er geschreven, maar de bedoeling van de schrijver staat centraal’. Volgens hem is dat ‘moderne hermeneutiek’. Daar tegenover plaatst hij als eigen opvatting: ‘in de menselijke communicatie gaat het niet alleen maar om de bedoeling, maar ook om wat er feitelijk staat geschreven en hoe het kan worden geïnterpreteerd.’

Volgens mij begrijpt de auteur niet waar hij over spreekt als hij de term ‘moderne hermeneutiek’ in de mond neemt.

In de gereformeerde hermeneutiek van F.W. Grosheide, S. Greijdanus, L. Berkhof en J. van Bruggen is de bedoeling van de auteur vanouds altijd een belangrijk ijkpunt voor de exegese of interpretatie van de tekst geweest. Daar is niets modern aan. En ook zijn zij van mening, dat de context altijd een belangrijke factor om een tekst te interpreteren. Je zou massa’s citaten kunnen geven om deze stelling te ondersteunen.

Als voorbeeld noem ik L. Berkhof die in zijn Beknopte Bijbelsche Hermeneutiek (Kok Kampen, z.j.) zegt, dat als het gaat om de hulpmiddelen om een tekst te verklaren je allereerst op ‘het verband’ letten: ‘op beide, het voorafgaande en het volgende, het naaste en het verder verwijderde verband’ (129) en in de tweede plaats op‘het oogmerk van den schrijver’ (133). En J. van Bruggen schrijft in Het lezen van de bijbel (Kok Kampen, 1987) dat het feit dat de bijbel zich als boek presenteert, als gevolg heeft, dat het nu ‘noodzakelijk is om het éne Auteursbedoelen te zoeken’ (15).

(Terzijde: wanneer de schrijver van de reactie het niet van deze betrouwbare gereformeerde broeders wil aannemen, wil ik ook wel verwijzen naar de handboeken taalkunde en semantiek. Daar wordt het onderscheid uitgelegd tussen ‘locutie’ en ‘illucotie’ en wordt het verband duidelijk gemaakt dat er is tussen de betekenis van een zin of tekst en de bedoeling om die zin of tekst te schrijven of uit te spreken.)

Toch kan ik mij voorstellen, dat de schrijver zich op zijn website keert tegen de visie om met de bedoeling van de auteur rekening te houden. Dat zou namelijk betekenen dat hij zijn ‘vrijheid’ kwijt is om aan teksten willekeurige interpretaties toe te kennen en zou hij ds. Van der Schee niet meer kunnen kapittelen.

Want de schrijver past inderdaad consequent zijn eigen hermeneutiek toe: het gaat hem om ‘wat er geschreven staat’ (zwart op wit) en ‘hoe het kan worden geïnterpreteerd’, met de nadruk op ‘kan’. Het is voor hem voldoende dat een interpretatie mogelijk is. Rekening houden met de bedoeling van de auteur is dan maar knap lastig. Want dat betekent dat jouw interpretatie misschien niet geldig of onjuist is. En dát wil je toch niet. Je zou geen rode kaart meer kunnen uitdelen!

De implicatie van deze wijze van interpreteren en hermeneutiek bedrijven is echter wel dat andermans teksten vogelvrij zijn. Want met zo’n hermeneutiek heb je jezelf het recht verschaft om over andermans teksten te roepen wat je wilt. Je hoeft namelijk geen rekening meer te houden met de bedoeling waarmee de ander iets geschreven heeft. Hoe postmodern kun je zijn. En dat onder het mom van een opkomen voor de oude vertrouwde hermeneutiek.

7

Als ik de website #werkenaaneenheid en het daarop geplaatste artikel zou moeten beoordelen, dan zouden ze een zware onvoldoende krijgen. De wijze waarop geargumenteerd wordt, de betrouwbaarheid van de informatie. ik vind het inhoudelijk, maar vooral ethisch gezien onder de maat.

Als dit niveau van argumenteren, interpreteren en oordelen, representatief  is voor het klimaat in de Gereformeerde Kerken (Hersteld), dan ben ik blij dat ik kandidaat ben in de GKv. Bij de schrijver van deze website voel ik mij niet veilig. Ik zal anderen zeker niet aanraden om hun vertrouwen te schenken aan de hier geboden informatie. En mensen die met een beroep op deze website dingen gaan roepen, zou ik vragen om zich wel driemaal te bedenken.

8

Er was eens een Don Quichot die vocht tegen windmolens. Zelfs zijn trouwe dienaar Sancho Panza lukte het niet om hem van zijn waanbeelden af te brengen. De veelkleurige verscheidenheid in Gods werkelijkheid is inderdaad soms moeilijk te verdragen.

Geduld

Er kan in de kerk zomaar onenigheid komen over hoe je de bijbel leest. Als er bijvoorbeeld een verschil van mening is over zaken, die je niet zo rechtstreeks uit de bijbel af kunt lezen.

In het verleden ging het vaak over de sacramenten als doop en avondmaal of over de zondag. In de moderne tijd eerder over zaken als slavernij, apartheid, vrouw in het ambt en homoseksualiteit. Verschillen van mening kunnen dan gemakkelijk leiden tot het verbreken van de onderlinge verbondenheid. De een vermoedt dat hij  – het zijn helaas veelal mannen die hier het voortouw in nemen – meer de waarheid in pacht heeft als de ander. Een scheuring of vrijmaking ligt dan om de hoek.

Als zo’n situatie zich voordoet ligt er voor de kerk de uitdaging om geduld te betonen. Een mooie verwoording daarvan las ik recent bij Angus Paddison, die schreef:

‘Specifically , I will suggest that the virtue the church needs most when it is reading Scripture – and is disagreeing about its meaning – is patience.’

Als voorbeeld waar discussie over is, noemt hij het gesprek over homoseksualiteit. In de context van de kerken waar ik lid van ben (GKv) kun je daarvoor op dit moment ook het item van de vrouw in het ambt invullen:

‘One topic most recently conflicting the church is, of course, homosexuality. But rather than pose yet another argument about what Scripture does or does not say about homosexual behaviour (a debate which has occupied an inordinate amout of the church’s recent energies and attention), I want instead to aks the following: what kind of people must the church be to disagree about Scripture an yet remain in communion? And how does the virtue of patience sustain our vocation of reading Scripture?’

We kunnen geduld hebben, omdat we er op mogen vertrouwen dat God in Christus alles al gedaan heeft door hem uit de dood op te wekken. We hebben de tijd om het met elkaar oneens te zijn, omdat het strikt gesproken niet ‘onze’ tijd is: ons wordt de tijd en de ruimte gegeven om in liefde naar elkaar toe te groeien. Ook al kunnen wij nog niet tot overeenstemming komen, onze ziel en zaligheid hangt daar niet van af. In variatie op wat Paulus schrijft: als wij hopen op wat nog niet zichtbaar is, blijven we in afwachting daarvan volharden, Rom. 8 : 25.

Paddison wijst er op dat het niet iets nieuws is, dat er verschil van mening over de bijbeluitleg is:

‘Indeed, the church has always disagreed about the Scripture in some way. The issue we need to relearn is rather how the church is to endure one another patiently. That we have forgotten how to do this marks our neglect of Scripture’s ministry. Scripture is, as Augustine pointed out, given so that the church may grow closer to one another in communion. Fellow interpreters must not therefore vaunt their interpretation over that of other interpreters but instead seek to build up the community.’

Hij verwijst hiermee naar wat Augustinus in de Confessiones (Boek 12, hoofdstuk XXV) zegt over de verschillende interpretaties van het scheppingsverhaal in Genesis:

Hoe dwaas is het om bij een zo grote overvloed van volkomen juiste interpretaties die daaraan verbonden kunnen worden, vermetel te verzekeren dat een particuliere mening de juiste bedoeling van Mozes weergeeft en door verderfelijke twisten juist de liefde te kwetsen, ter wille waarvan die woorden juist geschreven zijn.

De bijbel is ons toch niet gegeven om verdeeldheid te bevorderen, maar om ons als kerk aan elkaar te verbinden als het lichaam van Christus?

Wanneer de kerk geduld en volharding betoont is ze in staat om het met elkaar uit te houden ook als men het niet met elkaar eens is. Ze laat dan een houding van ontvankelijkheid en kwetsbaarheid zien, die nodig is om het gesprek gaande te houden in vertrouwen op wat God zal laten zien: ‘The patient person is willing to be receptive to the action of God in unexpected places and people and as such is willing to yield control.

Christenen kunnen geduldig zijn, niet omdat het een deugd is die op natuurlijke wijze uit hun samenzijn voortvloeit, maar omdat volharding deel uitmaakt van het wezen van God en omdat God de kerk één maakt, (vgl. Joh. 17:20-23). De deugd van de volharding en geduld is vooral een beschrijving van wie God is en hoe hij handelt.

Geduld betonen als men het niet met elkaar eens is, betekent dat de kerk bereid is een open gesprek te voeren, zonder dat men voorafgaand aan de concrete ontmoeting de randvoorwaarden voor de uitkomst probeert vast te leggen. Dat men bereid is om alle relevante stemmen in het gesprek uit te laten spreken en dat men weerstand biedt aan elke tendens om iemand door de manier waarop het gesprek wordt vorm gegeven bij voorbaat uit te sluiten. Het betekent weerstand bieden aan elke vorm van verabsolutering van de eigen mening.

De eenheid van de kerk vereist dat er geen grenzen worden getrokken tussen waar wel of niet naar geluisterd zal worden. De eenheid wordt niet gevonden door overhaaste buitensluiting, maar in het gesprek waarin men kwetsbaar durft te zijn. Als mensen die bereid zijn om zichzelf als kwetsbare geduldige lezers van de bijbel te laten kennen aan anderen die de boodschap van de bijbel op andere wijze hebben verstaan.

Paddison schrijft dat de eenheid van de kerk niet het resultaat zal zijn van een gemakkelijke overeenkomst, maar ten diepste groeit door het verschil van mening uit te houden:

A church that thinks unity is based on agreement is likely to reach a crisis point when disagreements naturally occur and is liable to split. To be in unity is therefore to know how, in the light of the gospel, to disagree.’

Dit betekent niet dat ‘anything goes’ of dat verschillen van mening op zichzelf kunnen blijven staan. Er zijn grenzen aan verschil in inzicht. Het punt is echter, dat die grenzen niet bereikt zijn voordat christenen een eerlijk proces hebben doorgemaakt van oprechte aandacht voor hen met wie ze van mening verschillen.

(Weergave van en geciteerd uit: Angus Paddison, Scripture: A Very Theological ProposaI, T & T Clark International, London, 2009, p. 57-62).