Zielsbedroefd

Overdenking Vesper in de Stille Week   
Eudokiakerk, Kampen
Dinsdag 15 april 2025

1e Schriftlezing: Psalm 42
2e Schriftlezing: Matteüs 26: 30-50

‘Kunnen jullie de beker drinken, die ik zal moeten drinken?’

Het is de vraag die Jezus aan Johannes en Jacobus stelt, toen hun moeder vroeg of zij als de intimi van Jezus in zijn koninkrijk rechts en links naast Jezus op de troon zouden mogen zitten.

Jezus had vlak daarvoor voor de derde keer aangekondigd, dat de Mensenzoon aan de hogepriesters en de schriftgeleerden uitgeleverd zal worden, dat ze hem ter dood zullen veroordelen, en dat ze hem aan de heidenen zullen uitleveren, die de spot met hem zullen drijven, zullen geselen en kruisigen.

En nu is het zover. De beker wordt hem aangereikt. Nu moet hij zelf die vraag beantwoorden: ‘Zal ìk de beker kunnen drinken?’

Jezus heeft met de leerlingen het Pesachmaal gevierd en is met hen de olijvenhof Getsemane binnengegaan. Zoals hij zo vaak gedaan heeft, wil hij daar bidden, het contact zoeken met zijn Vader. Petrus, en ook Johannes en Jacobus, mogen mee, verder de tuin in.

Op dat moment overvalt hem de beproeving: hij ervaart zijn menselijke kwetsbaarheid. Hij wordt overmand door een intens verdriet, en een diep zittende angst voor wat komen gaat, komt aan de oppervlakte. Het knijpt hem de keel dicht – het beneemt hem de adem. 

Hartstochtelijk heeft Jezus er altijd naar verlangd om te genieten van Gods nabijheid en om zijn goedgunstigheid te ervaren. Te midden van een juichende en feestende menigte was hij de stad ingetrokken, op weg naar de tempel, het huis van zijn Vader. Hoe teleurstellend was het geweest, dat hij hem dààr niet had gevonden: het huis van gebed was verworden tot een rovershol.

De dagen daarna had men hem opnieuw belaagd en op de proef gesteld. Hij had de hoon en de minachting gevoeld: bent u werkelijk de Messias, de verlosser van Israël? Hij wist dat ze erop uit waren om een gelegenheid te vinden hem te vermoorden. En nu – nu breekt het uur van het verraad aan.

Toch is het niet de angst voor de dood op zichzelf, die hem beheerst. Wat hem aangrijpt is, dat hij de toorn van God proeft en ervaart. Dat de wateren van de chaos door God losgelaten worden en over hem heen zullen slaan, zodat hij net als eens Jona, daardoor verzwolgen zal worden. Dat het God zelf is die hem ter kruisiging overlevert en zo prijs geeft aan de machten van de hel.

Het is de angst voor Gods toorn die bovenkomt. En tegelijk overvalt hem een intens verdriet, omdat hij beseft dat hij verbannen wordt van voor het aangezicht van God en dat hij nooit meer de liefdevolle aanwezigheid van zijn Vader zal ervaren.

Deinst Jezus terug? Zoekt hij hulp bij zijn vrienden, als hij hen dringend vraagt met hem te waken? Dat laatste wel, het eerste niet.

Juist omdat Jezus niet terugdeinst, maar op de beproeving ingaat, doet hij een beroep op zijn leerlingen. Hij doet een beroep op hen om er als medemens voor hem te zijn, hem moreel te ondersteunen, en voor hem te bidden dat hij in de beproeving niet zal bezwijken.

En zo worstelt Jezus, met zijn hoofd voorover liggend op de grond, intensief met God, en zoekt hij tot driemaal toe tevergeefs de ondersteuning van zijn vrienden:

  • Laat deze beker, Vader, toch aan mij voorbijgaan!
  • Kan uw plan niet op een andere manier gerealiseerd worden, dan dat ik deze beker van de Godverlatenheid drink?
  • Maar als dat niet mogelijk is, laat het dan gebeuren, volgens uw plan.
  • Want niet zoals ik het wil, maar laat uw wil geschieden.

En zo komt Jezus, al worstelend en biddend in deze eenzame doodsstrijd, tot de zekerheid dat het inderdaad de wil van God is. Het falen van zelfs zijn meest intieme leerlingen is voor hem gèèn alibi om zich aan Gods plan te onttrekken. En juist door in de angst en in de benauwdheid zijn hoop op God gevestigd te houden, lukt het hem zich aan Gods plan met zijn leven toe te vertrouwen, lukt het hem om zich over te geven aan de handen van zijn belagers die hem zullen vermoorden.

Laten wij stil worden en onder de indruk raken van de trouw van Jezus om de beker van Gods toorn over onze zonde te drinken. Dat hij ons en onze wereld niet aan de Godverlatenheid prijs heeft gegeven.

En laten wij ook in onze worsteling om te blijven geloven en in de beproeving om God vaarwel te zeggen, ons toevertrouwen aan de liefde van Jezus, die als een herder zijn leven gaf voor de schapen.

Laten wij onze hoop vestigen op de levende God, die ons ziet, ons kent, en telkens – wanneer wij hulp en kracht in het leven nodig hebben -, ons in Christus zal redden.

Amen.

Andrea Mantegna

Doodsangst in de hof, (circa 1460)

Kerstavond 2019

Ik houd ervan om naar middeleeuwse bijbelse kunst te kijken. Vooral mooi vind ik dat de bijbelverhalen op een eigentijdse manier worden weergegeven. Ik heb twee voorbeelden van de aanbidding van de wijzen meegenomen.

Gebr. Van Limburg 1375 – 1416 – Aanbidding der wijzen –  Metropolitan Museum of Art, New York

De eerste is een miniatuur uit een manuscript in 1408 gepubliceerd. Alle bekende elementen uit de kerststal zijn aanwezig. De ezel en het rund in de stal, Maria, de oude Jozef, het kind, een herder met schapen, de ster die de stal beschijnt, op de achtergrond de stad Jeruzalem, en dan de drie wijzen met hun geschenken, die al voorgesteld worden als koningen, gezien de kronen die ze dragen.

Toegeschreven aan Master of Prado – Aanbidding der wijzen – tussen 1460 – 1470 – Museum Del Prado Madrid, naar Columba Altaar van Rogier van der Weyden (1455) in München, Alte Pinakothek.

En dan heb ik ook een schilderij uit 1460/70. Een opvallend verschil is dat de wijzen hier geen kronen hebben, maar een soort baretten dragen. Het meest opvallende verschil is, dat één van hen zwart is. Verder hebben ze verschillende leeftijden en afkomst gekregen: Caspar, de zwarte jongen van 20 komt uit Afrika, Melchior is een 40-er uit Europa en Balthasar een 60-er uit Azië. De drie wijzen zijn de vertegenwoordigers geworden van de drie toenmalige bekende werelddelen en van alle levensfasen: jeugd, volwassenheid en ouderdom.

Zo zie je dat er veranderingen in de verbeelding van het kerstverhaal ontstaan. En je zou kunnen zeggen, dat er ook allerlei elementen zijn die niet kloppen met de feitelijke gebeurtenissen rond kerst, zoals we die in de bijbel lezen. Toch denk ik dat dat ook niet de bedoeling van deze verbeelding is. De verbeelding wil vooral de theologische of godsdienstige betekenis van het kerstverhaal aan de toeschouwer duidelijk maken. En dat gebeurt op een symbolische verbeeldende manier.

Als je naar het schilderij kijkt, dan ziet het tafereel er vredig uit. Maar als je let op de manier waarop het opgebouwd is, kun je er ook tegenstellingen in opmerken. Deze tegenstellingen verwijzen symbolisch naar de spanningen die in het kerstverhaal in de bijbel zelf al aanwezig zijn. Het is namelijk de vraag of dit kind Jezus, dat geboren is in een familie die uiteindelijk van koninklijke afkomst is en waarvan de profeten lang geleden al aangekondigd hebben dat het ook van goddelijke afkomst zal zijn – of dit kind wel geaccepteerd en erkend zal worden.

De wijzen zijn gekomen om dit kind te eren als koningskind, als koning van de Joden. Het zijn magiers, waarschijnlijk uit Babel, die uit de stand van de sterrenhemel hebben opgemaakt, dat er iets heel bijzonders in het land van de Joden is gebeurd. Daarom zijn ze toen ze in Judea kwamen ook eerst naar de hoofdstad, naar Jeruzalem, gegaan.

Het vreemde is dat men daar nog van niets weet. De koning die daar troont, Herodes,  schrikt als hij het verhaal van de wijzen hoort. Hij ervaart de geboorte van dit koningskind als een directe bedreiging van zijn koningschap. En ook al suggereert hij dat hij het kind wil verwelkomen, uit de rest van het verhaal weten wij dat hij er op uit is dit kind te doden.

En dan zijn er in Jeruzalem de Joodse godsdienstige leiders. Ze weten precies te vertellen, waar dan een koningskind geboren zou moeten zijn: in Bethlehem, in het geboortedorp van de latere koning David, het dorp waar hij als herdersjongen is opgegroeid. Maar deze informatie is voor de leiders geen reden om dat kind te zoeken, te verwelkomen en te eren.

Zo wordt de betekenis van het Kerstverhaal hier vastgelegd in het beeld van de aanbidding van de wijzen. De wijzen staan voor de niet-joodse volken, de heidenen, die komen om in het kind Jezus God te aanbidden en te vereren met geschenken. Naast hen staat het joodse volk, waar Jezus uit geboren wordt: Jozef en Maria zijn daar de vertegenwoordiger van. Ook de os en de ezel verwijzen daar naar. De os als rein dier verwijst naar het Joodse volk en de ezel als onrein dier naar de heidense volken. Daarmee zegt dit schilderij dat de geboorte van het kind Jezus voor de hele wereld van betekenis is, zowel voor de Joden als heidenen.

Dat is ook wat de geestelijke leiders uit die profetie van Micha opdiepen: ‘Dit kind zal eens leider van zijn volk worden en het als een herder weiden, maar onder zijn leiding zal er ook in de hele wereld vrede heersen. Hij zal de tegenstand van een vijand als de Assyriers overwinnen.’  

De vraag die in het geboorteverhaal van Jezus besloten ligt is dus, wie hem als de door God gezonden leider zal erkennen? Welke houding neem je tegenover hem aan? Ga je hem eren, zoals de wijzen? Wijs je hem af, zoals de geestelijke leiders in Jeruzalem zullen doen? Of bind je zelfs in vijandschap de strijd tegen hem aan, zoals Herodes?

Op dit moment is die vrede wereldwijd nog toekomstmuziek. Maar wij zien er wel naar uit. Zoals het in het laatste bijbelboek Openbaring aangekondigd wordt: dat Jezus als het lam van God eens als koning over de hele aarde zal heersen en dat alle volken hem dan zullen eren en prijzen.

Vanavond worden wij in dit verhaal al uitgenodigd om in navolging van de wijzen Jezus te aanbidden en te eren. Om vandaag al dit pasgeboren kind als onze koning en Heer te ontvangen.[i]  


[i] Meditatie op Kerstavond 2019 in De Fontein (Gkv Zwolle-West). Lezingen: Micha 5, 1-5, Mattheüs 2, 1-12 en Openbaring 21, 1-2a en 22-26.

Weefsels

Maarten van der Graaff heeft religiewetenschappen gestudeerd en heeft van schrijven zijn beroep gemaakt. Na 2 dichtbundels publiceerde hij de afgelopen zomer een roman met de titel Wormen en engelen[1]. Het is literatuur waarin hij verkent en vastlegt hoe wij vandaag in een geseculariseerde wereld leven en samenleven.

Wat ik in deze goed geschreven roman boeiend vind is dat hij niet alleen beschrijft en verbeeldt hoe wij dat doen. Hij reflecteert ook op die wisselwerking tussen het persoonlijke en het maatschappelijke. Daar waar het schuurt en botst, omdat er keuzes gemaakt moeten worden op welke manier jij als persoon je eigen leven zult leiden. Ieder mens wordt geboren binnen een bepaalde cultuur, traditie en taal, terwijl het de vraag is hoe je daar op aansluit en je daar mee verhoudt. Neem je die traditie over, pas je hem aan of zet je je er tegen af, in het besef dat wat je ook doet je je afkomst niet ongedaan zult kunnen maken?

De hoofdpersoon in de roman is Bram Korteweg, geboren op het Zuid-Hollandse eiland Goeree-Overflakkee, opgegroeid in een gereformeerd gezin, die wanneer hij in Utrecht kunstgeschiedenis gaat studeren in een totaal andere milieu terecht komt. Hij raakt verzeild in de alternatieve wereld van kunstfestivals annex dance- en xtc-party’s. Tegen de tijd dat hij zijn bachelor-scriptie moet schrijven, trekt hij veel op met enkele vrienden uit de kunstscene, zoals Kim en Felix, en woont hij samen met Lena die Literatuurwetenschap studeert en gedichten schrijft en op literaire avonden voordraagt, terwijl ook hij zelf korte verhalen schrijft. Twee gescheiden werelden, die steeds meer uiteendrijven:

Aan de telefoon zei mijn moeder steeds vaker: ‘Maar dat vind jij vast dom’, of: ‘Dat begrijpen wij hier niet.’ Soms keek ik naar Kim, Lena en Felix en nam het hun kwalijk dat mijn moeder zulke dingen zei. Ik nam het de boeken kwalijk die als ongedierte de vloer van mijn kamer in bezit hadden genomen’, (60).

Ook al heeft Bram het gereformeerde geloof achter zich gelaten, het religieuze is wel met zijn bestaan verweven:

‘Bijna iedereen in het dorp was wit. De meesten waren christen, een enkeling ‘deed nergens aan’. Toen ik besloot een heiden te worden wist ik niet eens hoe dat moest. In Utrecht werd dat al snel genoeg duidelijk. Ik was ongelofelijk christelijk en ongelofelijk eenzaam. Een ervaring die zo vanzelfsprekend was dat ik er altijd overheen heb gekeken’, (128)

Dat het religieuze blijft intrigeren blijkt wanneer hij via Paul Bleeker, die hij bij het volgen van een van zijn bijvakken bij de Theologische Faculteit heeft leren kennen, lid wordt van het oecumenisch Theologisch Werkgezelschap ‘Uterque’. De helft van de leden is protestants en de andere helft rooms-katholiek of oudkatholiek. Een klein gezelschap van 13 leden, dat de  christelijke tradities bestudeert en ook beoefent door b.v. antifonen te leren zingen. Of zoals Bram op een gegeven moment tegen Lena zegt:

‘En hoe walgelijk vroom dit ook mag klinken, ik vind het fijn om met mensen in één ruimte te zijn die het woord God hardop durven uit te spreken’, (76).

Hoe verhouden deze verschillende werelden zich tot elkaar? Dat is waar Bram naar op zoek gaat. Letterlijk doordat hij een project op start, waarin hij Paul gaat interviewen, die door de Protestantse Kerk (PKN) via een mobiliteitspool in Middelharnis is gestationeerd. Wanneer hij zo naar zijn geboortegrond terugkeert, blijkt op allerlei manieren dat hij nog met die wereld verbonden is, al is het alleen maar via het Flakkeese dialect waarop hij moeiteloos over kan schakelen:

‘Het huis van mijn moeder maakt een motoriek en een manier van praten in me wakker die ik nergens anders bezit, het gaat om hoe de woorden proeven, welk gewicht ze hebben. Er is iets in de taal wat zich aan me opdringt’, (56)

Ook de religieuze taal blijkt zich in hem vastgeslagen te hebben:

Bij de brug over het Haringvliet pikt een radio in mijn hoofd automatisch de frequentie op en de woorden komen gewoon, een zombievocabulaire. Verootmoedigen wij ons voor god. Barmhartige god en vader, wij zijn voor uw aangezicht gekomen met al onze zonden. Mijn god is de god die zich op deze manier laat aanspreken’, (41).

De katalysator voor zijn project is de doop van zijn vader Johannes Korteweg in het Haringvliet, nog geen jaar geleden.  Zijn vader was er met een andere vrouw vandoor gegaan, toen Bram zes jaar oud was. Naar de kerk ging Johannes al nooit mee. Maar door een bijna-ongeluk met zijn auto, was hij stil gezet en had hij zich aangesloten bij een evangelische gemeente.

De roman heeft  vier delen. Hij opent met een korte proloog, waarin de doop van zijn vader beschreven wordt. Het 1e hoofddeel heet ‘Eiland’ en kent 28 korte en iets langere hoofdstukken. In dit deel ligt het hoofdaccent op Brams verbondenheid met Goeree-Overflakkee. Thematisch wordt het bijeengehouden door de autorit, die Bram maakt om het interview met Paul op locatie te houden.

Het 2e hoofddeel van de roman is getiteld ‘Overkant’ en bestaat uit 26 hoofdstukjes. Hierin staat Brams zoektocht naar een andere religieuze traditie en houding centraal. Die wordt belichaamd in Wilfried Reijmerink, zijn ‘vader’ op het werkgezelschap, rooms-katholiek, homo, 61 jaar oud en hoogleraar franciscaanse spiritualiteit, die in een kleine Minderbroeders-communiteit in Arnhem woont. In het kader van zijn project heeft Bram ook het plan opgevat om hem te interviewen. In dit deel komen ook de verschillende werelden van Bram samen, doordat zijn vriend Felix, wanneer hij een schrijversblok heeft, op retraite mag in de franciscaner communiteit en Bram, Paul, Lena en Kim hem daar samen opzoeken.

Verhaaltechnisch is dit een mooie vondst, omdat via deze tweede belangrijke hoofdpersoon het zicht op religieuze tradities verbreed wordt en de auteur in staat is ook het religieuze en sociale klimaat in het Nederland vanaf de jaren ‘50 op een ongedwongen manier op te roepen. Zo is hij in staat om Bram de doelstelling van zijn project te laten realiseren:

‘Ik wil de weefsels begrijpen waarin we zijn opgenomen. Ik wil iets groters begrijpen door het voor me te zien. Paul als dominee op Flakkee, Wilfried in een woongemeenschap, mijn vader tussen zijn nieuwe zusters en broeders, Lena en ik in een koffietent: welke donkere energieën wisselen we uit? In welk land wonen we eigenlijk? Ik wil iets openbaar maken’, (91).

In dit deel vindt ook de definitieve breuk plaats tussen Bram en Lena, die zich in het eerste deel al aankondigde. Lena is het derde belangrijke personage in de roman.  Zij vertegenwoordigt en geeft een belangrijke stem aan de niet-religieuze, seculiere wereld in de roman:

‘We hadden het niet vaak over geloof. Als het gebeurde luisterde ze, stelde ze heel goede vragen’, (67).

Zij heeft zijn horizon verbreed met aandacht voor feminisme en de betekenis van de eigentijdse kunst. Op een bepaalde manier is Lena een alter-ego van Bram en ook van de auteur. In een van de emails, waarin zij schrijft dat ze overweegt om een punt achter hun relatie te zetten, schrijft ze: ‘Ik heb een contract getekend. De titel wordt Dood werk’, (88).

Werkelijkheid en fictie komen hier samen. De tweede dichtbundel van Maarten van der Graaff is ook getiteld ‘Dood werk’. Bram omschrijft zijn project tegenover Paul ook op een gegeven moment als ‘literaire non-fictie’. Dit postmoderne spel tussen werkelijkheid en fictie is naast dat van de intertekstualiteit een van de aspecten van deze roman die het zo interessant en boeiend maakt om te lezen. Het nodigt ook uit je verder te verdiepen in andere literaire en historische werken, waar hij aan refereert. Via de literatuurlijst die als verantwoording achter in het boek is opgenomen, is dat goed mogelijk.

De roman sluit af met een kort derde deel van 10 zeer korte hoofdstukjes: ‘Strand’, waarin de ontknoping van de roman plaatsvindt. Centraal staat daarin het zingen van het Taizé-lied: ‘Ontsteek in onze duisternis een vuur, een vuur dat nooit meer dooft, een vuur dat nooit meer dooft’, waarbij Bram tot de conclusie komt dat het in het leven gaat om de organisatie van of het gestalte geven aan vage verlangens. Een verlangen, dat Wilfried eerder in verband brengt met het ervaren van het heilige, zoals hij dat in de franciscaanse traditie had gevonden.

Ik heb de roman met veel plezier en interesse gelezen. Knap is hoe Maarten van der Graaff in deze roman schijnbaar moeiteloos verschillende genres vermengt en toch alles leesbaar houdt. Email-wisselingen, beschouwingen over kunst, interpretaties van Simone Weil en Augustinus, historische informatie over het gereformeerde geloof, katholicisme en in het bijzonder Franciscus van Assisi. De fragmentarisch organisatie van de verschillende hoofdstukken vergt wel, dat wil je al de onderlinge verbanden verkennen, je het niet bij één keer ‘recht toe, recht aan’ lezen van het boek kunt laten. Net als poëzie zul je het werk dan zorgvuldiger moeten lezen en herlezen. Wat mij betreft was dat de moeite waard. Ik ben benieuwd naar wat hij nog meer gaat schrijven.

[1] Maarten van der Graaff, Wormen en engelen, Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2017

De appel

Jutta Richter is in Nederland vooral bekend als schrijfster van jeugd- en kinderboeken.

 In 2008 verscheen van haar Der Anfang vom allem, in 2009 in het Nederlands vertaald als De oorsprong van alles. Toevallig stuitte ik in onze bieb op deze novelle. Op de achterflap stond wel een mooie typering: ‘Jutta Richter laat haar lezer peinzend achter: hoe kan het dat de mens, die eindeloos verlangt naar liefde en leven toch altijd weer strandt op jaloezie, wrok, verdriet en vertwijfeling.’

Het gaat over de mens en wat hem drijft. Zoals een van de personages in het boekje (de poes) de mens typeert: ‘Zo zijn mensen immers? Naderhand zeggen ze altijd dat ze het niet wilden. Maar eerst doen ze precies wat ze niet willen.’

En de oorsprong van alles? Dat was toch die appel? Begon alle ellende daar niet mee?

Jutta Richter geeft met haar verbeeldingskracht een interpretatie van het oorsprongsverhaal uit de bijbel, die uitnodigt tot verder denken:

“‘Adam, ik was je vriend en ik dacht dat jij de mijne was. Ik geloofde dat onze vriendschap niet kapot kon. Ik geloofde soms dat ik mezelf terugzag in jouw ogen. Ik was zoals jij en jij was zoals ik. Ik heb me vergist, Adam. Ik heb me vergist in jou. In je ogen lees ik angst. Je bent bang voor mij. Maar Adam, voor je vrienden hoef je toch niet bang te zijn! Een mens is bang voor zijn vijanden! Je denkt nu dat ik je vijand ben, je denkt dat ik je zal verstoten omdat je vrouw die appel buiten mij om geplukt heeft. Daar ben je bang voor en daarom ben je bang voor mij. Je hebt zo weinig vertrouwen in mij! En het is bitter voor me, te zien hoe je je in allerlei bochten wringt om mij maar niet te hoeven aankijken. Te zien hoe je de liefde die ik voor je koesterde in het stof vertrapt heb.’

Hij keek Adam aan.

‘Nog vandaag zul je deze plaats verlaten. Niet vanwege die ene appel, dat zou kleinzielig en goedkoop zijn. Je vertrekt omdat je bang bent en omdat het nooit meer zo kan zijn als eerst, je vertrekt omdat je onze vriendschap verraden hebt!’

Na deze woorden draaide hij zich om en liep met moede schreden weg. En Adam keek hem na, op zijn beurt uit steen gehouwen. Zo stonden ze daar lange tijd, Eva gehuld in zijn mantel en Adam bleek en verstard. Ze konden het nog niet bevatten.”,

(Citaten uit Jutta Richter, De oorsprong van alles, Uitgeverij Brandaan, Barneveld, 2009, p. 41 en 51-53).

Eb

In de bibliotheek stond de roman opgesteld in de kast naast de uitleenbalie. Getriggerd door de auteursnaam nam ik hem mee. Bremmer? Familie van? Inderdaad blijkt ze een kleindochter van de vrijgemaakte theoloog Rolf H. Bremmer te zijn. Vooral is ze een kleindochter van Lucie G.A. Bremmer-Lindeboom, die tijdens haar leven streed voor de rechtmatige emancipatie van de vrouw in kerk en samenleving. Zelf is Rebekka Bremmer niet meer kerkelijk. Zoals ze in een interview vertelde: ‘Misschien was dat anders geweest als er meer vrouwelijke predikanten zouden zijn. Ik ben blij dat die er steeds meer komen. Voor mij als jong meisje was het lastig om me te identificeren met de man die op de preekstoel stond, misschien ook omdat de verhalen niet vanuit vrouwelijk perspectief werden geduid.’ Deze zelfwaarneming verheldert een aantal van de boeiende aspecten van haar roman.

Rebekka Bremmer situeert de roman in een laat 19e / begin 20e eeuwse samenleving, waarin de vrouw nog een maatschappelijke rol vervult en het geloof vanzelfsprekend is. De vrouw is niet alleen echtgenote en moeder, maar ook volop betrokken in het arbeids- en productieproces. De beschrijving van de eilandgemeenschap, waar de geschiedenis zich afspeelt, is een treffende illustratie van wat Barbara Ehrenreich in haar boek For Her Own Good (vertaald als Voor haar eigen bestwil ) ‘de Oude Orde’ heeft genoemd: de gevestigde, agrarische leefwijze van voor de Industriële Revolutie. Een orde die gekenmerkt wordt door eenheid en patriarchaat, maar tegelijk ook gynocentrisch is. Dat wil zeggen: ‘de kundigheden en het werk van vrouwen zijn onontbeerlijk voor het bestaan’, zowel ter ondersteuning van het beroepsleven van haar man, als in het draaiende houden van het gezin: moestuin bijhouden, pluimvee fokken, melkvee verzorgen; room, boter en kaas bereiden; koken, wekken van groenten en fruit; spinnen van wol en in de kleren steken; zeep maken, geneesmiddelen vervaardigen, zieken verplegen en vroedvrouw zijn. Al deze facetten van het leven komen ook in deze kleine roman voorbij, waarbij een nadruk ligt op zwangerschap, geboorte en kinderloosheid; kindersterfte en sterven in het kraambed; huwelijk, het voortijdig overlijden door verdrinking op zee en weduwschap. Zijdelings komen de relatie tussen grootouders, ouders en kleinkinderen; de tegenstellingen tussen eilandbewoners en die van het vaste land, de onderlinge wrijving en verbondenheid tussen verschillende eilandbewoners en religieuze verschillen tussen roomsen en protestanten aan de orde.

Op een boeiende manier weet Rebekka Bremmer de verschillende facetten van een samenleving te verbinden met de handelingen van Geeske. Ook al speelt het verhaal zich af binnen de 24 uur van een dag, door middels van flashbacks en de reflectie van de personages weet de auteur in haar boek een hele wereld op natuurlijke wijze tot leven te brengen. Maar dan vooral vanuit het perspectief van de vrouw: haar verlangen,  verwondering, blijdschap, rouw en teleurstelling. Dit vrouwelijke perspectief strekt zich uit tot in de interpretatie en toepassing van de bijbelverhalen, die met het leven van Geeske, de hoofdpersoon van het boek, verweven zijn. Zij identificeert zich met de verhalen van Sara en Hagar en van de vrouw van Lot.

Centraal in de ontwikkeling van de geschiedenis in de roman is het wachten en hopen op de terugkeer van de echtgenoot van Geeske. Deze is drie dagen geleden niet teruggekomen van zee. De vraag is, wat er gebeurd is en of hij nog in leven is. Naast Geeske vervullen twee andere personages een belangrijke rol. Allereerst Johannes zelf, de echtgenoot. Geboren op het vaste land, zoon van een molenaar, is hij na de dood van zijn pasgeboren dochtertje en het overlijden van zijn echtgenote in dit kraambed de zee opgegaan en is visser geworden. Door zijn huwelijk met Geeske is hij op dit eiland voor de Westfriese kust terechtgekomen, maar uit de loop van het verhaal blijkt dat hij altijd een buitenstaander is gebleven. Daarnaast is een bijzondere rol weggelegd voor Gezientje, die plotseling op het eiland opduikt om Geeske een bezoek te brengen. Zij komt van de vaste wal en blijkt gekomen te zijn, omdat zij al drie week niets van Johannes vernomen heeft. Wie zij is en wat haar relatie met Johannes is, is een andere spanningsboog in deze roman. De beschrijving van de aanvankelijke afstand en de latere toenadering tussen Geeske en Gezientje is een van de dragende delen van deze roman.

Bremmer weet de verschillende lijnen in de geschiedenis op een mooie manier met elkaar te verbinden. Knap is de nauwkeurige en aandachtige wijze, waarop zij handelingen liefdevol en gedetailleerd weet te beschrijven. Daarnaast valt op dat zij ruim gebruik maakt van spiegelverhalen, zowel vanuit de bijbel als ook in de romantekst zelf. Door de tegenstellingen en overeenkomsten in deze verhalen krijgen de beschrijvingen van de gebeurtenissen een symbolische meerwaarde. Tenslotte brengt de ontknoping van de roman de geschiedenis niet tot stilstand. Na eb komt ongetwijfeld weer vloed. Op een bepaalde wijze is het een open einde, die mij noopte tot het opnieuw herlezen van eerdere gedeelten uit de roman. Mooi om te merken hoe het interpretatieproces zich vanwege de intertekstualiteit en de structurering van de roman opnieuw voltrekt.

Wat details betreft zou ik een andere keuze gemaakt hebben: de keuze voor het gebruik van de Statenvertaling 1637 werkt onnodig vervreemdend. Het gebruik van een 19e eeuwse versie zou realistischer zijn geweest. Daarnaast had de uitwerking van het pelgrimagemotief van Johannes de roman nog sterker kunnen maken.

Een kenmerk van goede literatuur is een goed geschreven en gestructureerde tekst, die meer is dan alleen de beschrijving van een geschiedenis. Doordat Eb ook uitnodigt om de eigen werkelijkheid van de lezer met nieuwe ogen te bezien, is het een zeer geslaagde roman. Wat verwacht je van het leven? Waar mag je op hopen? Op welke wijze word je gelukkig? Wat is de rol en de betekenis van het verleden voor hoe je in het leven staat?

Rebekka Bremmer heeft een fijnzinnig debuut geschreven.

N.a.v. Rebekka W.R. Bremmer, Eb, Querido Amsterdam, 2012.