Overdenking Vesper in de Stille Week
Eudokiakerk, Kampen
Dinsdag 15 april 2025
1e Schriftlezing: Psalm 42
2e Schriftlezing: Matteüs 26: 30-50
‘Kunnen jullie de beker drinken, die ik zal moeten drinken?’
Het is de vraag die Jezus aan Johannes en Jacobus stelt, toen hun moeder vroeg of zij als de intimi van Jezus in zijn koninkrijk rechts en links naast Jezus op de troon zouden mogen zitten.
Jezus had vlak daarvoor voor de derde keer aangekondigd, dat de Mensenzoon aan de hogepriesters en de schriftgeleerden uitgeleverd zal worden, dat ze hem ter dood zullen veroordelen, en dat ze hem aan de heidenen zullen uitleveren, die de spot met hem zullen drijven, zullen geselen en kruisigen.
En nu is het zover. De beker wordt hem aangereikt. Nu moet hij zelf die vraag beantwoorden: ‘Zal ìk de beker kunnen drinken?’
Jezus heeft met de leerlingen het Pesachmaal gevierd en is met hen de olijvenhof Getsemane binnengegaan. Zoals hij zo vaak gedaan heeft, wil hij daar bidden, het contact zoeken met zijn Vader. Petrus, en ook Johannes en Jacobus, mogen mee, verder de tuin in.
Op dat moment overvalt hem de beproeving: hij ervaart zijn menselijke kwetsbaarheid. Hij wordt overmand door een intens verdriet, en een diep zittende angst voor wat komen gaat, komt aan de oppervlakte. Het knijpt hem de keel dicht – het beneemt hem de adem.
Hartstochtelijk heeft Jezus er altijd naar verlangd om te genieten van Gods nabijheid en om zijn goedgunstigheid te ervaren. Te midden van een juichende en feestende menigte was hij de stad ingetrokken, op weg naar de tempel, het huis van zijn Vader. Hoe teleurstellend was het geweest, dat hij hem dààr niet had gevonden: het huis van gebed was verworden tot een rovershol.
De dagen daarna had men hem opnieuw belaagd en op de proef gesteld. Hij had de hoon en de minachting gevoeld: bent u werkelijk de Messias, de verlosser van Israël? Hij wist dat ze erop uit waren om een gelegenheid te vinden hem te vermoorden. En nu – nu breekt het uur van het verraad aan.
Toch is het niet de angst voor de dood op zichzelf, die hem beheerst. Wat hem aangrijpt is, dat hij de toorn van God proeft en ervaart. Dat de wateren van de chaos door God losgelaten worden en over hem heen zullen slaan, zodat hij net als eens Jona, daardoor verzwolgen zal worden. Dat het God zelf is die hem ter kruisiging overlevert en zo prijs geeft aan de machten van de hel.
Het is de angst voor Gods toorn die bovenkomt. En tegelijk overvalt hem een intens verdriet, omdat hij beseft dat hij verbannen wordt van voor het aangezicht van God en dat hij nooit meer de liefdevolle aanwezigheid van zijn Vader zal ervaren.
Deinst Jezus terug? Zoekt hij hulp bij zijn vrienden, als hij hen dringend vraagt met hem te waken? Dat laatste wel, het eerste niet.
Juist omdat Jezus niet terugdeinst, maar op de beproeving ingaat, doet hij een beroep op zijn leerlingen. Hij doet een beroep op hen om er als medemens voor hem te zijn, hem moreel te ondersteunen, en voor hem te bidden dat hij in de beproeving niet zal bezwijken.
En zo worstelt Jezus, met zijn hoofd voorover liggend op de grond, intensief met God, en zoekt hij tot driemaal toe tevergeefs de ondersteuning van zijn vrienden:
- Laat deze beker, Vader, toch aan mij voorbijgaan!
- Kan uw plan niet op een andere manier gerealiseerd worden, dan dat ik deze beker van de Godverlatenheid drink?
- Maar als dat niet mogelijk is, laat het dan gebeuren, volgens uw plan.
- Want niet zoals ik het wil, maar laat uw wil geschieden.
En zo komt Jezus, al worstelend en biddend in deze eenzame doodsstrijd, tot de zekerheid dat het inderdaad de wil van God is. Het falen van zelfs zijn meest intieme leerlingen is voor hem gèèn alibi om zich aan Gods plan te onttrekken. En juist door in de angst en in de benauwdheid zijn hoop op God gevestigd te houden, lukt het hem zich aan Gods plan met zijn leven toe te vertrouwen, lukt het hem om zich over te geven aan de handen van zijn belagers die hem zullen vermoorden.
Laten wij stil worden en onder de indruk raken van de trouw van Jezus om de beker van Gods toorn over onze zonde te drinken. Dat hij ons en onze wereld niet aan de Godverlatenheid prijs heeft gegeven.
En laten wij ook in onze worsteling om te blijven geloven en in de beproeving om God vaarwel te zeggen, ons toevertrouwen aan de liefde van Jezus, die als een herder zijn leven gaf voor de schapen.
Laten wij onze hoop vestigen op de levende God, die ons ziet, ons kent, en telkens – wanneer wij hulp en kracht in het leven nodig hebben -, ons in Christus zal redden.
Amen.

Andrea Mantegna
Doodsangst in de hof, (circa 1460)

