Middengemeenten in de CGK als kind van de rekening

Hoe sympathiek, redelijk en realistisch het voorstel voor een herverkaveling van de Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK)[1] ook oogt, ik word er als betrokken buitenstaander[2] verdrietig van. Dit voorstel van de broers Henk en Harry Sok[3] is weinig liefdevol en verdraagzaam tegenover de breedte van de CGK. En de onderbouwing is zo selectief opgezet dat de einduitkomst vooral voor de ‘behoudende kerken’ voordelig is.

Vast en bondig

Het idee is de CGK te ontvlechten en her te verkavelen met als criterium trouw aan het presbyteriaal-synodale stelsel, omdat de standpunten over vrouw en ambt en homoseksuele praxis ‘vast en bondig’ vastgesteld zijn. Zo ontstaat er voor het kerkverband een situatie, ‘waarbij er een einde komt aan een onverdraagbare gang van zaken’, te weten de aanwezigheid van vrouwelijke ambtsdragers in de CGK.

Het komt erop neer dat alle gemeenten die vrouwelijke ambtsdragers hebben of wensen, vrijwillig toetreden tot de Nederlandse Gereformeerde Kerken (NGK) of ‘eventueel’ de Protestantse Kerk in Nederland (PKN). Als randvoorwaarde voor het overgebleven smaldeel van de CGK stellen de broers wel, dat de gemêleerdheid van de CGK, ‘zoals die er altijd is geweest’, behouden blijft. Dat is namelijk ‘het wezen en het eigene’ van de CGK.

Het vertrek van behoudende kerken wordt niet als optie overwogen

De pijn van deze hele herverkaveling wordt door de broers neergelegd bij degenen die ‘uit liefde en respect voor elkaar en zonder rancune’ zullen vertrekken. Voor de ‘behoudende kerken’ creëren ze een situatie dat die ongestoord hun plaatselijk kerkelijk leven kunnen voortzetten.

Daarnaast is het pijnlijk dat de zgn. ‘middengemeenten’ het kind van de rekening worden. Zij worden gedwongen ‘uit liefde en respect voor elkaar’ ten gunste van de ‘behoudende kerken’ de bestaande ‘brede gemêleerdheid’ in te leveren voor een ‘versmalde gemêleerdheid’. Waar men het met elkaar uithoudt om in een gemeente te leven met zowel voor- als tegenstanders van de vrouw in het ambt, zullen de voorstanders van vrouwelijke ambtsdragers moeten vertrekken of op zijn hoogst gedoogd worden. De mogelijkheid dat ‘behoudende kerken’ uit ‘liefde en verdraagzaamheid’ de pijnlijke keuze kunnen maken om over te gaan naar bijvoorbeeld de Hersteld Hervormde Kerk (HHK) of eventueel de Gereformeerde Gemeenten (GerGem) wordt niet als optie genoemd of overwogen.

Het resultaat van de voorgestelde herverkaveling is dat de CGK een sjibbolet-kerk wordt. Het gezond functioneren van het presbyteriaal-synodale stelsel, – waar de broers zo hoog van opgeven -, is om zeep geholpen door de revisie en de bezinning te frustreren vanuit het vasthouden aan een bepaalde interpretatie van Bijbelteksten.

Samen trouw zijn

Kenmerkend voor het presbyteriaal-synodale stelsel is niet binnen een ‘brede’ of ‘smalle’ gemêleerdheid’ leven, maar samen trouw willen zijn aan de Schrift en de belijdenis. Daarom lagen er op de huidige synodetafel verschillende revisieverzoeken rond de besluiten over vrouw en ambt alsook een rapport van de Studiecommissie Hermeneutiek, die de synode niet inhoudelijk wenst te bespreken. Mijns inziens ligt in dit noodzakelijke gesprek op synodeniveau over het Schriftgezag de principiële sleutel om uit de ontstane impasse te kunnen komen en conclusies voor het voortbestaan van de CGK te trekken.


[1] Het opinie-artikel verscheen in het RD van 15 mei 2025 onder de kop ‘Toekomst Christelijke Gereformeerde Kerken ligt in moeilijke maar nodige stappen’, en in het ND van 16 mei 2025 onder de kop ‘Zo zien wij de toekomst van de Christelijke Gereformeerde Kerken: Samen verder lijkt niet realistisch’.

[2] Als NGK-er ben ik als kerkelijk werker werkzaam binnen de CGK.

[3] Henk J. Sok is ouderling van de CGK Ulrum en Harry K. Sok is predikant van de CGK Urk-Ichthus.

NB. Deze blog is redactioneel aangepast naar de versie, zoals die in het Nederlands Dagblad van 27 mei 2025 als opinieartikel verscheen.

Als een olifant door de porseleinkast

Ik voel plaatsvervangend schaamte voor de wijze, waarop Ernst Leeftink in zijn blog over lhbti+ en de kerk zijn visie over dit delicate onderwerp onder woorden brengt[1]. Grote woorden als het gaat om de intentie van de besluitteksten te duiden die komende zaterdag 8 maart a.s. op de vergadertafel van de NGK Synode van Deventer liggen (angst om kleur te bekennen, de wil om als heel tolerant beschouwd te worden) of het effect daarvan (christelijke vrijblijvendheid en verwaterde kleurloosheid) tezamen met in dit kader onpasselijke beeldspraak (‘roze olifant’). Prudentie is ver te zoeken.

Volgens Leeftink walst de commissie van de Synode als een ‘roze olifant door de porseleinkast van gevoeligheden binnen de breedte van NGK.’ Uit de onderbouwing en de samenvatting van zijn blog blijkt dat de strekking van de voorgestelde besluitteksten vooral niet in lijn ligt met zijn eigen visie op homoseksualiteit, het huwelijk en het ambt. Want in zijn optiek zullen de NGK, wanneer deze besluiten worden aangenomen ‘verworden tot een kleurloos kerkverband,’ waarin:

  1. Gods oorspronkelijke goede schepping waarin homoseksualiteit niet voorkwam (Genesis 1 en 2) niet meer serieus genomen wordt;
  2. het huwelijk tussen man en vrouw zoals God dat bedoeld heeft niet meer in alle omstandigheden in ere gehouden wordt (Hebreeën 13:4);
  3. en het ambt, dat aan gemeenteleden hogere eisen stelt dan aan iedere avondmaalsganger, niet meer hoog gehouden wordt (1 Timotheüs 3:1-13 en Titus 1:5-9).

De onderbouwing van deze boude uitspraak lijkt door de verwijzing naar diverse teksten Bijbels verantwoord, maar is helaas nogal kort door de bocht en gestoeld op verschillende discutabele aannames.

Ad a. De visie op homoseksualiteit

Volgens Leeftink wordt er ‘een nieuwe visie, die de gevolgen van de zondeval ontkent, zonder enige onderbouwing binnengehaald als passend binnen de bandbreedte van een gereformeerde visie op de Bijbel.’ Zelfs worden er voor ‘de lens van variatie’ zijns inziens ‘geen gereformeerde theologen aangehaald.’

In het rapport wordt op p.74 in noot 97 Almatine Leene geciteerd, die voor zover ik weet een gereformeerd theoloog is. Zij schrijft: ‘Vanuit een genderspectrum waarbij sprake is van beweeglijkheid of fluïditeit en waarbij genderidentiteit zichtbaar wordt in een diversiteit aan seksuele expressies, krijg je een ander perspectief. Deze overtuiging wordt versterkt door ons verstaan van onder andere Genesis 1:26-27, waarin wij Gods schepping van ’man en vrouw’ niet zien als een binair en polair gegeven, maar als een continuüm waarbinnen ruimte voor diversiteit is.’

Ik lees hier niet anders dan dat zij op exegetische gronden verdedigt dat ook ‘in Gods oorspronkelijke goede schepping’ homoseksualiteit gewaardeerd kan worden als een gelovig te aanvaarden gendervariatie. Je kunt van mening verschillen over de exegese van deze verzen en over de consequenties daarvan, maar de stelling dat ‘Gods oorspronkelijke goede schepping niet meer serieus genomen wordt’ lijkt mij niet houdbaar. Net zo goed als dat in dit licht bezien ook de stelling dat ‘in Gods oorspronkelijke goede schepping homoseksualiteit niet voorkomt’ niet evident meer is.

Ad b. De visie op het huwelijk

Leeftink legt de besluitteksten zo uit, dat het mogelijk moet zijn ‘om een homohuwelijk op dezelfde manier in te zegenen als het Bijbelse huwelijk tussen man en vrouw, inclusief beloften van liefde en trouw en het ontvangen van Gods zegen op de knielbank.’ Dit is zijn formulering van wat de commissie zelf expliciet als omschrijving bij de herziene versie van dit onderdeel van het besluit (besluit 5) biedt, namelijk: ‘Het gaat om die relaties, waarin mensen zich in hun homoseksuele relatie op een zelfde manier aan elkaar willen verbinden – en in de gemeente van Christus ook aan de Heer van de kerk – als in het huwelijk tussen man en vrouw. Zo’n relatie kan een kerkenraad aanvaarden, in lijn met besluit 2. Dan past het ook om daaraan in de gemeente aandacht te besteden. Het midden van de gemeente is de plek waar we met elkaar voor Gods aangezicht ons eigen leven in Zijn hand willen leggen.’

Het verschil in omschrijving is dat Leeftink met de formulering ‘een homohuwelijk op dezelfde manier in te zegenen als het Bijbelse huwelijk tussen man en vrouw’ al een voorschot neemt op wat de uitkomst zal zijn van de eventuele opdracht voor ‘de landelijke commissie liturgische ondersteuning om, zo mogelijk in samenwerking met Kerkpunt, hiervoor materiaal te ontwikkelen en de kerken aan te reiken.’ Dit in weerwil van de commissie die er juist voor heeft gewaakt om daarover inhoudelijke dingen te zeggen en schrijft: ‘Dát is niet de scope van de voorliggende besluiten. En het is niet goed om daarover en passant uitspraken te doen die óf niet gevraagd óf niet voldoende onderbouwd zouden zijn.’

Ik vind het unfair van Leeftink om ondanks deze expliciete toelichting toch zijn omschrijving van de besluittekst te geven en dat als argument te gebruiken om de uitspraak te onderbouwen dat deze besluiten veeleer ‘een knieval’ zijn voor wat het studierapport op dezelfde blz. p. 109 [in de blog staat abusievelijk p. 104]: ‘de dominante visie in onze cultuur’ noemt. Zeker ook omdat al in het rapport al gezegd is, dat men ‘onvoldoende tijd gehad heeft om alle vragen rond het zegenen of bevestigen van een homoverbintenis goed te doordenken.’

Het blijft natuurlijk staan, dat er wel degelijk een verschil van visie is op de interpretatie van Gen. 1:27, zoals die ook in het rapport op p. 109 wordt gegeven: ‘De seksuele omgang tussen man en vrouw is vanwege dat wonder van het nieuwe leven meer dan een variant binnen het spectrum van de menselijke seksualiteit. Tegelijkertijd erkennen we in de werkelijkheid van mensen om ons heen een breedte van variaties waar we respectvol nabij willen zijn.’ Maar je kunt op grond daarvan niet met een loutere verwijzing naar Hebreeën 13:4 volhouden, dat ‘het huwelijk tussen man en vrouw zoals God dat bedoeld heeft niet meer in alle omstandigheden in ere gehouden wordt.’ Dat vergt heel wat meer onderbouwing, dan nu in een enkele pennenstreek wordt geclaimd.

Ad c. De visie op het ambt

Leeftink stelt dat wanneer in de NGK iemand die in een homoseksuele verbintenis samenleeft ambtsdrager wordt ‘het ambt niet meer hoog gehouden wordt.’ Hij wijst de visie van de commissie af, dat ‘wanneer er geen reden is om iemand het avondmaal te ontzeggen, in beginsel ook de weg naar de ambtsdienst open staat.’ Ik begrijp niet goed waarom Leeftink deze formulering bestrijdt, omdat het duidelijk is dat ook de commissie door het begrip ‘in beginsel’ te gebruiken erkent dat een persoon voor het vervullen van een ambt aan aanvullende criteria zal moeten voldoen. In de voorgestelde besluittekst staat volgens mij daarom ook expliciet geformuleerd: ‘het aan de kerken over te laten om in voorkomende situaties zorgvuldig af te wegen of zij iemand met een homoseksuele relatie kunnen roepen tot het ambt van predikant, ouderling of diaken.’

Waar Leeftink eigenlijk bezwaar tegen maakt is, dat in de visie van de commissie ‘het loutere feit van een homoseksuele verbintenis’ geen voldoende argument is om niet een ambt te kunnen dragen. Zijns inziens is in dit verband ‘nogal belangrijk, de voorwaarde dat de ambtsdrager ‘de man van maar één vrouw’ is (1 Tim. 3:2 / Titus 1:6).’ Wat zijns inziens ‘duidelijk verwijst naar de instelling van het huwelijk als een levenslange relatie tussen één man en één vrouw.’

Ik vind dit argument te pijnlijk voor woorden en acht het behalve als exegetisch onzorgvuldig vooral als een teken van een groot gebrek aan hermeneutische sensitiviteit. Allereerst omdat het mijns inziens duidelijk is, dat de focus van de voorwaarde die Paulus in de genoemde teksten inbrengt vooral de ‘huwelijkstrouw’ betreft, door Van Houwelingen in zijn commentaar omschreven als: ‘geen buitenechtelijke relaties maar trouw in liefde.’[2] Vervolgens omdat Leeftink niet rekent met de implicaties van het uitgangspunt, dat hij aan het begin van zijn blog lijkt te onderschrijven, namelijk dat ‘de bijbelschrijvers een diepgewortelde homoseksuele oriëntatie / geaardheid / gerichtheid niet op het netvlies stond en van gelijkgeslachtelijke seks moet worden onderscheiden.’ De criteria die Paulus in zijn brieven aan het ambt stelt hebben vooral te maken met het gedrag en de houding van de toekomstige ambtsdragers en niet met het zijn van de persoon. Ook hier geldt, dat een hermeneutische toepassing van deze criteria in onze tijd meer vraagt, dan een simpele verwijzing naar deze criteria op zichzelf om te onderbouwen dat wanneer een persoon die in liefde en trouw in een homoseksuele relatie leeft, als ambtsdrager het ambt zou devalueren.

Conclusie

De voorgestelde besluitteksten rond het thema ‘lhbti+ en de kerk’ op de vergadering van komende zaterdag 8 maart 2025 van de Synode van Deventer roepen tegenspraak op. Eerder al het ingezonden van Dick Westerkamp in het Nederlands Dagblad van 25 februari jl.,[3] en nu de blog van Ernst Leeftink. Juist omdat het een emotioneel gevoelig onderwerp betreft zou je verwachten dat men zorg zou besteden aan een zorgvuldige en onderbouwde argumentatie. Ik vind het beschamend en teleurstellend, dat het hen niet gelukt is om dat niveau te bewaken.


[1] https://ernstleeftink.com/2025/03/04/als-een-roze-olifant-door-de-ngk-porseleinkast/

[2] P.H.R. van Houwelingen, Timoteüs/Titus. Pastorale instructiebrieven, (CNT), Kampen, 2009, 86.

[3] Zie: https://fpathuis.wordpress.com/2025/03/04/gereformeerden-gender-en-de-vrijzinnigheid/

Gereformeerden, gender en de vrijzinnigheid

Voor gereformeerden blijft de omgang met gender lastig. Ging het eerst over de positie van de vrouw in de kerk, vandaag gaat het om de lhbtqia+ en de kerk.

Nu er de komende zaterdag, 8 maart 2025, door de NGK Synode van Deventer een besluit moet worden genomen over de vraag ‘wat de gemeente te bieden heeft aan broers en zussen met een homoseksuele geaardheid in haar midden’[1], spelen de reflexen weer op om de positie, waar men vanuit eigen overtuiging niet mee in kan stemmen, te beschuldigen van onzuiverheid in de leer. Werden in de discussie rond de vrouw en het ambt daarvoor de begrippen ‘Schriftkritiek’ en ‘nieuwe hermeneutiek’ gebruikt, vandaag is de term ‘vrijzinnigheid’ het sjibbolet om de visie van de ander af te wijzen.

Dick Westerkamp gebruikt in zijn ingezonden in het Nederlands Dagblad van dinsdag 25 februari 2025 als definitie van de term ‘vrijzinnig’: ‘de bewuste afwijking van de klaarblijkelijke betekenis van de bijbeltekst’, waarmee meteen duidelijk wordt hoe lastig het is om deze term eenduidig toe te passen, omdat het in de overwegingen op de synode juist ging om de vraag wat ‘de klaarblijkelijke betekenis van de bijbeltekst’ is, en men het daarover niet eens kon worden. Het is mijns inziens te gemakkelijk om in zo’n situatie de eigen exegese van de bijbeltekst normatief als ‘de klaarblijkelijke’ te verklaren. Afgezien nog van de manier waarop je kunt nagaan of iemand ‘bewust’ afwijkt van die ‘klaarblijkelijke betekenis.’

Westerkamp doet wel een poging om het begrip ‘de klaarblijkelijke betekenis van de bijbeltekst’ zodanig te operationaliseren, dat er een werkbaar instrument ontstaat. Hij verwijst naar een uitspraak van Alvin Plantinga: ‘Als je een keer hebt vastgesteld wat je denkt dat God leert in een gegeven passage, wat Hij ons voorhoudt te geloven, dan is de zaak beklonken. Je hoeft verder niet te vragen of het waar is, of aannemelijk, of dat er een goede zaak is opgebouwd. God hoeft geen zaak op te bouwen’.

Op deze manier gehanteerd, vind ik dit een gevaarlijk instrument om mee te werken, omdat er de suggestie van uitgaat dat er een =-gelijkteken is tussen dat ‘wat jij denkt dat God leert in een gegeven passage’ en dat ‘wat God zegt’, wat je verder niet meer hoeft te onderbouwen. Het ‘klaarblijkelijke van wat God zegt’ wordt geïdentificeerd met ‘de zaak is beklonken als jij hebt vastgesteld wat jij denkt dat God leert’: doorvragen of je terecht tot die conclusie bent gekomen, en of dit werkelijk is wat God leert of zegt, is niet meer nodig, met de impliciete strekking dat als je dat wel doet, je God niet gehoorzaamt, omdat ‘God geen zaak hoeft op te bouwen’. 

Afgezien van dit principiële bezwaar, lijkt mij dat de geschiedenis heeft laten zien dat het een onwerkbaar instrument is. Te vaak hebben de kerk en de theologen moeten erkennen, dat de klaarblijkelijkheid van bepaalde exegeses uiteindelijk toch minder klaarblijkelijk was, als dat ze jarenlang gepresenteerd werd. Ik neem aan, dat Westerkamp onder verwijzing naar dit citaat van Plantinga er niet voor zal willen pleiten dat de vrouw geen predikant mag worden, omdat de kerk conform de klaarblijkelijke bedoeling van de bijbeltekst eeuwenlang geleerd heeft ‘dat de vrouw in de gemeente moet zwijgen.’

De paradox van het spreken over ‘de klaarblijkelijke betekenis van de bijbeltekst’ is, dat men een beroep daarop juist noodzakelijk acht in situaties waarin duidelijk is, dat ‘de klaarblijkelijkheid’ van de betekenis afwezig is. Wanneer men in zo’n situatie de exegese van de ander etiketteert als ‘Schriftkritiek’, ‘nieuwe hermeneutiek’ of ‘vrijzinnig’, vervangt men de bezinning op de hermeneutiek door een retoriek, die helaas vaak gebruikt is om een onwelgevallige exegese niet op basis van gesprek en argumentatie te weerleggen, maar op basis van macht te cancelen.


[1] https://ngk.nl/actueel-2/. Zie verder ook mijn tweede blog n.a.v. de tegenspraak over de concepten voor de besluitvorming: https://fpathuis.wordpress.com/2025/03/06/als-een-olifant-door-de-porseleinkast/.

It takes two to tango

Wil het wat worden met de predikant dan zal het samen met de gemeente moeten gebeuren. Het ambtsrapport waar de NGK Synode van Deventer deze week besluiten over zal nemen, is zich daarvan bewust.[1] Het wijst erop dat het daadwerkelijk vormgeven van het ambt in de context van de lokale gemeente gebeurt. Tegelijk is het perspectief van het rapport uitsluitend gericht op de mogelijkheden om het ambt van predikant verder te ontwikkelen. De kant van de gemeente, wat die nodig heeft, wat die wil, hoe die de toekomst van het gemeente-zijn ziet, is opvallend afwezig.

Probleem en oplossing

Wat is het probleem, waar dit rapport een oplossing voor moet bieden? Dat zijn vooral praktische problemen, waar men tegenaan liep. Allereerst dat er een mobiliteitsprobleem is. Er is te weinig doorstroming in de markt. Daarnaast dat predikanten vastliepen en losgemaakt moesten worden dan wel voor een ander beroep moesten kiezen. Tenslotte verwacht men een tekort aan predikanten, terwijl gemeenten krimpen en steeds meer moeite hebben om een voltijds predikant te betalen.

Wat zijn de oplossingen waar het rapport voor kiest? Voor het mobiliteitsprobleem zoekt men allereerst naar interventies in het beroepingsproces, dat wil zeggen door de band tussen lokale gemeente en predikant losser te maken en predikanten ook te verbinden aan een regionale of een landelijke organisatie. Daarnaast door variaties aan te brengen in de omvang en de duur van de verbintenis tussen predikant en gemeente. Ten aanzien van het tekort aan predikanten stelt men voor om te werken aan meer functiedifferentiatie, de inzet van HBO-theologen, en het faciliteren van de doorstroom en zij-instroom van predikanten.

En dit betekent volgens het rapport voor de gemeente: slikken. Die moet accepteren, dat zij op afstand komt te staan doordat de regio meer invloed krijgt op de aanstelling en taakinvulling van de predikant.  

Ambtsvisie

Het vreemde aan dit rapport is dat de oplossing van praktische problemen in het predikantschap gezocht wordt over de boeg van een nieuwe ambtsvisie. Daar kan de werkgroep niet zoveel aan doen, want dat was de opdracht: ‘het is wenselijk dat er een nieuwe ambtsvisie komt die antwoord geeft op de verscheidenheid aan opvattingen over het ambt van predikant in de kerken.’

Wel bijzonder is, dat de werkgroep pretendeert dat ze niet met een nieuwe ambtsvisie komt, maar slechts een aantal uitgangspunten en principes geformuleerd heeft, die afweging behoeven bij het kiezen van een ontwikkelrichting voor het ambt van predikant.

Gaandeweg in het rapport wordt duidelijk, dat de werkgroep ten aanzien van de ambtsvisie toch twee essentiële veranderingen voorstelt. Allereerst dat ze inzet op een omschrijving van het predikantschap die vooral gekenmerkt wordt door geestelijk leiding geven, wat gezien de ingewikkeldheid daarvan in de 21e eeuw zou betekenen dat het een WO-opgeleide functie moet zijn. In het gereformeerd kerkrecht daarentegen is de taak van het geestelijk leiding geven toebedeeld aan de kerkenraad, het college van predikant en ouderlingen, als geheel. Daarnaast probeert de werkgroep de onmisbaarheid van de positie van de predikant te verankeren en meer status en wijding te geven door de verkondiging en de bediening van de sacramenten uitsluitend te reserveren voor de ‘geordineerde ambtsdrager’, een fenomeen dat wij in het gereformeerde kerkrecht niet kennen.[2]

Conceptbesluiten

Ook in de conceptbesluiten is het perspectief van de gemeente en het gemeenteleven niet aanwezig. Voorgesteld wordt om te onderzoeken of en hoe de adviezen van de werkgroep over de ‘arbeidsmobiliteit van predikanten’ in de kerken zijn in te voeren, met name hoe de regio daarin meer het voortouw kan nemen. Het perspectief van de gemeente komt alleen aan de orde in de rol van de kerkenraad als werkgever en de daarmee verbonden praktische uitvoerbaarheid. Alles is er op gericht om de vrijblijvendheid en de zelfstandigheid van de gemeente in te kaderen.

Wat verder opvalt is dat, waar het rapport zelf noemt dat er concrete vragen spelen over de rol van de HBO-theoloog, alsmede de bevoegdheden van de kerkelijk werker en geestelijk verzorgers, het in de conceptbesluiten daarover oorverdovend stil is. Als relevante en belanghebbende partijen worden alleen de TU Utrecht en de Predikantenvereniging CGMV genoemd.

Conclusie

Het rapport en de concepten voor de besluitvorming zijn vooral bedoeld om eenzijdig via de figuur van de ‘geordineerde ambtsdrager’ de positie van de predikant te bevorderen en te verstevigen, terwijl de bredere vragen over wat de gemeente nodig heeft en de eventuele rol die de kerkelijk werker[3] en/of de HBO-theoloog in het kerkelijk leven, samen met de predikant, kunnen spelen ten onrechte buiten beeld zijn gebleven.

Hoe zinvol bepaalde voorstellen ook zijn, door nu principieel alles op de kaart van de onontbeerlijkheid van de WO-opgeleide predikant voor het gemeenteleven te zetten, werpt het rapport blokkades op om op praktische wijze met de uitdagingen om te gaan, waar vooral m.n. de kleinere gemeente in de toekomst voor zal komen te staan. Voor de positie van de predikant is dat gunstig, voor de ontwikkeling van het kerkelijk leven in de gemeente valt dat mijns inziens zeer te betwijfelen.  


[1] Het rapport ‘Predikanten: geroepen om te dienen’ is te vinden via: https://ngk.nl/download/30985

[2] Zie mijn eerdere blog: https://fpathuis.wordpress.com/2023/11/21/rooms-zuurdesem/

[3] Sommige kerkelijk werkers zijn als zij-instromers ook WO-geschoold.

Rooms zuurdesem

Afgelopen zondag ging ik noodgedwongen voor in de NGK Bodegraven. Ik stond op het rooster om voor te gaan in het Lichtbaken, de CGK/NGK-gemeente te Zoetermeer, de gemeente waar ik aan verbonden ben om tijdelijk de predikant te vervangen, die vanwege ziekte langdurig uitgevallen is. Mijn taken zijn voorgaan in de kerkdiensten, pastoraat en meedenken met de kerkenraad. Maar afgelopen zondag stond de bevestiging van twee ouderlingen op het rooster. Dat mag ik als kerkelijk werker niet doen, omdat ik geen predikant ben. Vandaar dat een ruiling noodzakelijk was met een predikant die wel bevoegd is. In plaats dat deze predikant in Bodegraven voor zou gaan, ging hij nu in Zoetermeer voor.

Wijding

Het is me de afgelopen twaalf jaar vaker overkomen. Dat ik bij degenen die ik belijdeniscatechisatie had gegeven, niet de belijdenisdienst mocht doen. Of dat ik gevraagd werd de trouwdienst te leiden van iemand die ik naar het belijdenis doen begeleid had. Ik mocht tenslotte de dienst doen, terwijl de predikant het ritueel van het afnemen van de huwelijksvragen en het geven van de zegen voltrok.

Ik heb de opleiding aan de Theologische Universiteit voltooid en heb preekconsent in de NGK. Toen ik een paar jaar geleden door mijn kerkenraad gevraagd werd het avondmaal te bedienen omdat er geen predikant beschikbaar was en de eigen predikant afwezig zou zijn, kwamen er brieven op de kerkenraadstafel dat dit kerkordelijk niet door de beugel kon. Uiteindelijk heb ik de dienst gedaan, terwijl de predikant die naar de afscheidsdienst van zijn nieuwe collega in Delft zou gaan, in Zwolle bleef om het ritueel van het breken van het brood en het uitspreken van de zegen over brood en wijn uit te voeren.

Wat mij ontbreekt, is dat ik gewijd ben. Wijding is in de rooms-katholieke traditie noodzakelijk om de sacramenten te mogen bedienen. Wanneer je door de bisschop gewijd bent en zo ingevoegd bent in de apostolische successie, kun je Christus representeren en mag je de zeven sacramenten bedienen: doop, eucharistie, vormsel, boetedoening, ziekenzalving, huwelijk en wijding. In de tijd van de reformatie werd het aantal sacramenten beperkt tot doop en avondmaal, en ging de bediening daarvan over van de priester op de predikant. De onderbouwing daarvan was nu niet meer de wijding van de priester, maar de eenheid van Woord en Sacrament. Tegelijk bleven het afnemen van belijdenis, het bevestigen van een huwelijk en de bevestiging van ambtsdragers behoren tot zijn bevoegdheid, omdat men daar toch een bepaalde sacramentele waarde aan hechtte. Sinds kort heeft in de NGK de kerkelijk werker ook de bevoegdheid om belijdenis af te nemen en een huwelijk te bevestigen, maar het bevestigen van ambtsdragers mag hij/zij dus nog niet. Overigens hoorde ik van een recente situatie waarin iemand met preekconsent in de dienst voorging, terwijl een door de kerkenraad daartoe aangewezen ouderling de ambtsdragers in hun ambt bevestigde.

Universitair geschoold

In het ambtsrapport dat vorige week op de Synode van Deventer 2023 gepresenteerd is[1], wordt een pleidooi gevoerd voor een ambtsvisie, waarin de bediening van de sacramenten voorbehouden is aan de wetenschappelijk opgeleide predikant. Het argument daarvoor is drieledig. De verkondiging vandaag vereist een reflectief vermogen waarin leiding wordt gegeven, dat specifiek verbonden is met een universitaire opleiding. Daarnaast zijn Woord en Sacrament zo nauw met elkaar verbonden, dat het sacrament bediend moet worden door degene die de verkondiging doet. Tenslotte wordt gesteld dat het bedienen van de sacramenten een ‘ambtelijke, theologisch-spiritueel complexe verantwoordelijkheid’ van leidinggeven is; het is een vorm van ‘spiritueel leiderschap’ in de gemeente en daarom moet degene die de sacramenten bedient ook iemand zijn ‘die de verantwoording draagt voor de gemeente, in de relatie naar God.’ Daarom mag (?) ‘voor wie een dergelijke verantwoordelijkheid draagt, een WO-opleiding verwacht worden – de positie brengt die eis met zich mee.’[2] Zo geeft, aldus de conclusie van het rapport, de verbinding van het kerkelijk leidinggeven door een universitair geschoolde predikant met de sacramenten aan de bediening van het sacrament ‘ritueel-symbolisch een spirituele diepgang’ (30-32).

Wil een HBO opgeleide kerkelijk werker voorgaan, moet hij/zij daarvoor zich aanvullend bekwamen. De conclusie dat wanneer een kerkelijk werker preekconsent heeft gekregen, hij/zij ook de sacramenten mag bedienen wordt echter niet getrokken. Datzelfde geldt ook voor de WO-opgeleide voorgangers, die preekconsent hebben gekregen, maar niet (meer) het ambt van predikant vervullen.

Ordinatie

Wat is het argument dat niet-predikanten de sacramenten niet mogen bedienen? Ook al wordt het niet in het rapport benoemd of gethematiseerd het m.i. verzwegen argument is, dat zij niet zijn geordineerd; (een ander woord voor ‘wijding’, dat vermoedelijk een wat te beladen term is om te gebruiken). In de eerste concluderende aanbeveling wordt dat namelijk, zonder verdere toelichting of verantwoording, als uitgangspunt genomen: ‘de WO-theoloog die als geordineerd en bevestigd ambtsdrager verbonden is aan de lokale gemeente om daar via Woord- en sacramentsbediening zowel intern als naar buiten toe leiding te geven aan de gemeente, is uitgangspunt’ (48).

In het rapport komt de ordinatie alleen naar voren in de weergave van de ambtsvisie van de PKN. Deze visie, die in 2022 vastgesteld is, houdt in dat men in aansluiting bij de hedendaagse oecumenische ambtsvisie èn bij de Vroege Kerk over het predikantschap als ‘het geordineerde ambt’ spreekt en dit ambt in afwijking van de gereformeerde ambtsvisie plaatst tegenover dat van ouderling en diaken, die uit de gemeente zouden opkomen. De ‘geordineerde’ ambtsdrager ontleent zijn bestaansrecht aan Christus zelf, omdat hij/zij op dezelfde wijze als de apostelen gezonden is.[3] Daarmee zijn we weer in lijn met de rooms-katholieke ambtsvisie, waarin de wijding van de priester en de apostolische successie van de bisschop centraal staat. Uitgaande van deze visie kon de PKN er niet omheen om kerkelijk werkers die men de bevoegdheid wilde geven te preken en de sacramenten te bedienen, ook als pastors te ordineren tot het predikantsambt dan wel voor hen een apart profiel te ontwikkelen.

Het ambtsrapport dat nu op de Synode van Deventer 2023 gepresenteerd is, wijst expliciet de PKN richting af om kerkelijk werkers sacramentsbevoegdheid te geven, maar lijkt tegelijkertijd wel impliciet de ambtsvisie van de PKN te omarmen. De drieledig aangedragen argumentatie om de bediening van de sacramenten voor te behouden aan de wetenschappelijk opgeleide predikant is nauw verbonden met deze ambtsvisie als uitgangspunt. De vraag waarom het uitgangspunt dat de verkondiging van het evangelie en de bediening van de sacramenten exclusief aan het geordineerde ambt moet worden verbonden, wordt exegetisch en theologisch niet onderbouwd. Mij lijkt dat voordat de synode op dit punt met het ambtsrapport instemt, zij zal moeten verantwoorden waarom de reformatorische collegiale ambtsvisie ingeruild mag worden voor die van de geordineerde ambtsdrager.[4]  

Woord en Geest

Toegespitst op de bediening van de sacramenten ligt in de rooms-katholieke sacramentsleer ‘het zwaartepunt bij de objectiviteit van het geschonken heil en het geordineerde ambt als de weg waarlangs dit heil geschonken wordt. De lutherse theologie en spiritualiteit nam het eerste over en brak met het tweede.’ Bij Calvijn wordt vervolgens tegenover Luther de nadruk gelegd ‘op het sacrament als een door God gegeven zichtbaar teken van zijn belofte’ en wordt in plaats van het ambt het gelovige subject belangrijk doordat hij stelt, dat ‘het sacrament geen effect heeft wanneer de ontvanger het niet gelovig ontvangt.’[5] De gemeenschap met Christus wordt gesticht en bewaard als een gebeuren dat bepaald wordt door het Woord. In het Woord is Christus door de Geest aanwezig in verkondiging en sacrament.

Vandaar dat in de gereformeerde ambtstheologie de ambtsdrager geen zelfstandige positie tegenover de gemeente krijgt, maar deze theologie het ambt een dienend karakter toewijst. In plaats van de ontologische verankering van de Christus-representatie in de persoon van de gewijde priester stelde de Reformatie het gezaghebbend ‘tegenover’ van het Woord en de (werking van de) Heilige Geest. Via het ambt is Christus door de Geest aanwezig in de verkondiging van het evangelie en de bediening van de sacramenten. Samengevat: het gezag van de ambtsdrager ligt in het Woord dat zij/hij brengt, niet in de persoon die zij/hij is. Omdat in het sacrament de uitbeelding van het heil centraal staat, is de poging om de bediening van het sacrament ook exclusief te koppelen aan de eis dat de bedienaar universitair geschoold moet zijn, een miskenning van het karakter van het sacrament.  

Terugblik

Het rapport terugbladerend blijkt, dat men eerst de visie dat de sacramenten bediend moeten worden door de predikant als uitgangspunt genomen heeft, om vervolgens te concluderen dat een niet-predikant geen sacramenten mag bedienen.[6] Zelfs de mogelijkheid dat een ouderling dat doet, wordt sterk ontraden omdat het niet spoort met deze nieuwe ambtsvisie.

Uitgangspunt is in het rapport de stelling: ‘De essentie van het ambt is de Woordverkondiging en de bediening van sacramenten. Om dat te mogen doen is lokale binding aan een gemeente en een positie van verantwoording voor die gemeente vereist’ (3). Ook wordt impliciet het ‘geordineerde ambt’ als uitgangspunt gehanteerd, wanneer men schrijft: ‘Kern van de ambtstheologie is dat er gelovigen door God geroepen zijn en door de gemeente als zodanig herkend om leiding te geven aan (en voor te gaan in) allerlei praktijken van kerkzijn’ (3).

Uitgangspunt in de gereformeerde ambtstheologie is dat de roeping allereerst de geloofsgemeenschap als geheel geldt. Vandaaruit komt het algemeen ambt der gelovigen in beeld en worden mensen geroepen tot bijzondere taken. Zo komt het ambt in zicht als een van de middelen, in de gereformeerde theologie aangeduid als ‘dienst’, waardoor Christus de geloofsgemeenschap zijn heil schenkt en haar bij het heil bewaart. Ondertussen stelt het rapport zonder blikken of blozen: ‘In dit rapport pretenderen we niet een nieuwe visie op het ambt te hebben geschreven’ (3).

Ook al heeft men de pretentie niet, feitelijk worden principieel èn praktisch gezien de panelen van de gereformeerde ambtstheologie stilzwijgend verschoven.


[1] Leon van den Broeke, Avelien Haan, Hans Schaeffer & Bernd Vinke, Predikanten: geroepen om te dienen. Rapport werkgroep Ambt d.d. 24 juli 2023, te vinden via: https://ngk.nl/download/30985.

[2] Strikt genomen is hierin geïmpliceerd dat gastvoorgangers geen sacramenten mogen bedienen, omdat zij geen ambtelijke verantwoordelijkheid voor deze gemeente dragen, een verantwoordelijkheid die in de gereformeerde ambtstheologie door de kerkenraad wordt gedragen. Juist omdat een ouderling of kerkelijk werker de gemeente kent en hen die verantwoordelijkheid toevertrouwd is of kan worden, zou dat in deze visie een motief kunnen zijn aan hen wel de bevoegdheid te geven de sacramenten te bedienen. Als kerkelijk werker doe ik nu ook bijvoorbeeld al doopbezoeken voorafgaande aan de bediening van het sacrament.

[3] Maarten Wisse e.a., Geroepen door Christus. Een theologie van de ambten, Utrecht: KokBoekencentrum Uitgevers, 2023. Zie mijn bespreking van deze visie te vinden in een recensie op: https://fpathuis.wordpress.com/2023/05/13/een-pkn-theologie-van-de-ambten/.

[4] G. van den Brink & C. van der Kooi, Christelijke dogmatiek, Zoetermeer: Uitgeverij Boekencentrum, 2012, p. 558. Zie ook wat ik eerder schreef over ambt, sacrament en de reformatorische ambtsvisie: https://fpathuis.wordpress.com/2022/09/17/veranderende-visie-op-het-ambt/.

[5] Van den Brink & Van der Kooi, Christelijke dogmatiek, p. 541-42.

[6] Het rapport dat een vernieuwde ambtsvisie zou moeten ontwikkelen is eenzijdig geschreven vanuit de blikrichting van de predikant. Die verengde blikrichting wordt ook zichtbaar in de richtingwijzers die vooral gefocust zijn op een verdediging van het WO-karakter van de predikant. Bijgevolg hangt de samenhang van de dienst van de predikant met die van de dienst van de professionele kerkelijk werkers resp. de ouderlingen en diakenen er in deze ambtsvisie een beetje bij. Net als destijds de vrouw nauwelijks inbreng mocht hebben toen het ging over de vrouw en ambt, is nu de inbreng van de kerkelijk werkers in dit rapport afwezig. Hoewel aan het schrijven van het rapport enquêtes en de inbreng van focusgroepen ten grondslag liggen, is Luceo, de Vereniging van Kerkelijk Werkers, die vanuit de praktijk van het werkveld haar inbreng zou kunnen hebben, niet geconsulteerd. [Voor de opdracht van de GS Goes 2020 zie het rapport op bladzijde 3: ‘Besluit 2: a. uit te spreken dat het wenselijk is dat er een nieuwe ambtsvisie komt die antwoord geeft op de verscheidenheid aan opvattingen over het ambt van predikant in de kerken; b. de Theologische Universiteit te verzoeken de vernieuwde ambtsvisie te ontwikkelen, samen met niet-theologen.’]

Kerkpolitiek

In Brussel worden keiharde machtsspelletjes gespeeld,’ aldus de columniste Caroline de Gruyter in het NRC van 1 september. Ze had het over de deal, dat Wopke Hoekstra in plaats van de afgesproken Sigrid Kaag door het kabinet als kandidaat namens Nederland voor de positie van Eurocommissaris naar voren werd geschoven als opvolger van de aftredende Frans Timmermans.

Bij politiek komt altijd macht om de hoek kijken, omdat het in de politiek er juist om gaat de belangentegenstellingen van groepen en individuen tot een beslissing te brengen. In eerste instantie gebeurt dit vaak op basis van onderhandelingen, maar uiteindelijk wordt de uitkomst bepaald door degenen die op een bepaald moment de meerderheid en de macht hebben. Bij het beslissen van een politiek conflict is er dan ook meestal sprake van een verplaatsing van macht van de ene groep of persoon naar een andere groep of persoon.

Op dezelfde manier speelt ook in de kerk macht en het verkrijgen van macht een rol bij het beslissen rond de belangentegenstellingen die er in de kerk kunnen zijn. Ook in de kerk wordt aan politiek gedaan.

Een voorbeeld daarvan is het besluit van de CGK Classis Den Haag op woensdag 31 augustus om het CGK-smaldeel van de samenwerkingsgemeente NGK-CGK Het Lichtbaken te Zoetermeer uit te sluiten van verdere besluitvorming in de CGK.[1] Nadat de kerk van Zoetermeer op een buitengewone kerkvisitatie door de classis vermaand is, heeft de classis nu besloten om een stap verder te gaan, te weten:

dat de band tussen de kerk van Zoetermeer en de classis gedurende de voornoemde impasse wordt opgeschort door vooralsnog de geloofsbrieven van de kerk van Zoetermeer niet meer te aanvaarden en de ambtsdragers uit de kerk van Zoetermeer derhalve vooralsnog niet met last en macht te kunnen toelaten als afgevaardigden op de classisvergadering, tot de generale synode 2024 heeft besloten inzake de revisieverzoeken vrouw en ambt’, dan wel tenzij de kerkenraad op zijn besluit terugkomt.’

De stem van Zoetermeer telt niet meer mee in de CGK Classis, terwijl het belang van Zoetermeer om ruimte te mogen krijgen om vrouwelijke ambtsdragers in de gemeente te bevestigen in de kiem wordt gesmoord.

Met dit besluit gaat de CGK Classis verder dan de besluitvorming rond ‘vrouw en ambt’ door de GS Dordrecht-Nunspeet 2019-2022, die alleen besloot dat er kerkelijk ‘indringend’ vermaand mocht worden:

uit te spreken dat kerkelijke eenheid zich nooit verdraagt met volhardend afwijken van kerkelijke besluiten, en dat deze laatste – op punten waar het gezamenlijk verstaan van de Schrift in het geding is – op zichzelf reden voor censuur over ambtsdragers is, en daarom omwille van de eenheid in het kerkverband een dringend appel te doen op de kerken (ook samenwerkingsgemeenten) zich te houden aan de synodale besluiten, het broederlijk samenleven te erkennen door moeiten met besluiten in de kerkelijke weg aan de orde te stellen, en bij ongevoeligheid hiervoor of voortgaand afwijken classicaal indringend te vermanen;’

Daarmee neemt de classis een voorschot op de uitkomst van een rapport dat op de GS Rijnsburg 2024 zal dienen, waarin een taakgroep de CGK Synode moet dienen met een advies over de vraag ‘hoe de kerken hebben te handelen als kerken op deze weg [van het aanstellen van vrouwelijke ambtsdragers of het overwegen daarvan] zouden voortgaan.

In dit licht bezien dringen zich op zijn minst vier vragen op. Allereerst, wat is de urgentie om nu dit besluit te nemen? Daarnaast, wat is het effect van deze maatregel? Verder, wat is de kerkordelijke grond? En tenslotte, wie heeft er belang bij om nu dit besluit te nemen?  

1. Urgentie. Algemeen aanvaard is dat broederlijke vermaning geen haastklus is en dat korte metten daarbij niet passen. Daarbij zal de classis de kerkenraad ook duidelijk dienen te maken wat de gevolgen zijn en welke verantwoordelijkheid hij neemt als hij op deze weg doorgaat. Uiteindelijk zal, wanneer het vermaan van de classis niet leidt tot verandering, de classis (met advies van deputaten naar art. 49 K.O.) overeenkomstig art. 79 en 80 K.O. de weg van schorsing en afzetting van de kerkenraad moeten gaan. In de besluitvorming van de classis wordt de urgentie van het genomen besluit niet onderbouwd. Er wordt alleen gesteld, dat het handelen van Zoetermeer ‘het onderling vertrouwen en de eenheid van de classiskerken onder onverantwoorde druk zet.

2. Effect. Het effect is vrijwel nihil en is daarom vooral een vorm van symboolpolitiek. Zo gauw als er revisieverzoek wordt ingediend, wordt het besluit opgeschort. Hetzelfde geldt ook, als vervolgens bij afwijzing van een revisieverzoek de kerkelijke weg naar de Particuliere Synode en de Generale Synode wordt gegaan. Daarom is te verwachten dat dit besluit de facto totdat de GS Rijnsburg 2024 zal vergaderen niet uitgevoerd zal worden.

3. Kerkordelijke grond. De classis stelt dat zij geroepen is ‘kerkordelijk met de kerkenraad van Zoetermeer te handelen.’ Opmerkelijk is dat zij bij de onderbouwing van haar besluit op geen enkele wijze naar de kerkorde verwijst of kan verwijzen. De classis spreekt weliswaar uit, dat zij vanwege het handelen van Zoetermeer ‘de weg van de tucht over ambtsdragers zou moeten overwegen’, maar het besluit dat zij neemt is geen optie die in de kerkorde genoemd wordt. In het geval van censuur over ambtsdragers is er de mogelijkheid van schorsing en op non-actief stellen. Het niet aanvaarden van geloofsbrieven lijkt nog het meest op een non-actief stellen van ambtsdragers. Je zou op het minst verwachten, dat hiervoor advies gevraagd zou zijn aan deputaten ad art. 49 KO. Wat het niet aanvaarden van geloofsbrieven betreft, deze maatregel is op de afgelopen CGK Synode uitgebreid besproken. Deputaten Kerkorde en Kerkrecht hadden tegen deze weg bezwaren, terwijl in het Meerderheidsrapport ‘Vrouw en Ambt’ gesteld werd dat dit binnen de huidige kaders van het kerkrecht niet mogelijk is. In een aanvullende notitie over tucht over kerkenraden voert het Meerderheidsrapport een dringend pleidooi ‘tot geduld en voorzichtigheid om snel grote stappen te nemen,’ wat de synode heeft overgenomen door de hierboven genoemde taakgroep in te stellen om hierover op de GS Rijnsburg 2024 te adviseren.

4. Belang. Het verzoek om dit besluit met betrekking tot Zoetermeer te nemen, kwam vanuit de CGK Rijnsburg met ondersteuning van de predikanten van Katwijk en Scheveningen. De CGK Katwijk is een gemeente die nauw verbonden is met ‘Bewaar het Pand’, het kerkblad dat sinds 1966 ‘de handhaving van de oude gereformeerde beginselen’ wil bevorderen. De huidige voorzitter daarvan, ds. Rien Kempeneers, stond tot 2021 in Katwijk, terwijl zijn opvolger in Katwijk, ds. Arjan Ruis, bestuurslid is en ten tijde van dit besluit als scriba van de classis functioneerde. Ook de predikant van de CGK Scheveningen, ds. Ewout van der Staaij, is bestuurslid van het ‘Bewaar het Pand’. Het besluit is uiteindelijk genomen met 16 stemmen voor en 14 tegen. De voorstemmers zijn allen afkomstig uit kerken, die zich verbonden weten met het ‘Bewaar het Pand’.

Door een besluit te nemen, dat geen urgentie heeft, uitsluitend symboolpolitiek is, en kerkordelijk ongegrond is, hebben de voorstemmers voor dit besluit zich niet laten leiden door het zoeken van ‘vrede en recht’, maar kerk- en machtspolitiek bedreven volgens de visie van het ‘Bewaar het Pand’. In 2021 gaf het bestuur te kennen, dat de behandeling van het dossier ‘Vrouw en ambt’ veel te lang geduurd had. Daarom stelde hij toen al, dat ‘onschriftuurlijke praktijken en ontwikkelingen weersproken en geweerd moeten worden.’ De aan de ‘Bewaar het Pand’-gelieerde kerken in de classis Den Haag hebben nu een daad willen stellen, kennelijk in de hoop dat de eerste klap een daalder waard zal zijn.


[1] Het RD berichtte er op 1 september over onder de kop ‘Classis Den Haag (CGK) schort banden met cgk Zoetermeer op’: https://www.rd.nl/artikel/1032721-classis-den-haag-cgk-schort-banden-met-cgk-zoetermeer-op. Het ND op 4 september onder de kop ‘Kerk aan zijlijn na benoemen vrouwelijke ouderlingen. ‘Er zijn alleen maar verliezers’’: https://www.nd.nl/geloof/protestant/1189826/kerk-aan-zijlijn-na-benoemen-vrouwelijke-ouderlingen-er-zijn-

De hereniging van de GKv en NGK

Maandag 1 mei 2023 is een gedenkwaardige dag. Broers en zussen die elkaar in de 60-er jaren rond de buitenverbandkwestie kwijt zijn geraakt, hebben zich verzoend en trekken vanaf die dag weer samen hoopvol op in Gods wereld. Op vrijdag 12 mei zal in Utrecht op feestelijke wijze gevierd worden dat de GKv en de NGK zich hebben verenigd tot de Nederlandse Gereformeerde Kerken.

[Artikel in Gereformeerd Kerkblad d.d. 28 april 2023]

Ik was zes toen de Open Brief op 31 oktober 1966 verscheen en heb het verdriet over de breuk niet hoeven meemaken, omdat het in onze kerkelijke gemeente in Emmen nauwelijks speelde. In andere gemeenten is de scheiding traumatisch geweest en kunnen tot op de dag van vandaag de emoties van pijn, boosheid en verdriet over aangedaan onrecht zomaar weer gevoeld worden. Daarom is er grote reden tot dankbaarheid, dat er in de afgelopen 30 jaar zoveel vertrouwen kon groeien, dat gescheiden kerkverbanden op 15 april jl. het definitieve besluit tot hereniging hebben kunnen nemen. 

Proces

Het zaadje voor de hoop op hereniging werd gelegd in 1993 toen de GS Ommen aan het Deputaatschap Kerkelijke Eenheid opdroeg ‘te onderzoeken of er mogelijkheden zijn contact te leggen met de NGK, en zo ja op welke manier.’ Al vrij snel concludeerde de GS Berkel 1996 echter op grond van de verkennende gesprekken, dat er geen perspectief op samensprekingen was. Er was bij de NGK een te grote vrijheid in de omgang met èn tolerantie van afwijking van de belijdenis en een onvoldoende waarborg voor een ‘onbekrompen en ondubbelzinnige binding’ aan de gereformeerde leer. Desondanks nam de GS Leusden in 1999 de uitnodiging van de NGK bij monde van ds. Willem Smouter aan om ‘te zoeken naar een weg om elkaar beter te leren kennen en vertrouwen.’ Dat leidde in 2002 tot zoveel vertrouwen dat de GS Zuidhorn besloot om in gesprekken met de NGK na te gaan, ‘of er een basis is voor samensprekingen met het oog op herstel van de kerkelijke eenheid.’

Een belangrijk resultaat van de gesprekken in de jaren ’00 was dat de GKV en de NGK in 2011 overeenstemming bereikten over de hermeneutische uitgangspunten voor de omgang met de bijbel en de belijdenis. Dit vertaalde zich in 2014 in twee belangrijke besluiten van de GS Ede. Allereerst dat ‘door de overeenstemming in de gesprekken over hermeneutiek de belemmering die er lag vanwege het besluit van de NGK [in 2005] om de ambten voor de zusters der gemeente open te stellen, is weggenomen,’ met als grond dat ‘ondanks het verschil in praktische uitkomsten ten aanzien van de vrouw in het ambt, is gebleken dat we als kerken elkaar vertrouwen kunnen geven inzake de erkenning en aanvaarding van het gezag van de Heilige Schrift.’ Daarnaast besloot deze synode ‘de contacten met de NGK voort te zetten en over te gaan van gesprekken naar samensprekingen met het oog op kerkelijke eenheid.’

Deze gesprekken leidden er toe, dat de GS Meppel 2017 in lijn met de synoden van Zwolle 2008 en volgende dankbaar kon constateren zowel ‘dat de NGK als landelijk verband zich van harte binden aan de gereformeerde belijdenis,’ als ‘dat de hindernissen zijn overwonnen die de GS Zwolle 2008 nog aanwees met betrekking tot de binding aan de belijdenis.’ Vandaar dat deze synode de deputaten kon opdragen ‘alles te doen wat nodig is om een zo spoedig mogelijke hereniging van de kerkverbanden voor te bereiden.’ Belangrijke aandachtspunten waren daarbij dat ook ‘op plaatselijk niveau gewerkt wordt aan kerkelijke eenheid tussen GKv- en NGK-gemeenten’ en dat ‘het helen van de breuk van 50 jaar geleden niet zonder goede zorg kan voor de wonden die destijds zijn geslagen.’

Veranderingen

De hereniging van de GKv en de NGK is de vrucht van een elkaar zoeken en vinden vanuit onze verbondenheid en eenheid in geloof en zoals de GS Goes 2020 uitsprak ‘gedreven door de liefde van Christus.’ Elkaar weer erkennen in Christus was voor de GKv mogelijk toen er in de onderlinge gesprekken weer langzaam vertrouwen begon te groeien en het wantrouwen opgebouwd door wederzijdse karikaturen kon worden afgebroken. Of zoals ds. Pieter Niemeijer, de preses van de GS Harderwijk, het in 2011 over de veranderde houding ten opzichte van elkaar verwoordde: ‘We kunnen elkaar niet meer met sjablonen uit de jaren zestig tegemoet treden.’ In 2011 waren er al op 20 plaatsen gemeenten van NGK en GKV die elkaar over en weer erkenden en de kansel en de avondmaalstafel voor elkaar opengesteld hadden.

Een belangrijke factor in het elkaar weer durven te vertrouwen, is geweest dat zowel in de GKv als de NGK veranderingsprocessen plaatsvonden, waardoor het gemakkelijker werd elkaar te vinden. In de GKv kwam er vanaf jaren ’80 openheid voor samenwerking in de samenleving met christenen vanuit andere kerken, waardoor de idee van de ‘doorgaande reformatie’ gerelativeerd werd. In samenhang daarmee werden er ook in de GKv kritische vragen gesteld over de visie op de kerk en het kerkverband, die aan de ‘doorgaande reformatie’ ten grondslag lag. Een visie waar degenen die uiteindelijk door de gebeurtenissen in de jaren ’60 ‘buitenverband’ raakten, zich tegen verzet hadden. Nadat de ‘buitenverbanders’ in de jaren ’70 gezamenlijk in de NGK een eigen kerkelijk leven opgebouwd hadden, kwam er vanaf de jaren ’90 een oprecht verlangen om elkaar als NGK en GKv weer te ontmoeten. Tenslotte kwam er vanaf de jaren ’90 zowel in de GKv als de NGK meer aandacht voor thema’s als vrouw en ambt, de omgang met homoseksualiteit en het werk van de Heilige Geest in de geloofsbeleving. Ook vond er in beide kerkverbanden eenzelfde bezinning plaats op de vraag hoe wij kerk kunnen zijn in een postmoderne, geseculariseerde en geïndividualiseerde samenleving.

Verontrusting

Een klein deel van de GKv-leden en -gemeenten kan zich niet verenigen met de wijze waarop nu het nieuwe kerkverband van de NGK gevormd wordt. Enerzijds omdat men moeite blijft houden met de Bijbelse onderbouwing van de openstelling van de ambten voor vrouwen, anderzijds omdat men niet kan instemmen met de nieuwe kerkorde.

Wat de vrouw in het ambt betreft heeft men, ook al voor de hereniging van GKv en NGK, zich moeten bezinnen of men deze zaak zo zwaar zou laten wegen, dat men niet meer lid van de GKv zou kunnen zijn. Een deel van de bezwaarden heeft in de loop van de tijd al van de GKv afscheid genomen en is lid geworden van kerken waar vrouwen geen ambtsdragers kunnen zijn.

Kerkorde

Wat de kerkorde betreft is het duidelijk dat het een orde is waarin zowel de GKv-kerken als de NGK-kerken zich zouden moeten kunnen vinden. Dat betekent dat daarin meer ruimte geboden moest worden voor de variatie in de manier waarop nu al het kerkelijk leven in de plaatselijke gemeenten georganiseerd wordt. Een duidelijk voorbeeld is dat in sommige NGK-kerken kinderen meedoen aan de viering van het avondmaal. Dat betekent dat de vrijheid van de plaatselijke kerk meer benadrukt wordt dan wij als GKv in het verleden gewend waren. Tegelijk past dit bij het feit dat binnen de GKv tussen plaatselijke kerken ook soms al grote verschillen zichtbaar werden, zodanig dat er regelmatig grensverkeer over en weer was van leden, omdat men zich in een andere gemeente bijvoorbeeld op liturgisch gebied meer thuis voelde of het daar aantrekkelijker vond.

De grootste verontrusting betreft de vraag, of de gereformeerde leer in de nieuwe NGK veilig is en daar de wacht nog bij betrokken wordt. De binding aan Gods Woord en de belijdenis zou in de nieuwe kerkorde worden gerelativeerd. Het klopt dat er op een groot aantal punten verschillen in inhoud en formulering zijn tussen de nieuwe kerkorde en de oude zoals die in 2014 voor de GKv vastgesteld is. De relativering die men waarneemt is er één ten opzichte van de ‘vrijgemaakte’ traditie, die wij hebben leren zien als gekarakteriseerd door ‘het klimaat van het absolute.’ Maar in de verschillen die er zijn, is de gebondenheid aan de bijbel als Woord van God en aan de leer van de Bijbel zoals die in de belijdenisgeschriften beschreven staat, het uitgangspunt van de kerkorde gebleven.

Pijnlijk

Als ik de argumenten van de bezwaarden tegen de kerkorde en de hereniging op mij in laat werken, zie ik een drietal elementen. Allereerst betreft het zaken waarin wij in de GKv anders zijn gaan denken, zoals de vrouw in het ambt en meer vrijheid voor de plaatselijke gemeente. Een tweede is dat de bezwaarden als het gaat om de omgang met de leer en de belijdenis de nieuwe NGK weer met dezelfde sjablonen benaderen als waarmee wij als GKv decennialang de ‘buitenverbanders’ en de NGK benaderd hebben. Feitelijk wil men weer terug achter de hermeneutische overeenstemming, zoals wij die in 2011 gezamenlijk als GKv en NGK over de omgang met de bijbel en de belijdenis bereikt hebben. Maar het derde en meest wezenlijke, en daarom ook het meest pijnlijke, is de uitgesproken sfeer van wantrouwen die in de argumentatie tegen de besluitvorming van de laatste jaren tot uitdrukking komt.

Wantrouwen kun je niet bestrijden met argumenten, omdat hier niet het hoofd of de ratio in het geding is, maar het hart. Ik zie de pijn, en ik besef dat het loslaten van vertrouwde inzichten en posities, waar wij als GKv veranderd zijn, voor sommigen een brug te ver is. Zeker als die inzichten altijd verbonden zijn geweest met en gedragen zijn door geloofsovertuigingen.

Feest

Wantrouwen overbruggen vergt de openheid om te vertrouwen dat de woorden werkelijk het hart van de ander tot uitdrukking brengen. De Nederlandse Gereformeerde Kerken willen kerken zijn waar de levende Heer Jezus Christus centraal staat en zoeken de verbinding met allen die Christus belijden. Ik hoop van harte dat de NGK inclusief de bezwaarden, vanuit de eenheid die er in het geloof met elkaar is, een herenigde kerkgemeenschap zullen vormen. Een keuze om niet mee te gaan, kan ik begrijpen en wil ik respecteren. Voor mij is dat geen belemmering om als nieuwe NGK op 12 mei het feest van de hereniging en de heling van de breuk tussen broeders en zusters in het geloof voluit te vieren.

Bloemschikking voor de viering van de hereniging op 15 april 2023 op de vergadering van de LV en de GS in Zoetermeer.

Geen eigenmachtige uitleg!?

1.

Aan het eind van de Bergrede spreekt Jezus de woorden: ‘Oordeel niet, opdat er niet over jullie geoordeeld wordt.’ Dit betekent niet, dat je nooit een oordeel mag uitspreken. Jezus waarschuwt echter dat je daar dan wel de juiste maatstaf voor moet hanteren. Met het oog op de Farizeeën en hun Schriftgeleerden voegt hij eraan toe: ‘Waarom kijk je naar de splinter in het oog van je broeder of zuster, terwijl je de balk in je eigen oog niet opmerkt.’ Zij zien iets als een splinter in het leven en spreken van Jezus en zijn leerlingen, maar hebben niet door dat de balk in hun eigen oog in de weg zit om scherp te kunnen onderscheiden.[1]

2.

Ik ben bij een van die avonden geweest waarop de Kerngroep Bezinning GKv het gesprek zocht over het besluit in de GKv om vrouwen in het ambt toe te laten en daarbij waarschuwde tegen de eenwording van de GKv met de NGK. Kort samengevat was de boodschap dat in de nieuwe Kerkorde de dwaalleer van de vrouwelijke ambtsdrager geformaliseerd wordt. Daarom klonk  – in mijn eigen woorden weergegeven – de oproep: ‘Alle hens aan dek, want doordat er in de kerkorde geen dam meer is tegen de Schriftkritiek[2] staat het gereformeerd karakter van de nieuwe NGK op het spel. Besef dus goed waar je instapt, als je met de eenwording van GKv en NGK meegaat!’

3.

In de GKv is volgens de Kerngroep een nieuwe manier van Bijbellezen geijkt, waardoor de Schrift niet meer de bron en norm voor ons nadenken en leven met God is. De Schrift kan niet meer als gezaghebbende norm (sola scriptura) functioneren, omdat de uitleg van de Schrift zich niet meer zou baseren op heel Gods Woord (tota scriptura).[3]

De kritiek van de Kerngroep richt zich vooral op het MVEA-besluit van de GS Goes 2020. In het eerste hoofdstuk van Het Woord in geding analyseert Henk Room de onderbouwing van dit besluit onder de titel ‘Geen eigenmachtige uitleg!’[4] Zijn conclusie is dat ‘de deur naar Schriftkritiek open is komen te staan.’

Het rapport Elkaar van harte dienen (EVHD) zou in zijn uitleg slechts uitgaan van één sleutelbegrip, namelijk ‘gelijkheid van man en vrouw’ als invalshoek bij de uitleg van de vier MVEA-sleutelteksten, te weten Genesis 1-3, 1 Timoteüs 2:8-15, 1 Korintiërs 11:3-16 en Galaten 3:28. Daarbij zou men ook bij de exegese van Genesis 1-3 geen rekening willen houden met de visie van Paulus op de scheppingsorde. Het gevolg daarvan is, dat men bij de Bijbeluitleg geen rekening houdt met het verschil in positie tussen man en vrouw, die blijkt uit de onderschikking van de vrouw aan de man: ‘EVHD schakelt gelijk wat wezenlijk verschillend is en stelt gelijk wat niet gelijkgesteld kan worden.’ Hierin lijken ‘eigen denkkaders, de morele en intuïtieve antennes van de auteurs bepalend.’ De Bijbel wordt uitgelegd vanuit ‘het levensgevoel van onze Westerse cultuur, waarin de alles gelijkschakelende gelijkheid de dominante waarde is.’

De conclusie van Room is dat in EVHD sprake is van een ‘contextueel waarheidsbegrip’, waarin ‘de waarheid van Gods Woord mede afhankelijk gemaakt wordt van hoe wij vandaag de context van een Bijbelgedeelte construeren of van onze situatie vandaag.’ Daartegenover stelt hij dat ‘de waarheid van Gods Woord [niet relationeel en] evenmin contextueel van aard’ is.

4.

Duidelijk is dat in Het Woord in geding de gedachte dat ‘God aan man en vrouw verschillen in rol en verantwoordelijkheid gegeven heeft’, vooronderstelling en uitgangspunt is. Deze visie wordt verdedigd met de gedachte, dat de GS Goes 2020 ten onrechte niet meer spreekt van twee lijnen in de Schrift als het gaat om de positie van de vrouw: gelijkwaardigheid, maar ook verschil in verantwoordelijkheid tussen mannen en vrouwen.

De claim van Room is, dat als je deze twee lijnen niet erkent, ‘je geen recht doet aan wat de Bijbel over zichzelf getuigt en je de Schrift niet voor zichzelf laat spreken.’ Hij noemt het ‘een vooronderstelling’ dat de synode daar niet van uitgaat. Want als je de hele Schrift in rekening brengt bij de uitleg van Gen. 1-3, dan zie je dat Paulus op meerdere plaatsen ‘het feit dat de man als eerste geschapen is’ verbindt ‘aan een verschil in positie en verantwoordelijkheid ten opzichte van de vrouw.’ Volgens Room doet dit echter niet af ‘aan hun eenheid, gelijkheid, gezamenlijkheid en gelijkwaardigheid.’ Dat is de Bijbelse visie, waaraan elke exegese van de MVEA-teksten getoetst moet worden. ‘De fundamentele gelijkwaardigheid tussen man en vrouw én het verschil in verantwoordelijkheid tussen beiden in de schepping, in het huwelijk en de gemeente, is en blijft het doorgaande getuigenis van de Schrift.’

5.

De blinde vlek in de visie van de Kerngroep is, dat het werken met de door hen geëiste twee lijnen bij de exegese van de MVEA-teksten historisch contextueel bepaald is. Het is de oplossing voor het spanningsveld, dat men begon te ervaren toen de ondergeschikte positie van de vrouw in de samenleving begon te knellen. Zoals Herman Bavinck in Het Christelijk Huisgezin (1908) schreef:  

“Ook valt niet te ontkennen, dat het huiselijk leven in de tegenwoordige tijd vele gewichtige veranderingen ondergaat. Evenals in de ganse maatschappij privileges en standen, geboorte en adel meer en meer aan betekenis verliezen en plaats maken voor de persoonlijke waarde van de individu, zo komt in het familieleven elk lid veel vroeger en sterker dan eertijds tot persoonlijke zelfstandigheid en vrijheid. De oude patriarchale familie ontwikkelt zich meer en meer tot het moderne huisgezin, dat van natuur en plaats, van bodem en erf, en van heel het feodale régime zich losmaakt. Men moge dit in veel opzichten betreuren; de stroom is niet te keren, de ontwikkeling beweegt zich in de richting van de persoonlijke vrijheid.”[5]

Tegelijk probeert hij wel tegendruk te bieden als het gaat om de positie van vrouw in de samenleving:

Men kan het geluk der vrouw wel zoeken in politieke, sociale en economische gelijkstelling met de man. Maar men doet dan de natuur van de vrouw geweld aan, maakt tussen gelijkwaardigheid met de man en gelijkvormigheid aan de man geen onderscheid, en desorganiseert de maatschappij nog verder dan thans reeds het geval is. Niet in een zo ver mogelijk doorgetrokken verwijdering van de vrouw van het huisgezin, maar in een zo ver mogelijk doorgezette terugleiding van de vrouw tot het huisgezin, moet de oplossing van het vrouwenvraagstuk gezocht worden.[6]

Het is pas sinds het begin van de 20e eeuw dat in de gereformeerde wereld de gelijkwaardigheid van de vrouw heel langzaam praktisch gestalte heeft gekregen. Voor die tijd was de onderdanigheid van de vrouw aan de man uitgangspunt van het denken en het exegetiseren. Bavinck schrijft dat de Reformatoren en hun volgelingen er niet over dachten om de vrouw te verachten, want ‘zij leren allen overeenkomstig de Schrift, vooral in Gen. 1 : 27, dat de vrouw evengoed als de man een mens is, en naar Gods beeld geschapen.’ Toch moet hij er wel aan toevoegen dat:

men er ver van af was, om de ongelijkheid van man en vrouw uit te wissen. Zelfs leefde daarbij nog enigermate voort de antieke en scholastieke gedachte van de minderwaardigheid van de vrouw, welke met Schriftplaatsen als Gen. 2: 8, 3:16, 1 Kor. 11:7v., Ef. 5:23, 24, 1 Tim. 2:13,14 gesteund werd. Al stond de vrouw religieus-ethisch met de man gelijk en al muntte zij in deugden van vroomheid, lijdzaamheid enz. boven hem uit, ze was toch in waardigheid, kracht en heerlijkheid de mindere van de man.[7]

Dat in de exegese tot in de 20e eeuw met een veronderstelde ‘lijn van gelijkwaardigheid’ absoluut geen rekening werd gehouden, blijkt duidelijk uit het deputatenrapport over het vrouwenkiesrecht dat op de GS Arnhem 1930 diende. Daarin schrijft men dat het ‘volgens de scheppingsordinantie’ de roeping van de vrouw is een hulp voor haar man te zijn:

“Uit deze beschikking van God blijkt, dat niet alleen in het huwelijksleven, maar ook in het gezinsleven, in het opgroeien van geslachten met elkaar, en in de maatschappelijke samenleving, de plaats van de vrouw is hulp van de man. (…) Beiden, man en vrouw zijn dragers van het beeld Gods, maar de man is daarin boven de vrouw verheven, dat hij de drager van de heerschappij is, en de vrouw alleen door hem en in zijn naam de heerschappij uitoefent.

De visie van Bavinck uit 1908 dat man en vrouw beiden naar Gods beeld geschapen zijn en dat de vrouw evengoed als de man ‘Gods beeld en gelijkenis’ draagt, wordt door de deputaten exegetisch niet verwerkt. Zij schrijven:

De vrouw als zodanig is dus door de wijze van haar schepping in wezen en aard en roeping bepaald naar de man, a.h.w. in afhankelijkheid van hem. Wel ook Gods beeld, evenzeer als Adam, maar toch op andere wijze, en als geboetseerd met het oog op de man, om hem tot een hulp als tegenover hem te zijn.

Met een verwijzing naar Calvijn wordt uitgelegd, dat de vrouw ‘secundo gradu’, in tweede instantie, naar Gods beeld geschapen is. De conclusie die men daaraan verbindt is, dat:

de vrouw als vrouw (niet alleen als echtgenote) in de man als man (en niet alleen als echtgenoot) een in wezen en bestaan, naar lichaam en ziel bepalende macht heeft, zodat de vrouw, wanneer zij op het terrein van de man optreedt, zowel in strijd handelt met de door God gestelde verhouding tussen man en vrouw, als ook ontrouw wordt aan haar bestaanswijze of natuur.

In deze exegese is van de gelijkwaardigheid van man en vrouw geen sprake, alle nadruk ligt op het ondergeschikt zijn van de vrouw. 

6.

Het is pas aan het einde van de 20e eeuw, dat er in de GKv een consensus gekomen is dat er naast de ondergeschiktheid van de vrouw aan de man ook recht moet worden gedaan aan haar gelijkwaardigheid.

in 1993 spreekt de GS Ommen uit dat in de besluitvorming van de GS Groningen-Zuid 1978 over het vrouwenkiesrecht te weinig rekening is gehouden met teksten waarin gesproken wordt over ‘de gelijkwaardige positie die man en vrouw in Christus hebben ontvangen (Gen. 1:26-28, Hand. 2:17-18, Gal. 3:28 en 1 Petr. 2: 5 en 9), en de onderdanigheid van man en vrouw aan elkaar (Ef. 5:21)’.

Om haar besluit te onderbouwen om aan vrouwen het actief kiesrecht toe te kennen doet zij, steunend op het commissierapport, een beroep op de volgende exegetische conclusies:

 “Het nadenken over de positie van de vrouw moet uitgaan van de schepping. Uit Gen. 1 en 2 blijkt dat de Here man en vrouw beiden geschapen heeft naar zijn beeld, in volkomen gelijkwaardigheid; daarnaast wijst de Schrift ook op het onderscheid tussen man en vrouw: de man is eerst geschapen en heeft de taak om voorop te gaan en leiding te geven; de vrouw om te volgen.

Ik kan niet anders concluderen dan dat de twee lijnen van ‘gelijkwaardigheid’ en ‘verschil in verantwoordelijkheid’ die de Kerngroep als de Bijbelse visie beschouwt, feitelijk een historisch construct uit de laatste helft van de 20e eeuw is. Het meest opmerkelijke daarbij is verder, dat zij de visie van GS Ommen 1993 die gebaseerd is op haar exegese van de MVEA-teksten, nu als twee vaststaande normatieve hermeneutische lijnen voor de exegese van MVEA-teksten presenteert.

7.

Samenvattend stel ik vast dat ‘de Bijbelse visie’ waar de Kerngroep de GS Goes 2020 aan afmeet, een historisch construct is waarmee aan het einde van de 20e eeuw geprobeerd is te dealen met de veranderende positie van de gereformeerde vrouw in kerk en samenleving.

Het minste dat je kunt zeggen, is dat de visie van de Kerngroep dan even contextueel bepaald is als die van de GS Goes 2020. Belangrijker is de conclusie dat de Kerngroep op basis van deze ‘Bijbelse’ visie haar oordeel niet kan onderbouwen dat in de GKv sprake is van dwaalleer en van openheid voor Schriftkritiek. Hier is gewoon sprake van een verschillende visie op de exegese van de MVEA-teksten. Niet meer, niet minder.

P.S.

‘Wie bent u dat u een oordeel velt over de dienaar van een ander? Of hij wel of niet volhardt in het geloof gaat alleen zijn eigen meester aan – en hij zal volharden, want de Heer heeft de macht hem dat te laten doen. (…) Wie bent u dat u een oordeel velt over uw broeder of zuster? (…) Breng het goede dat God u schenkt geen schade toe, want het koninkrijk van God is geen zaak van eten en drinken, maar van gerechtigheid, vrede en vreugde door de heilige Geest. (…) Laten we daarom streven naar wat de vrede bevordert en naar wat opbouwend is voor elkaar. Breek het werk van God niet af omwille wat u eet. (…) Laat ieder van ons zich richten op het belang van de ander, op wat goed en opbouwend voor hem is. (…) Moge God, die ons doet volharden en ons troost geeft, u de eensgezindheid geven die Christus Jezus van ons vraagt. Dan zult u eendrachtig en eenstemmig lof brengen aan de God en Vader van onze Heer Jezus Christus. Aanvaard elkaar daarom ter ere van God, zoals Christus u heeft aanvaard.’[8]


[1] Voor een korte uitleg van deze passage in Matt. 7, 1-5 zie Jonathan T. Pennington, The Sermon on the Mount and Human Flourishing. A Theological Commentary, Grand Rapids: Baker Academic, 2017,  255-260. Jezus roept op tot een faire evaluatie: ‘men moet niet over een ander een harder oordeel uitspreken of een andere maatstaf aanleggen dan dat je ook jezelf beoordeelt.’ 

[2] Op de avond zelf en in de gepresenteerde bundel ‘Het Woord in geding’ worden de termen ‘Schriftkritiek’ of ‘nieuwe hermeneutiek’ nauwelijks genoemd. Toen ik uitsprak dat het mij iedere keer pijnlijk treft, wanneer ik als voorstander van de vrouw in het ambt als ketter weg wordt gezet, terwijl ik van harte de normativiteit van Gods Woord onderschrijf en mij kerkordelijk wil buigen onder ‘het juk van Christus’, opponeerde men tegen het gebruik van de term ‘ketter’. Men spreekt bewust over een ‘andere omgang met de Schrift’, een ‘nieuwe manier van Bijbellezen’, een ‘andere Schriftuitleg’ (exegese) en een ‘ander Schriftverstaan’ (hermeneutiek). Ook spreekt men over ‘dwaalleer’, ‘nieuwe hermeneutische inzichten in de GKv’, ‘het wordt moeilijk om de Gkv aan te spreken op trouw aan Gods Woord’, ‘een ambtsdrager kan in de nieuwe NGK met een beroep op ‘de leer van de Bijbel’ afwijken van de gereformeerde belijdenis, en daarmee de gemeente met eigen opvattingen op het verkeerde pad brengen.’ En tenslotte spreekt men met een beroep op Tertullianus uit, dat je ‘niet met ketters moet praten, omdat een discussie over de uitleg van de Schrift pas goed mogelijk is als je samen aanvaard hebt hoe je de Schriften moet lezen.’

[3] Voor een bespreking van deze visie van de Kerngroep zie mijn artikel in het Gereformeerd Kerkblad van 3 februari 2023 ‘Gereformeerd blijven: hoe doe je dat?’, ook gepubliceerd op mijn weblog: https://fpathuis.wordpress.com/2023/02/03/gereformeerd-blijven-hoe-doe-je-dat/.

[4] Henk Room, ‘Geen eigenmachtige uitleg!’, in: P.T. Pel & H.J. Room (red.), Het Woord in geding¸ Kerngroep bezinning GKv, 2022, p. 9-50.

[5] H. Bavinck, Het Christelijk Huisgezin, Kampen: J.H. Kok, 1908, p. 190.

[6] A.w., p. 203.

[7] H. Bavinck, De vrouw in de hedendaagsche maatschappij, Kampen: J.H. Kok, 1918, p. 42.

[8] Romeinen 14:1 – 15:7.

Gereformeerd blijven: hoe doe je dat?

Een werkgroep van GKv-leden is bezorgd over de aantasting van het gereformeerd karakter van de GKv. Dat zou zich uiten in vrouwelijke ambtsdragers, een andere visie op de belijdenis, het toelaten van kinderen aan het avondmaal, de acceptatie van homoseksuele relaties, en uit de kerkorde voor het nieuwe kerkverband van GKv en NGK. Daarom organiseert men een maandlang regionale bezinningsavonden, met als leidraad het boek ‘Het Woord in geding’ en als doel ‘bezinning en verbinding.’ Voor wie het uitgangspunt van deze bundel niet deelt, is het echter lastig om zich met hen verbonden te voelen.

[Artikel in Gereformeerd Kerkblad d.d. 3 februari 2023]

De ‘Kerngroep bezinning GKv’ is een voortzetting van de ‘Kerngroep bezinning Man, Vrouw en Ambt’, opgericht in 2017 na de besluiten van de GKv Synode over ‘m/v en ambt’, aangevuld met leden uit kerken die gezamenlijk optrokken in hun revisieverzoeken voor de GS Goes 2020. Op 19 november 2022 werd bovengenoemd boek op Urk gepresenteerd. Men gaf daarbij te kennen dat als je gereformeerd wilt blijven, je niet met de nieuwe NGK mee kunt gaan. Daarmee worden de bezinningsavonden vooral een stimulans tot een afscheiding van de GKv. 

Schriftgezag  

‘Gereformeerd blijven’ is een slagzin die de afgelopen dertig jaar regelmatig in de GKv heeft geklonken, inclusief de daarbij behorende bezinningsavonden, lezingen, manifesten en websites. De thema’s die aan de orde werden gesteld waren ook doorsnee dezelfde, zoals het Schriftgezag, de hermeneutiek, het handhaven van de artikelen NGB 3-7 en NGB 27-29, de belevingscultuur en het independentisme. Ze waren de voorboden van afscheidingen vanuit de GKv en het ontstaan van de DGK in 2004 en de GKN in 2009.

Gemeenschappelijk in de pleidooien voor ‘gereformeerd blijven’ was dat men de eigen interpretatie van de Bijbel en de belijdenis voor normatief hield en afwijkende interpretaties daarvan als niet meer gereformeerd duidde. De eigen visie ondersteunde men vaak met een beroep op de wijze, waarop wij in de GKv eerder de Bijbel en belijdenis uitlegden en handhaafden. Verder kwam het regelmatig voor, dat men de visies die men afwees typeerde als een toegeven aan Schriftkritiek en moderne theologie, of aan eigentijdse moderne en postmoderne levens- en wereldbeschouwingen.

Ook in ‘Het Woord in geding’ komen we dezelfde onderwerpen en typen argumentaties tegen. Daarbij staat vooral de visie van de GS Goes 2020 op ‘vrouw en ambt’ en op de nieuwe kerkorde centraal. Die worden geduid als gedragen door een Schriftverstaan, waarin de Bijbel wel formeel als Gods Woord wordt erkend, maar waar materieel aan de inhoud van de Schrift te kort wordt gedaan doordat men uit zou gaan van een relativistisch en postmodernistisch waarheidsbegrip.

Hermeneutische factor

Wie het boek analyseert kan waarnemen dat er een sterke tendens is om te suggereren dat de hermeneutische factor in zowel het ‘sola scriptura’ (alleen de Schrift) als het ‘tota scriptura’ (geheel de Schrift) geen rol speelt.

Allereerst stelt men dat in het synoderapport ‘Elkaar van harte dienen’ (EVHD) dat diende op de GS Goes 2020, afgeweken wordt van de gereformeerde hermeneutiek en dat het ‘sola scriptura’ niet meer functioneert. Met name Gert van den Brink probeert aan te tonen dat de synode uitgaat van een filosofische hermeneutiek, waarin de betekenis van de tekst per definitie onbepaald zou zijn en de bijbel daarom altijd anders uitgelegd moet worden. Waar EVHD m.i. de aandacht voor vraagt, is niet dat de tekstbetekenis (principieel) onbepaald is, maar dat om de betekenis van een tekst vast te stellen er altijd interpretatie of vertolking nodig is. Daarom kan er ook verschil van inzicht ontstaan over wat Paulus met zijn aanwijzingen betreffende de organisatie van Gods volk precies voor ons bedoelt, en is het noodzakelijk om het gesprek te voeren en te beoordelen in welke mate een ander inzicht binnen een gereformeerd kader legitiem is.

Naast dat ‘Het Woord in geding’ ervan uitgaat dat de interpretatie die zij van Paulus’ voorschriften geeft de normatieve exegese is, ontkent men vervolgens met een beroep op het ‘tota scriptura’ de mogelijkheid, dat de Bijbelse voorschriften en beschrijvingen van de man-vrouw verhoudingen contextueel bepaald kunnen zijn en in onze tijd niet meer van toepassing hoeven te zijn.

In de wijze waarop men vanuit het ‘tota scriptura’ argumenteert, wordt duidelijk dat men het hermeneutisch onderscheid dat in de gereformeerde theologie gemaakt is tussen ‘normatief Schriftgezag’ en ‘historisch Schriftgezag’ (H. Bavinck) niet wil honoreren. Dat blijkt vooral uit de categorische afwijzing van de MVEA-besluiten van de GKv-synoden: Henk van den Belt, die vanuit zijn toepassing van de reformatorische hermeneutiek stelt dat ‘de Heilige Geest de kerk niet zal leiden in een richting die tegengesteld is aan (de tekst) van de Schrift’; Dolf te Velde die vanuit zijn uitleg van de NGB Art. 3-7 betoogt dat ‘een expliciete onderbouwing vanuit de Schrift uitblijft’; en tenslotte Pieter Pel die met een beroep op NGB Art. 7 de synode beschuldigt dat zij het materiele gezag van de Bijbel aantast door geen daadwerkelijke inhoudelijke erkenning van de Schrift te bieden en zo daaraan ‘afdoet en toedoet’.

Gereformeerd blijven

Het is evident dat de synode in het dossier ‘vrouw en ambt’ een andere uitleg en toepassing van de bijbel biedt. Zij doet dat binnen de kaders van de gereformeerde hermeneutiek, wat je aan de hand van de visie van K. Schilder vrij eenvoudig duidelijk kunt maken. Hij onderscheidde tussen (a) blijvende gronden, (b) wisselende heilshistorische bedelingen, en (c) actuele concrete bepaaldheid. De synode behandelt de MVEA-teksten in het kader van (b) en (c), terwijl de Kerngroep deze teksten betrekt op (a) en (b). De Kerngroep doet daarbij vooral een beroep op de traditionele gereformeerde exegese, terwijl de synode inhoudelijk exegetisch en hermeneutisch beargumenteert hoe zij tot een andere visie is gekomen.

Hoe kun je bij verschil van inzichten toch gereformeerd blijven? Niet door te claimen dat jouw interpretatie de enig ware is, wel ‘door elkaar in een open gesprek te zoeken, elkaar beter te verstaan en van elkaar te leren en zo samen verder te komen’ (Bert Loonstra). En de zinsnede die hij daaraan toevoegde over de groepsvorming in de GKv van destijds lijkt mij nog steeds van toepassing om de huidige marathon van bezinningsavonden af te wijzen: ‘een polariserende tactiek te zoeken die kennelijk tot doel heeft een bepaald geluid te versterken en daarmee neerkomt op het streven naar invloed, is niet gereformeerd.’[1] Het criterium voor gereformeerd blijven is dat je dankzij Gods genade in zijn Geest verbonden blijft in het ene geloof in Christus Jezus, de Zoon van God, in overeenstemming met de Bijbel en de gereformeerde geloofsbelijdenissen (Art. A1.1 KO NGK).


[1] Deze alinea is bij nader inzien enigszins aangepast omdat de strekking daarvan onhelder bleek. De verwijzing is naar de blog van Bert Loonstra over groepsvorming in de GKv rond 2012: https://bertloonstra.nl/blog/anders-gereformeerde-kerk-blijven/.

Veranderende visie op het ambt

Op de komende synode van NGK/GKv zal opnieuw aan de orde komen of een kerkelijk werker de sacramenten mag bedienen. Sacramentsbediening behoort bij de taak van de predikant. Omdat de kerkelijk werker geen ambt vervult, mag hij niet het avondmaal of de doop bedienen. Dat een ouderling-ambtsdrager het sacrament niet mag bedienen, wordt beargumenteerd met een verwijzing naar de verbondenheid van verkondiging en sacrament. In de reformatorische ambtstheologie blijft dan de vraag over, of een voorganger die wel het Woord mag bedienen ook de sacramenten mag bedienen, als hij geen ambtsdrager is.

[Artikel in Gereformeerd Kerkblad van 16 september 2022.]

De verbinding van ambtsdrager zijn en de sacramenten bedienen is historisch verbonden met de essentiële betekenis van de priester voor het uitvoeren van de mis. Het offer dat volgens de rooms-katholieke traditie met de mis verbonden is, maakt het noodzakelijk dat een gewijde priester de mis consecreert. Alleen zo wordt tijdens het uitspreken van de instellingswoorden van de eucharistie het brood en de wijn veranderd in het lichaam en bloed van Christus, de zgn. transsubstantiatie.

Het priesterlijke ambt  

De grond voor deze visie in de R.K.-kerk is dat Christus via het priesterlijke ambt het heil bemiddelt. Deze heilsbemiddelende taak is toebedeeld aan de clerus die tegenover de leken in de kerk een afgezonderde en gewijde geestelijke stand vormen. Hun wijding is zelf een sacrament, dat teruggaat op de roeping van de twaalf apostelen, welke roeping volgens de traditie overgegaan is op de bisschoppen met de Paus als eerste en belangrijkste bisschop in de hiërarchie. De bisschoppen oefenen het priesterschap van Christus in zijn volheid uit en delen die door handoplegging aan anderen mee, allereerst de gewone priesters, daarna ook aan de diakenen als helpers van de bisschoppen en priesters. Door de handoplegging is de priester als geordineerde ambtsdrager op ‘ontologische’ of ‘substantiële’ wijze aan Christus gelijkvormig gemaakt; deze handoplegging stempelt hem voor heel zijn leven ‘onvervreemdbaar’ als lid van de geestelijke stand. Verbonden met de hiërarchie krijgt de priester deel aan de bovennatuurlijke kracht van de genade, die Christus aan zijn kerk verleend heeft. Zo leeft Christus in het wijdingssacrament substantieel voort in de kerk. Alleen dankzij dit fundamentele wijdingssacrament is het mogelijk dat ook de andere zes sacramenten, waaronder de eucharistie en de doop, bediend kunnen worden.

De Reformatie

De reformatoren hebben van deze rooms-katholieke visie op de heilsbemiddeling via een geestelijke stand radicaal afstand genomen. Met het afschaffen van het wijdingssacrament hebben zij ook de hiërarchie van het priesterlijke ambt en de apostolische successie opgeblazen. Het aantal van zeven sacramenten bracht men terug tot de twee die door Christus zelf zijn ingesteld, te weten doop en avondmaal.

Tegenover het priesterlijke ambt plaatste de Reformatie het ‘ministerium verbi divini’ (dienst van het goddelijke Woord). Zoals de Heidelbergse Catechismus formuleert: wij krijgen door het geloof deel aan Christus en al zijn weldaden. Dat geloof wordt door de Heilige Geest in ons gewerkt door de verkondiging van het evangelie en door Hem versterkt door het gebruik van de sacramenten (HC Zondag 25). Zo regeert Christus ons als koning ‘met zijn Woord en Geest, en beschermt hij ons bij de verworven verlossing’ (HC Zondag 12).

Het was op een bepaalde manier vanzelfsprekend dat de taken die de priester verrichtte, sinds de Reformatie door de predikant uitgevoerd zouden worden. Niet alleen de bediening van de sacramenten, maar ook de andere vijf sacramenten, die wij nu sacramentalia noemen: de bevestiging in het ambt, de bevestiging van het huwelijk, het afnemen van de openbare geloofsbelijdenis, het voorgaan in een rouwdienst. Soms met het argument dat b.v. de huwelijksbevestiging bij de bediening van het Woord behoort.

Veranderde ambtsvisie

Wanneer vandaag aan niet-predikanten en kerkelijk werkers de bevoegdheid wordt gegeven om het Woord te verkondigen, zal de beperking van de sacramentsbevoegdheid tot de predikant als ambtsdrager nader beargumenteerd moeten worden. Historisch gezien is de evidentie daarvan ook niet altijd gezien. In de 17e en 18e eeuw mocht in de Friese kerken een proponent of kandidaat ‘de sacramenten bedienen, en alles doen wat tot het herdersambt behoort, ook vóór hij in een plaatselijke kerk bevestigd was.’ In de bezinning zal de vraag centraal moeten staan wat het betekent dat de Reformatie in de ambtstheologie de ‘ontologische’ visie op het ambt vervangen heeft door een ‘functionele’ benadering.