De slavernij, de kerk en de Bijbel

Op 1 juli j.l. was de nationale herdenking van de afschaffing van de slavernij in Suriname en de Nederlandse Antillen in 1863, 160 jaar geleden. In Suriname is deze dag al sinds 1955 een feestdag, ‘Keti Koti’ geheten omdat de ketenen verbroken zijn. In Nederland werd in 2009 voor het eerst een landelijke herdenking van de slavernij en viering van het einde van de slavernij georganiseerd. Dit jaar kreeg Keti Koti een bijzonder karakter, omdat koning Willem-Alexander zijn excuses heeft gemaakt voor de rol van Nederland in het slavernijverleden.

[Artikel in Gereformeerd Kerkblad d.d. 28 juli 2023, door Fokke Pathuis]

Het is nog maar betrekkelijk kort dat ook de rol van de kerk bij de slavernij onderwerp van bezinning is geworden. In 2013 bij de 150-jarige herdenking van de afschaffing van de slavernij werd door de Raad van Kerken op Keti Koti wel een moment gecreëerd om excuses aan te bieden voor de rol van de kerken in het slavernijverleden, maar daarna bleef het stil. In de opmaat dit jaar naar de 150-jarige herdenking van de daadwerkelijke vrijlating van de slaven in 1873 is het thema nadrukkelijker op de agenda gekomen. Daarin is o.a. de invloed te zien van de beweging ‘Black Lives Matter’ die in 2013 in Amerika als reactie op politiegeweld tegen Afro-Amerikanen ontstond. Daardoor is er ook in Nederland meer oog gekomen voor institutioneel en systemisch racisme, dat onlosmakelijk verbonden is met de schadelijke doorwerking van het slavernijverleden.

Onderzoek

In 2017 begon in Amsterdam op initiatief van de Evangelisch-Lutherse Gemeente en de Evangelische Broedergemeente die beide nauwe banden met de kerken in Suriname hebben, het proces ‘Heilzame verwerking van het slavernijverleden voor ‘wit’ en ‘zwart’’. Dat leidde tot een symposium, preken, een reizende tentoonstelling en in 2020 een boek met gelijknamige titel.

Begin 2023 is er met de Protestantse Theologische Universiteit als een van de deelnemers een onderzoeksprogramma gestart onder de titel ‘Church and Slavery in the Dutch Empire: History, Theology and Heritage’. In de 17e eeuw was er een nauwe verwevenheid van kerk en overheid, omdat de Gereformeerde Kerk van de Republiek een publieke kerk was en door de overheid betaald werd. De overheid had een groot aandeel in het economische systeem van de slavernij en schakelde daarbij ook, zeker in de overzeese gebieden, de kerk en haar predikanten in. Predikanten werden soms uitbetaald in slaven en geregeld verhandelden ze zelf ook slaven. Daarmee was de kerk als instituut onderdeel van de wereldwijde handelsketen van de West- en Oost-Indische en kleinere Compagnieën, ook nadat deze opgeheven waren en de slavenhandel in 1814 en de slavernij in 1863 verboden werd. Na de afschaffing kreeg de kerk de taak toebedeeld om van de voormalige slaven goede burgers te maken.

In het onderzoeksproject probeert men inzicht te krijgen in de exacte rol van de kerken, op welke wijze de slavernij theologisch gelegitimeerd en bestreden werd, en wat de erfenis daarvan is zowel materieel (bijv. kerkgebouwen) als ideologisch (bijv. de rol van racisme en blanke suprematie). De resultaten van dit onderzoek kunnen bijdragen aan de bewustwording van de rol van christenen in het slavernijverleden, maar ook hoe wij vandaag als kerken daarover kunnen spreken en wat wij als christenen kunnen doen aan herstel en rechtzetting van de gevolgen van het onrecht van de slavernij.

Bijbelgebruik

Merkwaardig is dat, hoewel in Nederland de slavernij al vanaf de Middeleeuwen verboden was, men toch naar een theologische legitimering van slavernij overzee zocht. Die werd gevonden omdat in de Bijbel slaven gehouden en verhandeld werden. Op basis van de wetten van Mozes concludeerde men dat slavernij acceptabel was wanneer het om niet-christenen ging. Men las in de vervloeking van de zoon van Cham in Gen. 9 dat zwarte mensen ertoe veroordeeld waren om andere volkeren te dienen als slaaf. Verder worden er ook in het Nieuwe Testament voorschriften gegeven voor de omgang tussen slaven en hun meesters. ‘Wie het slavenjuk draagt, moet zijn meester hoogachten, zodat Gods naam en de leer niet bespot worden’ (1 Tim. 6:1), en als je een gelovige meester hebt, ‘moet je hem met nog meer inzet dienen, juist omdat hij met degene die van diensten gebruikmaakt in geloof en liefde verbonden is’ (1 Tim. 6:2).

Toch waren er ook in de 17e eeuw theologen die de slavernij beargumenteerd afkeurden, of als ze het op zekere hoogte konden billijken er op wezen dat volgens het Oude Testament een Hebreeuwse slaaf na zes jaar vrijgelaten moest worden. Waarom desondanks de visie de overhand kreeg dat de slavernij toegestaan is, is nog onduidelijk.

Spiritualisering

Wel is het opmerkelijk dat er daardoor een spiritualisering van het geloof plaatsvond. Men benadrukte vooral het verschil tussen de geestelijke en lichamelijke slavernij: de vrijheid van de zonde is wat er echt toe doet, de lichamelijk slavernij is voor God irrelevant. In het verlengde daarvan werd Paulus’ uitspraak in Gal. 3:28 dat ‘er geen Joden of Grieken meer zijn, slaven of vrijen, mannen of vrouwen – u bent allen één in Christus Jezus’ zo verstaan, dat de relativering van deze onderscheidingen alleen betrekking heeft op de wijze waarop de gelovige toegang tot het heil krijgt. Je wordt kind van God door het geloof en niet door het houden van de wet. In dit licht bezien is de tekstkeuze van Joh. 8:36 voor de dankdienst na de afschaffing van de slavernij op 1 juli 1863 in de grote stadskerk van de Evangelische Broedergemeente in Paramaribo symbolisch: ‘Wanneer de Zoon u vrij zal maken, zult u werkelijk vrij zijn.’

Actualiteit

Hoe evident het voor ons is dat je de slavernij niet met de Bijbel in de hand kunt verdedigen, het vraagt wel reflectie op de wijze waarop wij vandaag de Bijbel in concrete situaties gebruiken. Want de slavernij is in de Bijbel vanzelfsprekend, net zoals ook het patriarchaat en de ondergeschiktheid van de vrouw aan de man dat is. Wie van daaruit Paulus’ aanwijzingen om de onderlinge verhoudingen in de gemeente vorm te geven nader beschouwt, ziet dat hij de bestaande orde niet legitimeert, maar die vanuit de geschonken eenheid in Christus juist relativeert. Die aanwijzingen zijn bedoeld om als christen binnen een patriarchale samenleving je weg te vinden en zo in je gedrag het evangelie te belichamen – ‘bekleed je met Christus’ – en de voortgang van het evangelie te bevorderen. Dat wij op grond daarvan vandaag tot een andere vormgeving van de maatschappij kunnen komen dan die in de Bijbel verondersteld wordt, ligt besloten in de vrijheid die wij als gelovigen in Christus ontvangen hebben.

De vrouw in de reformatorische ambtstheologie

Het afgelopen juni-nummer van het tijdschrift voor gereformeerde theologie ‘Theologia Reformata[1] is voor een deel gewijd aan het thema ‘man-vrouw’, waarbij vooral het gesprek over de positie van de vrouw in het ambt de aandacht trekt. Centraal daarin staat de visie van de Gereformeerde Bond (GB)[2], die door de PKN-predikant dr. Harmen Jansen kritisch beschouwd[3] en door de theologen dr. Jan Hoek (PKN/GB) en dr. Dolf te Velde (GKv) verdedigd wordt.[4] Het gesprek wordt voorafgegaan door een meditatie van dr. Gijsbert van den Brink over Gal. 3:28, waar staat ‘dat het niet van belang is dat men Jood is of Griek (..) slaaf of vrije, (…) man of vrouw; want allen bent u één in Christus Jezus.’[5]

Semantisch spel

Ik heb het theologisch gesprek met gemengde gevoelens gelezen, vooral de bijdrage van Hoek en Te Velde. Hun bijdrage in de discussie blijft – om een term te gebruiken die ze zelf invoeren – het karakter van een ‘semantisch spel’ houden, en niet alleen als het gaat om de begrippen ‘gelijkwaardigheid’ en ‘gelijkheid’. Ook als het gaat over ‘het gezag van de Heilige Schrift’, ‘scheppingsorde’, ‘ambt’ en ‘theologische constructies’ blijft hun artikel steken in een vruchteloos herdefiniëren van de eigen positie en het formuleren van een aantal ‘fundamentele noties’, die ‘niet zomaar opgegeven kunnen worden.’ Deze noties zijn ‘(1) de eigenheid van mannen en vrouw in hun onderlinge verhoudingen; (2) het karakter van de ambten en hun plaats in het geheel van de gaven en diensten in de gemeenten; (3) het gezag van de Bijbel als Woord van God voor alle tijden.’

In mijn ogen functioneren de door Hoek en Te Velde genoemde noties in het artikel vooral als een voor gereformeerde theologen open deur die weinig toevoegt aan het gesprek, omdat er geen criteria aangereikt worden waar je aan af kunt meten of een verdediging van de vrouw in het ambt in een gereformeerde visie nu echt onmogelijk is. Daarmee zeg ik niet dat het commentaar van Hoek en Te Velde bij de argumentatie van Jansen helemaal geen hout snijdt. Maar wel dat de door hen aangevoerde kanttekeningen en tegenargumenten niet dwingend leiden tot een afwijzen van de vrouw in het ambt.

Bij de door hen genoemde noties kunnen o.a. de volgende vragen worden gesteld: (1) Waarom kan de eigenheid van mannen en vrouwen in hun onderlinge verhoudingen niet ook tot uitdrukking komen in het dragen van het ambt door zowel mannen als vrouwen? (2) Wat is het unieke karakter van het ambt dat vrouwen daarin niet kunnen dienen, wanneer – zoals Hoek en Te Velde uitspreken – biologische, psychologische, intellectuele of andere eigenschappen daar geen belemmering voor vormen? (3) Op grond waarvan vallen de culturele context en cultuur waarbinnen God zijn Woord gegeven heeft, ook onder het gezag van de Bijbel voor ons vandaag?

Elke tekst?

Ik vind het jammer dat Hoek en Te Velde het artikel van Jansen niet gezien en gebruikt hebben als uitnodiging om kritisch te reflecteren op de eigen vooronderstellingen bij het gebruik van de Bijbel, wanneer zij de opvatting ‘het ambt komt vrouwen niet toe’ onderbouwen. Dat zou het gesprek op een hoger niveau hebben getild. Met name mis ik node, hoeveel woorden zij ook wijden aan ‘het verstaan van de Bijbel als Gods Woord’, een paragraaf en onderbouwing van hoe wij in onze huidige context recht kunnen doen aan het gezag van de Bijbel.

In het voorjaar van 2021 betuigde Hoek nog zijn instemming, dat in het gesprek over ‘vrouw en ambt’ van ‘eminent belang’ is dat ‘onze cultuur niet bepalend is voor de uitleg van de Bijbeltekst en de toenmalige cultuur niet bepalend voor de toepassing van de Bijbeltekst.’[6] Ik kan me niet aan de indruk onttrekken, dat in dit artikel zonder veel onderbouwing het ‘buigen voor de Schrift zelf’ ook betekent het aanvaarden van ‘de oosterse, paternalistische cultuur’ waarbinnen God zijn Woord gesproken heeft.

Hoek en Te Velde maken het zich wel erg gemakkelijk om met een verwijzing naar art. 5 en 7 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis de Heilige Schrift met Gods Woord voor vandaag te identificeren. Ze ondersteunen deze stelling met een beroep op 2 Tim. 3:16, waar staat dat ‘elke schrifttekst door God geïnspireerd is en gebruikt kan worden om onderricht te geven, om dwalingen en fouten te weerleggen, en om op te voeden tot een deugdzaam leven.’ M.i. kan het beroep op het ‘elke tekst’ (pasa graphè) de identificatie van de Bijbel met Gods Woord voor vandaag niet dragen. Zowel het gereformeerde adagium ‘sola scriptura’, dat alleen de Schrift het Woord van God is, als het ‘tota scriptura’, dat heel de Schrift Gods woord is, maken bezinning op de hermeneutische vraagstelling niet overbodig.

Woord en Geest

Winst vind ik het dat Hoek en Te Velde erkennen, dat Gal. 3:28 niet alleen spreekt over de religieuze positie ten opzichte van God, maar dat deze tekst ook een ‘krachtige impuls’ voor de sociale verhoudingen in de gemeente impliceert. Als het gaat om de gevoelde spanning tussen Gal. 3:28 en de zgn. zwijgteksten en hun pleidooi om te zoeken naar de consistentie van Paulus’ woorden, was het interessant geweest als ze zich geconfronteerd hadden met de suggestie van Van den Brink, dat ‘de zwijgteksten minder centraal zijn en beogen om bij te sturen wat er in concrete situaties mis dreigde te gaan.’

In het verlengde van deze opmerkingen hadden Hoek en Te Velde m.i. op zijn minst in moeten gaan op de verhouding tussen Woord en Geest. Terecht stelt Van den Brink namelijk in zijn bijdrage de vraag, of ‘waar het Woord ambivalent is, de Geest bepaalde wegen in de tijd schrijft?’ Kan het ervaren van een roeping voor het ambt door vrouwen en kunnen het ontvangen van gaven daarvoor ‘een vingerwijzing vormen om Galaten 3:28 niet te muilkorven, maar inderdaad ook op dit punt door te laten werken, en de zwijgteksten niet het zwijgen op te leggen maar wel van daaruit te lezen?’ Hoek en Te Velde raken aan deze vragen, waar zij constateren dat de Heilige Geest ‘kennelijk’ in de wereldkerk op zegenrijke wijze gebruik maakt van de dienst van de vrouw in het ambt van predikant, ouderling en diaken, maar doen hier uiteindelijk in hun eigen betoog weinig mee.

Hermeneutische vooronderstellingen

Tenslotte blijft er de vraag, of Hoek en Te Velde ook feitelijk ruimte in de reformatorische ambtstheologie zien voor een verantwoorde onderbouwing van de vrouw in het ambt. Intrigerend vind ik in ieder geval hun opmerking dat de visie op de door hen genoemde ‘fundamentele noties’ niet ‘volledig dichtgetimmerd’ is: ‘Er liggen vragen open, die met een beroep op de Schrift op verschillende manieren beantwoord en beargumenteerd kunnen worden.’ Ook eerder al maakten ze een soortgelijke opmerking, toen ze stelden dat de vijf door de GB geformuleerde hermeneutische regels om de uitleg van de Schrift in goede banen te leiden ‘niet per definitie tot één uitkomst in een vraagstuk als ‘vrouw en ambt’ leiden, maar ze wel de fundamentele richting bepalen waarin ons verstaan van de Schrift zich heeft te bewegen.’

Graag wil ik Hoek en Te Velde uitdagen om het gesprek voort te zetten en nader op de eigen hermeneutische vooronderstellingen te reflecteren. Het recent vanuit de eigen kring gepubliceerde boekje ‘Geschapen om te regeren’, waarin Robert Plomp een gedegen kritische bespreking van de visie van de GB op ‘vrouw en ambt’ biedt[7], kan daar een zinvolle aanzet voor zijn. Dan kunnen ze tegelijk daarmee de dupliek van Jansen beantwoorden, die hen de vraag en keuze voorlegt: ‘Handhaving van de patriarchale orde of ingaan op de dynamiek van de Geest?’[8]

Zwolle, 19 augustus 2021


[1] Theologia Reformata, jaargang 64, nummer 2, juni 2021. Het blad, afgekort als TR, verschijnt 4x per jaar onder redactie van theologen uit de kring van de Gereformeerde Bond in de Protestantse Kerk, de Christelijke Gereformeerde Kerken, de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt en de Hersteld Hervormde Kerk.

[2] Het hoofdbestuur van de ‘Gereformeerde Bond in de Protestantse Kerk in Nederland’ heeft zijn visie in twee brochures vastgelegd. De eerste is ‘Mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen. Over man, vrouw en ambt’, Apeldoorn 2012, met als auteur P.F. Bouter. De tweede, als aanvulling en uitwerking van de eerste, is ‘Geroepen vrouw. Vrouwen in Christus’ gemeente’, Apeldoorn 2015, met als auteurs M. van Campen en J. Hoek.

[3] H. Jansen, ‘Alleen voor mannen? Het patriarchale rudiment in de reformatorische ambtstheologie’, in: Theologia Reformata 64/2 (2021), p. 105-122.

[4] J. Hoek en R.T. te Velde, ‘Reformatorische ambtstheologie en de eigenheid van mannen en vrouwen’, in: Theologia Reformata 64/2 (2021), p. 123-137.

[5] G. van den Brink, ‘Meditatie. Titus, Callixtus, en Leene?’, in: Theologia Reformata 64/2 (2021), p. 98-104.

[6] Zie zijn ‘Woord vooraf’ in: Robert Plomp, Geschapen om te regeren. In gesprek over vrouw en ambt, Buijten & Schipperheijn Motief, Amsterdam, 2021, p. 7-8.

[7] Voor gegevens zie noot 6.

[8] H. Jansen, ‘Reactie. Handhaving van de patriarchale orde of ingaan op de dynamiek van de Geest?’, in: Theologia Reformata 64/2 (2021), p. 138-141.

Fragment van een preek over Galaten 3:28

Kort geleden mocht ik in mijn gemeente een themadienst houden over het bijbelgebruik in het gesprek over ‘man/vrouw en ambt’. De invalshoek die ik nam, was die vanuit Galaten 3 en 4 in combinatie met Gen. 1:27-28. Als thema koos ik: ‘Mannen en vrouwen – in Christus erfgenamen van God’. [i]

Als introductie op de preek gaf ik eerst een overzicht van de manieren waarop in de GKV in de 20e eeuw een verschuiving te zien is in de visie op de verhouding van man en vrouw. Vervolgens liet ik zien hoe deze veranderde visie van ‘ondergeschiktheid’ naar ‘gelijkwaardigheid’ in 2017 heeft geleid tot de openstelling van het ambt voor de vrouw.[ii]  Ik eindigde met de manier waarop Paulus met de Schrift omgaat en welke implicaties dat heeft voor de positie van de vrouw in de kerk.

 

  •  Paulus’ Schriftberoep in 1 Tim. 2 : 11-15

Wie Paulus zijn beroep op de Schriften wil begrijpen, moet weten dat Paulus de geschriften van Israël leest door de lens van (het geloof in) Jezus Christus.[iii] Het Oude Testament getuigt van Christus. Een van de belangrijke leeswijzen van Paulus is die van de typologie. Zoals b.v. in Galaten 3:16, waar hij zegt: ‘het zaad van Abraham dat gaat over Christus‘. Op dezelfde manier kan hij ook zeggen in 3:29, dat wij die in Christus geloven, ook zaad van Abraham zijn: erfgenamen volgens de belofte.

Zo kan Paulus ook een beroep op het Oude Testament doen om iets te illustreren of als waarschuwend voorbeeld te stellen. Bekend is 1 Kor. 10, waar Paulus de rots in de woestijn, waar het volk Israël uit dronk, identificeert met Christus. Op dezelfde wijze verwijst Paulus’ in 1 Tim. 2 naar Eva en Adam.

Het punt dat Paulus in 1 Tim. 2 duidelijk wil maken is, dat net zoals Eva bedrogen is door de slang, de vrouwen in de gemeente van Efeze bedrogen zijn door dwaalleraren – die zelf weer door Satan geïnspireerd zijn. Hij wil niet dat die vrouwen nu dat model van Eva volgen, die nadat zij zelf bedrogen was, Adam op een dwaalspoor bracht. Ze mogen de mannen in de gemeente van Efeze niet op een dwaalspoor brengen. Paulus’ verwijzing naar Gen. 2 en 3 is niet bedoeld om normatief een zgn. scheppingsorde te funderen. Wat Paulus hier doet is op typologische wijze, bij wijze van voorbeeld, te illustreren en te onderstrepen wat er in de gemeente van Efeze gebeurt en wat er op het spel staat. Daarom moeten die vrouwen een toontje lager zingen en legt Paulus ze in deze concrete situatie het zwijgen op en instrueert hij ze dat ze zich eerst op de juiste wijze moeten laten onderwijzen.[iv]

 

  • Paulus’ visie op de gemeente als ‘een nieuwe schepping’

Wanneer Paulus de Schriften van Israël leest, dan doet hij ook dat vanuit zijn overtuiging dat in Christus er ‘een nieuwe schepping’ gekomen is (2 Kor. 5:17): ‘Iemand die één met Christus is, [is] een nieuwe schepping. Het oude is voorbij, het nieuwe is gekomen’. Door het kruis heeft God een einde gemaakt aan de macht van zonde en dood en heeft hij een nieuwe werkelijkheid tot stand gebracht. In de Geest mogen de gelovige en de gemeente een eschatologisch voorschot ervaren van de beloofde verlossing.[v]

Vanuit deze overtuiging schuift Paulus soms ook zo maar gedeelten van het Oude Testament aan de kant als niet meer van betekenis. Zoals hij dat in Galaten 3 doet met de wet. De gelovigen hebben in Christus een andere verhouding tot de wet van Mozes gekregen. Zij zijn vrij van de wet. Nu geldt voor hen een nieuwe wet, die van Christus en van de Geest. O.a. betekent dit dat het onderscheid tussen Jood en heiden weggevallen is en dat er nieuwe gedragsregels in de gemeente gelden die haar oorsprong hebben in het hemelse Jeruzalem, (Gal. 4:26). De voornaamste gedragsregel die Paulus de gemeente in Galaten voorhoudt, is om elkaar te dienen in liefde: dat is de wijze waarop Jezus de wet van Mozes heeft vervuld en tot bestemming heeft gebracht. Paulus schuift het houden van de wet van Mozes aan de kant.

Op dezelfde manier als Paulus de omgangsregels in de relatie tussen Joden en heidenen heeft gerelativeerd, relativeert hij ook de regels voor de omgang tussen slaven en vrijen en die tussen mannen of vrouwen. ‘Er zijn geen Joden of Grieken meer, slaven of vrijen, mannen of vrouwen – u bent allen één in Christus Jezus’, (Gal. 3:28).  Vaak wordt de betekenis van deze tekst uitgelegd, alsof Paulus hier alleen maar de wijze waarop Joden en heidenen toegang krijgen tot het heil op het oog heeft. Je wordt kind van God door het geloof en niet door het houden van de wet. Dat is ook zo!

Toch heeft het heil dat de gelovige ontvangt wel een concrete inhoud. De vloek en de gevolgen van de zonde, niet alleen in de relatie met God, maar ook in de relaties tussen mensen zijn in Christus doorbroken. Zo laat Paulus in Gal. 2 zien, dat dat laatste betekent dat Joden en heidenen samen aan één tafel behoren te eten. Op dezelfde wijze betekent dit inzicht voor de verhouding tussen mannen en vrouwen, dat aan de overheersing van de man over de vrouw als gevolg van de zondeval (Gen. 3:16) in Christus een einde gekomen is. Daarom mag je de structuren van een patriarchale cultuur en samenleving  tegen het licht houden. Zoals Paulus bijvoorbeeld ook doet in Efeziërs 5, waar hij regels geeft voor de omgang van mannen en vrouwen, slaven en vrijen, kinderen en ouders. Daarin is een kritisch tegengeluid tegen het patriarchale denken op te merken.

Paulus geeft zijn aanwijzingen voor de verhouding van man en vrouw in de gemeente en in de samenleving binnen een patriarchale cultuur. Deze richtlijnen zijn niet bedoeld om het patriarchale systeem te legitimeren, maar juist om binnen een patriarchale samenleving je weg te vinden als christen en zo in je gedrag het evangelie te belichamen – ‘bekleed je met Christus’ – en de voortgang van het evangelie te bevorderen. [vi]

In Galaten 3 en 4 betoogt Paulus, dat de gelovigen zonen en dochters van God zijn geworden en als Zijn erfgenamen mogen leven. Zij hebben weer de positie gekregen, zoals God die met de schepping voor ogen had: in gezamenlijkheid beeld van God zijn, (Gen. 1:27-28). In gelijkwaardigheid mogen zij als mannen en vrouwen deze wereld beheren. Ieder doet dat op zijn en haar eigen wijze, mannelijk en vrouwelijk. Zij zijn inderdaad niet gelijk (Gen. 1 en 2), maar ze vullen elkaar aan en hebben elkaar nodig. Zo heeft God dat bedoeld. In de gemeente ontvangt ieder gaven, waarmee hij/zij geroepen wordt om die in te zetten binnen Gods koninkrijk, zowel in de kerk als in de samenleving, geleid door de Geest. Zo zullen man en vrouw samen Gods beeld weerspiegelen.

Dat betekent dat als vrouwen de gave hebben gekregen om leiding te geven, dat je hen ook moet gunnen om die in te zetten in de gemeente. Ook zij zijn gezalfd tot priester, profeet en koning. Daarom mogen zij ook functioneren als diakones, ouderlinge of predikante. Omdat God in Christus een nieuwe situatie heeft gecreëerd. Een situatie waarin regels en structuren van scheiding, van uitsluiting en van overheersing op grond van etniciteit, of economische status of biologisch geslacht doorbroken zijn.

Paulus betoogt, dat in Christus mannen en vrouwen erfgenamen van God zijn geworden, zonder onderscheid, en met alle privileges die daarbij horen voor hen beiden. Dat is het evangelie dat Paulus verkondigt. Dat is de manier waarop Paulus vanuit de lens van Jezus Christus het Oude Testament leest. Daarin mogen wij hem navolgen. [vii]



[i] De gekozen liturgie: GK (2017) Psalm 111: 1, 4, 5 en 6 / NBV Genesis 1:26-31 / GK (2017) Gezang 257: 1, 2 en 3 /  NBV Galaten 3:1-5 en 3:15-4:7 / GK (2017) Gezang 257: 4(a), 5(m), 6(v) en7(a) / LvK (1973) Gezang 106: 1, 2, 3 en 4 / GKB (2006) Gezang 161: 1 en 4

[ii] Dat deel van de preek heb ik verwerkt in een blog onder de titel ‘De vrijgemaakte worsteling met de patriarchale cultuur’, zie deze weblog op 23 november 2018:  https://fpathuis.wordpress.com/2018/11/23/de-vrijgemaakte-worsteling-met-de-patriarchale-cultuur/.

[iii] De metafoor van de ‘lens’ is ontleend aan het werk van de NT-icus Richard B. Hays. Hij geeft een beschrijving van de verschillende manieren waarop Paulus in zijn brieven zich op de wet van Mozes en het Oude Testament beroept. Ook geeft hij aandacht aan de rol aan de wijze waarop de ethiek van het OT in de ethiek van het NT verwerkt kan worden, zie: Richard B. Hays, The Moral Vision of the New Testament. A Contemporary  Introduction to New Testament Ethics, HarperCollins, New Yorck, 1996, p. 16-46 en 306-10. Een kort overzicht van zijn hand is: ‘The Role of Scripture in Paul’s Ethics’, in Theology and Ethics in Paul and His Interpreters: essays in honour of Victor Paul Furnish, edited by E. Lovering and J. Sumney. Nashville, Tennessee: Abingdon, 1996, p. 30-47. Zie ook het hoofdstuk van Brian Rosner ‘Paul’s ethics’ in: The Cambridge Companion to St. Paul, ed. James D. G.Dunn, 2003, p. 212-223, i.h.b. 214-216.

[iv] Zie: B.J. Oropeza, 1 Corinthians (New Covenant Commentary Series), Cascade Books, Wipf & Stock Publishers, Eugene OR, 2017, pp. 192-193. Een vertaling van deze passage is te vinden op deze weblog op 19 september 2018:  https://fpathuis.wordpress.com/2018/09/19/zwijgteksten-vandaag/.

[v] Zie Richard B. Hays, The Moral Vision of the New Testament, New Yorck, 1996, p. 19-21.

[vi] Pieter Niemeijer is te stellig, wanneer hij schrijft: ‘De wijze waarop in de brieven van het Nieuwe Testament mannen en vrouwen naast en met elkaar delen in het heil en functioneren in de gemeente is duidelijk het patriarchaat voorbij!”, in: Pieter Niemeijer, Over zwijgteksten, scheppingsorde en Geesteswerk. Bijdrage aan het denken over vrouw en ambt, Uitgeverij Woord en Wereld 2018, p. 55. Paulus strijdt niet voor de afschaffing van het patriarchaat net zomin als hij strijdt voor afschaffing van de slavernij. Zijn aanwijzingen zijn middelen om in een patriarchale samenleving het evangelie van de gelijkwaardigheid zo veel als mogelijk is vorm te geven. John G. Stackhouse schetst op verhelderende wijze het spanningsveld tussen het ‘reeds’ en het ‘nog niet’ in de gelijkwaardige verhouding tussen man en vrouw in het NT: Finally Feminist. A Pragmatic Christian Understandingof Gender, Baker Academic, Grand Rapids, 2005, p. 51-63.Dr. Bert Loonstra bespreekt o.a. dit thema ook in zijn recente publicatie: Meedenken met Paulus. Letter en Geest in de bezinning op vrouw en ambt, Buijten & Schipperheijn Motief, Amsterdam, 2018.

[vii] Een korte introductie voor het denken over man en vrouw in de kerk is: Women and Men in Scripture and the Church. A Guide to the Key Issues, ed. Steven Croft and Paula Gooder, Canterbury Press, Norwich, 2013.