De vrouw in de reformatorische ambtstheologie

Het afgelopen juni-nummer van het tijdschrift voor gereformeerde theologie ‘Theologia Reformata[1] is voor een deel gewijd aan het thema ‘man-vrouw’, waarbij vooral het gesprek over de positie van de vrouw in het ambt de aandacht trekt. Centraal daarin staat de visie van de Gereformeerde Bond (GB)[2], die door de PKN-predikant dr. Harmen Jansen kritisch beschouwd[3] en door de theologen dr. Jan Hoek (PKN/GB) en dr. Dolf te Velde (GKv) verdedigd wordt.[4] Het gesprek wordt voorafgegaan door een meditatie van dr. Gijsbert van den Brink over Gal. 3:28, waar staat ‘dat het niet van belang is dat men Jood is of Griek (..) slaaf of vrije, (…) man of vrouw; want allen bent u één in Christus Jezus.’[5]

Semantisch spel

Ik heb het theologisch gesprek met gemengde gevoelens gelezen, vooral de bijdrage van Hoek en Te Velde. Hun bijdrage in de discussie blijft – om een term te gebruiken die ze zelf invoeren – het karakter van een ‘semantisch spel’ houden, en niet alleen als het gaat om de begrippen ‘gelijkwaardigheid’ en ‘gelijkheid’. Ook als het gaat over ‘het gezag van de Heilige Schrift’, ‘scheppingsorde’, ‘ambt’ en ‘theologische constructies’ blijft hun artikel steken in een vruchteloos herdefiniëren van de eigen positie en het formuleren van een aantal ‘fundamentele noties’, die ‘niet zomaar opgegeven kunnen worden.’ Deze noties zijn ‘(1) de eigenheid van mannen en vrouw in hun onderlinge verhoudingen; (2) het karakter van de ambten en hun plaats in het geheel van de gaven en diensten in de gemeenten; (3) het gezag van de Bijbel als Woord van God voor alle tijden.’

In mijn ogen functioneren de door Hoek en Te Velde genoemde noties in het artikel vooral als een voor gereformeerde theologen open deur die weinig toevoegt aan het gesprek, omdat er geen criteria aangereikt worden waar je aan af kunt meten of een verdediging van de vrouw in het ambt in een gereformeerde visie nu echt onmogelijk is. Daarmee zeg ik niet dat het commentaar van Hoek en Te Velde bij de argumentatie van Jansen helemaal geen hout snijdt. Maar wel dat de door hen aangevoerde kanttekeningen en tegenargumenten niet dwingend leiden tot een afwijzen van de vrouw in het ambt.

Bij de door hen genoemde noties kunnen o.a. de volgende vragen worden gesteld: (1) Waarom kan de eigenheid van mannen en vrouwen in hun onderlinge verhoudingen niet ook tot uitdrukking komen in het dragen van het ambt door zowel mannen als vrouwen? (2) Wat is het unieke karakter van het ambt dat vrouwen daarin niet kunnen dienen, wanneer – zoals Hoek en Te Velde uitspreken – biologische, psychologische, intellectuele of andere eigenschappen daar geen belemmering voor vormen? (3) Op grond waarvan vallen de culturele context en cultuur waarbinnen God zijn Woord gegeven heeft, ook onder het gezag van de Bijbel voor ons vandaag?

Elke tekst?

Ik vind het jammer dat Hoek en Te Velde het artikel van Jansen niet gezien en gebruikt hebben als uitnodiging om kritisch te reflecteren op de eigen vooronderstellingen bij het gebruik van de Bijbel, wanneer zij de opvatting ‘het ambt komt vrouwen niet toe’ onderbouwen. Dat zou het gesprek op een hoger niveau hebben getild. Met name mis ik node, hoeveel woorden zij ook wijden aan ‘het verstaan van de Bijbel als Gods Woord’, een paragraaf en onderbouwing van hoe wij in onze huidige context recht kunnen doen aan het gezag van de Bijbel.

In het voorjaar van 2021 betuigde Hoek nog zijn instemming, dat in het gesprek over ‘vrouw en ambt’ van ‘eminent belang’ is dat ‘onze cultuur niet bepalend is voor de uitleg van de Bijbeltekst en de toenmalige cultuur niet bepalend voor de toepassing van de Bijbeltekst.’[6] Ik kan me niet aan de indruk onttrekken, dat in dit artikel zonder veel onderbouwing het ‘buigen voor de Schrift zelf’ ook betekent het aanvaarden van ‘de oosterse, paternalistische cultuur’ waarbinnen God zijn Woord gesproken heeft.

Hoek en Te Velde maken het zich wel erg gemakkelijk om met een verwijzing naar art. 5 en 7 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis de Heilige Schrift met Gods Woord voor vandaag te identificeren. Ze ondersteunen deze stelling met een beroep op 2 Tim. 3:16, waar staat dat ‘elke schrifttekst door God geïnspireerd is en gebruikt kan worden om onderricht te geven, om dwalingen en fouten te weerleggen, en om op te voeden tot een deugdzaam leven.’ M.i. kan het beroep op het ‘elke tekst’ (pasa graphè) de identificatie van de Bijbel met Gods Woord voor vandaag niet dragen. Zowel het gereformeerde adagium ‘sola scriptura’, dat alleen de Schrift het Woord van God is, als het ‘tota scriptura’, dat heel de Schrift Gods woord is, maken bezinning op de hermeneutische vraagstelling niet overbodig.

Woord en Geest

Winst vind ik het dat Hoek en Te Velde erkennen, dat Gal. 3:28 niet alleen spreekt over de religieuze positie ten opzichte van God, maar dat deze tekst ook een ‘krachtige impuls’ voor de sociale verhoudingen in de gemeente impliceert. Als het gaat om de gevoelde spanning tussen Gal. 3:28 en de zgn. zwijgteksten en hun pleidooi om te zoeken naar de consistentie van Paulus’ woorden, was het interessant geweest als ze zich geconfronteerd hadden met de suggestie van Van den Brink, dat ‘de zwijgteksten minder centraal zijn en beogen om bij te sturen wat er in concrete situaties mis dreigde te gaan.’

In het verlengde van deze opmerkingen hadden Hoek en Te Velde m.i. op zijn minst in moeten gaan op de verhouding tussen Woord en Geest. Terecht stelt Van den Brink namelijk in zijn bijdrage de vraag, of ‘waar het Woord ambivalent is, de Geest bepaalde wegen in de tijd schrijft?’ Kan het ervaren van een roeping voor het ambt door vrouwen en kunnen het ontvangen van gaven daarvoor ‘een vingerwijzing vormen om Galaten 3:28 niet te muilkorven, maar inderdaad ook op dit punt door te laten werken, en de zwijgteksten niet het zwijgen op te leggen maar wel van daaruit te lezen?’ Hoek en Te Velde raken aan deze vragen, waar zij constateren dat de Heilige Geest ‘kennelijk’ in de wereldkerk op zegenrijke wijze gebruik maakt van de dienst van de vrouw in het ambt van predikant, ouderling en diaken, maar doen hier uiteindelijk in hun eigen betoog weinig mee.

Hermeneutische vooronderstellingen

Tenslotte blijft er de vraag, of Hoek en Te Velde ook feitelijk ruimte in de reformatorische ambtstheologie zien voor een verantwoorde onderbouwing van de vrouw in het ambt. Intrigerend vind ik in ieder geval hun opmerking dat de visie op de door hen genoemde ‘fundamentele noties’ niet ‘volledig dichtgetimmerd’ is: ‘Er liggen vragen open, die met een beroep op de Schrift op verschillende manieren beantwoord en beargumenteerd kunnen worden.’ Ook eerder al maakten ze een soortgelijke opmerking, toen ze stelden dat de vijf door de GB geformuleerde hermeneutische regels om de uitleg van de Schrift in goede banen te leiden ‘niet per definitie tot één uitkomst in een vraagstuk als ‘vrouw en ambt’ leiden, maar ze wel de fundamentele richting bepalen waarin ons verstaan van de Schrift zich heeft te bewegen.’

Graag wil ik Hoek en Te Velde uitdagen om het gesprek voort te zetten en nader op de eigen hermeneutische vooronderstellingen te reflecteren. Het recent vanuit de eigen kring gepubliceerde boekje ‘Geschapen om te regeren’, waarin Robert Plomp een gedegen kritische bespreking van de visie van de GB op ‘vrouw en ambt’ biedt[7], kan daar een zinvolle aanzet voor zijn. Dan kunnen ze tegelijk daarmee de dupliek van Jansen beantwoorden, die hen de vraag en keuze voorlegt: ‘Handhaving van de patriarchale orde of ingaan op de dynamiek van de Geest?’[8]

Zwolle, 19 augustus 2021


[1] Theologia Reformata, jaargang 64, nummer 2, juni 2021. Het blad, afgekort als TR, verschijnt 4x per jaar onder redactie van theologen uit de kring van de Gereformeerde Bond in de Protestantse Kerk, de Christelijke Gereformeerde Kerken, de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt en de Hersteld Hervormde Kerk.

[2] Het hoofdbestuur van de ‘Gereformeerde Bond in de Protestantse Kerk in Nederland’ heeft zijn visie in twee brochures vastgelegd. De eerste is ‘Mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen. Over man, vrouw en ambt’, Apeldoorn 2012, met als auteur P.F. Bouter. De tweede, als aanvulling en uitwerking van de eerste, is ‘Geroepen vrouw. Vrouwen in Christus’ gemeente’, Apeldoorn 2015, met als auteurs M. van Campen en J. Hoek.

[3] H. Jansen, ‘Alleen voor mannen? Het patriarchale rudiment in de reformatorische ambtstheologie’, in: Theologia Reformata 64/2 (2021), p. 105-122.

[4] J. Hoek en R.T. te Velde, ‘Reformatorische ambtstheologie en de eigenheid van mannen en vrouwen’, in: Theologia Reformata 64/2 (2021), p. 123-137.

[5] G. van den Brink, ‘Meditatie. Titus, Callixtus, en Leene?’, in: Theologia Reformata 64/2 (2021), p. 98-104.

[6] Zie zijn ‘Woord vooraf’ in: Robert Plomp, Geschapen om te regeren. In gesprek over vrouw en ambt, Buijten & Schipperheijn Motief, Amsterdam, 2021, p. 7-8.

[7] Voor gegevens zie noot 6.

[8] H. Jansen, ‘Reactie. Handhaving van de patriarchale orde of ingaan op de dynamiek van de Geest?’, in: Theologia Reformata 64/2 (2021), p. 138-141.