Review van Hans Burger, ‘Jesus Christ, Hermeneutics, and Scripture’, (2024)

Een maand geleden plaatste ik hier in vijf delen een bespreking van het boek, waarin Hans Burger, hoogleraar Systematische Theologie aan de Theologische Universiteit Utrecht, zijn visie op de theologische hermeneutiek beschreef. Voor de belangstellende heb ik van deze bespreking één document gemaakt, die hieronder te vinden is.

Een nieuwe gereformeerde hermeneutiek (2)

Zoals de titel al aangeeft[1] is het boek geen hermeneutiek in de zin van een methodologie voor de exegese van de Bijbel. Wat Burger wil bieden is een Schriftleer als onderdeel van de dogmatiek, vroeger aangeduid als Locus de Sacra Scriptura, die hij verbindt en plaatst binnen wat hij noemt ‘de theologische hermeneutiek,’ die hij omschrijft als het begrijpen en verstaan van het nieuwe leven van de christen, waarin de focus ligt op ‘de verbinding met en participatie in Christus.’ (7)

Uitgaande van de rol die het heil in het leven van een christen heeft, gaat hij in op de vraag wat een daarbij passende manier is om de bijbel te lezen. Voor Burger is het lezen en luisteren naar de Bijbel een middel om ‘in Christus te zijn en te blijven, door het geïnspireerde Woord vervuld te worden met de Heilige Geest, en ons te laten groeien in Christusgelijkvormigheid’. Als christen deel je, zoals Paulus in 1 Kor. 2:16 zegt, in de ‘mind’ (grieks: nous) dit wil zeggen ‘de gedachten’ (NBV21) van Christus. (7)

  • Hoofstuk 1: Inleiding

In het eerste hoofdstuk van het boek geeft Burger kort een introductie op zijn visie en op de vooronderstellingen van waaruit hij werkt. Vervolgens onderbouwt hij deze in de volgende hoofdstukken.

H1. Inleiding. Christus, hermeneutiek, en de Schrift, (1-17)

H2. Epistemologie en zekerheid. De ontwikkeling van de Schriftleer, (18-71)

H3. Secularisatie en zonde. Aanvullende redenen voor een soteriologische benadering, (72-107)

H4. De Triniteit en perspectief. Het nieuwe perspectief gegeven in de reddende acties van Vader, Zoon en Geest, (108-147)

H5. Participatie en Schrift. Participatie in Christus, het nieuwe perspectief en het lezen van de Schrift, (148-177)

H6. Sola Scriptura en Solus Christus. Het beslissend karakter van Jezus Christus als het Woord van God voor het verstaan van de Schrift, (178-226)

H7. Letterlijk en geestelijk. Het geloof in Jezus Christus en het lezen van de Schrift, (227-271)

H8. Gemeenschap en praktijk. Lezen en transformatie in kerkelijke, morele, en spirituele praktijken, (272-321)

H9. Christus en de Schrift. Transformatie tot het beeld van Christus en het gebruik van de Schrift in de ecologische crisis, (322-334)
  • Hoofstuk 2 en 3: waarom een soteriologische hermeneutiek?

In hoofdstuk 2 betoogt Burger dat de neocalvinistische visie van Abraham Kuyper en Herman Bavinck op de Schrift en de hermeneutiek zodanig door de moderniteit beïnvloed is dat het in een funderingsdenken zijn zekerheid zoekt. Daardoor is het ten prooi gevallen aan een ‘onvruchtbaar Cartesiaans dilemma: zekerheid zonder hermeneutische eerlijkheid of een hermeneutisch relativisme zonder vaste overtuigingen.’ (6)

Daarnaast wijst Burger er in hoofdstuk 3 op dat de zondeval niet alleen ons menselijk bestaan, maar ook ons kenvermogen en onze overtuigen aangetast heeft, waardoor ook ons denken vernieuwd moet worden. Charles Taylor heeft in zijn analyse van de moderniteit laten zien dat onze tijd zozeer door de secularisatie aangetast is, dat we er niet meer van kunnen uitgaan dat er ‘een neutrale en onafhankelijke menselijke rede bestaat, die zonder enige weerstand open staat voor het bestaan van God.’ (82)

Zijn conclusie is dat ‘gegeven onze pluralistische en ‘seculiere’ context het karakter van het menselijk bestaan en de noëtische consequenties van de zonde, het niet vanzelfsprekend is om de theologie te starten bij de epistemologie.’ Voor hem betekent dit, dat ‘de [hermeneutische] reflectie op ons kennen en ons verstaan vanaf het begin ingebed moet zijn in een trinitarische soteriologie en ecclesiologie, en in de (eerste orde) werkelijkheid van de praktijk van het christelijke leven, die voorafgaat aan onze (tweede orde) theologische reflecties.’ (106).

  • Hoofdstuk 4: de hermeneutische theologie van Ingolf U. Dalferth

Om een alternatieve soteriologische benadering voor de hermeneutiek en de Bijbel te vinden, start Burger in hoofdstuk 4 bij de Godsleer, in het bijzonder ‘de hermeneutische relevantie van de leer van de drieëenheid’. (109)  Leidraad voor hem is de hermeneutische theologie van de lutherse theoloog Ingolf U. Dalferth, die ‘de openbaring van de Drieënige God verstaat als een heilsgebeurtenis, waarin God aan iemand zichzelf identificeert’.[2] Volgens hem laat Dalferth zien, dat ‘in het licht van het evangelie van Jezus Christus de hermeneutiek een soteriologische activiteit is,’ waarin hij Dalferth wil volgen. (141) Belangrijk minpunt is dat in diens theologie inherent een tendens tot deïsme of atheïsme aanwezig is, omdat in zijn visie Gods handelen in verlossing en vernieuwing uitsluitend eschatologisch is en vanwege een gebrekkige scheppingsleer niet ‘protologisch, scheppend en onderhoudend’. (143).

Als het om de Schrift gaat neemt Burger het onderscheid over tussen een ‘Ereignishermeneutik des Wortes Gottes’ als de Goddelijke zelfcommunicatie en de ‘Handlungshermeneutik der Schrift’ als ‘een systematisch-theologische activiteit, waarbij de Schrift, het evangelie, en de contemporaine ervaring in elkaars licht worden geïnterpreteerd’ (136, 143). Daarnaast onderscheidt Dalferth nog de ‘Texthermeneutik’, die betrekking heeft op de exegese van de bijbelse teksten. (136)

Problematisch voor Burger is dat Dalferth niet uitgaat van ‘een heilsgeschiedenis, waarin God naar een climax toewerkt in de finale openbaring in zijn zoon Jezus Christus, zodat Jezus Christus, met de Nieuwtestamentische auteurs, gezien kan worden als de vervulling van de Tenach.’ (144) Wel stemt hij deels in met diens visie dat de eigenschappen van het Woord van God niet aan de Bijbeltekst of aan de inhoud van de Bijbel toegekend kunnen worden, want Dalferth wijst de identificatie van Gods Woord met de tekst van de Schrift af.[3] Het gezag (auctoritas), de duidelijkheid (perspicuitas) en de werkzaamheidheid (efficacia) moeten betrokken worden op de Heilige Geest, die de Bijbel geïnspireerd heeft. Uitzondering is de genoegzaamheid of volkomenheid van de Schrift, die volgens Burger wel een teksteigenschap is, omdat die nauw verbonden is met de Schrift als canon. (137, 144)

  • Hoofdstuk 5: de theologische ethiek van Oliver O’Donovan

Omdat er in de visie van Dalferth geen plek is voor de participatie van de gelovige in Christus en dus ook niet voor het groeien in de ‘mind’ van Christus, wendt Burger in hoofdstuk 5 zich tot de theologische ethiek van anglicaanse hoogleraar Ethiek & Praktische Theologie Oliver O’Donovan.  

Waar O’Donovan in zijn eerdere werk focuste op ‘de objectieve orde van het geschapen goede en het herstel van de mogelijkheid voor menselijk handelen door de opstanding van Christus’, is zijn latere werk met name gericht op ‘de subjectieve vernieuwing van zijn handelen en het open staan voor de toekomstige roeping van God.’ Het constante theologisch uitgangspunt daarbij is ‘het evangelie van Jezus Christus’ als primaire bron voor het christelijke leven, dat ons door de gave van de Geest van Pinksteren in de verbinding met Christus zowel epistemologisch als ontologisch geschonken wordt. (150-152) Door het geloof verstaan we de Schrift en zijn we bereid tot gehoorzaamheid aan God in wat wij verstaan. (156) Dit vereist reflectie op de concepten die de Schrift ons aanreikt en overweging op de manier waarop wij deze in onze eigen situatie kunnen toepassen om zo te groeien in Christusgelijkvormigheid. (170) O’Donovan ‘waarschuwt tegen het gevaar dat “in de naam van gehoorzaamheid aan het Schriftgezag” deliberatie en morele overweging “daadwerkelijk afgeschaft” zal worden. Gehoorzaamheid impliceert overweging, en de Schrift bepaalt niet totaal wat we doen.’ (164)

Door herstel van moreel handelen wordt ‘een nieuw zelf’ gewekt, ‘een zelf die door God geliefd wordt, participeert in Christus, wordt geleid door de Geest, gevormd wordt door de Schriften, en zo een vernieuwing van het denken ervaart.’ (164) Voor Burger is allereerst belangrijk dat O’Donovan meer dan Dalferth een scheppingsleer heeft ontwikkeld, die hij met de soteriologie verbindt. Daarnaast dat het nieuwe leven in de gelovige, de christelijke gemeenschap en in de christelijke ethiek belichaamd en gevormd wordt, door deel te nemen aan (liturgische) praktijken en het leven in de kerk. (172, 177) Tenslotte dat hij het grote verhaal van de Schrift rehabiliteert en het christelijke leven beschouwt als een participatie aan de geschiedenis van Jezus Christus. Zo leert de gelovige zijn verantwoordelijkheid te nemen en in vrijheid moreel te denken en te overwegen. (173-174)

(wordt vervolgd)


[1] Hans Burger, Jesus Christ, Hermeneutics, and Scripture. From Epistemology to Soteriology, Eugene, Oregon: Cascade Books, 2024.

Deze blog is er één uit een serie van 5. In de eerste geef ik een korte introductie op het boek van Burger: https://fpathuis.wordpress.com/2024/09/13/een-nieuwe-gereformeerde-hermeneutiek-1/. In de volgende drie vat ik het boek samen, te weten H1-H5 in de huidige blog, H6 in: https://fpathuis.wordpress.com/2024/09/15/een-nieuwe-gereformeerde-hermeneutiek-3/, en H7-H9 in: https://fpathuis.wordpress.com/2024/09/17/een-nieuwe-gereformeerde-hermeneutiek-4/. In de laatste blog bied ik mijn beoordeling van het boek: https://fpathuis.wordpress.com/2024/09/19/een-nieuwe-gereformeerde-hermeneutiek-5/.

[2] Een heldere verwoording van deze zelfidentificatie van God biedt hij in J.M. Burger, ‘Hermeneutiek en bekering’, in: A. Baars, G.C. den Hertog, A. Huijgen, H.G.L. Peels, (red.), Charis. Opstellen aangeboden aan J.W. Maris bij zijn afscheid als hoogleraar aan de Theologische Universiteit te Apeldoorn, Heerenveen: Uitgeverij Groen, 2008, 54-66: ‘God identificeert zich in Christus en door de Heilige Geest voor iemand als een liefhebbende Vader. Door deze zelfidentificatie voor iemand wordt diegene absoluut gelokaliseerd coram deo. Als iemand God leert kennen, ontdekt hij tegelijkertijd zichzelf als mens levend voor Gods aangezicht. Deze absolute lokalisering maakt vervolgens oriëntatie mogelijk. Als ik weet waar ik me bevind als mens, wordt het mogelijk om mij in mijn werkelijkheid te oriënteren.’ (59)

[3] Dalferth verwijst naar de leer van de eigenschappen van de Schrift, zoals die vanuit de 17e-eeuws Lutherse orthodoxie geformuleerd is door David Hollatz in zijn Examen theologicum acroamaticum (1707, te weten de auctoritas, perspicuitas, perfectio seu sufficientia en efficacia, zie: Ingolf U. Dalferth, Wirkendes Wort. Bibel, Schrift und Evangelium im Leben der Kirche und im Denken der Theologie, Leipzig: Evangelische Verlagsanstalt, 2018, 164-173. In de gereformeerde traditie noemt men als eigenschappen: het gezag, de noodzakelijkheid, de duidelijkheid en de genoegzaamheid van de Schrift, vgl. Herman Bavinck, Gereformeerde Dogmatiek, Deel 1, Kampen: J.H. Kok, 19284, 420-465. Gerrit C. Berkouwer bespreekt als eigenschappen in zijn Dogmatische Studiën De heilige Schrift I en II (1966, 1967): het gezag, de betrouwbaarheid, de duidelijkheid en de genoegzaamheid van de Schrift, vgl. ook: Dirk van Keulen, Bijbel en dogmatiek. Schriftbeschouwing en Schriftgebruik in het dogmatisch werk van A. Kuyper, H. Bavinck en G.C. Berkouwer, Kampen: Uitgeverij Kok, 2003, 502-516.

De waarde van het neocalvinisme

De theologie van Abraham Kuyper en Herman Bavinck wordt wel aangeduid als het neocalvinisme. Zij probeerden de principes van het calvinisme uit de 16e eeuw en 17e eeuw te vertalen naar hun eigen 19e-eeuwse situatie. Daarmee hebben zij de gereformeerde theologie in Nederland weer op de kaart gezet. Maar ook internationaal vond hun werk erkenning. Sinds het begin van de 21e eeuw vindt er een wereldwijde revival van het neocalvinisme plaats door het onderzoek van een jonge generatie theologen. Als vrucht daarvan verscheen vorig jaar het boek ‘Neo-Calvinism. A Theological introduction’.

[Recensie in Gereformeerd Kerkblad d.d. 13 oktober 2023, door Fokke Pathuis]

Een belangrijke aanzet voor deze hernieuwde belangstelling voor het neocalvinisme is naast de aanwezigheid van Engelstalige edities van hun werk, zoals Kuypers Stone-lezingen die hij in 1898 over het Calvinisme in Princeton hield, het verschijnen van ‘Abraham Kuyper. A Centennial Reader’ (1998) en de verschijning van de Engelse vertaling van Bavink’s ‘Gereformeerde Dogmatiek’ (2003-2008). Daarnaast wordt het neocalvinisme sterk gestimuleerd door onderzoeksprogramma’s aan wetenschappelijke instituten in Edinburgh, Kampen-Utrecht, Amsterdam, Pasadena, Grand Rapids en Toronto.

Ontwikkeling

Cory Brock en Gray Sutanto zijn beiden gepromoveerd op Bavinck en bieden een zeer informatief en kundig overzicht van de opbouw en structuur van de theologie van Kuyper en van Bavinck. Na twee hoofdstukken over de historische relatie tussen het calvinisme en het neocalvinisme en over het katholieke (d.w.z. algemene) en moderne karakter daarvan, zijn er hoofdstukken gewijd aan hun visie op de algemene openbaring, de bijbel als Gods Woord, de schepping en herschepping, de mens, de algemene genade, en de kerk en haar relatie met de wereld.  

Uitgangspunt voor het neocalvinisme is dat de gereformeerde theologie niet bestaat in ‘een letterlijk naspreken van de Heilige Schrift’, maar dat zij, ‘in de bijzondere openbaring positie nemend, zelfstandig en vrij, alleen door haar object gebonden, zich ontwikkelen mag en zich daarbij heeft aan te sluiten aan het bewustzijn en het leven van den tijd, waarin zij optreedt en arbeidt’ (Bavinck). Van hieruit hebben Kuyper en Bavinck het neocalvinisme ontwikkeld als een theologie waarin Gods soevereiniteit centraal staat, waarbij zij op basis van de leer van de algemene genade, – waardoor God de schepping, ‘niettegenstaande de zonde, in stand houdt en bewaart’ (Bavinck) – ook hebben bijgedragen aan de totstandkoming van het neocalvinisme als een christelijke levens- en wereldbeschouwing.

Norm

Brock en Sutanto wijzen op drie thema’s die kenmerkend zijn voor het neocalvinistisch denken. Het selecteert methodologisch de beste elementen uit de traditie en verbindt deze (1) op organische wijze met elkaar, zodat het resultaat (2) zowel orthodox als modern is, en (3) zelfbewust holistisch. In de woorden van Bavinck in zijn voorwoord bij ‘Magnalia Dei’ (1907): ‘Wij zijn kinderen van een nieuwe tijd en leven in een andere eeuw. En vergeefse moeite is het, de oude vormen te willen handhaven, en bij het oude te willen volharden, alleen omdat het oud is. (..) Daarom is er dringend behoefte aan een werk, dat in de plaats van de arbeid der vaderen treden kan en de oude waarheid voordraagt in een vorm, die beantwoordt aan de eisen van deze tijd.’

In alles blijft voor hen de Heilige Schrift de norm voor de theologie, de wetenschap en alle terreinen van het leven. Het nieuwe van het neocalvinisme is dat men expliciet aandacht vraagt voor de menselijke auteur van de Schrift en het als taak van de theologie ziet om onderzoek te doen naar ‘de psychologische en historische voorwaarden’, waaronder ‘revelatie [= openbaring] en inspiratie, incarnatie en regeneratie plaats hebben, en het organisch karakter van al deze wondere feiten in het licht te stellen’ (Bavinck). Zowel Kuyper als Bavinck pleiten er daarom voor een onderscheid te maken tussen ‘centrum’ en ‘periferie’, waardoor men vanuit de eenheid van de Schrift de diversiteit in genre en uitdrukkingswijzen kan interpreteren en toepassen.

De neocalvinistische theologie van Kuyper en Bavinck blijft ook voor ons in de 21e eeuw inspirerend om de weg te gaan, die zij met respect voor de traditie tegenover het modernisme en de vrijzinnigheid hebben gewezen als alternatief voor een onvruchtbaar biblicisme en conservatisme.

N.a.v. Cory C. Brock & N. Gray Sutanto, Neo-Calvinism. A Theological Introduction, Bellingham, Washington: Lexham Academic, 2022, 322 pagina’s. Prijs: € 28,05, Kindle-editie € 30,73.

Naar behoren

Veel gereformeerden zullen ethiek verbinden met de vraag hoe je als christen behoort te leven, zeg maar ethiek als bezinning op wat vroeger aangeduid werd als ‘de gereformeerde zede’. Naast de theologische ethiek kennen we ook de filosofische ethiek, waarin over de moraal wordt nagedacht. Interessant wordt het wanneer filosofische ethiek vanuit een christelijke perspectief wordt bedreven. Alleen al om die reden is de recent verschenen geschiedenis van de filosofische ethiek in de neocalvinistische traditie een waardevol boek om te lezen.

[Als recensie verschenen in het ‘Gereformeerd Kerkblad’ d.d. 20 augustus 2021]

Bart Cusveller, de auteur van ‘Naar behoren’, is docent ethiek aan Hogeschool Viaa Zwolle en heeft onderzoek gedaan naar de ethiek van de verpleegkundige. Toen hij als christen zocht naar een theoretisch kader, waarin hij het ethisch handelen in de verpleging kon verantwoorden, kwam hij uit bij de christelijke filosofie zoals die in de neocalvinistische traditie aan de Vrije Universiteit door de theologen Abraham Kuyper en Herman Bavinck aan het einde van de 19e eeuw ontwikkeld is.

Over de voorvragen

Het boek biedt een overzicht van hoe in de 20e eeuw door verschillende vertegenwoordigers van deze christelijke filosofie over moraal en ethiek gedacht is. De focus ligt niet zozeer op het weergeven van de omgang met concrete inhoudelijke ethische kwesties, maar op de behandeling van voorvragen als ‘wat is moraal?’, ‘hoe weet je dat iets goed of kwaad is?’, ‘hoe kunnen morele beoordelingen als goed en kwaad verantwoord worden?’, ‘hoe kun je een morele of ethische norm onderbouwen?’, ‘zijn ethische normen algemeen geldig?’, etc.

Cusveller deelt zijn boek in drie perioden in, waarbij hij naast Nederlandse neocalvinisten ook aandacht besteedt aan de Amerikanen Nicholas Wolterstorff en Richard Mouw. Boeiend is dat hij zijn overzicht niet beperkt tot de algemeen filosofische beschouwingen van Herman Dooyeweerd en André Troost. Hij bespreekt ook de meer toegespitste visies van de econoom Bob Goudzwaard, de techniek- en cultuurfilosoof Egbert Schuurman, de politicus Roel Kuiper, de medisch-ethicus Henk Jochemsen en de psychiater Gerrit Glas. Als contrast en vergelijking geeft hij bovendien de ethische visies van de Engelse literatuurwetenschapper C.S. Lewis en de Zuid-Afrikaanse politieke activist en theoloog Allan Boesak weer.

Gods wil

Kenmerkend voor het neocalvinisme is de visie dat niemand religieus-neutraal in het leven staat. Bezinning op moraal en ethiek zal daarom altijd vanuit een levens- en wereldbeschouwing plaatsvinden. Christelijke ethiek wil Gods wil voor ons leven onderzoeken. Kenbronnen voor Gods bedoelingen voor het goede leven zijn de zgn. scheppingsordeningen, de Woordopenbaring en de heilsgeschiedenis.

Uit het overzicht blijkt verder dat er in het neocalvinisme een brede en een smalle opvatting van ethiek is. In de smalle visie staat de moraal als het onderscheid tussen ‘goed en kwaad’ centraal. De kern van het moreel goede is daar de belangeloze liefde voor de ander. Daarnaast is er de brede ethiek-opvatting, waarbij ethiek de studie van het verantwoordelijk handelen is met als onderscheid ‘goed en verkeerd handelen’. In de ethiek van de medicus gaat het niet alleen om moreel verantwoord handelen, maar ook om het goed handelen volgens de normen van de medische wetenschap en praktijk.

Theologische ethiek

Ethiek is van oorsprong een filosofische discipline, die in de Griekse oudheid is ontstaan. Allerlei begrippen als ‘ethos’, ‘deugd’, ‘plicht’ en ‘hoogste goed’ zijn van hieruit in de theologische ethiek terechtgekomen, die men daar een bijbelse invulling probeerde te geven. Toch bleef er een spanningsveld bestaan, omdat in de niet-christelijke ethiek de normativiteit en het gezag van de moraal afgeleid werden vanuit de werkelijkheid en de rede. Belangrijk discussiepunt blijft de vraag op welke wijze in de theologische ethiek normen ontleend kunnen worden aan de zgn. scheppingsopenbaring, de historische ontwikkeling en het christelijk bewustzijn.

Door de concentratie op de voorvragen is het Cusveller gelukt om de verschillende visies in het neocalvinisme helder en overzichtelijk weer te geven. Tegelijk vergt het wel inspanning van de lezer om bij de les te blijven. Net als de morele vragen en dilemma’s zelf, zijn ook de ethische voorvragen bij tijden behoorlijk ingewikkeld. Als overzicht van de neocalvinistische filosofische ethiek heeft Cusveller een zeer waardevol werk geschreven.  

N.a.v. Bart Cusveller, Naar behoren. Filosofische ethiek in de neocalvinistische traditie, Amsterdam: Buijten & Schipperheijn Motief, 2021, 296 pagina’s, € 27,50.


Herman Bavinck – orthodox christen in een moderne samenleving [1]

Donderdag 29 juli 2021 is het 100 jaar geleden dat de gereformeerde theoloog Herman Bavinck op 66-jarige leeftijd overleed. Samen met Abraham Kuyper stond hij aan de wieg van wat wij vandaag het neocalvinisme noemen, de update van de gereformeerde theologie aan het begin van de 20e eeuw. Maar als we stil staan bij de betekenis van Bavinck’s werk voor de 21e eeuw, dan ligt die vooral in de wijze waarop hij een bijdrage heeft geleverd aan de door het neocalvinisme geïnspireerde christelijke wereld- en levensbeschouwing.[2]

De Schotse theoloog James Eglinton publiceerde vorig jaar een nieuwe biografie van Bavinck. Hij maakt duidelijk dat het Bavinck’s levensmissie was om binnen de snel moderniserende cultuur een eigentijds gereformeerd geluid te laten horen. Eglinton schetst het leven van Herman Bavinck als die van ‘een moderne Europeaan, een orthodoxe calvinist en een man van de wetenschap.’[3]

Allereerst is Bavinck de dogmaticus, die met zijn nog steeds lezenswaardige 4-delige ‘Gereformeerde Dogmatiek’ (1895-1901) de gereformeerde theologie wetenschappelijk weer bij de tijd bracht. Hij zocht daarin nadrukkelijk het gesprek met de moderne theologie om haar terechte inzichten en vragen in zijn eigen denken te verwerken en te beantwoorden.

Vervolgens is Bavinck ook de man die zich vol ijver inzette om de gereformeerde beginselen maatschappelijk en politiek op een eigentijdse wijze vorm te geven. Hij besefte terdege dat het ongeloof sinds de 17e eeuw in de samenleving een gestage opmars was begonnen en zag het eind 19e eeuw hand over hand toenemen. Maar hij had een groot vertrouwen dat als God het wilde het gereformeerde geloof in de maatschappij en in de wetenschap een grote kracht zou kunnen ontwikkelen, vergelijkbaar met de invloed van het calvinisme in het 16e- en 17e-eeuwse West-Europa.[4]

Zelf zette Bavinck zich in het bestuur van het Gereformeerd Schoolverband vanaf 1890 op nationaal niveau onvermoeibaar in om het gereformeerd onderwijs te bevorderen.[5] Daarnaast droeg hij, met name in zijn professoraat aan de VU vanaf 1902, bij aan de ontwikkeling van een gereformeerde psychologie en pedagogiek.[6] Op politiek terrein bracht hij zijn visie vanaf 1911 publiek voor het voetlicht als lid van de Eerste Kamer van de Staten-Generaal.

Het belangrijkste is dat Bavinck in heel zijn leven tot uitdrukking bracht dat een christen voor het aangezicht van God en tot eer van God leeft.[7] Daar trok hij de consequentie uit dat een christen zich niet van de wereld mocht afsluiten, maar de roeping had gekregen ‘om de wereld naar de beginselen van het Christendom te hervormen en te vernieuwen.’[8] Dat was ook zijn motivatie om te ijveren voor de eenwording van de gereformeerden in één kerkgemeenschap, zoals bij de Vereniging van 1892,[9] en om tegenover èn onafhankelijk van de liberale staat te werken aan een sterk maatschappelijk middenveld dat gedragen zou worden door bijbelse geïnspireerde overtuigingen en praktijken.[10]

Zo is Herman Bavinck een inspirerend voorbeeld hoe je als een orthodox christen kunt leven in een geseculariseerde (post)moderne tijd.


[1] Artikel website Gereformeerd Kerkblad d.d. 27 juli 2021, zie: http://www.gereformeerdkerkblad.nl.

[2] Zie o.a. H. Bavinck, Christelijke wereldbeschouwing, Kampen: J.H. Kok, 19132 en H. Bavinck, Wijsbegeerte der openbaring. Stone-Lezingen voor het jaar 1908, gehouden te Princeton N.J., Kampen: J.H. Kok, 1908.

[3] James Eglinton, Bavinck. A Critical Biography, Grand Rapids: Baker Academic, 2020, p. xxii.

[4] Zie: H. Bavinck, ‘Het calvinisme in Nederland en zijne toekomst’, in: Tijdschrift voor Gereformeerde Theologie 3 (1896), p. 129–163.

[5] Zie: R.H. Bremmer, Herman Bavinck en zijn tijdgenoten, Kampen: J.H. Kok N.V., ‘Hoofdstuk XII. Pedagoog’, p. 243-247 en J. Exalto, ‘Herman Bavinck. De ziel overwint’, in: A. C. Flipse (ed.), Verder kijken. Honderdvijfendertig jaar Vrije Universiteit Amsterdam in de samenleving. Zesentwintig portretten, Amsterdam: VU University Press, 2016, p. 43-50.

[6] Zie o.a. H. Bavinck, Beginselen der psychologie, Kampen: J. H. Bos, 1897; H. Bavinck, Bijbelsche en religieuze psychologie, Kampen: J.H. Kok, 1920 en H. Bavinck, Paedagogische beginselen, Kampen: J. H. Kok, 1904.

[7] Voor zijn visie zie H. Bavinck, ‘De Eere Gods’, in: H. Bavinck, Kennis en leven. Opstellen en artikelen uit vroegere jaren, Kampen: J.H. Kok, 1922, p. 106-114, met een typerende samenvatting op p. 113: ‘Aan dat beginsel dankte de Gereformeerde Kerk, die meer dan andere Kerken daardoor haar leven, denken en streven liet beheerschen, haar kracht en grootheid. Voor die eere heeft zij opgeeischt niet slechts de Kerk, maar ook het huisgezin, den staat en de maatschappij; de kunst en de wetenschap, het rijke, volle leven in zijne gansche diepte en breedte. Daardoor heeft zij het beter dan andere begrepen, dat godsdienst niet maar is een stuk van het leven, dat alleen op den Sabbat in het huis des gebeds op zijn plaats was, maar dat godsdienst hèt leven was, dat heel het leven moest wezen één dienen, één prijzen, één verheerlijken Gods; dat die eere nergens moest uitgesloten en nergens mocht ingesloten worden, maar dat ze vrij en breed zich uitbreiden en alle ding aan zich dienstbaar maken moest. Opdat alwat adem had den Heere zou loven!’

[8]  H. Bavinck, ‘De navolging van Christus en het moderne leven’, in: H. Bavinck, Kennis en leven, p. 115-144, citaat op p. 131.

[9] Ook na 1892 bleef het zijn verlangen om zich te verenigen met ‘de duizenden in de Nederlandsche Hervormde Kerk die de Gereformeerde belijdenis van harte liefhebben’, zie H. Bavinck, ‘Het calvinisme in Nederland en zijne toekomst’, p. 145: ‘In elk geval mag de actie, die er van de Gereformeerde Kerken uitgaat, nimmer rusten, voordat alle zonen van hetzelfde huis ook weer in liefde en vrede samen wonen onder één dak.’

[10] Vgl. H. Bavinck, ‘Het calvinisme in Nederland en zijne toekomst’, p. 148v.

Hermeneutiek en het ‘m/v-besluit’

De kern van het verschil in visie op ‘m/v en ambt’ in de GKv is het ontbreken van een gedeelde visie op de ‘hermeneutische vertolking’. Daarmee bedoel ik dat er geen consensus is hoe je wat betreft de vraag naar ‘vrouw en ambt’ een geldig beroep op de bijbel kunt doen en zo de gehoorzaamheid aan Gods woord vorm geeft. Deze stelling wil ik illustreren met verwijzing naar de visie van dr. Gert A. van den Brink op hermeneutiek, openbaring en bijbel lezen, die juist door verontruste GKv-ers vanwege de daarin tot uitdrukking komende Schriftbeschouwing zeer gewaardeerd en gepromoot wordt.  

Sinds 2017 heeft dr. Van den Brink in een tweetal lezingen zijn visie gegeven op het besluit van de Generale Synode van Meppel om in de GKv het ambt voor de vrouw open te stellen. In die lezingen werkt hij de kritiek uit op de bundel ´Gereformeerde hermeneutiek vandaag´ (GHV)[i], zoals hij die ook kort in het Reformatorisch Dagblad bij het verschijnen van de bundel geuit heeft.

Dat dr. Van den Brink kritisch is op het m/v-besluit is niet verwonderlijk. Hij is Hersteld Hervormd predikant in Rotterdam-Kralingse Veer. Dat is een kerk waarin de voorschriften van Paulus over m/v zo gelezen worden, dat vrouwen tijdens de eredienst hun hoofd bedekken. Instemmen met de vrouw in het ambt is dan zeker niet te verwachten.

Ik duid de kritiek van dr. Van den Brink zo, dat hij betwist dat de ‘hermeneutische vraagstelling’ in kerk en theologie een legitieme plek mag hebben. Daar ligt m.i. een andere visie ten grondslag op de rol van de bijbel in de wijze waarop God zich openbaart en ook vandaag zijn wil bekend maakt.

Ik schets eerst de visie van dr. Van den Brink (par. 1), vervolgens geef ik daar een beoordeling van (par. 2), en ten slotte maak ik enkele afsluitende opmerkingen over de kritiek op het ‘m/v-besluit’ in de GKv.


1.  De visie van dr. Van den Brink[ii]

1.1.  Verschil in hermeneutiek-opvatting

Dr. Van den Brink stelt de hermeneutiek van de ‘GHV’ tegenover de ‘gereformeerde hermeneutiek’. Hij vindt dat in de ‘GHV’ een ‘nieuwe’ hermeneutiek naar voren komt, die haaks staat op de gereformeerde hermeneutiek.

Traditioneel ligt in de gereformeerde hermeneutiek de focus op de uitleg en interpretatie van de bijbel zelf d.w.z. de methode om de (oorspronkelijke) betekenis (= ‘meaning’ of ´sense´) van de bijbel (een vers, perikoop, verhaal of gebeurtenis) vast te stellen. In de ‘GHV’ staat de vraag naar het gebruik van de gevonden betekenis van de bijbeltekst (= relevantie of ‘significance’) centraal. Dat is de vraag naar de vertolking en de toepassing van de bijbel voor vandaag.

Het mag duidelijk zijn dat het doel van de twee vormen van hermeneutiek verschillend is. Zoals dr. Van den Brink aangeeft ligt achter die verschillende doelstellingen ‘ongeveer de oude indeling van uitleg en verklaring van de tekst en de toepassing, explicatio en applicatio.’

Dr. Van den Brinks bezwaar tegen de ‘GHV’ is, dat daarin de aandacht verlegd wordt ‘van ‘meaning’ naar ‘significance’, van de betekenis (‘meaning’) van de tekst naar de betekenis (‘significance’) voor de gelovige’. Volgens hem gaat de bundel: ‘niet zozeer (zoals de lezer zou verwachten) over het begrijpen van de inhoud van de Bijbel, maar over Godsverstaan, wereldverstaan, zelfverstaan, Schriftverstaan. De nadruk ligt daarmee niet op God als de eerste Auteur van de Schrift, maar op de gelovige hoorder.

Daarom pleit hij voor een terugkeer naar de doelstellingen van de traditionele ‘gereformeerde hermeneutiek’ alleen.

1.2.  Afwijzen van de ‘hermeneutische vraagstelling’?

Dr. Van den Brink lijkt met zijn kritiek op de ‘GHV’ de noodzaak en het recht van de ‘hermeneutische vraagstelling’ af te wijzen. Volgens hem vormt namelijk: ‘niet het begrijpen, maar het gehoorzamen van Gods Woord het wezenlijke probleem. Gods openbaring in Zijn Woord is immers helder en duidelijk voor ieder die het leest.

Met andere woorden: in zijn optiek is een vaststelling van de ‘meaning’ van de bijbeltekst voldoende en is bezinning op de ‘significance’ van de gevonden ‘meaning’ niet nodig. Het stellen van die vraag lijkt hij is als ongehoorzaamheid aan de duidelijke boodschap van de bijbel als Gods Woord te typeren. De ‘significance’ is met de ‘meaning’ van de bijbel gegeven:

Wij moeten de ‘meaning’ en ‘significance’ simpelweg bij elkaar houden. Als toen wat gezegd was, en we lezen dat en begrijpen de zin, heeft dat ‘significance’, heeft dat relevantie voor ons. Er is geen ‘meaning’, zonder ‘significance’ Je kunt niet zeggen: o.k., ik snap de tekst, maar onze situatie is anders, dus wij kunnen het daar bij laten en het is voor ons niet meer relevant.

De zwijgteksten in combinatie met – zoals een mede-predikant uit de Hersteld Hervormde Kerk het verwoordt – ‘het Bijbelse onderscheid tussen man en vrouw en de verschillende roeping die zij hebben[iii] zijn voldoende duidelijk om de vrouw niet tot het ambt toe te laten.

1.3.  Visie op openbaring

Wanneer dr. Van den Brink zijn visie op openbaring geeft, lijkt het er op dat hij een pleidooi voert voor de gelijkstelling van ‘significance’ en ‘meaning’. Hij gaat voor wat hij noemt de ‘oude visie’ op openbaring, waarin gezegd wordt: ‘in de bijbel worden waarheden geopenbaard en met het afsluiten van de canon staan die waarheden vast. Er komt niets nieuws bij.

In zijn recensie van de ‘GHV’ ziet hij in die bundel een andere visie op openbaring: ‘De focus lijkt niet meer te liggen bij het spreken van God in Zijn Woord, waarmee Hij bepaalde waarheden onfeilbaar en adequaat heeft bekendgemaakt.

De bijbel is een uniek boek, dat een dubbel auteurschap kent. Naast de menselijke auteur is de Heilige Geest de eerste auteur. Ook al heeft Paulus misschien niet aan ons gedacht toen hij zijn brieven schreef, de Heilige Geest wel toen hij Paulus inspireerde:

Dus alles wat Paulus geschreven heeft als auteur van de bijbel, gaat verder dan die situatie alleen. Ook wij worden rechtstreeks in de bijbel geadresseerd. Het gaat niet alleen over de situatie van de mensen toen en daar, maar het gaat ook over onze situatie hier en nu. De bijbel is dus bij voorbaat toereikend.

Voor de exegese betekent dit, dat je ‘dat in de Schrift [moet] zien te vinden, wat de bedoeling van de Heilige Geest was’:

Dat dubbele auteurschap geeft een hele andere dynamiek en richting aan de manier waarop je bijbel leest. Veel minder als een tijdgebonden en een tijdbepaald boek, maar integendeel een boek dat ook voor onze situatie en levensomstandigheden zeer toepasselijk is.

In de bijbel is de ‘significance’ al opgenomen. Vandaar dat de exegese om de ‘meaning’ te vinden voldoende is om het doel van het lezen van de bijbel te bereiken: ‘Als ik de Bijbel lees, moet ik .. weten hoe ik  ..  de betekenis vind die God mij wil bekendmaken.’

Dr. Van den Brink verwijst dan naar bekende teksten als Rom. 15:4: ‘Alles wat vroeger geschreven is, is geschreven om ons te onderwijzen, opdat wij door te volharden en door troost te putten uit de Schriften, zouden blijven hopen.’ En 2 Tim. 3:16: ‘Elke schrifttekst is door God geïnspireerd en kan gebruikt worden om onderricht te geven, om dwalingen en fouten te weerleggen, en om op te voeden tot een deugdzaam leven.’ Waar hij vanwege het ‘alles wat geschreven is’ en ‘elke schrifttekst’ de conclusie aan verbindt: ‘Dus elke tekst waar je de ‘meaning’ van begrijpt, heeft dus ‘significance’ en relevantie voor ons.

Met deze visie op openbaring correspondeert de ‘oude’ hermeneutiek, die volgens hem in onderscheid tot de ‘nieuwe’ hermeneutiek inzet op waarheid, een waarheid die geloofd en gedaan moet worden. Dr. Van den Brink verwijst bijvoorbeeld naar Jezus’ uitspraken over de wet:  

‘Matt. 5:18, waar Jezus zegt: “Ik verzeker jullie, zolang de hemel en aarde bestaan, zal elke jota, elke tittel in de wet van kracht, totdat alles gebeurd zal zijn”. Dus daar zien we iets van de morele structuur van de wet van God, want de wet van God geldt voor alle tijden en alle plaatsen, en die komt tot zijn vervulling, tot zijn bestemming, als wij ons daar naar richten.’

Toch is er niet alleen het ‘sola scriptura’, omdat Gods geboden niet alleen te vinden zijn in de bijbel, maar ook in de ‘structuur van de schepping’, waarmee hij kennelijk doelt op het onderscheid tussen man en vrouw in de scheppingsorde:

Waar ik bang voor ben, is dat er willekeur ontstaat, willekeur: het ene doen we nog wel en het andere doen we niet. Dat er pragmatisme is: we doen datgene wat de optimale stap is in de goede richting. Dat er relativisme is: dat we niet meer de objectieve geboden en de objectieve morele structuur van Gods schepping accepteren. Op deze manier kun je, als je wilt, alle geboden kritiseren.’

1.4. Visie op bijbel lezen

Wat betekent deze visie op de openbaring met zijn nadruk op de ‘objectiviteit’ en de ‘waarheid’ van de bijbel voor de manier waarop je de bijbel leest?

In de praktijk laat dr. Van den Brink zien, dat hij de bewijsteksten-methode (‘loca probantia’) hanteert om bepaalde dogmatische uitspraken en stellingen te beargumenteren. Ter verdediging van zijn pleidooi voor alleen de ‘gereformeerde hermeneutiek’ onderbouwt hij zes stellingen met meer dan 60 teksten uit de bijbel, waarbij hij geen onderscheid maakt in genre (geschiedenis, wet, psalm, profetie of brief) en geen aandacht schenkt aan de historische en literaire context, waarbinnen de citaten staan en waarin ze hun betekenis krijgen.[iv]

Toch erkent dr. Van den Brink op een bepaalde manier dat je niet zo maar elke tekst kunt citeren en die als ‘significance’ voor vandaag kunt presenteren, want hij maakt een onderscheid tussen ‘naïef’ en ‘kritisch biblicisme’:  

Je hebt naïeve biblicisten, mensen die zeggen: verstand op nul, ik lees hier dit, zo moeten we het doen. Dat kan niet waar zijn. We lezen tijdbetrokken, we leven heden ten dage. Ik noem dat kritisch biblicisme. Maar ik wil mij onderwerpen aan wat de bijbel zegt. Als mensen dat biblicisme vinden, dan accepteer ik dat maar. Maar liever dat, dan dat wij het woord van God terzijde zouden werpen. Dus, wij moeten niet al te bang zijn voor dat woord ‘biblicisme’.

Ook erkent hij dat er in de bijbel tijdgebonden voorschriften staan. Zijns inziens geeft de bijbel echter zelf aan wat tijdgebonden is of niet. Volgens hem is het een zaak van exegese om dat vast te stellen. Zo gauw er hermeneutische overwegingen in het spel komen, wijst hij die af:

Als iemand pleit voor de vrouw in het ambt op grond van exegetische overwegingen, mogen en moeten we naar die argumenten luisteren. Als iemand zegt: ‘Ik lees 1 Tim. 2 of 1 Kor. 14 en ik denk dat dit gedeelte dat betekent’, luisteren, het gesprek aangaan, dat is exegese, dat is op zoek naar de bedoeling van dit gedeelte en dus op zoek naar de stem van God in dat gedeelte.  .. Maar als iemand pleit voor de vrouw in het ambt op grond van hermeneutische overwegingen, is er reden tot grote zorg.

Op welke wijze je in je exegese methodisch kunt onderscheiden tussen ‘naïef’ en ‘kritisch’ biblicisme, blijft bij dr. Van den Brink onduidelijk. Een bezinning daarop wijst hij als ‘hermeneutisch’ of ‘nieuwe hermeneutiek’ van de hand.


2.  Beoordeling

2.1. Verschil in hermeneutiek-opvatting

Er is geen reden om de ‘gereformeerde hermeneutiek’ en de ‘GHV’, vanwege het feit dat ze een andere doelstelling hebben, tegen elkaar uit te spelen of tegen over elkaar te plaatsen, laat staan om één ervan daarom ‘ongereformeerd’ te noemen.[v]

M.i. brengt dr. Van den Brink in zijn kritiek op de bundel ‘GHV’ uit 2017 ten onrechte niet in rekening dat die bedoeld is als aanvulling op de eerdere publicatie ‘Gereformeerde theologie vandaag[vi] uit 2004. Beide bundels vormen een tweeluik.

In de ‘GHV’ is wat dr. Van den Brink noemt de ‘oude’ hermeneutiek voorondersteld. Als vervolg daarop richt de ‘GHV’ zich nu m.n. op de vraag wat de relevantie, geldigheid en toepasbaarheid van de bijbel voor vandaag (‘significance’) is, nadat je de inhoud of betekenis (‘meaning’) van de bijbel (volgens de principes van de traditionele gereformeerde hermeneutiek) begrepen hebt. De ‘GHV’ beoogt daarin aan te sluiten ‘bij de hermeneutische principes die in de gereformeerde tradities altijd normatief zijn geweest’.[vii]

De claim van de ‘GHV’ is niet, zoals dr. Van den Brink suggereert, dat ‘wie vandaag nog gereformeerd wil zijn van hermeneutiek moet veranderen’, zodat ‘[d]e hermeneutiek van het postmodernisme mag worden gebruikt om de Bijbel te interpreteren.’

Dr. Van den Brink vult het begrip ‘significance’ zelf op zo’n manier in, dat hij het vervolgens als postmodern en relativistisch kan afwijzen, terwijl hij suggereert dat de ‘GHV’ dit begrip op die manier gebruikt: ‘Dus daar wordt gezegd: betekenis wordt niet in de tekst ontdekt, maar aan de tekst verleend. Bijvoorbeeld: ‘Ik vind dit een belangrijk gedeelte.’ ‘Dit spreekt mij aan, dit spreekt tot mij, zo ervaar ik dat.’ 

Als je nagaat hoe de ‘GHV’ het begrip ´significance´ hanteert, dan wordt allereerst duidelijk, dat ´significance´ op de ´meaning´ betrokken moet worden: ‘Wil die heilzame betekenis als ‘significance’ ons leven gaan bepalen, dan zullen we eerst de ‘sense’ van de wereld van de tekst zelf [= ‘meaning’] tot ons door moeten laten dringen’, (57).

Als tweede is het volgens de ‘GHV’ ook noodzakelijk – wil je de ‘significance’ kunnen vaststellen -, dat ‘kritisch gereflecteerd wordt op de wereld voor de tekst en op de interactie tussen de wereld van de tekst en onze eigen wereld’ (59). Met deze twee aanwijzingen wordt door de ‘GHV ’juist beoogd om postmodern relativisme de pas af te snijden.  

Het ‘Anliegen’ van de bundel ‘GHV’ is dat de hermeneutiek verbreed wordt, omdat in de gereformeerde theologie bezinning nodig is op de wijze waarop je de toepassing en de ‘significance’ van de bijbel als het normatieve Woord van God voor vandaag vaststelt. Dat is een hermeneutische taak die de gereformeerde hermeneutiek aan de systematische en praktische theologie toebedeeld heeft. De bundel uit 2017 is vrucht van een kwart eeuw bezinning aan de TU Kampen op die verbreding.[viii]

2.2.  ‘Hermeneutische vraagstelling’

Met zijn pleidooi voor een terugkeer naar alleen de traditionele ‘gereformeerde hermeneutiek’ lijkt het erop dat daarmee voor dr. Van den Brink het onderwerp ‘m/v en ambt’ beslist is. Wanneer exegetisch gezien de ‘meaning’ van de bijbel(tekst) vastgesteld is, is ook de ‘significance’ gegeven: ‘Er is geen ‘meaning’, zonder ‘significance’.’ De vraag die echter open blijft staan voor beantwoording, is die naar de relatie tussen ‘meaning’ en ‘significance’.

Kun je een is-gelijk-teken plaatsen tussen deze twee begrippen? Is het voldoende om vast te stellen wat de betekenis (= ‘meaning’) van de zwijgteksten in de tijd van Paulus is geweest om dan te concluderen dat rechtdoen aan de bijbel als Gods woord betekent het één-op-één toepassen van de aanwijzingen van Paulus in onze situatie vandaag (= ‘significance’)? 

2.3.  Openbaring

Dr. Van den Brink beschouwt teksten uit de bijbel als ‘waarheden’, die God ‘onfeilbaar en adequaat’ heeft geopenbaard. Met behulp van deze ‘Goddelijke waarheden’ onderbouwt hij zijn betoog en visies, waarbij hij voor de betekenis en de reikwijdte van die ‘waarheden’ geen rekening houdt met het genre en de literaire of historische context waarin deze ‘waarheden’ gegeven zijn.

Zo stelt hij bijvoorbeeld: ‘Wat God openbaart is bindend, omdat het duidelijk is’, met een verwijzing naar Deut. 29:29: ‘Wat verborgen is, behoort de HEER, onze God, toe, wat openbaar is komt ons toe.’ Is met deze tekstverwijzing voldoende onderbouwd, dat alles wat in de bijbel staat, omdat het als openbaring van God aan ons gegeven is, voor ons ook vandaag bindend is?

Een tweede voorbeeld. Natuurlijk is het zo, dat ‘gehoorzaamheid wezenlijk is voor een christen’ en dat ook geldt: ‘Een christen die navolger wil zijn van Jezus Christus, zal daarom gehoorzaam willen zijn aan het gebod dat God geeft.’ Dan is een verwijzing naar Matt. 7: 21 best passend: ‘Niet iedereen die ‘Heer, Heer’ tegen mij zegt, zal het koninkrijk van de hemel binnengaan, alleen wie handelt naar de wil van mijn hemelse Vader.’ Maar kun je op basis van deze tekst concluderen, dat je elk gebod dat in de bijbel gegeven is, moet opvolgen, omdat je anders ongehoorzaam bent aan Gods wil?

Dr. Van den Brink is gespecialiseerd in de gereformeerde scholastiek van de 17e eeuw en afkomstig uit het deel van de reformatorische gezindte, dat stevig in dat scholastieke denken geworteld is. Zijn visie op openbaring is door dit denken gestempeld. De gereformeerde theologie heeft echter sinds het einde van de 19e eeuw met het smeden van de term ‘organische inspiratie’ het begrip ‘openbaring’ op andere wijze omschreven.

Als voorbeeld geef ik de visie weer van dr. Herman Bavinck, eind 19e eeuw dogmaticus in Kampen en begin 20e eeuw in Amsterdam. Hij formuleerde zijn visie zowel in kritische distantie tot het na-reformatorische scholastieke denken als tot de moderne theologie van zijn tijd. De auteurs van de ‘GHV’ beschouwen zichzelf nadrukkelijk als erfgenamen van dit neocalvinistische denken van Abraham Kuyper, Herman Bavinck en hun leerlingen (25-26).

Allereerst vraagt Bavinck met de term ‘organische inspiratie’ aandacht voor de ontwikkeling en het historische karakter van de openbaring d.w.z. dat wij Gods openbaring juist leren kennen via het werk van de menselijke auteurs van de bijbel, die God daarvoor in dienst heeft genomen. Voor de interpretatie van de bijbel betekent dit, dat: ‘alles zijn zin en zijn betekenis zeer zeker [heeft], maar daar ter plaatse en in het verband, waarin het voorkomt. .. Organisch moet de inspiratie worden opgevat, zodat ook het geringste zijn plaats en betekenis heeft en tegelijk toch op veel verder afstand ligt van het centrum dan andere delen.[ix] 

Vervolgens benadrukt hij dat niet de inspiratie op zichzelf een geschrift tot Gods woord maakt, maar dat de Schrift het Woord van God is, ‘omdat de Heilige Geest in haar van Christus getuigt, omdat zij de ‘Logos ensarkos’ [= het vleesgeworden woord] tot stof en inhoud heeft’. Op dit centrum van de openbaring moet heel de bijbel betrokken worden.

Ten derde wijst hij op het specifieke doel van de Godsopenbaring, namelijk dat die een ‘door en door religieus-ethische bestemming’ heeft. Het gaat om ‘de zaligmakende kennis van God. Daarvoor biedt de Schrift ons alle gegevens. In die zin is zij volkomen genoegzaam en volmaakt.’

Als vierde merkt Bavinck, wanneer hij het gezag van de bijbel ter sprake brengt, op dat ‘de Schrift wel in alles waar is, maar deze waarheid is volstrekt niet in al haar bestanddelen van dezelfde aard.’ Hij heeft daarbij vooral het oog op de specifieke waarheidswaarde van de verschillende genres die we in de bijbel tegenkomen.[x] 

Het grote verschil tussen de visie van dr. Van den Brink en die van Herman Bavinck op het begrip ‘openbaring’ is, dat Bavinck aandacht vraagt voor het historisch en menselijk bemiddeld karakter van de openbaring, doordat God zich in zijn openbaring aansluit bij een bepaalde cultuur en historische ontwikkeling. Voor het beroep op de bijbel vandaag betekent dit dat het noodzakelijk is nadrukkelijk rekening te houden met de historische en literaire context van de bijbel(tekst) en de verschillende fasen van de heilsgeschiedenis.

Tenslotte is in de visie van Bavinck besloten, dat het gezag van de bijbel betrokken moet worden op het geheel van de Godsopenbaring in Christus en niet automatisch gelijkgesteld kan worden met het  – zonder rekening houden met de gelaagdheid en de context -, toepassen van afzonderlijke voorschriften en geboden uit de bijbel in de hedendaagse context.

Bavinck benadrukt namelijk sterk het instrumentele karakter van de bijbel. De bijbel is middel, geen doel. Daarmee wijst hij de eenzijdigheid van zowel het scholastieke denken als dat van de moderne theologie af. Bij de eerste ziet hij ‘verwaarlozing van de historie’ en ‘een vervallen in orthodox intellectualisme’, bij de ander ‘minachting van het woord’ en ‘het gevaar van anabaptistisch spiritualisme’.  Ook al bestaat voor de kerk van alle eeuwen de openbaring ‘slechts in de vorm van der Heilige Schrift’, de juiste beschouwing is: ‘dat de Schrift noch met de openbaring vereenzelvigd noch ook van haar losgemaakt en buiten haar geplaatst wordt.[xi]

Door middel van de bijbel wil God tot het doel van zijn heilsopenbaring komen. De bijbel heeft een rol in de bedeling van de Geest. Met Christus is de volle openbaring van God gegeven en is de genade van God aan alle mensen verschenen. In de Schrift wordt die openbaring ten volle beschreven en daarom is ook de voltooide Schrift het volkomen woord van God. Door de Geest brengt God zelf via de Schrift zijn heil de wereld in. Daarom is de theopneustie [= inspiratie] een blijvende eigenschap van de bijbel: ‘Uit de openbaring voortgekomen, wordt zij door de theopneustie levendig gehouden en efficax [= doeltreffend, krachtdadig, zijn uitwerking hebbend] gemaakt.[xii]

2.4.  Bijbel lezen 

Dr. Van den Brink pleit voor een puur exegetische benadering om de ‘significance’ van de bijbel vast te stellen. Doordat hij de ‘meaning’ en ‘significance’ zo dicht mogelijk bij elkaar probeert te houden, veronderstelt hij dat hij zonder de ‘hermeneutische vertolking’ kan. Het problematische van deze visie is, dat hij in de praktijk daar wel degelijk mee werkt. Dat blijkt allereerst wanneer hij een onderscheid invoert tussen een ‘naïef’ en ‘kritisch’ biblicisme. Zo’n onderscheid kan hij alleen maken op basis van een hermeneutische theorie, die verder gaat dan een theorie van de exegese.

Daarnaast heeft hij een hermeneutisch kader nodig hebben om een verantwoording te kunnen bieden voor zijn keuze om bepaalde teksten al dan niet als tijdgebonden te karakteriseren. Op grond waarvan kan hij de aanwijzing van Paulus om met geheven handen te bidden (1 Tim. 2:8) voor tijdgebonden houden en diens aanwijzing dat iedere vrouw niet met onbedekt hoofd mag bidden (1 Kor. 11:5, 10) als niet-tijdgebonden? Door een verantwoorde hermeneutische vertolkingstheorie overbodig te verklaren, bevordert hij datgene waar hij zegt bang voor te zijn: ‘Willekeur: het ene doen we nog wel en het andere doen we niet.

De manier waarop dr. Van den Brink praktisch met de bijbel omgaat is rechtstreeks te herleiden tot het ‘openbarings’-begrip waar hij vanuit gaat. Wanneer de bijbel bestaat uit een verzameling ‘Goddelijk’ gekwalificeerde ‘waarheden’ is het logisch dat je daar zonder rekening te houden met het genre en de literaire of historische context waarin deze ‘waarheden’ gegeven zijn, je bijbels-theologische, dogmatische of ethische conclusies op kunt bouwen. Het gevaar is m.i. zeer groot, dat je de bijbel door deze context-loze manier van lezen laat buikspreken en dat je voor je bevindingen een goddelijk gezag claimt, die je niet waar kunt maken.

Tenslotte: heel dr. Van den Brinks beschrijving van de ‘oude’ gereformeerde hermeneutiek gaat uit van een visie op de bijbel, waarin openbaring en bijbel samenvallen. Dat is een keuze, die ook fundamenteel is voor zijn kritische beoordeling van de ‘GHV’, die uiteindelijk gebaseerd is op de neocalvinistische visie dat openbaring en bijbel niet samenvallen, maar in de interpretatie en toepassing naar vandaag toe wel op elkaar betrokken moeten worden.


3.  De kritiek op het ‘m/v-besluit’ in de GKv  

Tegenstanders van het besluit van de GKv om het ambt voor de vrouw open te stellen karakteriseren dit besluit als ‘Schriftkritiek’ en wijzen de hermeneutiek die aan dit besluit ten grondslag ligt als ‘Schriftkritisch’ af.

Mijn stelling is dat deze kwalificatie van (de hermeneutiek van) het ‘m/v-besluit’ alleen mogelijk is vanuit een visie op de Schrift, waarbij ‘openbaring’ en ‘bijbel’ samenvallen. Dit is echter een visie die kenmerkend is voor de gereformeerde scholastiek van de 17e eeuw, maar waar in de gereformeerde theologie aan het einde van de 19e eeuw door o.a. Herman Bavinck afscheid is genomen. Hij pleitte voor een visie, waarin openbaring en bijbel zowel van elkaar onderscheiden worden als op elkaar betrokken worden.

Ik vind het daarom veelzeggend, dat de tegenstanders van het ‘m/v-besluit’ om hun bezwaren te onderbouwen, juist een beroep doen op Hersteld Hervormde theologen als dr. Gert A. van den Brink, dr. Wim van Vlastuin en dr. Pieter de Vries, die in hun theologisch denken van een ander ‘openbaring’-begrip uitgaan dan waar wij in de GKv mee werken en die wij theologisch gezien bewust als biblicisme hebben afgewezen.

Zolang niet aangetoond is dat de uitgangspunten van de gereformeerde hermeneutische theologie zoals die aan de TU Kampen beoefend wordt onjuist zijn, lijkt het mij niet nodig om op het ‘m/v-besluit’ terug te komen. De visie op ‘openbaring’ zoals dr. Van den Brink die als maatstaf in zijn kritiek op die uitgangspunten aanlegt, lijkt mij daar onvoldoende reden voor.


[i] Gereformeerde hermeneutiek vandaag. Theologische perspectieven, Ad de Bruijne en Hans Burger (red.), Barneveld: Uitgeverij De Vuurbaak, 2017.

[ii] Ik verwijs in mijn weergave van de visie van dr. Van den Brink naar de lezingen, die hij op 18 september 2017 gehouden heeft in de GKv Capelle a.d. IJssel-Noord (‘Wat is er mis met de nieuwe hermeneutiek?) en op 14 september 2018 in de GKv Haren (‘Op zoek naar betekenis’). Ze zijn te vinden op de website www.geloofstoerusting.nl. Daarnaast verwijs ik naar de recensie van de bundel ‘GHV’ in het Reformatorisch Dagblad van 28-09-2017 (‘”Gereformeerde hermeneutiek vandaag” begint bij de mens’), alsmede naar de briefwisseling in het Reformatorisch Dagblad met een van de redacteuren van de bundel ‘GHV’, dr. Hans Burger, op 11-10-2017 (´Zonder de Geest gehoorzamen wij de Bijbel niet´) en op 17-10-2017 (´Hermeneutiek moet de veilige vaarroute blijven volgen’).

[iii] Dr. P. de Vries, ‘Bijbelse visie op plaats van de vrouw is tot ons welzijn’, in: Reformatorisch Dagblad d.d. 12-05-2018.

[iv] Op dezelfde wijze gaat hij ook om met citaten uit ‘GHV’ en ander materiaal waar hij naar verwijst. Zonder oog voor context geeft hij regelmatig zijn eigen interpretatie aan de citaten en schrijft op die manier beweringen aan opponenten toe, die zij niet verwoorden en ook niet herkennen als een weergave van wat zij bedoelen.

[v] In een eerdere blog heb ik betoogd, dat hij zonder enige grond de gereformeerd-confessionele betrouwbaarheid van de auteurs van de ‘GHV’ in twijfel trekt, zie:  https://fpathuis.wordpress.com/2019/03/09/kritiek-op-gereformeerde-hermeneutiek-vandaag/.

[vi] Gereformeerde theologie vandaag: oriëntatie en verantwoording, A.L.Th. de Bruijne (red.), Barneveld: Uitgeverij De Vuurbaak, 2004.

[vii]  De kritiek van dr. G.A. van den Brink is juist dat de ‘GHV’ niet bij de normatieve principes van de gereformeerde hermeneutiek aansluit.

[viii] Zie mijn korte schets van de gereformeerde hermeneutiek van de 20e eeuw tot vandaag: https://fpathuis.wordpress.com/2019/03/13/de-gereformeerde-hermeneutiek-van-de-20e-eeuw-naar-vandaag/.

[ix] Herman Bavinck, Gereformeerde Dogmatiek, deel 1, Kampen, J.H. Kok, 1928, 4e onveranderde druk, p. 409.

[x] De overige citaten uit deze weergave van Bavinck’s ‘openbaringsbegrip’ komen uit: Herman Bavinck, a.w., par. 117, p. 413-420.

[xi] Zie: Herman Bavinck, a.w., par. 104, p. 352-354.

[xii] Zie: Herman Bavinck, a.w., par. 105, p. 354-357. Bij dit laatste aspect van de theopneustie als actuele eigenschap van de bijbel sluit dr. C. Trimp aan in zijn artikel ‘Heilige Geest en Heilige Schrift’ in:  J.Kamphuis, W. van ”t Spijker, C. Trimp, W.H. Velema, Hoe staan wij ervoor? Actualiteit van het gereformeerd belijden, Barneveld, 1992, p. 103-137.