Gereformeerden, gender en de vrijzinnigheid

Voor gereformeerden blijft de omgang met gender lastig. Ging het eerst over de positie van de vrouw in de kerk, vandaag gaat het om de lhbtqia+ en de kerk.

Nu er de komende zaterdag, 8 maart 2025, door de NGK Synode van Deventer een besluit moet worden genomen over de vraag ‘wat de gemeente te bieden heeft aan broers en zussen met een homoseksuele geaardheid in haar midden’[1], spelen de reflexen weer op om de positie, waar men vanuit eigen overtuiging niet mee in kan stemmen, te beschuldigen van onzuiverheid in de leer. Werden in de discussie rond de vrouw en het ambt daarvoor de begrippen ‘Schriftkritiek’ en ‘nieuwe hermeneutiek’ gebruikt, vandaag is de term ‘vrijzinnigheid’ het sjibbolet om de visie van de ander af te wijzen.

Dick Westerkamp gebruikt in zijn ingezonden in het Nederlands Dagblad van dinsdag 25 februari 2025 als definitie van de term ‘vrijzinnig’: ‘de bewuste afwijking van de klaarblijkelijke betekenis van de bijbeltekst’, waarmee meteen duidelijk wordt hoe lastig het is om deze term eenduidig toe te passen, omdat het in de overwegingen op de synode juist ging om de vraag wat ‘de klaarblijkelijke betekenis van de bijbeltekst’ is, en men het daarover niet eens kon worden. Het is mijns inziens te gemakkelijk om in zo’n situatie de eigen exegese van de bijbeltekst normatief als ‘de klaarblijkelijke’ te verklaren. Afgezien nog van de manier waarop je kunt nagaan of iemand ‘bewust’ afwijkt van die ‘klaarblijkelijke betekenis.’

Westerkamp doet wel een poging om het begrip ‘de klaarblijkelijke betekenis van de bijbeltekst’ zodanig te operationaliseren, dat er een werkbaar instrument ontstaat. Hij verwijst naar een uitspraak van Alvin Plantinga: ‘Als je een keer hebt vastgesteld wat je denkt dat God leert in een gegeven passage, wat Hij ons voorhoudt te geloven, dan is de zaak beklonken. Je hoeft verder niet te vragen of het waar is, of aannemelijk, of dat er een goede zaak is opgebouwd. God hoeft geen zaak op te bouwen’.

Op deze manier gehanteerd, vind ik dit een gevaarlijk instrument om mee te werken, omdat er de suggestie van uitgaat dat er een =-gelijkteken is tussen dat ‘wat jij denkt dat God leert in een gegeven passage’ en dat ‘wat God zegt’, wat je verder niet meer hoeft te onderbouwen. Het ‘klaarblijkelijke van wat God zegt’ wordt geïdentificeerd met ‘de zaak is beklonken als jij hebt vastgesteld wat jij denkt dat God leert’: doorvragen of je terecht tot die conclusie bent gekomen, en of dit werkelijk is wat God leert of zegt, is niet meer nodig, met de impliciete strekking dat als je dat wel doet, je God niet gehoorzaamt, omdat ‘God geen zaak hoeft op te bouwen’. 

Afgezien van dit principiële bezwaar, lijkt mij dat de geschiedenis heeft laten zien dat het een onwerkbaar instrument is. Te vaak hebben de kerk en de theologen moeten erkennen, dat de klaarblijkelijkheid van bepaalde exegeses uiteindelijk toch minder klaarblijkelijk was, als dat ze jarenlang gepresenteerd werd. Ik neem aan, dat Westerkamp onder verwijzing naar dit citaat van Plantinga er niet voor zal willen pleiten dat de vrouw geen predikant mag worden, omdat de kerk conform de klaarblijkelijke bedoeling van de bijbeltekst eeuwenlang geleerd heeft ‘dat de vrouw in de gemeente moet zwijgen.’

De paradox van het spreken over ‘de klaarblijkelijke betekenis van de bijbeltekst’ is, dat men een beroep daarop juist noodzakelijk acht in situaties waarin duidelijk is, dat ‘de klaarblijkelijkheid’ van de betekenis afwezig is. Wanneer men in zo’n situatie de exegese van de ander etiketteert als ‘Schriftkritiek’, ‘nieuwe hermeneutiek’ of ‘vrijzinnig’, vervangt men de bezinning op de hermeneutiek door een retoriek, die helaas vaak gebruikt is om een onwelgevallige exegese niet op basis van gesprek en argumentatie te weerleggen, maar op basis van macht te cancelen.


[1] https://ngk.nl/actueel-2/. Zie verder ook mijn tweede blog n.a.v. de tegenspraak over de concepten voor de besluitvorming: https://fpathuis.wordpress.com/2025/03/06/als-een-olifant-door-de-porseleinkast/.

Een nieuwe gereformeerde hermeneutiek (1)

Op vrijdag 3 november 2023 inaugureerde Hans Burger als hoogleraar Systematische Theologie aan de TU Utrecht (voorheen TU Kampen). Als markering bracht hij een boek uit, waarin hij de resultaten samenvatte van het project over hermeneutiek, waaraan hij de afgelopen 10 jaar gewerkt heeft. De titel is Jesus Christ, Hermeneutics, and Scripture. From Epistemology to Soteriology.[i] Inhoudelijk is het een vervolg op zijn proefschrift Being in Christ uit 2008, waarin hij de verbondenheid van de gelovige met Christus onderzocht.[ii]

In het Woord Vooraf [iii] staat een indrukwekkende lijst van 15 artikelen en hoofdstukken uit boeken, die hij in dit boek gebruikt en verwerkt heeft. Zijn opstel over ‘Theologische hermeneutiek in soteriologisch perspectief’ in de bundel Gereformeerde hermeneutiek vandaag (2017) noemt hij niet.[iv] Mijns inziens kun je dat opstel als een korte introductie en richtinggevende tekst beschouwen voor de visie die Burger in dit nieuwe boek presenteert.

Om verschillende redenen is het waardevol dat dit boek verschijnt en is een hartelijke felicitatie aan Burger op zijn plaats.

Allereerst natuurlijk omdat op deze manier materiaal dat zo her en der verspreid ligt, nu in één boek beschikbaar is. Een tweede is dat in dit boek, meer dan tot nu in de Nederlandse Gereformeerde Kerken (en eerder in de GKv en NGK) gebeurd is, vanuit een systematisch-theologisch concept achtergrondinformatie voor en verheldering gegeven wordt van de ontwikkelingen die zich in de vrijgemaakte kerken de laatste decennia op het gebied van de omgang met de Bijbel hebben voorgedaan. Dat helpt om het gesprek over die veranderingen meer beargumenteerd te kunnen voeren.

Maar misschien is wel de belangrijkste reden voor een felicitatie, dat een al sinds de Vrijmaking lang gekoesterde wens in vervulling is gegaan, namelijk een doordenking van de Schriftleer en de hermeneutiek in de GKv; in de jaren ’60 door Kees Trimp verwoord en in 1994 door Ad de Bruijne nog eens herhaald.[v] Voor mij in ieder geval een belangrijke reden om het boek verwachtingsvol ter hand te nemen.[vi]

Op deze plek wil ik na een eerste lezing en herlezing van het boek een aantal elementen onder woorden brengen, die mij opvielen en waarvan het goed zou zijn om daarover door te spreken. Daaraan vooraf zal ik eerst in hoofdlijnen de visie van Burger weergeven.

(wordt vervolgd)


[i] Hans Burger, Jesus Christ, Hermeneutics, and Scripture. From Epistemology to Soteriology, Eugene, Oregon: Cascade Books, 2024, 380 p., € 41,46 (paperback) / € 9,19 (Kindle-editie).

Deze blog is er één uit een serie van 5. In deze eerste geef ik een korte introductie op het boek van Burger, in de volgende drie vat ik het boek samen, te weten H1-H5 in: https://fpathuis.wordpress.com/2024/09/13/een-nieuwe-gereformeerde-hermeneutiek-2/, H6 in: https://fpathuis.wordpress.com/2024/09/15/een-nieuwe-gereformeerde-hermeneutiek-3/, en H7-H9 in: https://fpathuis.wordpress.com/2024/09/17/een-nieuwe-gereformeerde-hermeneutiek-4/. In de laatste blog bied ik mijn beoordeling van het boek: https://fpathuis.wordpress.com/2024/09/19/een-nieuwe-gereformeerde-hermeneutiek-5/.

[ii] Hans Burger, Being in Christ. A Biblical and Systematic Investigation in a Reformed Perpective, Eugen, Oregon: Wipf & Stock, 2009. Evenals in zijn proefschrift zijn in zijn nieuwe boek John Owen, Herman Bavinck, Ingolf U. Dalferth en Oliver O’Donovan belangrijke gesprekspartners; naast hun visies bespreekt hij nu ook visies van Abraham Kuyper, Charles Taylor, Klaas Schilder en Hans Boersma.

[iii] Cijfers tussen haken verwijzen naar het boek, waarbij ik citaten veelal in eigen vertaling weergeef.

[iv] Hans Burger, ´Theologische hermeneutiek in soteriologisch perspectief´, in: Ad de Bruijne & Hans Burger (red.), Gereformeerde hermeneutiek vandaag. Theologische perspectieven, Barneveld: Uitgeverij De Vuurbaak, 2017, 35-65.

[v] C. Trimp, Om de oeconomie van het welbehagen. Een analyse van de idee der ‘Heilsgeschichte’ in de ‘Kirchliche Dogmatik’ van K. Barth, Goes: Oosterbaan & Le Cointre N.V., 1961, 209; C. Trimp, Betwist Schriftgezag. Een bundel opstellen over de autoriteit van de bijbel, Groningen: Uitgeverij De Vuurbaak, 1970, 62-64; A.L.Th. de Bruijne, ‘Een reis met uitzicht. Impressie van de theologische ontwikkeling sinds de Vrijmaking’, in: G. Harinck & M. te Velde, 1944 en vervolgens. Tien maal over vijftig jaar vrijmaking, Barneveld: Uitgeverij De Vuurbaak, 1994, 58-73, m.n. 66.

[vi] Over het ongemak en de verlegenheid die het ontbreken van een visie op de hermeneutische vraagstelling in de gereformeerde theologie teweeg bracht, schreef ik al eerder op mijn weblog: https://fpathuis.wordpress.com/2015/12/07/desiderata-en-het-lijstje-van-trimp/

Het voorstellingsvermogen van Henk van den Belt

Afgelopen vrijdag 24 mei inaugureerde dr. Henk van den Belt als hoogleraar Systematische Theologie aan de Theologische Universiteit Apeldoorn. Tegelijk verscheen zijn boek Geestspraak, waarin hij zijn visie op hermeneutiek en het lezen van de bijbel uiteen heeft gezet. Ter gelegenheid van beide gebeurtenissen had het Nederlands Dagblad een interview met hem.[1]

Uiteraard gaat het ook over de discussie rond de vrouw in het ambt, omdat dit de context is waarin hij in de CGK als hoogleraar gaat werken. Daarin wil hij proberen wat nuance aan te brengen, omdat ‘de vrouw in het ambt’ nogal massief is. Die nuance is dat hij er met zijn hoofd niet bij kan, dat ‘in de NGK alle ambten zijn opengesteld voor vrouwen en er tegelijk beweerd wordt dat ze de Bijbel niet anders lezen dan voorheen.’ En verder, dat het ‘ook verkeerd is als de massieve afwijzing in reformatorische kringen hét kenmerk van orthodoxie wordt.’

Volgens hem kom je uit de patstelling door zowel te erkennen dat ‘mannen en vrouwen delen in Gods Koninkrijk,’ als dat er een duidelijk onderscheid is: ‘de man als hoofd van de vrouw’. Dat is geen gepasseerd station of alleen maar oude cultuur. Tegelijkertijd kan hij zich niet voorstellen ‘dat je op grond van het Nieuwe Testament bezwaar kunt hebben tegen vrouwelijke diakenen.’

Al met al doet Van den Belt een groot beroep op zijn voorstellingsvermogen om bepaalde posities af te wijzen of te verdedigen, en dat doet nogal willekeurig aan.

Ik vind het bijvoorbeeld vreemd dat hij zich niet kan voorstellen, dat in de Gereformeerde Bond in 1985 de vrouwelijke diaken werd afgewezen, met als argument: ‘De openstelling van alle ambten voor de vrouw is zonder twijfel iets, waardoor aan een Schriftmatige ordening van het kerkelijk leven geen recht wordt gedaan.’

Ook in een pleidooi voor een differentiatie in het ambt, zoals Van den Belt nu voorstelt,[2] ging men toen niet mee: ‘ook een pleidooi voor b.v. de vrouwelijke diaken vanuit een gedifferentieerde ambtsopvatting is in deze situatie een stap op weg, waarop tenslotte elk onderscheid in de ambtsopvatting tussen man en vrouw over de gehele breedte van het ambt zal zijn uitgewist.’

Zelfs de oplossing van J. van Bruggen om de ‘diaken uit de kerkeraadsbank heen te zenden’ werd als niet gewenst en onuitvoerbaar afgewezen, gegeven ‘wat we schreven over de diaken van 1 Tim. 3 en gegeven de kerkordelijke positie van de diaken in de huidige kerkordestructuren.’[3] 

Ik kan niet anders concluderen dan dat Van den Belt in dit opzicht de Bijbel vandaag anders leest dan de mannenbroeders van de Gereformeerde Bond 40 jaar geleden.

Rest de vraag, die hij in het interview aan de NGK adresseerde: houdt Van den Belt zichzelf nu voor de gek, wanneer hij ervanuit gaat dat zijn andere toepassing van de Bijbel samen kan gaan met een onveranderde visie op het schriftgezag?

Dat kan ik me niet voorstellen!


[1] Nederlands Dagblad d.d. 23 mei 2024, zie: https://www.nd.nl/geloof/protestant/1224887/-erken-dan-gewoon-dat-je-anders-tegen-de-bijbel-bent-gaan-kij

[2] Henk van den Belt, Geestspraak. Hoe we de Bijbel kunnen lezen, Utrecht: KokBoekencentrum Uitgevers, 2024, p. 291.

[3] Citaten te vinden in: Man en vrouw in bijbels perspectief. Een bijbels-theologische verkenning van de man-vrouw verhouding met het oog op de gemeente. Uitgave vanwege de Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk, samengesteld door een studiecommissie onder leiding van ds. C. den Boer, Kampen: Uitgeversmaatschappij J.H. Kok, 1985, p. 182-184.

It takes two to tango

Wil het wat worden met de predikant dan zal het samen met de gemeente moeten gebeuren. Het ambtsrapport waar de NGK Synode van Deventer deze week besluiten over zal nemen, is zich daarvan bewust.[1] Het wijst erop dat het daadwerkelijk vormgeven van het ambt in de context van de lokale gemeente gebeurt. Tegelijk is het perspectief van het rapport uitsluitend gericht op de mogelijkheden om het ambt van predikant verder te ontwikkelen. De kant van de gemeente, wat die nodig heeft, wat die wil, hoe die de toekomst van het gemeente-zijn ziet, is opvallend afwezig.

Probleem en oplossing

Wat is het probleem, waar dit rapport een oplossing voor moet bieden? Dat zijn vooral praktische problemen, waar men tegenaan liep. Allereerst dat er een mobiliteitsprobleem is. Er is te weinig doorstroming in de markt. Daarnaast dat predikanten vastliepen en losgemaakt moesten worden dan wel voor een ander beroep moesten kiezen. Tenslotte verwacht men een tekort aan predikanten, terwijl gemeenten krimpen en steeds meer moeite hebben om een voltijds predikant te betalen.

Wat zijn de oplossingen waar het rapport voor kiest? Voor het mobiliteitsprobleem zoekt men allereerst naar interventies in het beroepingsproces, dat wil zeggen door de band tussen lokale gemeente en predikant losser te maken en predikanten ook te verbinden aan een regionale of een landelijke organisatie. Daarnaast door variaties aan te brengen in de omvang en de duur van de verbintenis tussen predikant en gemeente. Ten aanzien van het tekort aan predikanten stelt men voor om te werken aan meer functiedifferentiatie, de inzet van HBO-theologen, en het faciliteren van de doorstroom en zij-instroom van predikanten.

En dit betekent volgens het rapport voor de gemeente: slikken. Die moet accepteren, dat zij op afstand komt te staan doordat de regio meer invloed krijgt op de aanstelling en taakinvulling van de predikant.  

Ambtsvisie

Het vreemde aan dit rapport is dat de oplossing van praktische problemen in het predikantschap gezocht wordt over de boeg van een nieuwe ambtsvisie. Daar kan de werkgroep niet zoveel aan doen, want dat was de opdracht: ‘het is wenselijk dat er een nieuwe ambtsvisie komt die antwoord geeft op de verscheidenheid aan opvattingen over het ambt van predikant in de kerken.’

Wel bijzonder is, dat de werkgroep pretendeert dat ze niet met een nieuwe ambtsvisie komt, maar slechts een aantal uitgangspunten en principes geformuleerd heeft, die afweging behoeven bij het kiezen van een ontwikkelrichting voor het ambt van predikant.

Gaandeweg in het rapport wordt duidelijk, dat de werkgroep ten aanzien van de ambtsvisie toch twee essentiële veranderingen voorstelt. Allereerst dat ze inzet op een omschrijving van het predikantschap die vooral gekenmerkt wordt door geestelijk leiding geven, wat gezien de ingewikkeldheid daarvan in de 21e eeuw zou betekenen dat het een WO-opgeleide functie moet zijn. In het gereformeerd kerkrecht daarentegen is de taak van het geestelijk leiding geven toebedeeld aan de kerkenraad, het college van predikant en ouderlingen, als geheel. Daarnaast probeert de werkgroep de onmisbaarheid van de positie van de predikant te verankeren en meer status en wijding te geven door de verkondiging en de bediening van de sacramenten uitsluitend te reserveren voor de ‘geordineerde ambtsdrager’, een fenomeen dat wij in het gereformeerde kerkrecht niet kennen.[2]

Conceptbesluiten

Ook in de conceptbesluiten is het perspectief van de gemeente en het gemeenteleven niet aanwezig. Voorgesteld wordt om te onderzoeken of en hoe de adviezen van de werkgroep over de ‘arbeidsmobiliteit van predikanten’ in de kerken zijn in te voeren, met name hoe de regio daarin meer het voortouw kan nemen. Het perspectief van de gemeente komt alleen aan de orde in de rol van de kerkenraad als werkgever en de daarmee verbonden praktische uitvoerbaarheid. Alles is er op gericht om de vrijblijvendheid en de zelfstandigheid van de gemeente in te kaderen.

Wat verder opvalt is dat, waar het rapport zelf noemt dat er concrete vragen spelen over de rol van de HBO-theoloog, alsmede de bevoegdheden van de kerkelijk werker en geestelijk verzorgers, het in de conceptbesluiten daarover oorverdovend stil is. Als relevante en belanghebbende partijen worden alleen de TU Utrecht en de Predikantenvereniging CGMV genoemd.

Conclusie

Het rapport en de concepten voor de besluitvorming zijn vooral bedoeld om eenzijdig via de figuur van de ‘geordineerde ambtsdrager’ de positie van de predikant te bevorderen en te verstevigen, terwijl de bredere vragen over wat de gemeente nodig heeft en de eventuele rol die de kerkelijk werker[3] en/of de HBO-theoloog in het kerkelijk leven, samen met de predikant, kunnen spelen ten onrechte buiten beeld zijn gebleven.

Hoe zinvol bepaalde voorstellen ook zijn, door nu principieel alles op de kaart van de onontbeerlijkheid van de WO-opgeleide predikant voor het gemeenteleven te zetten, werpt het rapport blokkades op om op praktische wijze met de uitdagingen om te gaan, waar vooral m.n. de kleinere gemeente in de toekomst voor zal komen te staan. Voor de positie van de predikant is dat gunstig, voor de ontwikkeling van het kerkelijk leven in de gemeente valt dat mijns inziens zeer te betwijfelen.  


[1] Het rapport ‘Predikanten: geroepen om te dienen’ is te vinden via: https://ngk.nl/download/30985

[2] Zie mijn eerdere blog: https://fpathuis.wordpress.com/2023/11/21/rooms-zuurdesem/

[3] Sommige kerkelijk werkers zijn als zij-instromers ook WO-geschoold.

Rooms zuurdesem

Afgelopen zondag ging ik noodgedwongen voor in de NGK Bodegraven. Ik stond op het rooster om voor te gaan in het Lichtbaken, de CGK/NGK-gemeente te Zoetermeer, de gemeente waar ik aan verbonden ben om tijdelijk de predikant te vervangen, die vanwege ziekte langdurig uitgevallen is. Mijn taken zijn voorgaan in de kerkdiensten, pastoraat en meedenken met de kerkenraad. Maar afgelopen zondag stond de bevestiging van twee ouderlingen op het rooster. Dat mag ik als kerkelijk werker niet doen, omdat ik geen predikant ben. Vandaar dat een ruiling noodzakelijk was met een predikant die wel bevoegd is. In plaats dat deze predikant in Bodegraven voor zou gaan, ging hij nu in Zoetermeer voor.

Wijding

Het is me de afgelopen twaalf jaar vaker overkomen. Dat ik bij degenen die ik belijdeniscatechisatie had gegeven, niet de belijdenisdienst mocht doen. Of dat ik gevraagd werd de trouwdienst te leiden van iemand die ik naar het belijdenis doen begeleid had. Ik mocht tenslotte de dienst doen, terwijl de predikant het ritueel van het afnemen van de huwelijksvragen en het geven van de zegen voltrok.

Ik heb de opleiding aan de Theologische Universiteit voltooid en heb preekconsent in de NGK. Toen ik een paar jaar geleden door mijn kerkenraad gevraagd werd het avondmaal te bedienen omdat er geen predikant beschikbaar was en de eigen predikant afwezig zou zijn, kwamen er brieven op de kerkenraadstafel dat dit kerkordelijk niet door de beugel kon. Uiteindelijk heb ik de dienst gedaan, terwijl de predikant die naar de afscheidsdienst van zijn nieuwe collega in Delft zou gaan, in Zwolle bleef om het ritueel van het breken van het brood en het uitspreken van de zegen over brood en wijn uit te voeren.

Wat mij ontbreekt, is dat ik gewijd ben. Wijding is in de rooms-katholieke traditie noodzakelijk om de sacramenten te mogen bedienen. Wanneer je door de bisschop gewijd bent en zo ingevoegd bent in de apostolische successie, kun je Christus representeren en mag je de zeven sacramenten bedienen: doop, eucharistie, vormsel, boetedoening, ziekenzalving, huwelijk en wijding. In de tijd van de reformatie werd het aantal sacramenten beperkt tot doop en avondmaal, en ging de bediening daarvan over van de priester op de predikant. De onderbouwing daarvan was nu niet meer de wijding van de priester, maar de eenheid van Woord en Sacrament. Tegelijk bleven het afnemen van belijdenis, het bevestigen van een huwelijk en de bevestiging van ambtsdragers behoren tot zijn bevoegdheid, omdat men daar toch een bepaalde sacramentele waarde aan hechtte. Sinds kort heeft in de NGK de kerkelijk werker ook de bevoegdheid om belijdenis af te nemen en een huwelijk te bevestigen, maar het bevestigen van ambtsdragers mag hij/zij dus nog niet. Overigens hoorde ik van een recente situatie waarin iemand met preekconsent in de dienst voorging, terwijl een door de kerkenraad daartoe aangewezen ouderling de ambtsdragers in hun ambt bevestigde.

Universitair geschoold

In het ambtsrapport dat vorige week op de Synode van Deventer 2023 gepresenteerd is[1], wordt een pleidooi gevoerd voor een ambtsvisie, waarin de bediening van de sacramenten voorbehouden is aan de wetenschappelijk opgeleide predikant. Het argument daarvoor is drieledig. De verkondiging vandaag vereist een reflectief vermogen waarin leiding wordt gegeven, dat specifiek verbonden is met een universitaire opleiding. Daarnaast zijn Woord en Sacrament zo nauw met elkaar verbonden, dat het sacrament bediend moet worden door degene die de verkondiging doet. Tenslotte wordt gesteld dat het bedienen van de sacramenten een ‘ambtelijke, theologisch-spiritueel complexe verantwoordelijkheid’ van leidinggeven is; het is een vorm van ‘spiritueel leiderschap’ in de gemeente en daarom moet degene die de sacramenten bedient ook iemand zijn ‘die de verantwoording draagt voor de gemeente, in de relatie naar God.’ Daarom mag (?) ‘voor wie een dergelijke verantwoordelijkheid draagt, een WO-opleiding verwacht worden – de positie brengt die eis met zich mee.’[2] Zo geeft, aldus de conclusie van het rapport, de verbinding van het kerkelijk leidinggeven door een universitair geschoolde predikant met de sacramenten aan de bediening van het sacrament ‘ritueel-symbolisch een spirituele diepgang’ (30-32).

Wil een HBO opgeleide kerkelijk werker voorgaan, moet hij/zij daarvoor zich aanvullend bekwamen. De conclusie dat wanneer een kerkelijk werker preekconsent heeft gekregen, hij/zij ook de sacramenten mag bedienen wordt echter niet getrokken. Datzelfde geldt ook voor de WO-opgeleide voorgangers, die preekconsent hebben gekregen, maar niet (meer) het ambt van predikant vervullen.

Ordinatie

Wat is het argument dat niet-predikanten de sacramenten niet mogen bedienen? Ook al wordt het niet in het rapport benoemd of gethematiseerd het m.i. verzwegen argument is, dat zij niet zijn geordineerd; (een ander woord voor ‘wijding’, dat vermoedelijk een wat te beladen term is om te gebruiken). In de eerste concluderende aanbeveling wordt dat namelijk, zonder verdere toelichting of verantwoording, als uitgangspunt genomen: ‘de WO-theoloog die als geordineerd en bevestigd ambtsdrager verbonden is aan de lokale gemeente om daar via Woord- en sacramentsbediening zowel intern als naar buiten toe leiding te geven aan de gemeente, is uitgangspunt’ (48).

In het rapport komt de ordinatie alleen naar voren in de weergave van de ambtsvisie van de PKN. Deze visie, die in 2022 vastgesteld is, houdt in dat men in aansluiting bij de hedendaagse oecumenische ambtsvisie èn bij de Vroege Kerk over het predikantschap als ‘het geordineerde ambt’ spreekt en dit ambt in afwijking van de gereformeerde ambtsvisie plaatst tegenover dat van ouderling en diaken, die uit de gemeente zouden opkomen. De ‘geordineerde’ ambtsdrager ontleent zijn bestaansrecht aan Christus zelf, omdat hij/zij op dezelfde wijze als de apostelen gezonden is.[3] Daarmee zijn we weer in lijn met de rooms-katholieke ambtsvisie, waarin de wijding van de priester en de apostolische successie van de bisschop centraal staat. Uitgaande van deze visie kon de PKN er niet omheen om kerkelijk werkers die men de bevoegdheid wilde geven te preken en de sacramenten te bedienen, ook als pastors te ordineren tot het predikantsambt dan wel voor hen een apart profiel te ontwikkelen.

Het ambtsrapport dat nu op de Synode van Deventer 2023 gepresenteerd is, wijst expliciet de PKN richting af om kerkelijk werkers sacramentsbevoegdheid te geven, maar lijkt tegelijkertijd wel impliciet de ambtsvisie van de PKN te omarmen. De drieledig aangedragen argumentatie om de bediening van de sacramenten voor te behouden aan de wetenschappelijk opgeleide predikant is nauw verbonden met deze ambtsvisie als uitgangspunt. De vraag waarom het uitgangspunt dat de verkondiging van het evangelie en de bediening van de sacramenten exclusief aan het geordineerde ambt moet worden verbonden, wordt exegetisch en theologisch niet onderbouwd. Mij lijkt dat voordat de synode op dit punt met het ambtsrapport instemt, zij zal moeten verantwoorden waarom de reformatorische collegiale ambtsvisie ingeruild mag worden voor die van de geordineerde ambtsdrager.[4]  

Woord en Geest

Toegespitst op de bediening van de sacramenten ligt in de rooms-katholieke sacramentsleer ‘het zwaartepunt bij de objectiviteit van het geschonken heil en het geordineerde ambt als de weg waarlangs dit heil geschonken wordt. De lutherse theologie en spiritualiteit nam het eerste over en brak met het tweede.’ Bij Calvijn wordt vervolgens tegenover Luther de nadruk gelegd ‘op het sacrament als een door God gegeven zichtbaar teken van zijn belofte’ en wordt in plaats van het ambt het gelovige subject belangrijk doordat hij stelt, dat ‘het sacrament geen effect heeft wanneer de ontvanger het niet gelovig ontvangt.’[5] De gemeenschap met Christus wordt gesticht en bewaard als een gebeuren dat bepaald wordt door het Woord. In het Woord is Christus door de Geest aanwezig in verkondiging en sacrament.

Vandaar dat in de gereformeerde ambtstheologie de ambtsdrager geen zelfstandige positie tegenover de gemeente krijgt, maar deze theologie het ambt een dienend karakter toewijst. In plaats van de ontologische verankering van de Christus-representatie in de persoon van de gewijde priester stelde de Reformatie het gezaghebbend ‘tegenover’ van het Woord en de (werking van de) Heilige Geest. Via het ambt is Christus door de Geest aanwezig in de verkondiging van het evangelie en de bediening van de sacramenten. Samengevat: het gezag van de ambtsdrager ligt in het Woord dat zij/hij brengt, niet in de persoon die zij/hij is. Omdat in het sacrament de uitbeelding van het heil centraal staat, is de poging om de bediening van het sacrament ook exclusief te koppelen aan de eis dat de bedienaar universitair geschoold moet zijn, een miskenning van het karakter van het sacrament.  

Terugblik

Het rapport terugbladerend blijkt, dat men eerst de visie dat de sacramenten bediend moeten worden door de predikant als uitgangspunt genomen heeft, om vervolgens te concluderen dat een niet-predikant geen sacramenten mag bedienen.[6] Zelfs de mogelijkheid dat een ouderling dat doet, wordt sterk ontraden omdat het niet spoort met deze nieuwe ambtsvisie.

Uitgangspunt is in het rapport de stelling: ‘De essentie van het ambt is de Woordverkondiging en de bediening van sacramenten. Om dat te mogen doen is lokale binding aan een gemeente en een positie van verantwoording voor die gemeente vereist’ (3). Ook wordt impliciet het ‘geordineerde ambt’ als uitgangspunt gehanteerd, wanneer men schrijft: ‘Kern van de ambtstheologie is dat er gelovigen door God geroepen zijn en door de gemeente als zodanig herkend om leiding te geven aan (en voor te gaan in) allerlei praktijken van kerkzijn’ (3).

Uitgangspunt in de gereformeerde ambtstheologie is dat de roeping allereerst de geloofsgemeenschap als geheel geldt. Vandaaruit komt het algemeen ambt der gelovigen in beeld en worden mensen geroepen tot bijzondere taken. Zo komt het ambt in zicht als een van de middelen, in de gereformeerde theologie aangeduid als ‘dienst’, waardoor Christus de geloofsgemeenschap zijn heil schenkt en haar bij het heil bewaart. Ondertussen stelt het rapport zonder blikken of blozen: ‘In dit rapport pretenderen we niet een nieuwe visie op het ambt te hebben geschreven’ (3).

Ook al heeft men de pretentie niet, feitelijk worden principieel èn praktisch gezien de panelen van de gereformeerde ambtstheologie stilzwijgend verschoven.


[1] Leon van den Broeke, Avelien Haan, Hans Schaeffer & Bernd Vinke, Predikanten: geroepen om te dienen. Rapport werkgroep Ambt d.d. 24 juli 2023, te vinden via: https://ngk.nl/download/30985.

[2] Strikt genomen is hierin geïmpliceerd dat gastvoorgangers geen sacramenten mogen bedienen, omdat zij geen ambtelijke verantwoordelijkheid voor deze gemeente dragen, een verantwoordelijkheid die in de gereformeerde ambtstheologie door de kerkenraad wordt gedragen. Juist omdat een ouderling of kerkelijk werker de gemeente kent en hen die verantwoordelijkheid toevertrouwd is of kan worden, zou dat in deze visie een motief kunnen zijn aan hen wel de bevoegdheid te geven de sacramenten te bedienen. Als kerkelijk werker doe ik nu ook bijvoorbeeld al doopbezoeken voorafgaande aan de bediening van het sacrament.

[3] Maarten Wisse e.a., Geroepen door Christus. Een theologie van de ambten, Utrecht: KokBoekencentrum Uitgevers, 2023. Zie mijn bespreking van deze visie te vinden in een recensie op: https://fpathuis.wordpress.com/2023/05/13/een-pkn-theologie-van-de-ambten/.

[4] G. van den Brink & C. van der Kooi, Christelijke dogmatiek, Zoetermeer: Uitgeverij Boekencentrum, 2012, p. 558. Zie ook wat ik eerder schreef over ambt, sacrament en de reformatorische ambtsvisie: https://fpathuis.wordpress.com/2022/09/17/veranderende-visie-op-het-ambt/.

[5] Van den Brink & Van der Kooi, Christelijke dogmatiek, p. 541-42.

[6] Het rapport dat een vernieuwde ambtsvisie zou moeten ontwikkelen is eenzijdig geschreven vanuit de blikrichting van de predikant. Die verengde blikrichting wordt ook zichtbaar in de richtingwijzers die vooral gefocust zijn op een verdediging van het WO-karakter van de predikant. Bijgevolg hangt de samenhang van de dienst van de predikant met die van de dienst van de professionele kerkelijk werkers resp. de ouderlingen en diakenen er in deze ambtsvisie een beetje bij. Net als destijds de vrouw nauwelijks inbreng mocht hebben toen het ging over de vrouw en ambt, is nu de inbreng van de kerkelijk werkers in dit rapport afwezig. Hoewel aan het schrijven van het rapport enquêtes en de inbreng van focusgroepen ten grondslag liggen, is Luceo, de Vereniging van Kerkelijk Werkers, die vanuit de praktijk van het werkveld haar inbreng zou kunnen hebben, niet geconsulteerd. [Voor de opdracht van de GS Goes 2020 zie het rapport op bladzijde 3: ‘Besluit 2: a. uit te spreken dat het wenselijk is dat er een nieuwe ambtsvisie komt die antwoord geeft op de verscheidenheid aan opvattingen over het ambt van predikant in de kerken; b. de Theologische Universiteit te verzoeken de vernieuwde ambtsvisie te ontwikkelen, samen met niet-theologen.’]

Kerk zijn in generaties

Het overdragen van het geloof is in de kerk een kwetsbaar proces geworden. De kracht en de invloed van de traditie, waardoor nieuwe generaties zich gemakkelijk in bestaande normen en vormen invoegen, is behoorlijk afgenomen. De spanningen die dat met zich meebrengt, maakt bezinning op het doel van kerk zijn vandaag des te meer noodzakelijk. 

[Artikel in Gereformeerd Kerkblad d.d. 18 augustus 2023, door Fokke Pathuis]

Als je vanuit het perspectief van generaties naar de nabije kerkgeschiedenis van de Gereformeerde Kerken kijkt, blijkt dat er de afgelopen eeuw altijd een verschil tussen generaties zichtbaar is geweest en dat hier verschillend mee om is gegaan.

Scheuringen

Verschillen in visie die zich vooral toespitsten op dogmatische, ethische en kerkordelijke thema’s, werden vooral via een kerkelijke krachtmeting beslist. Eind jaren ’10 en begin ’20 was er in de Gereformeerde Kerken een ‘Beweging der jongeren’, die pleitte voor vernieuwing in spiritualiteit, geloofsbelijdenis en liturgie. Hun verlangen werd op de GS Leeuwarden 1920 gefnuikt. Toen op de GS Assen 1926 de visie van dr. Geelkerken over Genesis 2 en 3 veroordeeld werd en hij afgezet werd, verliet een groot deel van hen de kerken en vormden de ‘Gereformeerde kerken in Hersteld Verband’, die in 1946 opging in de Hervormde Kerk.

In de jaren ’30 profileerde zich met nieuw elan de ‘reformatorische beweging’. Hun visies kwamen echter onder kritiek te liggen door een generatie, die probeerde het erfgoed van Abraham Kuyper te verdedigen. Toen in 1942 door de GS Sneek 1939 deze visies in leeruitspraken – die zich toespitsten op verbond en doop – afgewezen werden en uiteindelijk in 1944 de hoogleraren Schilder en Greijdanus geschorst en afgezet werden, kwam er een scheuring die uitliep op het ontstaan van de GKv.

In de jaren ’50 en ’60 kwam er een strijd over de betekenis van de Vrijmaking. Die resulteerde in een scheuring rondom de ‘Open Brief’ van oktober 1966. Naast verschillen over de belijdenis stond met name de vraag naar de zgn. ‘doorgaande reformatie’ centraal: het oprichten van vrijgemaakte maatschappelijke, politieke, onderwijs- en andere organisaties. Degenen die buiten het kerkverband van de GKv kwamen en de latere NGK vormden, stonden daar kritisch tegenover. Voor de leidende theologen in de Gkv was dit een miskennen van de zaak, waar Schilder c.s. in de Vrijmaking ook voor gestreden hadden.

Vertrek

De recente scheuringen in de GKv rond de DGK (2003), de GKN (2009) en nu rond de vorming van de NGK kunnen ook in het perspectief van de kerkelijke krachtmeting worden geplaatst. Eerst probeerde men via de kerkelijke weg veranderingen terug te draaien, en toen dat niet lukte, werd een eigen kerkverband gevormd die zich als de ‘echte’ voortzetting van de GKv presenteerde.

Sinds de jaren ’90 gaan de verschillen tussen generaties meer over spiritualiteit en liturgie. Wanneer men merkt dat daarin te weinig verandering mogelijk is, vertrekt men naar kerken waar een meer evangelische spiritualiteit te vinden is. Gertjan Oosterhuis heeft in zijn recente boek ‘Veranderen van kerk’ [1] geanalyseerd, dat het met name de generatie van de 20-ers tot en met de 50-ers is, d.w.z. de gezinnen met hun kinderen, die deze overstap maken. 

Vandaag zijn het de tieners, de 20-ers en de 30-ers, die niet zozeer vertrekken naar andere kerken, maar die in grote getale afhaken. Vooral, zoals Tabitha van Krimpen laat zien, omdat de geloofstraditie zoals die in de kerken vorm gegeven wordt niet meer aansluit bij de werkelijkheid waar de jongere generaties in leven. Toch is dit niet alleen iets van de laatste jaren. Al sinds de jaren ’70 is er in de GKv sprake van structurele kerkverlating, maar deze was nooit zo zichtbaar vanwege het hoge geboorteoverschot.  

Transformatie

Van Krimpen toont in haar boek ‘Bottom up kerk’ [2] de urgentie aan om na te denken over het doel van kerk zijn. Het kan er vandaag niet meer omgaan om de bestaande vormen van kerk zijn zo lang mogelijk te continueren en als dat niet meer lukt een gemeente op te heffen, zoals de laatste jaren al regelmatig gebeurd is. De vraag is hoe wij ons kerk zijn zó kunnen transformeren, dat nieuwe generaties daarin het geloof kunnen vinden en wij werkelijk kerk in generaties zullen zijn.

Terecht wijst Van Krimpen erop dat zo’n noodzakelijke cultuurverandering gedragen moet worden door ‘een theologische doordenking van transformatie in geestelijke en spirituele zin.’ Want het vergt moed en vertrouwen dat God en zijn Geest vandaag actief in de kerk is en dat hij ons als kerken de weg zal wijzen hoe wij zo’n cultuurverandering in het gesprek tussen de generaties op vruchtbare wijze vorm kunnen geven.

[1] Gertjan Oosterhuis, Veranderen van kerk. Hoe gereformeerd en evangelisch elkaar kunnen versterken, Amsterdam: Buijten & Schipperheijn Motief, 2022. Zie mijn recensie: https://fpathuis.wordpress.com/2023/03/31/veranderen-van-kerk/

[2] Tabitha van Krimpen, Bottom up kerk. Zijn waar twintigers zijn, Utrecht KokBoekencentrum Uitgevers, 2023. Zie mijn recensie: https://fpathuis.wordpress.com/2023/08/19/dringend-pleidooi-voor-een-bottom-up-kerk/


De hereniging van de GKv en NGK

Maandag 1 mei 2023 is een gedenkwaardige dag. Broers en zussen die elkaar in de 60-er jaren rond de buitenverbandkwestie kwijt zijn geraakt, hebben zich verzoend en trekken vanaf die dag weer samen hoopvol op in Gods wereld. Op vrijdag 12 mei zal in Utrecht op feestelijke wijze gevierd worden dat de GKv en de NGK zich hebben verenigd tot de Nederlandse Gereformeerde Kerken.

[Artikel in Gereformeerd Kerkblad d.d. 28 april 2023]

Ik was zes toen de Open Brief op 31 oktober 1966 verscheen en heb het verdriet over de breuk niet hoeven meemaken, omdat het in onze kerkelijke gemeente in Emmen nauwelijks speelde. In andere gemeenten is de scheiding traumatisch geweest en kunnen tot op de dag van vandaag de emoties van pijn, boosheid en verdriet over aangedaan onrecht zomaar weer gevoeld worden. Daarom is er grote reden tot dankbaarheid, dat er in de afgelopen 30 jaar zoveel vertrouwen kon groeien, dat gescheiden kerkverbanden op 15 april jl. het definitieve besluit tot hereniging hebben kunnen nemen. 

Proces

Het zaadje voor de hoop op hereniging werd gelegd in 1993 toen de GS Ommen aan het Deputaatschap Kerkelijke Eenheid opdroeg ‘te onderzoeken of er mogelijkheden zijn contact te leggen met de NGK, en zo ja op welke manier.’ Al vrij snel concludeerde de GS Berkel 1996 echter op grond van de verkennende gesprekken, dat er geen perspectief op samensprekingen was. Er was bij de NGK een te grote vrijheid in de omgang met èn tolerantie van afwijking van de belijdenis en een onvoldoende waarborg voor een ‘onbekrompen en ondubbelzinnige binding’ aan de gereformeerde leer. Desondanks nam de GS Leusden in 1999 de uitnodiging van de NGK bij monde van ds. Willem Smouter aan om ‘te zoeken naar een weg om elkaar beter te leren kennen en vertrouwen.’ Dat leidde in 2002 tot zoveel vertrouwen dat de GS Zuidhorn besloot om in gesprekken met de NGK na te gaan, ‘of er een basis is voor samensprekingen met het oog op herstel van de kerkelijke eenheid.’

Een belangrijk resultaat van de gesprekken in de jaren ’00 was dat de GKV en de NGK in 2011 overeenstemming bereikten over de hermeneutische uitgangspunten voor de omgang met de bijbel en de belijdenis. Dit vertaalde zich in 2014 in twee belangrijke besluiten van de GS Ede. Allereerst dat ‘door de overeenstemming in de gesprekken over hermeneutiek de belemmering die er lag vanwege het besluit van de NGK [in 2005] om de ambten voor de zusters der gemeente open te stellen, is weggenomen,’ met als grond dat ‘ondanks het verschil in praktische uitkomsten ten aanzien van de vrouw in het ambt, is gebleken dat we als kerken elkaar vertrouwen kunnen geven inzake de erkenning en aanvaarding van het gezag van de Heilige Schrift.’ Daarnaast besloot deze synode ‘de contacten met de NGK voort te zetten en over te gaan van gesprekken naar samensprekingen met het oog op kerkelijke eenheid.’

Deze gesprekken leidden er toe, dat de GS Meppel 2017 in lijn met de synoden van Zwolle 2008 en volgende dankbaar kon constateren zowel ‘dat de NGK als landelijk verband zich van harte binden aan de gereformeerde belijdenis,’ als ‘dat de hindernissen zijn overwonnen die de GS Zwolle 2008 nog aanwees met betrekking tot de binding aan de belijdenis.’ Vandaar dat deze synode de deputaten kon opdragen ‘alles te doen wat nodig is om een zo spoedig mogelijke hereniging van de kerkverbanden voor te bereiden.’ Belangrijke aandachtspunten waren daarbij dat ook ‘op plaatselijk niveau gewerkt wordt aan kerkelijke eenheid tussen GKv- en NGK-gemeenten’ en dat ‘het helen van de breuk van 50 jaar geleden niet zonder goede zorg kan voor de wonden die destijds zijn geslagen.’

Veranderingen

De hereniging van de GKv en de NGK is de vrucht van een elkaar zoeken en vinden vanuit onze verbondenheid en eenheid in geloof en zoals de GS Goes 2020 uitsprak ‘gedreven door de liefde van Christus.’ Elkaar weer erkennen in Christus was voor de GKv mogelijk toen er in de onderlinge gesprekken weer langzaam vertrouwen begon te groeien en het wantrouwen opgebouwd door wederzijdse karikaturen kon worden afgebroken. Of zoals ds. Pieter Niemeijer, de preses van de GS Harderwijk, het in 2011 over de veranderde houding ten opzichte van elkaar verwoordde: ‘We kunnen elkaar niet meer met sjablonen uit de jaren zestig tegemoet treden.’ In 2011 waren er al op 20 plaatsen gemeenten van NGK en GKV die elkaar over en weer erkenden en de kansel en de avondmaalstafel voor elkaar opengesteld hadden.

Een belangrijke factor in het elkaar weer durven te vertrouwen, is geweest dat zowel in de GKv als de NGK veranderingsprocessen plaatsvonden, waardoor het gemakkelijker werd elkaar te vinden. In de GKv kwam er vanaf jaren ’80 openheid voor samenwerking in de samenleving met christenen vanuit andere kerken, waardoor de idee van de ‘doorgaande reformatie’ gerelativeerd werd. In samenhang daarmee werden er ook in de GKv kritische vragen gesteld over de visie op de kerk en het kerkverband, die aan de ‘doorgaande reformatie’ ten grondslag lag. Een visie waar degenen die uiteindelijk door de gebeurtenissen in de jaren ’60 ‘buitenverband’ raakten, zich tegen verzet hadden. Nadat de ‘buitenverbanders’ in de jaren ’70 gezamenlijk in de NGK een eigen kerkelijk leven opgebouwd hadden, kwam er vanaf de jaren ’90 een oprecht verlangen om elkaar als NGK en GKv weer te ontmoeten. Tenslotte kwam er vanaf de jaren ’90 zowel in de GKv als de NGK meer aandacht voor thema’s als vrouw en ambt, de omgang met homoseksualiteit en het werk van de Heilige Geest in de geloofsbeleving. Ook vond er in beide kerkverbanden eenzelfde bezinning plaats op de vraag hoe wij kerk kunnen zijn in een postmoderne, geseculariseerde en geïndividualiseerde samenleving.

Verontrusting

Een klein deel van de GKv-leden en -gemeenten kan zich niet verenigen met de wijze waarop nu het nieuwe kerkverband van de NGK gevormd wordt. Enerzijds omdat men moeite blijft houden met de Bijbelse onderbouwing van de openstelling van de ambten voor vrouwen, anderzijds omdat men niet kan instemmen met de nieuwe kerkorde.

Wat de vrouw in het ambt betreft heeft men, ook al voor de hereniging van GKv en NGK, zich moeten bezinnen of men deze zaak zo zwaar zou laten wegen, dat men niet meer lid van de GKv zou kunnen zijn. Een deel van de bezwaarden heeft in de loop van de tijd al van de GKv afscheid genomen en is lid geworden van kerken waar vrouwen geen ambtsdragers kunnen zijn.

Kerkorde

Wat de kerkorde betreft is het duidelijk dat het een orde is waarin zowel de GKv-kerken als de NGK-kerken zich zouden moeten kunnen vinden. Dat betekent dat daarin meer ruimte geboden moest worden voor de variatie in de manier waarop nu al het kerkelijk leven in de plaatselijke gemeenten georganiseerd wordt. Een duidelijk voorbeeld is dat in sommige NGK-kerken kinderen meedoen aan de viering van het avondmaal. Dat betekent dat de vrijheid van de plaatselijke kerk meer benadrukt wordt dan wij als GKv in het verleden gewend waren. Tegelijk past dit bij het feit dat binnen de GKv tussen plaatselijke kerken ook soms al grote verschillen zichtbaar werden, zodanig dat er regelmatig grensverkeer over en weer was van leden, omdat men zich in een andere gemeente bijvoorbeeld op liturgisch gebied meer thuis voelde of het daar aantrekkelijker vond.

De grootste verontrusting betreft de vraag, of de gereformeerde leer in de nieuwe NGK veilig is en daar de wacht nog bij betrokken wordt. De binding aan Gods Woord en de belijdenis zou in de nieuwe kerkorde worden gerelativeerd. Het klopt dat er op een groot aantal punten verschillen in inhoud en formulering zijn tussen de nieuwe kerkorde en de oude zoals die in 2014 voor de GKv vastgesteld is. De relativering die men waarneemt is er één ten opzichte van de ‘vrijgemaakte’ traditie, die wij hebben leren zien als gekarakteriseerd door ‘het klimaat van het absolute.’ Maar in de verschillen die er zijn, is de gebondenheid aan de bijbel als Woord van God en aan de leer van de Bijbel zoals die in de belijdenisgeschriften beschreven staat, het uitgangspunt van de kerkorde gebleven.

Pijnlijk

Als ik de argumenten van de bezwaarden tegen de kerkorde en de hereniging op mij in laat werken, zie ik een drietal elementen. Allereerst betreft het zaken waarin wij in de GKv anders zijn gaan denken, zoals de vrouw in het ambt en meer vrijheid voor de plaatselijke gemeente. Een tweede is dat de bezwaarden als het gaat om de omgang met de leer en de belijdenis de nieuwe NGK weer met dezelfde sjablonen benaderen als waarmee wij als GKv decennialang de ‘buitenverbanders’ en de NGK benaderd hebben. Feitelijk wil men weer terug achter de hermeneutische overeenstemming, zoals wij die in 2011 gezamenlijk als GKv en NGK over de omgang met de bijbel en de belijdenis bereikt hebben. Maar het derde en meest wezenlijke, en daarom ook het meest pijnlijke, is de uitgesproken sfeer van wantrouwen die in de argumentatie tegen de besluitvorming van de laatste jaren tot uitdrukking komt.

Wantrouwen kun je niet bestrijden met argumenten, omdat hier niet het hoofd of de ratio in het geding is, maar het hart. Ik zie de pijn, en ik besef dat het loslaten van vertrouwde inzichten en posities, waar wij als GKv veranderd zijn, voor sommigen een brug te ver is. Zeker als die inzichten altijd verbonden zijn geweest met en gedragen zijn door geloofsovertuigingen.

Feest

Wantrouwen overbruggen vergt de openheid om te vertrouwen dat de woorden werkelijk het hart van de ander tot uitdrukking brengen. De Nederlandse Gereformeerde Kerken willen kerken zijn waar de levende Heer Jezus Christus centraal staat en zoeken de verbinding met allen die Christus belijden. Ik hoop van harte dat de NGK inclusief de bezwaarden, vanuit de eenheid die er in het geloof met elkaar is, een herenigde kerkgemeenschap zullen vormen. Een keuze om niet mee te gaan, kan ik begrijpen en wil ik respecteren. Voor mij is dat geen belemmering om als nieuwe NGK op 12 mei het feest van de hereniging en de heling van de breuk tussen broeders en zusters in het geloof voluit te vieren.

Bloemschikking voor de viering van de hereniging op 15 april 2023 op de vergadering van de LV en de GS in Zoetermeer.

Geen eigenmachtige uitleg!?

1.

Aan het eind van de Bergrede spreekt Jezus de woorden: ‘Oordeel niet, opdat er niet over jullie geoordeeld wordt.’ Dit betekent niet, dat je nooit een oordeel mag uitspreken. Jezus waarschuwt echter dat je daar dan wel de juiste maatstaf voor moet hanteren. Met het oog op de Farizeeën en hun Schriftgeleerden voegt hij eraan toe: ‘Waarom kijk je naar de splinter in het oog van je broeder of zuster, terwijl je de balk in je eigen oog niet opmerkt.’ Zij zien iets als een splinter in het leven en spreken van Jezus en zijn leerlingen, maar hebben niet door dat de balk in hun eigen oog in de weg zit om scherp te kunnen onderscheiden.[1]

2.

Ik ben bij een van die avonden geweest waarop de Kerngroep Bezinning GKv het gesprek zocht over het besluit in de GKv om vrouwen in het ambt toe te laten en daarbij waarschuwde tegen de eenwording van de GKv met de NGK. Kort samengevat was de boodschap dat in de nieuwe Kerkorde de dwaalleer van de vrouwelijke ambtsdrager geformaliseerd wordt. Daarom klonk  – in mijn eigen woorden weergegeven – de oproep: ‘Alle hens aan dek, want doordat er in de kerkorde geen dam meer is tegen de Schriftkritiek[2] staat het gereformeerd karakter van de nieuwe NGK op het spel. Besef dus goed waar je instapt, als je met de eenwording van GKv en NGK meegaat!’

3.

In de GKv is volgens de Kerngroep een nieuwe manier van Bijbellezen geijkt, waardoor de Schrift niet meer de bron en norm voor ons nadenken en leven met God is. De Schrift kan niet meer als gezaghebbende norm (sola scriptura) functioneren, omdat de uitleg van de Schrift zich niet meer zou baseren op heel Gods Woord (tota scriptura).[3]

De kritiek van de Kerngroep richt zich vooral op het MVEA-besluit van de GS Goes 2020. In het eerste hoofdstuk van Het Woord in geding analyseert Henk Room de onderbouwing van dit besluit onder de titel ‘Geen eigenmachtige uitleg!’[4] Zijn conclusie is dat ‘de deur naar Schriftkritiek open is komen te staan.’

Het rapport Elkaar van harte dienen (EVHD) zou in zijn uitleg slechts uitgaan van één sleutelbegrip, namelijk ‘gelijkheid van man en vrouw’ als invalshoek bij de uitleg van de vier MVEA-sleutelteksten, te weten Genesis 1-3, 1 Timoteüs 2:8-15, 1 Korintiërs 11:3-16 en Galaten 3:28. Daarbij zou men ook bij de exegese van Genesis 1-3 geen rekening willen houden met de visie van Paulus op de scheppingsorde. Het gevolg daarvan is, dat men bij de Bijbeluitleg geen rekening houdt met het verschil in positie tussen man en vrouw, die blijkt uit de onderschikking van de vrouw aan de man: ‘EVHD schakelt gelijk wat wezenlijk verschillend is en stelt gelijk wat niet gelijkgesteld kan worden.’ Hierin lijken ‘eigen denkkaders, de morele en intuïtieve antennes van de auteurs bepalend.’ De Bijbel wordt uitgelegd vanuit ‘het levensgevoel van onze Westerse cultuur, waarin de alles gelijkschakelende gelijkheid de dominante waarde is.’

De conclusie van Room is dat in EVHD sprake is van een ‘contextueel waarheidsbegrip’, waarin ‘de waarheid van Gods Woord mede afhankelijk gemaakt wordt van hoe wij vandaag de context van een Bijbelgedeelte construeren of van onze situatie vandaag.’ Daartegenover stelt hij dat ‘de waarheid van Gods Woord [niet relationeel en] evenmin contextueel van aard’ is.

4.

Duidelijk is dat in Het Woord in geding de gedachte dat ‘God aan man en vrouw verschillen in rol en verantwoordelijkheid gegeven heeft’, vooronderstelling en uitgangspunt is. Deze visie wordt verdedigd met de gedachte, dat de GS Goes 2020 ten onrechte niet meer spreekt van twee lijnen in de Schrift als het gaat om de positie van de vrouw: gelijkwaardigheid, maar ook verschil in verantwoordelijkheid tussen mannen en vrouwen.

De claim van Room is, dat als je deze twee lijnen niet erkent, ‘je geen recht doet aan wat de Bijbel over zichzelf getuigt en je de Schrift niet voor zichzelf laat spreken.’ Hij noemt het ‘een vooronderstelling’ dat de synode daar niet van uitgaat. Want als je de hele Schrift in rekening brengt bij de uitleg van Gen. 1-3, dan zie je dat Paulus op meerdere plaatsen ‘het feit dat de man als eerste geschapen is’ verbindt ‘aan een verschil in positie en verantwoordelijkheid ten opzichte van de vrouw.’ Volgens Room doet dit echter niet af ‘aan hun eenheid, gelijkheid, gezamenlijkheid en gelijkwaardigheid.’ Dat is de Bijbelse visie, waaraan elke exegese van de MVEA-teksten getoetst moet worden. ‘De fundamentele gelijkwaardigheid tussen man en vrouw én het verschil in verantwoordelijkheid tussen beiden in de schepping, in het huwelijk en de gemeente, is en blijft het doorgaande getuigenis van de Schrift.’

5.

De blinde vlek in de visie van de Kerngroep is, dat het werken met de door hen geëiste twee lijnen bij de exegese van de MVEA-teksten historisch contextueel bepaald is. Het is de oplossing voor het spanningsveld, dat men begon te ervaren toen de ondergeschikte positie van de vrouw in de samenleving begon te knellen. Zoals Herman Bavinck in Het Christelijk Huisgezin (1908) schreef:  

“Ook valt niet te ontkennen, dat het huiselijk leven in de tegenwoordige tijd vele gewichtige veranderingen ondergaat. Evenals in de ganse maatschappij privileges en standen, geboorte en adel meer en meer aan betekenis verliezen en plaats maken voor de persoonlijke waarde van de individu, zo komt in het familieleven elk lid veel vroeger en sterker dan eertijds tot persoonlijke zelfstandigheid en vrijheid. De oude patriarchale familie ontwikkelt zich meer en meer tot het moderne huisgezin, dat van natuur en plaats, van bodem en erf, en van heel het feodale régime zich losmaakt. Men moge dit in veel opzichten betreuren; de stroom is niet te keren, de ontwikkeling beweegt zich in de richting van de persoonlijke vrijheid.”[5]

Tegelijk probeert hij wel tegendruk te bieden als het gaat om de positie van vrouw in de samenleving:

Men kan het geluk der vrouw wel zoeken in politieke, sociale en economische gelijkstelling met de man. Maar men doet dan de natuur van de vrouw geweld aan, maakt tussen gelijkwaardigheid met de man en gelijkvormigheid aan de man geen onderscheid, en desorganiseert de maatschappij nog verder dan thans reeds het geval is. Niet in een zo ver mogelijk doorgetrokken verwijdering van de vrouw van het huisgezin, maar in een zo ver mogelijk doorgezette terugleiding van de vrouw tot het huisgezin, moet de oplossing van het vrouwenvraagstuk gezocht worden.[6]

Het is pas sinds het begin van de 20e eeuw dat in de gereformeerde wereld de gelijkwaardigheid van de vrouw heel langzaam praktisch gestalte heeft gekregen. Voor die tijd was de onderdanigheid van de vrouw aan de man uitgangspunt van het denken en het exegetiseren. Bavinck schrijft dat de Reformatoren en hun volgelingen er niet over dachten om de vrouw te verachten, want ‘zij leren allen overeenkomstig de Schrift, vooral in Gen. 1 : 27, dat de vrouw evengoed als de man een mens is, en naar Gods beeld geschapen.’ Toch moet hij er wel aan toevoegen dat:

men er ver van af was, om de ongelijkheid van man en vrouw uit te wissen. Zelfs leefde daarbij nog enigermate voort de antieke en scholastieke gedachte van de minderwaardigheid van de vrouw, welke met Schriftplaatsen als Gen. 2: 8, 3:16, 1 Kor. 11:7v., Ef. 5:23, 24, 1 Tim. 2:13,14 gesteund werd. Al stond de vrouw religieus-ethisch met de man gelijk en al muntte zij in deugden van vroomheid, lijdzaamheid enz. boven hem uit, ze was toch in waardigheid, kracht en heerlijkheid de mindere van de man.[7]

Dat in de exegese tot in de 20e eeuw met een veronderstelde ‘lijn van gelijkwaardigheid’ absoluut geen rekening werd gehouden, blijkt duidelijk uit het deputatenrapport over het vrouwenkiesrecht dat op de GS Arnhem 1930 diende. Daarin schrijft men dat het ‘volgens de scheppingsordinantie’ de roeping van de vrouw is een hulp voor haar man te zijn:

“Uit deze beschikking van God blijkt, dat niet alleen in het huwelijksleven, maar ook in het gezinsleven, in het opgroeien van geslachten met elkaar, en in de maatschappelijke samenleving, de plaats van de vrouw is hulp van de man. (…) Beiden, man en vrouw zijn dragers van het beeld Gods, maar de man is daarin boven de vrouw verheven, dat hij de drager van de heerschappij is, en de vrouw alleen door hem en in zijn naam de heerschappij uitoefent.

De visie van Bavinck uit 1908 dat man en vrouw beiden naar Gods beeld geschapen zijn en dat de vrouw evengoed als de man ‘Gods beeld en gelijkenis’ draagt, wordt door de deputaten exegetisch niet verwerkt. Zij schrijven:

De vrouw als zodanig is dus door de wijze van haar schepping in wezen en aard en roeping bepaald naar de man, a.h.w. in afhankelijkheid van hem. Wel ook Gods beeld, evenzeer als Adam, maar toch op andere wijze, en als geboetseerd met het oog op de man, om hem tot een hulp als tegenover hem te zijn.

Met een verwijzing naar Calvijn wordt uitgelegd, dat de vrouw ‘secundo gradu’, in tweede instantie, naar Gods beeld geschapen is. De conclusie die men daaraan verbindt is, dat:

de vrouw als vrouw (niet alleen als echtgenote) in de man als man (en niet alleen als echtgenoot) een in wezen en bestaan, naar lichaam en ziel bepalende macht heeft, zodat de vrouw, wanneer zij op het terrein van de man optreedt, zowel in strijd handelt met de door God gestelde verhouding tussen man en vrouw, als ook ontrouw wordt aan haar bestaanswijze of natuur.

In deze exegese is van de gelijkwaardigheid van man en vrouw geen sprake, alle nadruk ligt op het ondergeschikt zijn van de vrouw. 

6.

Het is pas aan het einde van de 20e eeuw, dat er in de GKv een consensus gekomen is dat er naast de ondergeschiktheid van de vrouw aan de man ook recht moet worden gedaan aan haar gelijkwaardigheid.

in 1993 spreekt de GS Ommen uit dat in de besluitvorming van de GS Groningen-Zuid 1978 over het vrouwenkiesrecht te weinig rekening is gehouden met teksten waarin gesproken wordt over ‘de gelijkwaardige positie die man en vrouw in Christus hebben ontvangen (Gen. 1:26-28, Hand. 2:17-18, Gal. 3:28 en 1 Petr. 2: 5 en 9), en de onderdanigheid van man en vrouw aan elkaar (Ef. 5:21)’.

Om haar besluit te onderbouwen om aan vrouwen het actief kiesrecht toe te kennen doet zij, steunend op het commissierapport, een beroep op de volgende exegetische conclusies:

 “Het nadenken over de positie van de vrouw moet uitgaan van de schepping. Uit Gen. 1 en 2 blijkt dat de Here man en vrouw beiden geschapen heeft naar zijn beeld, in volkomen gelijkwaardigheid; daarnaast wijst de Schrift ook op het onderscheid tussen man en vrouw: de man is eerst geschapen en heeft de taak om voorop te gaan en leiding te geven; de vrouw om te volgen.

Ik kan niet anders concluderen dan dat de twee lijnen van ‘gelijkwaardigheid’ en ‘verschil in verantwoordelijkheid’ die de Kerngroep als de Bijbelse visie beschouwt, feitelijk een historisch construct uit de laatste helft van de 20e eeuw is. Het meest opmerkelijke daarbij is verder, dat zij de visie van GS Ommen 1993 die gebaseerd is op haar exegese van de MVEA-teksten, nu als twee vaststaande normatieve hermeneutische lijnen voor de exegese van MVEA-teksten presenteert.

7.

Samenvattend stel ik vast dat ‘de Bijbelse visie’ waar de Kerngroep de GS Goes 2020 aan afmeet, een historisch construct is waarmee aan het einde van de 20e eeuw geprobeerd is te dealen met de veranderende positie van de gereformeerde vrouw in kerk en samenleving.

Het minste dat je kunt zeggen, is dat de visie van de Kerngroep dan even contextueel bepaald is als die van de GS Goes 2020. Belangrijker is de conclusie dat de Kerngroep op basis van deze ‘Bijbelse’ visie haar oordeel niet kan onderbouwen dat in de GKv sprake is van dwaalleer en van openheid voor Schriftkritiek. Hier is gewoon sprake van een verschillende visie op de exegese van de MVEA-teksten. Niet meer, niet minder.

P.S.

‘Wie bent u dat u een oordeel velt over de dienaar van een ander? Of hij wel of niet volhardt in het geloof gaat alleen zijn eigen meester aan – en hij zal volharden, want de Heer heeft de macht hem dat te laten doen. (…) Wie bent u dat u een oordeel velt over uw broeder of zuster? (…) Breng het goede dat God u schenkt geen schade toe, want het koninkrijk van God is geen zaak van eten en drinken, maar van gerechtigheid, vrede en vreugde door de heilige Geest. (…) Laten we daarom streven naar wat de vrede bevordert en naar wat opbouwend is voor elkaar. Breek het werk van God niet af omwille wat u eet. (…) Laat ieder van ons zich richten op het belang van de ander, op wat goed en opbouwend voor hem is. (…) Moge God, die ons doet volharden en ons troost geeft, u de eensgezindheid geven die Christus Jezus van ons vraagt. Dan zult u eendrachtig en eenstemmig lof brengen aan de God en Vader van onze Heer Jezus Christus. Aanvaard elkaar daarom ter ere van God, zoals Christus u heeft aanvaard.’[8]


[1] Voor een korte uitleg van deze passage in Matt. 7, 1-5 zie Jonathan T. Pennington, The Sermon on the Mount and Human Flourishing. A Theological Commentary, Grand Rapids: Baker Academic, 2017,  255-260. Jezus roept op tot een faire evaluatie: ‘men moet niet over een ander een harder oordeel uitspreken of een andere maatstaf aanleggen dan dat je ook jezelf beoordeelt.’ 

[2] Op de avond zelf en in de gepresenteerde bundel ‘Het Woord in geding’ worden de termen ‘Schriftkritiek’ of ‘nieuwe hermeneutiek’ nauwelijks genoemd. Toen ik uitsprak dat het mij iedere keer pijnlijk treft, wanneer ik als voorstander van de vrouw in het ambt als ketter weg wordt gezet, terwijl ik van harte de normativiteit van Gods Woord onderschrijf en mij kerkordelijk wil buigen onder ‘het juk van Christus’, opponeerde men tegen het gebruik van de term ‘ketter’. Men spreekt bewust over een ‘andere omgang met de Schrift’, een ‘nieuwe manier van Bijbellezen’, een ‘andere Schriftuitleg’ (exegese) en een ‘ander Schriftverstaan’ (hermeneutiek). Ook spreekt men over ‘dwaalleer’, ‘nieuwe hermeneutische inzichten in de GKv’, ‘het wordt moeilijk om de Gkv aan te spreken op trouw aan Gods Woord’, ‘een ambtsdrager kan in de nieuwe NGK met een beroep op ‘de leer van de Bijbel’ afwijken van de gereformeerde belijdenis, en daarmee de gemeente met eigen opvattingen op het verkeerde pad brengen.’ En tenslotte spreekt men met een beroep op Tertullianus uit, dat je ‘niet met ketters moet praten, omdat een discussie over de uitleg van de Schrift pas goed mogelijk is als je samen aanvaard hebt hoe je de Schriften moet lezen.’

[3] Voor een bespreking van deze visie van de Kerngroep zie mijn artikel in het Gereformeerd Kerkblad van 3 februari 2023 ‘Gereformeerd blijven: hoe doe je dat?’, ook gepubliceerd op mijn weblog: https://fpathuis.wordpress.com/2023/02/03/gereformeerd-blijven-hoe-doe-je-dat/.

[4] Henk Room, ‘Geen eigenmachtige uitleg!’, in: P.T. Pel & H.J. Room (red.), Het Woord in geding¸ Kerngroep bezinning GKv, 2022, p. 9-50.

[5] H. Bavinck, Het Christelijk Huisgezin, Kampen: J.H. Kok, 1908, p. 190.

[6] A.w., p. 203.

[7] H. Bavinck, De vrouw in de hedendaagsche maatschappij, Kampen: J.H. Kok, 1918, p. 42.

[8] Romeinen 14:1 – 15:7.

Gereformeerd blijven: hoe doe je dat?

Een werkgroep van GKv-leden is bezorgd over de aantasting van het gereformeerd karakter van de GKv. Dat zou zich uiten in vrouwelijke ambtsdragers, een andere visie op de belijdenis, het toelaten van kinderen aan het avondmaal, de acceptatie van homoseksuele relaties, en uit de kerkorde voor het nieuwe kerkverband van GKv en NGK. Daarom organiseert men een maandlang regionale bezinningsavonden, met als leidraad het boek ‘Het Woord in geding’ en als doel ‘bezinning en verbinding.’ Voor wie het uitgangspunt van deze bundel niet deelt, is het echter lastig om zich met hen verbonden te voelen.

[Artikel in Gereformeerd Kerkblad d.d. 3 februari 2023]

De ‘Kerngroep bezinning GKv’ is een voortzetting van de ‘Kerngroep bezinning Man, Vrouw en Ambt’, opgericht in 2017 na de besluiten van de GKv Synode over ‘m/v en ambt’, aangevuld met leden uit kerken die gezamenlijk optrokken in hun revisieverzoeken voor de GS Goes 2020. Op 19 november 2022 werd bovengenoemd boek op Urk gepresenteerd. Men gaf daarbij te kennen dat als je gereformeerd wilt blijven, je niet met de nieuwe NGK mee kunt gaan. Daarmee worden de bezinningsavonden vooral een stimulans tot een afscheiding van de GKv. 

Schriftgezag  

‘Gereformeerd blijven’ is een slagzin die de afgelopen dertig jaar regelmatig in de GKv heeft geklonken, inclusief de daarbij behorende bezinningsavonden, lezingen, manifesten en websites. De thema’s die aan de orde werden gesteld waren ook doorsnee dezelfde, zoals het Schriftgezag, de hermeneutiek, het handhaven van de artikelen NGB 3-7 en NGB 27-29, de belevingscultuur en het independentisme. Ze waren de voorboden van afscheidingen vanuit de GKv en het ontstaan van de DGK in 2004 en de GKN in 2009.

Gemeenschappelijk in de pleidooien voor ‘gereformeerd blijven’ was dat men de eigen interpretatie van de Bijbel en de belijdenis voor normatief hield en afwijkende interpretaties daarvan als niet meer gereformeerd duidde. De eigen visie ondersteunde men vaak met een beroep op de wijze, waarop wij in de GKv eerder de Bijbel en belijdenis uitlegden en handhaafden. Verder kwam het regelmatig voor, dat men de visies die men afwees typeerde als een toegeven aan Schriftkritiek en moderne theologie, of aan eigentijdse moderne en postmoderne levens- en wereldbeschouwingen.

Ook in ‘Het Woord in geding’ komen we dezelfde onderwerpen en typen argumentaties tegen. Daarbij staat vooral de visie van de GS Goes 2020 op ‘vrouw en ambt’ en op de nieuwe kerkorde centraal. Die worden geduid als gedragen door een Schriftverstaan, waarin de Bijbel wel formeel als Gods Woord wordt erkend, maar waar materieel aan de inhoud van de Schrift te kort wordt gedaan doordat men uit zou gaan van een relativistisch en postmodernistisch waarheidsbegrip.

Hermeneutische factor

Wie het boek analyseert kan waarnemen dat er een sterke tendens is om te suggereren dat de hermeneutische factor in zowel het ‘sola scriptura’ (alleen de Schrift) als het ‘tota scriptura’ (geheel de Schrift) geen rol speelt.

Allereerst stelt men dat in het synoderapport ‘Elkaar van harte dienen’ (EVHD) dat diende op de GS Goes 2020, afgeweken wordt van de gereformeerde hermeneutiek en dat het ‘sola scriptura’ niet meer functioneert. Met name Gert van den Brink probeert aan te tonen dat de synode uitgaat van een filosofische hermeneutiek, waarin de betekenis van de tekst per definitie onbepaald zou zijn en de bijbel daarom altijd anders uitgelegd moet worden. Waar EVHD m.i. de aandacht voor vraagt, is niet dat de tekstbetekenis (principieel) onbepaald is, maar dat om de betekenis van een tekst vast te stellen er altijd interpretatie of vertolking nodig is. Daarom kan er ook verschil van inzicht ontstaan over wat Paulus met zijn aanwijzingen betreffende de organisatie van Gods volk precies voor ons bedoelt, en is het noodzakelijk om het gesprek te voeren en te beoordelen in welke mate een ander inzicht binnen een gereformeerd kader legitiem is.

Naast dat ‘Het Woord in geding’ ervan uitgaat dat de interpretatie die zij van Paulus’ voorschriften geeft de normatieve exegese is, ontkent men vervolgens met een beroep op het ‘tota scriptura’ de mogelijkheid, dat de Bijbelse voorschriften en beschrijvingen van de man-vrouw verhoudingen contextueel bepaald kunnen zijn en in onze tijd niet meer van toepassing hoeven te zijn.

In de wijze waarop men vanuit het ‘tota scriptura’ argumenteert, wordt duidelijk dat men het hermeneutisch onderscheid dat in de gereformeerde theologie gemaakt is tussen ‘normatief Schriftgezag’ en ‘historisch Schriftgezag’ (H. Bavinck) niet wil honoreren. Dat blijkt vooral uit de categorische afwijzing van de MVEA-besluiten van de GKv-synoden: Henk van den Belt, die vanuit zijn toepassing van de reformatorische hermeneutiek stelt dat ‘de Heilige Geest de kerk niet zal leiden in een richting die tegengesteld is aan (de tekst) van de Schrift’; Dolf te Velde die vanuit zijn uitleg van de NGB Art. 3-7 betoogt dat ‘een expliciete onderbouwing vanuit de Schrift uitblijft’; en tenslotte Pieter Pel die met een beroep op NGB Art. 7 de synode beschuldigt dat zij het materiele gezag van de Bijbel aantast door geen daadwerkelijke inhoudelijke erkenning van de Schrift te bieden en zo daaraan ‘afdoet en toedoet’.

Gereformeerd blijven

Het is evident dat de synode in het dossier ‘vrouw en ambt’ een andere uitleg en toepassing van de bijbel biedt. Zij doet dat binnen de kaders van de gereformeerde hermeneutiek, wat je aan de hand van de visie van K. Schilder vrij eenvoudig duidelijk kunt maken. Hij onderscheidde tussen (a) blijvende gronden, (b) wisselende heilshistorische bedelingen, en (c) actuele concrete bepaaldheid. De synode behandelt de MVEA-teksten in het kader van (b) en (c), terwijl de Kerngroep deze teksten betrekt op (a) en (b). De Kerngroep doet daarbij vooral een beroep op de traditionele gereformeerde exegese, terwijl de synode inhoudelijk exegetisch en hermeneutisch beargumenteert hoe zij tot een andere visie is gekomen.

Hoe kun je bij verschil van inzichten toch gereformeerd blijven? Niet door te claimen dat jouw interpretatie de enig ware is, wel ‘door elkaar in een open gesprek te zoeken, elkaar beter te verstaan en van elkaar te leren en zo samen verder te komen’ (Bert Loonstra). En de zinsnede die hij daaraan toevoegde over de groepsvorming in de GKv van destijds lijkt mij nog steeds van toepassing om de huidige marathon van bezinningsavonden af te wijzen: ‘een polariserende tactiek te zoeken die kennelijk tot doel heeft een bepaald geluid te versterken en daarmee neerkomt op het streven naar invloed, is niet gereformeerd.’[1] Het criterium voor gereformeerd blijven is dat je dankzij Gods genade in zijn Geest verbonden blijft in het ene geloof in Christus Jezus, de Zoon van God, in overeenstemming met de Bijbel en de gereformeerde geloofsbelijdenissen (Art. A1.1 KO NGK).


[1] Deze alinea is bij nader inzien enigszins aangepast omdat de strekking daarvan onhelder bleek. De verwijzing is naar de blog van Bert Loonstra over groepsvorming in de GKv rond 2012: https://bertloonstra.nl/blog/anders-gereformeerde-kerk-blijven/.

Kerkelijke veranderingen in perspectief

Iedereen beseft dat de gereformeerden de afgelopen 150 jaar veranderd zijn. Maar hoe kun je die verandering duiden? Merijn Wijma kiest in haar recent aan de TU Kampen/Utrecht verdedigde proefschrift ‘A Great Multitude One Can Count’ een boeiend historisch-demografisch en een historisch-geografisch perspectief. Hoe hebben de ledenaantallen zich in de loop der tijd ontwikkeld en op welke plekken zijn de gereformeerden vooral te vinden? Dat is een kwestie van statistiek. Interessant wordt het als ze die statistische gegevens probeert te verklaren vanuit een sociologisch en cultureel perspectief.   

[Artikel in Gereformeerd Kerkblad van 13 mei 2022]

Tegelijk met het Engelstalige proefschrift verscheen de Nederlandse vertaling onder de titel ‘Een menigte die men tellen kan’.[1]

Acht kerkverbanden

De acht kerkverbanden die Wijma beschrijft zijn achtereenvolgens:

(1) de Gereformeerde Kerken in Nederland (GKN) ontstaan in 1892 bij de Vereniging van de kerken van de Afscheiding (1834) en die van de Doleantie (1886) en die in 2004 opgingen in de Protestantse Kerk in Nederland (PKN);

(2) de Christelijk Gereformeerde Kerken (CGK) ontstaan in 1892 omdat men als Afgescheiden kerken geen deel wilde uitmaken van de bij de Vereniging ontstane GKN;

(3) de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt (GKv) die in 1944 met de Vrijmaking ontstonden;

(4) de Nederlands Gereformeerde Kerken (NGK) die in 1967 na de scheuring in de Gkv over de Open Brief ontstonden;

(5) de Gereformeerde Gemeenten (GG), deels afkomstig uit kerken van de Afscheiding die in 1907 mede door toedoen van ds. G.H. Kersten samengingen met gemeenten die zich verbonden voelden met ds. L.G.C. Ledeboer, een predikant die zich rond 1840 niet bij de Afscheiding aansloot maar zelfstandig bleef en eigen gemeenten stichtte;

(6) de Gereformeerde Gemeenten in Nederland (GGN) ontstaan in 1953 doordat zij in een conflict over de verbondsvisie dr. Steenblok volgden;

(7) de Hersteld Hervormde Kerk (HHK) die bij het ontstaan van de PKN in 2004 apart wilde blijven en zo de Nederlands Hervormde Kerk (NHK) wilde voortzetten;

(8) de Gereformeerde Bond (GB) ontstaan in 1906 als vereniging die in de NHK de (handhaving van de) gereformeerde belijdenissen wilde verdedigen en verbreiden en in 2004 zich aansloot bij de PKN.  

Wijma beschrijft dus de gereformeerde familie, maar niet iedereen die tot de familie behoort. Ze laat acht kerkverbanden of denominaties buiten beschouwing. Praktisch gezien vooral vanwege het ontbreken van statistisch materiaal of omdat ze klein zijn. Verder is het opmerkelijk dat de GB niet een apart kerkverband is, maar een groep of modaliteit binnen vroeger de NHK en nu de PKN. De keuze om de gegevens van GB in haar onderzoek mee te nemen is, omdat de GB toch een centrale positie in de gereformeerde familie heeft.

Toch vind ik het jammer dat ze daarnaast de Confessionele Vereniging (CV) in de NHK die in 1864 door o.a. Groen van Prinsterer opgericht werd, niet als tweede groep naast de GB meegenomen heeft. De CV gaf sinds 1888 het weekblad ‘De gereformeerde kerk’ uit, in 1930 aangepast naar ‘Hervormd Weekblad’. Rond 2000 zijn er nog zo’n 330.00 leden in de NHK die zich met de CV verbonden weten. Ook zou het mooi zijn geweest, wanneer Wijma een mogelijkheid had gezien om de gegevens van de GKN-kerken die in de PKN zijn opgegaan te reconstrueren.

Orthodox en bevindelijk

De gereformeerde familie wordt door Wijma in twee groepen ingedeeld: ze beschouwt de GKN, GKv, NGK en CGK als orthodox-gereformeerden en de GG, GGN, HHK en GB als bevindelijk-gereformeerden. Het is een algemene typering, waarbij in bepaalde gemeenten of delen van deze kerkverbanden de werkelijkheid anders kan zijn. Dat geldt m.n. voor de GB en de CGK. De socioloog C.S.L. Janse schat in 1985 bijvoorbeeld dat 1/5 deel van de CGK bevindelijk is. In 2001 schrijft hij dat  ‘in de hele geschiedenis van de CGK de spanningen tussen bevindelijk en orthodox met een zekere regelmaat op synoden en in gemeenten aan de oppervlakte [zijn] gekomen.’

Hoe logisch het ook lijkt om dit onderscheid te gebruiken, met dit theologisch gemotiveerd criterium van de mate van bevindelijkheid sorteert Wijma al wel voor op de verklaringen die ze later in haar onderzoek zal bieden voor de verschillen tussen de kerkverbanden die ze in de statistische analyse heeft gevonden. Een tweede kanttekening is, dat ze geen mogelijkheid ziet om de invloed van de evangelicalisering van de gereformeerde wereld als verklarende factor te gebruiken. De evangelisch-gereformeerde kern die Stoffels in 1995 bij de orthodox-protestanten onderscheidt is met de door haar gebruikte gegevens moeilijk meetbaar, hoewel ze wel veronderstelt dat die aanwezig is.  

Enkele resultaten

Groei en krimp van kerkverbanden en eventuele vergrijzing kan verbonden worden met (a) de hoogte van de geboorte- en sterftecijfers, (b) het aandeel jongeren/doopleden, (c) grensverkeer tussen kerkverbanden, en (d) vertrek van (doop)leden.

Een voorbeeld is de CGK waarvan langere tijd het sterftecijfer hoger was dan in de Nederlandse bevolking. Dat kan verklaard worden doordat de CGK in de jaren ’60 en ’70 een instroom had van (oudere) verontrusten uit de GKN. Rond 2006 daalt het sterftecijfer, maar dan is er ook een grote instroom van GKv-leden die een opvallend laag sterftecijfer kennen. Een ander voorbeeld is dat de Nederlandse bevolking een veel kleiner deel 0-20-jarigen heeft dan de kerkverbanden doopleden. Daarbij hebben de orthodoxe gereformeerde kerkverbanden in tegenstelling tot de bevindelijke wel afnemende percentages doopleden, maar toch nog minder dan in de Nederland bevolking als geheel.

De groei van gereformeerde kerkverbanden komt niet door nieuwe leden uit de seculiere wereld als gevolg van evangelisatie en ook niet door grensverkeer tussen kerkverbanden, maar door hoge geboortecijfers en de manier waarop ze door zuilvorming hun gemeenschap dicht bij elkaar hebben behouden. Krimp is het gevolg van afnemende geboortecijfers en het vertrek van leden door een afnemende binding van leden. Dit laatste biedt m.i. een nuancering van een conclusie van Wijma dat de ontwikkeling van katholieke en hervormde kerken heel anders verloopt dan die van gereformeerde kerkverbanden. Wat groei betreft zijn gereformeerde kerkverbanden inderdaad anders, maar wat krimp is er toch enige overeenkomst.

Conflicten komen vooral voor in de groeifase, waarin kerkverbanden nog hun weg moeten zoeken om hun groepsidentiteit te vormen. Alleen in de GKv zijn er scheuringen in tijden van krimp geweest (2003/2009). Dat kan verklaard worden als een terugkeer naar de wortels en tradities die ooit vormend waren voor het ontstaan van het kerkverband, met name terugkeer naar een eenduidige vrijgemaakte groepsidentiteit gedragen door een ware-kerkbesef.

Orthodoxe Biblebelt

Een interessant demografisch inzicht is, dat Wijma aantoont dat naast een ‘Biblebelt’ van de bevindelijke kerken er ook een ‘orthodoxe Biblebelt’ is. Veel leden van de NGK, de GKV en ook de CGK wonen op de Veluwe, in het westen van Gelderland, in het Vechtdal van Overijssel, Flevoland en in de noordelijke provincies.

Daarnaast maakt ze zichtbaar dat er sinds de jaren ’50 een vertrek uit de vier grote steden naar de meer kleine steden en dorpen is geweest. Verder dat de groei van de kerkverbanden door de jaren heen vooral is afgenomen in de grensgebieden zoals Groningen, de randen van Friesland en Zeeuws-Vlaanderen. Dat roept de vraag op of we op regionaal of landelijk niveau elkaar als kerken meer kunnen of zouden moeten steunen in het omgaan met krimp in de kerken.

Uitdagingen

Als er sprake is van grensverkeer dan is de richting vooral die van streng naar minder orthodox of van streng bevindelijk naar minder streng en naar het midden van de NHK/PKN. Met de schaal van wereldgelijkvormigheid van Polderman uit 1996 kun je spreken van een toenemende openheid naar de samenleving. Met eenzelfde proces van openheid verbindt Wijma ook het gegeven dat zelfs (bevindelijke) kerkverbanden die hun leden het beste aan zich weten te binden, met moeite hun groei kunnen volhouden. Dat wijst op een sterke druk van buiten om zich aan te passen.

Daarin ligt ook de uitdaging van Wijma’s analyse. Op zichzelf is het niet vreemd dat kerkverbanden krimpen. De vraag is op welke wijze je de druk van de secularisatie en individualisering kunt weerstaan. Een kerkverband zal alleen kunnen blijven bestaan, wanneer het zich voldoende onderscheidt van de omringende samenleving op een manier die waardevol voor haar leden is. Tegelijk kan de afstand tot de samenleving ook zo groot worden, dat (doop)leden de kerk verlaten.

Uit de analyse van Wijma blijkt dat de aanwezigheid van gereformeerd basis- en middelbaar onderwijs een positieve correlatie had met de grootte en de groei van gereformeerde kerken. Dit betekent dat het zaak blijft om grote aandacht te hebben voor de geloofsoverdracht en identiteitsvorming van de jongere generaties. Daarnaast is uit haar analyse af te leiden dat, – ook al willen we niet weer terug naar eigen zuilvorming -, we moeten investeren in het versterken van de onderlinge betrokkenheid en de groepsidentiteit, willen we als kerken blijven bestaan.

Mooi proefschrift

Merijn Wijma heeft een grote prestatie geleverd. In een helder betoog presenteert ze de cijfers over de ontwikkeling van de ledentallen van gereformeerde kerkverbanden in Nederland van de afgelopen eeuw. Daarnaast weet ze die op overtuigende wijze te verbinden met de sociale, demografische en culturele context, ondersteund met een beroep op de verschillende theologische achtergronden van de kerkverbanden. Het boek is mooi in meerkleurendruk uitgegeven, zodat ook de verschillende figuren en tabellen goed te interpreteren zijn.


[1] Merijn Wijma, Een menigte die men tellen kan. Een historisch-geografische beschrijving van de ledentalontwikkeling van gereformeerde kerkverbanden in Nederland 1892-2015, Amsterdam: Buijten & Schipperheijn Motief, 2022, 462 pagina’s, € 29.90.