De Geest herstelt en herschept Gods koninkrijk op aarde

(Fragmenten uit de preek gehouden op de 1e Pinksterdag d.d. 8 juni 2025 in de CGK Kampen Eben-Haëzer naar aanleiding van de Heidelbergse Catechismus Zondag 20, ‘Wat gelooft u van de Heilige Geest?’) 

  • De komst van het Koninkrijk van God is de kern van het evangelie

Als invalshoek om over de het werk van de Heilige Geest na te denken kies ik vandaag hoe in het bijbelboek Handelingen het evangelie samengevat wordt en welke rol de Heilige Geest heeft in de manier waarop de vervulling van de belofte van het evangelie gestalte krijgt in het leven van de gelovigen.

En dan is mijn eerste punt dat het in de verkondiging van het evangelie gaat om de komst van het Koninkrijk van God in onze wereld. Dat is de kern, zoals Lukas in Handelingen die omschrijft.

En dat is wel bijzonder, omdat ik denk dat wij dat niet zo als eerste zouden benoemen. Vanuit onze gereformeerde traditie staan wij daarin anders voorgesorteerd. Dat viel me weer op, toen ik in de voorbereiding van deze preek nog eens naging, wat die weldaden zijn, waarover HC Zondag 20 over spreekt: ‘Dat de Heilige geest ook mij gegeven is om mij door een echt geloof deel te doen hebben aan Christus en al zijn weldaden.’ En als je dan de dogmatische handboeken erop na slaat, dan wordt dat uitgelegd als de orde van het heil, die dan betrokken wordt op de gelovige als persoon.

Zo kwam ik als voorbeeld in het catechismusboekje van Abraham Hellenbroek deze vragen en antwoorden tegen:

Uit: Abraham Hellenbroek, Voorbeeld der Goddelijke waarheden

13. Over de roeping                  

1.    Waartoe is Christus zo verhoogd?                        
Om ons Zijn weldaden toe te passen.                  

2.    Hoe kunnen de weldaden van Christus onderscheiden worden?             In:    -  weldaden in dit leven;                                
-  weldaden na dit leven.                 

3.    Wat zijn de voornaamste weldaden in dit leven?                              -  De Roeping;                                
-  de rechtvaardigmaking;                                
-  de heiligmaking.                 

4.     Wat zijn de voornaamste weldaden in dit leven?                            -  De opstanding;                                
-  het laatste oordeel;                                
-  het eeuwige leven.  

De weldaden worden gecentreerd rond de verzoening van de gelovige met God door het offer van Christus. Zo hebben wij in onze traditie het evangelie eigen gemaakt, en dat is dan ook lens waarmee wij allerlei teksten uit het Nieuwe Testament uitleggen en de boodschap van de Bijbel samenvatten.

Toch is in Handelingen de kern van het evangelie dat Gods rijk hier op aarde is gekomen. Dat is voor Jezus het onderwerp van gesprek met de leerlingen, in de 40 dagen tussen zijn opstanding en de hemelvaart. Zij moeten getuigen wat ze drie jaar lang van Jezus gezien en gehoord hebben, namelijk dat het Koninkrijk van God dichtbij is gekomen, en dat Jezus iedereen uitnodigde om dat Koninkrijk binnen te gaan. Vandaar ook dat Petrus op de Pinksterdag vooral het koningschap van Christus benadrukt, wanneer hij zegt (2:36): ‘Laat het hele volk van Israël er zeker van zijn dat Jezus, die u gekruisigd hebt, door God tot Heer en messias is aangesteld.’

En ook voor Paulus is dit de kern. Tegen de Joden in Rome spreekt hij uit, dat het gaat om de vestiging van Gods heerschappij op aarde. Dat gaat via de etappes van Jezus’ lijden, opstanding en hemelvaart en de uitstorting van de Heilige Geest. Het gaat in dat alles om vervulling van ‘de hoop die Israël’ koesterde, de hoop op de opstanding uit de dood voor het volk Israël, zoals Ezechiël daarover profeteerde in hoofdstuk 37, dat een dal vol doodsbeenderen weer tot leven zal komen. Het is de hoop dat God een nieuw verbond zal sluiten, waardoor hij weer voor altijd bij zijn volk zal wonen. Het is de hoop dat er iemand uit het huis van David weer koning zal zijn.

Voor de apostelen is de kern van het evangelie, dat deze aloude verwachting van een toekomstige Messias-koning in het leven en het werk van Jezus werkelijkheid geworden. Dat is de boodschap die in het boek Handelingen in de verkondiging van de apostelen tot klinken komt.

  • God sluit een nieuw verbond met Zijn volk

Nu Christus Koning in de hemel is, is de eindtijdperiode aangebroken, het laatste der dagen waar Joel in zijn profetie over gesproken heeft, en waar Petrus in zijn toespraak naar verwijst.

God heeft in Christus een nieuw verbond met zijn volk gesloten, en ieder die hem aanvaardt als Heer mag als teken daarvan worden gedoopt en krijgt zo toegang tot Gods Koninkrijk: hij of zij wordt burger van dat Rijk. Dat ligt besloten in de oproep van Petrus aan degenen, die diep aangeraakt zijn door zijn toespraak en hem de vraag stellen: ‘Wat moeten we doen, broeders?’ Petrus zegt dan (2:38-39):

‘Keer u af van uw huidige leven en laat u dopen onder aanroeping van Jezus Christus om vergeving te krijgen van uw zonden. Dan zal de heilige Geest u geschonken worden, want voor U geldt deze belofte, evenals voor uw kinderen en voor allen die ver weg zijn en die de Heer, onze God, tot zich zal roepen.’

Wanneer Petrus over ‘vergeving van zonden’ spreekt, dan moet je die uitdrukking ook niet allereerst persoonlijk duiden. Petrus spreekt de hoorders aan als het volk Israël. Zij hebben Jezus aan de heidenen uitgeleverd. Daarom zegt hij ook dat ‘het hele volk van Israël’ er zeker van moet zijn dat Jezus, ‘die u gekruisigd hebt’ tot Heer en Messias is aangesteld. En als hij zegt ‘Keer u af van uw huidige leven en laat u dopen’, dan spreekt hij hen ook aan als Gods volk. En zo is ook de belofte dat de heilige Geest geschonken wordt, allereerst de belofte aan het volk Israël als collectief.

De zonde van Gods volk is dat zij (tijdens wat wij nu noemen ‘onder het oude verbond’) God als koning en Heer hebben afgewezen door hun eigen gang te gaan en andere goden als hun Heer te kiezen. Eigenlijk heeft het volk nog steeds die houding. Dat is duidelijk geworden, zegt Petrus, doordat de leiders Jezus, de gezalfde van God, de Messias, aan de Romeinen overgeleverd hebben en hebben laten kruisigen. Van die afwijzing van God als Heer moeten de hoorders van Petrus zich distantiëren, wat hij nog eens benadrukt door te zeggen, dat ze zich moeten laten redden uit ‘dit verdorven mensengeslacht.’

En als zij zich bekeren en zich laten dopen, zullen ze deel krijgen aan de belofte van Gods Geest. Dat was die andere belofte, waarover Ezechiël ook al mocht profeteren. Hij profeteert niet alleen over de opstanding van het volk Israël uit de dood van de ballingschap, maar ook over de reiniging van het volk en de gave van het nieuwe leven, doordat God met hen een nieuw verbond zal sluiten, en waarin hij hen zijn Geest zal geven. Kort samengevat vinden we dat in Ezechiël 36 : 24-28:

‘Ik leid jullie weg bij de volken, ik breng jullie bijeen uit die landen en laat je naar je eigen land terugkeren. Ik zal zuiver water over jullie uitgieten om jullie te reinigen van alles wat onrein is, van al jullie afgoden. Ik jullie een nieuw hart en een nieuwe geest geven, ik zal je versteende hart uit je lichaam halen en je er een levend hart voor in de plaats geven. Ik zal jullie mijn geest geven en zorgen dat jullie volgens mijn wetten leven en mijn regels in acht nemen. Jullie zullen in het land wonen dat ik aan je voorouders gegeven heb, jullie zullen mijn volk zijn en ik zal jullie God zijn.’

Deze belofte wordt nu op deze Pinksterdag vervuld, want voor Petrus staat de vertegenwoordiging van het volk Israël uit de verstrooiing. Ook voor hen en hun kinderen geldt de vervulling van deze oude belofte over de reiniging en het herstel van het volk Israël door de Geest.

  • De Geest schept Gods volk tot een nieuwe mensheid

De komst van Gods rijk is een belangrijk middel voor de Heilige Geest om de herschepping van onze gevallen wereld tot stand te brengen. Ik wil nu drie elementen noemen, waarin zichtbaar wordt hoe de belofte van de Heilige Geest vervuld wordt in het leven van ons als gelovigen in Gods rijk.

Als eerste sluit ik aan bij het inzicht dat wij door de doop eigendom geworden zijn van Christus. Dat Christus onze Heer is, betekent ook dat wij een beroep op zijn bescherming mogen doen. Christus is in de hemel ons ten goede. En zo mogen wij uitzien om vervuld te worden van de Geest, die ons helpen wil om te geloven, die ons steunen wil in de onze strijd tegen de aanvallen van de boze en wiens hulp wij mogen inroepen om ons te beschermen tegen het kwaad, dat ons in deze wereld kan overkomen. En tegelijk betekent dit van onze kant dat wij Vader, Zoon en Geest willen erkennen en belijden als onze God. Dat doen we als we bidden, als we onze belijdenis uitspreken, wanneer we God bezingen in onze liederen en als we hem danken voor wie Hij voor ons is, en wat Hij voor ons gedaan heeft, als onze schepper en onze verlosser. Wanneer wij zo God eren, dan mogen wij daarin Gods Geest in ons leven aan het werk zien.

Als tweede is de Geest actief in de herschepping, dat wil zeggen in het herstel van de breuken, van het onrecht en van het kwaad in de schepping en in de geschiedenis. En dat doet hij vooral doordat hij een vernieuwde mensheid schept. Het begin van die nieuwe mensheid ligt bij de roeping van Abraham en de vorming van het volk Israël. Als God in Ezechiël 36 belooft dat Israël als volk een nieuw hart krijgt, doordat Hij hen door zijn Geest reinigt en heiligt, betekent dit dat het volk Israël weer tot zijn bestemming komt en de roeping om tot een zegen voor de wereld te zijn, zullen vervullen. In het Nieuwe Testament wordt dat mogelijk, omdat Gods vernieuwde volk dat bestaat uit Joden en heidenen, in Christus leeft en dat Christus door zijn Geest met hen verbonden is.

Het werk van de Geest is dat hij in ons de goedheid van God zichtbaar maakt. Dezelfde goedheid die Jezus hier op aarde tijdens zijn leven in zijn daden en boodschap tot uitdrukking bracht. Die goedheid wordt nu ook zichtbaar in de gelovigen, wanneer hij in hun levens een transformatieproces op gang brengt. Dan wordt hun leven steeds meer gekenmerkt door vreugde, vriendelijkheid, barmhartigheid, geduld en aandacht voor de medemens en de schepping. Zij bieden troost en ondersteuning, geven geld en goederen, en zijn dienstbaar. Vaak is het absoluut niet spectaculair, maar overal weer mensen zo leven vanuit geloof, hoop en liefde, mogen we het werk van de Geest zien en ervaren.

En een derde element is dat ons leven vandaag in Gods koninkrijk nog maar stukwerk is, en in alle gebrokenheid en gebrek en zonde tot stand komt. Dat betekent dat we moeten leren om de geesten en de machten in onze wereld te beproeven, en dat wij moeten onderscheiden wat vanuit God komt en wat vanuit de mensen of kwade machten komt. Daarom is de Geest in ons leven en in ons samenleven schiftend en scheidend aan het werk is. Hij snoeit ons leven en ons werk, en wanneer ons werk door eigen schuld ons bij de  handen afbreekt, wil hij ons ontdekken aan het verkeerde in ons denken en doen, en wil hij ons ertoe dringen om ons te laten hervormen, zodat we bereid zijn God en mensen vergeving te vragen waar wij gefaald hebben, en wil hij ons opnieuw laten strijden tegen het kwaad en het verkeerde in ons leven, zodat wij weer het goede voor de ander zullen zoeken.

Samenvattend zijn dit drie manieren waarop wij de Geest vandaag in onze wereld aan het werk zien. De Geest als beschermer en trooster, de Geest als kracht van vernieuwing naar Christus’ beeld, en de Geest oordelend over het kwade. Drie vormen, waarin de Geest ons aanspoort om ons leven aan God toe te wijden en de verbinding te zoeken met zijn Koninkrijk hier op aarde. Om als gelovigen elkaar vast te houden en elkaar te stimuleren om de weg van Gods liefde te gaan, en zo voor de ander als Christus te zijn. Niet omdat wij de ander uitgekozen hebben om in de gemeente mee samen te leven, maar omdat Christus ons zo als begin van een vernieuwde mensheid aan elkaar gegeven heeft. Zo verlangt God ernaar dat wij samen op weg zullen gaan naar het moment dat God, in Christus en door zijn Geest, eens alles in allen zal zijn, het moment waarop hemel en aarde voor eeuwig met elkaar verbonden zullen worden.


Liturgie CGK Kampen Eben-Haëzer d.d. 8 juni 2023, 17.00 u

  • Welkom
  • Zingen: Opw 343 – Heilige Geest van God, vul opnieuw mijn hart 
  • Moment van persoonlijk gebed
  • Votum + zegengroet
  • Zingen: LB (2013) Lied 971 : 1, 2 en 3 – Zing een nieuw lied voor God de Here
  • Gebed
  • Schriftlezing: NBV Hand. 1 : 1 – 8 en 28 : 17 – 31
  • Zingen: LB (2013) Lied 969 : 1, 2, 3 en 4 – In Christus is noch west noch oost
  • Lezen: HC Zondag 20
  • Verkondiging
  • Zingen: Weerklank Lied 197 : 1, 2. 3, 8 en 9 – In vuur en vlam zet ons de Geest
  • Dankgebed en voorbeden
  • Collectemoment – Kerk en zending
  • Dankgebed voor de gaven
  • Als Geloofsbelijdenis: Gereformeerd Kerkboek (2017) Lied 177 : 1, 2, 3 en 4 – Heer, u bent mijn leven 
  • Zegen

HC Zondag 20

Vraag 53: Wat gelooft u van de Heilige Geest?

Antwoord:  Ten eerste dat Hij samen met de Vader en de Zoon waarachtig en eeuwig God is. Ten tweede dat Hij ook mij gegeven is, om mij door een echt geloof deel te doen hebben aan Christus en al zijn weldaden, mij bij te staan en eeuwig bij mij te blijven.

Het evangelie van Gods heil

Op 31 oktober 1517 sloeg Maarten Luther 95 stellingen aan de slotkapel in Wittenberg. Het is de start van de Reformatie, met als kern dat de schat van de kerk is ‘het allerheiligst evangelie van de heerlijkheid en de genade van God.’ Maar hoe verwoord je dat heil en hoe maak je de betekenis daarvan duidelijk? In de tijd van de Reformatie was ‘de rechtvaardiging van de goddeloze’ het slagwoord. In zijn recente boek ‘Vrede op aarde’ pleit Stefan Paas er vanuit een missionaire invalshoek voor om vandaag de begrippen ‘vrede’ en ‘verbond’ in de verwoording van Gods heil centraal te stellen. 

[Artikel in Gereformeerd Kerkblad d.d. 27 oktober 2023 door Fokke Pathuis ]

De aanleiding voor Paas om zijn boek te schrijven is het ongemak dat veel orthodox-protestantse christenen vandaag ervaren bij het Bijbelse verhaal, zoals ze dat gehoord hebben. Dat je alleen gered kunt worden als je op Jezus vertrouwt als je persoonlijke verlosser. Het christelijk geloof lijkt gereduceerd te zijn tot de ziel en de burgerlijke moraal, terwijl het lastig geworden is om God in het gewone, geseculariseerde leven te ervaren. Paas wil een handreiking bieden om vandaag via herkenbare religieuze praktijken een ‘vertrouwdheid met God’ op te bouwen, die hij omschrijft als ‘ontzag voor de HEER’.

Praktijken

Volgens Paas scharniert het Nieuwe Testament om ‘vrede’, die gekomen is doordat God trouw is aan zijn verbond. Hij verwijst naar Paulus die in Romeinen 3 schrijft dat in Jezus ‘Gods gerechtigheid’ (vs. 21) zichtbaar geworden is. Jezus’ komst bewijst dat God ‘voorbijgaat aan de zonden van het verleden’ (vs. 25). Zo ‘bewijst God zijn rechtvaardigheid’ (vs. 26), wat Paas samenvat als: ‘zijn radicale toewijding aan het verbond met zijn schepping.’ Opvallend is dat Paas in zijn uitleg van Romeinen 3 een totaal andere invalshoek lijkt te kiezen dan de Reformatie, die niet zozeer de wereld en de schepping centraal stelde, maar de individuele gelovige.

De centrale vraag voor Luther was: hoe kom ik recht tegenover God te staan? Die vraag kwam voort uit de religieuze praktijken van schuld en boete van de late Middeleeuwen. Doel van die praktijken was het verdienen van de genade van God door goede werken te doen. Daar tegenover komt Luther tot het inzicht dat de mens totaal niet in staat is om zo God tot genade te bewegen. In Rom. 1:17 vindt hij bevrijding van die onmogelijke poging: ‘De rechtvaardige zal door geloof leven.’ God zelf schenkt ons uit genade vrijspraak. Wij kunnen en hoeven niets te verdienen bij God. Niet op grond van goede werken, maar dankzij de kruisdood van Christus verklaart Hij – om niet – goddelozen rechtvaardig. Luther ruilt de religieuze praktijk van de boete in voor die van de prediking. Voor de Reformatie is de verkondiging van het evangelie hét middel om de gelovige te overtuigen en tot geloof te brengen dat God hem dankzij Christus welgezind is en vergeving van de zonden wil schenken.

Volken

Vanuit de manier waarop Lucas en Paulus het evangelieverhaal vertellen, lijkt de nadruk op de vergeving van de zonden in de Reformatie niet vreemd. Wel verwonderlijk is, dat de vertolking van het evangelie eeuwenlang voornamelijk op het persoonlijke heil van de gelovige gericht is geweest. Wie vanuit dat perspectief de samenvatting van het evangelie in het Nieuwe Testament terugleest, ziet dat dit een versmalling van de reikwijdte van de Bijbelse boodschap is. Jezus adresseert de verkondiging in Lucas 24:46-47 en Handelingen 26:17-18 collectief aan ‘de volken’, samenvattend: ‘door in Mij te geloven zullen ze vergeving krijgen voor hun zonden, en samen met allen die Mij toebehoren zullen ze deel krijgen aan mijn koninkrijk.’

Heil omvat in de Bijbel allerlei aspecten, waarvan de persoonlijke vergeving van zonden er één is: (a) verlossing uit moeilijke situaties, (b) verzoening tussen God en mens(en), (c) vergeving van schuld, overtreding, en mis/wandaden, (d) rechtvaardiging i.p.v. veroordeling/ toorn van God, (e) de positie van kind van God ontvangen/erfgenaam zijn, (f) vernieuwing van de mens als persoon, (g) heiliging van het leven, en (h) leven in Gods koninkrijk.

Gods koninkrijk

Boeiend is het te lezen hoe Paas, vanuit een kritische noot naar de piëtistische versmalling van het evangelie, het bredere perspectief van Gods koninkrijk kiest om Gods heil te verwoorden. Ook de hedendaagse zoektochten (1) naar gerechtigheid in een wereld vol onrecht, (2) naar verbinding in een samenleving vol polarisatie, en (3) naar een duurzame wereld, mag je duiden als praktijken met een religieuze dimensie, waarin gelovigen Gods heil zoeken en tot ervaring van God kunnen komen.

Leef in al je relaties vanuit de houding van Christus

Op zaterdag 1 juli a.s. vindt in het Nationaal Theater in Den Haag de nationale herdenking van Keti Koti plaats, want 150 jaar geleden is de slavernij in Suriname afgeschaft.

Officieel al op 1 juli 1863, maar in de praktijk pas in 1873. Want een groot deel van de tot slaaf gemaakten moest nog 10 jaar lang onder staatstoezicht op de plantages werken om de “schade van deze maatregel” voor de plantagehouders te beperken. Daarom stopte de slavernij voor velen pas echt in 1873. Toen was het pas echt Keti Koti, toen werden de ketenen pas echt verbroken.

Afgelopen week werden we met iets soortgelijks geconfronteerd in het dossier over de aardbevingsschade in Groningen.

Ook al was het in 2013 duidelijk dat vanwege de veiligheid van de Groningers de gaswinning teruggeschroefd moest worden, toch duurde het bijna 10 jaar voordat de ministerraad hier uiteindelijk toe besloot. Vanwege de economische belangen en de dreiging van miljardenclaims van de grote oliemaatschappijen werd de aardbevingsschade van de Groningers al die tijd als nevenschade geaccepteerd.

Dit is de actualiteit van de leefregels die Paulus in Efeziërs formuleert voor de omgang tussen mannen en vrouwen, ouders en kinderen, heren en slaven, en in het verlengde daarvan die tussen werkgevers en werknemers, en ook die tussen de overheid en zijn burgers.

Wat zijn de principes die het concrete gedrag aansturen en welke zijn de soms onzichtbare machten die de ordening van de samenleving bepalen en zo het handelen van ieder mens in zijn verschillende relaties vormen of misvormen?  


Preek over Efeziërs 5:21-6:9, gehouden op zondag 11 juni 2023 in de samenwerkingsgemeente CGK/NGK Het Lichtbaken te Zoetermeer: https://fpathuis.wordpress.com/wp-content/uploads/2023/06/preek-efeziers-521-64-2.pdf

Geen eigenmachtige uitleg!?

1.

Aan het eind van de Bergrede spreekt Jezus de woorden: ‘Oordeel niet, opdat er niet over jullie geoordeeld wordt.’ Dit betekent niet, dat je nooit een oordeel mag uitspreken. Jezus waarschuwt echter dat je daar dan wel de juiste maatstaf voor moet hanteren. Met het oog op de Farizeeën en hun Schriftgeleerden voegt hij eraan toe: ‘Waarom kijk je naar de splinter in het oog van je broeder of zuster, terwijl je de balk in je eigen oog niet opmerkt.’ Zij zien iets als een splinter in het leven en spreken van Jezus en zijn leerlingen, maar hebben niet door dat de balk in hun eigen oog in de weg zit om scherp te kunnen onderscheiden.[1]

2.

Ik ben bij een van die avonden geweest waarop de Kerngroep Bezinning GKv het gesprek zocht over het besluit in de GKv om vrouwen in het ambt toe te laten en daarbij waarschuwde tegen de eenwording van de GKv met de NGK. Kort samengevat was de boodschap dat in de nieuwe Kerkorde de dwaalleer van de vrouwelijke ambtsdrager geformaliseerd wordt. Daarom klonk  – in mijn eigen woorden weergegeven – de oproep: ‘Alle hens aan dek, want doordat er in de kerkorde geen dam meer is tegen de Schriftkritiek[2] staat het gereformeerd karakter van de nieuwe NGK op het spel. Besef dus goed waar je instapt, als je met de eenwording van GKv en NGK meegaat!’

3.

In de GKv is volgens de Kerngroep een nieuwe manier van Bijbellezen geijkt, waardoor de Schrift niet meer de bron en norm voor ons nadenken en leven met God is. De Schrift kan niet meer als gezaghebbende norm (sola scriptura) functioneren, omdat de uitleg van de Schrift zich niet meer zou baseren op heel Gods Woord (tota scriptura).[3]

De kritiek van de Kerngroep richt zich vooral op het MVEA-besluit van de GS Goes 2020. In het eerste hoofdstuk van Het Woord in geding analyseert Henk Room de onderbouwing van dit besluit onder de titel ‘Geen eigenmachtige uitleg!’[4] Zijn conclusie is dat ‘de deur naar Schriftkritiek open is komen te staan.’

Het rapport Elkaar van harte dienen (EVHD) zou in zijn uitleg slechts uitgaan van één sleutelbegrip, namelijk ‘gelijkheid van man en vrouw’ als invalshoek bij de uitleg van de vier MVEA-sleutelteksten, te weten Genesis 1-3, 1 Timoteüs 2:8-15, 1 Korintiërs 11:3-16 en Galaten 3:28. Daarbij zou men ook bij de exegese van Genesis 1-3 geen rekening willen houden met de visie van Paulus op de scheppingsorde. Het gevolg daarvan is, dat men bij de Bijbeluitleg geen rekening houdt met het verschil in positie tussen man en vrouw, die blijkt uit de onderschikking van de vrouw aan de man: ‘EVHD schakelt gelijk wat wezenlijk verschillend is en stelt gelijk wat niet gelijkgesteld kan worden.’ Hierin lijken ‘eigen denkkaders, de morele en intuïtieve antennes van de auteurs bepalend.’ De Bijbel wordt uitgelegd vanuit ‘het levensgevoel van onze Westerse cultuur, waarin de alles gelijkschakelende gelijkheid de dominante waarde is.’

De conclusie van Room is dat in EVHD sprake is van een ‘contextueel waarheidsbegrip’, waarin ‘de waarheid van Gods Woord mede afhankelijk gemaakt wordt van hoe wij vandaag de context van een Bijbelgedeelte construeren of van onze situatie vandaag.’ Daartegenover stelt hij dat ‘de waarheid van Gods Woord [niet relationeel en] evenmin contextueel van aard’ is.

4.

Duidelijk is dat in Het Woord in geding de gedachte dat ‘God aan man en vrouw verschillen in rol en verantwoordelijkheid gegeven heeft’, vooronderstelling en uitgangspunt is. Deze visie wordt verdedigd met de gedachte, dat de GS Goes 2020 ten onrechte niet meer spreekt van twee lijnen in de Schrift als het gaat om de positie van de vrouw: gelijkwaardigheid, maar ook verschil in verantwoordelijkheid tussen mannen en vrouwen.

De claim van Room is, dat als je deze twee lijnen niet erkent, ‘je geen recht doet aan wat de Bijbel over zichzelf getuigt en je de Schrift niet voor zichzelf laat spreken.’ Hij noemt het ‘een vooronderstelling’ dat de synode daar niet van uitgaat. Want als je de hele Schrift in rekening brengt bij de uitleg van Gen. 1-3, dan zie je dat Paulus op meerdere plaatsen ‘het feit dat de man als eerste geschapen is’ verbindt ‘aan een verschil in positie en verantwoordelijkheid ten opzichte van de vrouw.’ Volgens Room doet dit echter niet af ‘aan hun eenheid, gelijkheid, gezamenlijkheid en gelijkwaardigheid.’ Dat is de Bijbelse visie, waaraan elke exegese van de MVEA-teksten getoetst moet worden. ‘De fundamentele gelijkwaardigheid tussen man en vrouw én het verschil in verantwoordelijkheid tussen beiden in de schepping, in het huwelijk en de gemeente, is en blijft het doorgaande getuigenis van de Schrift.’

5.

De blinde vlek in de visie van de Kerngroep is, dat het werken met de door hen geëiste twee lijnen bij de exegese van de MVEA-teksten historisch contextueel bepaald is. Het is de oplossing voor het spanningsveld, dat men begon te ervaren toen de ondergeschikte positie van de vrouw in de samenleving begon te knellen. Zoals Herman Bavinck in Het Christelijk Huisgezin (1908) schreef:  

“Ook valt niet te ontkennen, dat het huiselijk leven in de tegenwoordige tijd vele gewichtige veranderingen ondergaat. Evenals in de ganse maatschappij privileges en standen, geboorte en adel meer en meer aan betekenis verliezen en plaats maken voor de persoonlijke waarde van de individu, zo komt in het familieleven elk lid veel vroeger en sterker dan eertijds tot persoonlijke zelfstandigheid en vrijheid. De oude patriarchale familie ontwikkelt zich meer en meer tot het moderne huisgezin, dat van natuur en plaats, van bodem en erf, en van heel het feodale régime zich losmaakt. Men moge dit in veel opzichten betreuren; de stroom is niet te keren, de ontwikkeling beweegt zich in de richting van de persoonlijke vrijheid.”[5]

Tegelijk probeert hij wel tegendruk te bieden als het gaat om de positie van vrouw in de samenleving:

Men kan het geluk der vrouw wel zoeken in politieke, sociale en economische gelijkstelling met de man. Maar men doet dan de natuur van de vrouw geweld aan, maakt tussen gelijkwaardigheid met de man en gelijkvormigheid aan de man geen onderscheid, en desorganiseert de maatschappij nog verder dan thans reeds het geval is. Niet in een zo ver mogelijk doorgetrokken verwijdering van de vrouw van het huisgezin, maar in een zo ver mogelijk doorgezette terugleiding van de vrouw tot het huisgezin, moet de oplossing van het vrouwenvraagstuk gezocht worden.[6]

Het is pas sinds het begin van de 20e eeuw dat in de gereformeerde wereld de gelijkwaardigheid van de vrouw heel langzaam praktisch gestalte heeft gekregen. Voor die tijd was de onderdanigheid van de vrouw aan de man uitgangspunt van het denken en het exegetiseren. Bavinck schrijft dat de Reformatoren en hun volgelingen er niet over dachten om de vrouw te verachten, want ‘zij leren allen overeenkomstig de Schrift, vooral in Gen. 1 : 27, dat de vrouw evengoed als de man een mens is, en naar Gods beeld geschapen.’ Toch moet hij er wel aan toevoegen dat:

men er ver van af was, om de ongelijkheid van man en vrouw uit te wissen. Zelfs leefde daarbij nog enigermate voort de antieke en scholastieke gedachte van de minderwaardigheid van de vrouw, welke met Schriftplaatsen als Gen. 2: 8, 3:16, 1 Kor. 11:7v., Ef. 5:23, 24, 1 Tim. 2:13,14 gesteund werd. Al stond de vrouw religieus-ethisch met de man gelijk en al muntte zij in deugden van vroomheid, lijdzaamheid enz. boven hem uit, ze was toch in waardigheid, kracht en heerlijkheid de mindere van de man.[7]

Dat in de exegese tot in de 20e eeuw met een veronderstelde ‘lijn van gelijkwaardigheid’ absoluut geen rekening werd gehouden, blijkt duidelijk uit het deputatenrapport over het vrouwenkiesrecht dat op de GS Arnhem 1930 diende. Daarin schrijft men dat het ‘volgens de scheppingsordinantie’ de roeping van de vrouw is een hulp voor haar man te zijn:

“Uit deze beschikking van God blijkt, dat niet alleen in het huwelijksleven, maar ook in het gezinsleven, in het opgroeien van geslachten met elkaar, en in de maatschappelijke samenleving, de plaats van de vrouw is hulp van de man. (…) Beiden, man en vrouw zijn dragers van het beeld Gods, maar de man is daarin boven de vrouw verheven, dat hij de drager van de heerschappij is, en de vrouw alleen door hem en in zijn naam de heerschappij uitoefent.

De visie van Bavinck uit 1908 dat man en vrouw beiden naar Gods beeld geschapen zijn en dat de vrouw evengoed als de man ‘Gods beeld en gelijkenis’ draagt, wordt door de deputaten exegetisch niet verwerkt. Zij schrijven:

De vrouw als zodanig is dus door de wijze van haar schepping in wezen en aard en roeping bepaald naar de man, a.h.w. in afhankelijkheid van hem. Wel ook Gods beeld, evenzeer als Adam, maar toch op andere wijze, en als geboetseerd met het oog op de man, om hem tot een hulp als tegenover hem te zijn.

Met een verwijzing naar Calvijn wordt uitgelegd, dat de vrouw ‘secundo gradu’, in tweede instantie, naar Gods beeld geschapen is. De conclusie die men daaraan verbindt is, dat:

de vrouw als vrouw (niet alleen als echtgenote) in de man als man (en niet alleen als echtgenoot) een in wezen en bestaan, naar lichaam en ziel bepalende macht heeft, zodat de vrouw, wanneer zij op het terrein van de man optreedt, zowel in strijd handelt met de door God gestelde verhouding tussen man en vrouw, als ook ontrouw wordt aan haar bestaanswijze of natuur.

In deze exegese is van de gelijkwaardigheid van man en vrouw geen sprake, alle nadruk ligt op het ondergeschikt zijn van de vrouw. 

6.

Het is pas aan het einde van de 20e eeuw, dat er in de GKv een consensus gekomen is dat er naast de ondergeschiktheid van de vrouw aan de man ook recht moet worden gedaan aan haar gelijkwaardigheid.

in 1993 spreekt de GS Ommen uit dat in de besluitvorming van de GS Groningen-Zuid 1978 over het vrouwenkiesrecht te weinig rekening is gehouden met teksten waarin gesproken wordt over ‘de gelijkwaardige positie die man en vrouw in Christus hebben ontvangen (Gen. 1:26-28, Hand. 2:17-18, Gal. 3:28 en 1 Petr. 2: 5 en 9), en de onderdanigheid van man en vrouw aan elkaar (Ef. 5:21)’.

Om haar besluit te onderbouwen om aan vrouwen het actief kiesrecht toe te kennen doet zij, steunend op het commissierapport, een beroep op de volgende exegetische conclusies:

 “Het nadenken over de positie van de vrouw moet uitgaan van de schepping. Uit Gen. 1 en 2 blijkt dat de Here man en vrouw beiden geschapen heeft naar zijn beeld, in volkomen gelijkwaardigheid; daarnaast wijst de Schrift ook op het onderscheid tussen man en vrouw: de man is eerst geschapen en heeft de taak om voorop te gaan en leiding te geven; de vrouw om te volgen.

Ik kan niet anders concluderen dan dat de twee lijnen van ‘gelijkwaardigheid’ en ‘verschil in verantwoordelijkheid’ die de Kerngroep als de Bijbelse visie beschouwt, feitelijk een historisch construct uit de laatste helft van de 20e eeuw is. Het meest opmerkelijke daarbij is verder, dat zij de visie van GS Ommen 1993 die gebaseerd is op haar exegese van de MVEA-teksten, nu als twee vaststaande normatieve hermeneutische lijnen voor de exegese van MVEA-teksten presenteert.

7.

Samenvattend stel ik vast dat ‘de Bijbelse visie’ waar de Kerngroep de GS Goes 2020 aan afmeet, een historisch construct is waarmee aan het einde van de 20e eeuw geprobeerd is te dealen met de veranderende positie van de gereformeerde vrouw in kerk en samenleving.

Het minste dat je kunt zeggen, is dat de visie van de Kerngroep dan even contextueel bepaald is als die van de GS Goes 2020. Belangrijker is de conclusie dat de Kerngroep op basis van deze ‘Bijbelse’ visie haar oordeel niet kan onderbouwen dat in de GKv sprake is van dwaalleer en van openheid voor Schriftkritiek. Hier is gewoon sprake van een verschillende visie op de exegese van de MVEA-teksten. Niet meer, niet minder.

P.S.

‘Wie bent u dat u een oordeel velt over de dienaar van een ander? Of hij wel of niet volhardt in het geloof gaat alleen zijn eigen meester aan – en hij zal volharden, want de Heer heeft de macht hem dat te laten doen. (…) Wie bent u dat u een oordeel velt over uw broeder of zuster? (…) Breng het goede dat God u schenkt geen schade toe, want het koninkrijk van God is geen zaak van eten en drinken, maar van gerechtigheid, vrede en vreugde door de heilige Geest. (…) Laten we daarom streven naar wat de vrede bevordert en naar wat opbouwend is voor elkaar. Breek het werk van God niet af omwille wat u eet. (…) Laat ieder van ons zich richten op het belang van de ander, op wat goed en opbouwend voor hem is. (…) Moge God, die ons doet volharden en ons troost geeft, u de eensgezindheid geven die Christus Jezus van ons vraagt. Dan zult u eendrachtig en eenstemmig lof brengen aan de God en Vader van onze Heer Jezus Christus. Aanvaard elkaar daarom ter ere van God, zoals Christus u heeft aanvaard.’[8]


[1] Voor een korte uitleg van deze passage in Matt. 7, 1-5 zie Jonathan T. Pennington, The Sermon on the Mount and Human Flourishing. A Theological Commentary, Grand Rapids: Baker Academic, 2017,  255-260. Jezus roept op tot een faire evaluatie: ‘men moet niet over een ander een harder oordeel uitspreken of een andere maatstaf aanleggen dan dat je ook jezelf beoordeelt.’ 

[2] Op de avond zelf en in de gepresenteerde bundel ‘Het Woord in geding’ worden de termen ‘Schriftkritiek’ of ‘nieuwe hermeneutiek’ nauwelijks genoemd. Toen ik uitsprak dat het mij iedere keer pijnlijk treft, wanneer ik als voorstander van de vrouw in het ambt als ketter weg wordt gezet, terwijl ik van harte de normativiteit van Gods Woord onderschrijf en mij kerkordelijk wil buigen onder ‘het juk van Christus’, opponeerde men tegen het gebruik van de term ‘ketter’. Men spreekt bewust over een ‘andere omgang met de Schrift’, een ‘nieuwe manier van Bijbellezen’, een ‘andere Schriftuitleg’ (exegese) en een ‘ander Schriftverstaan’ (hermeneutiek). Ook spreekt men over ‘dwaalleer’, ‘nieuwe hermeneutische inzichten in de GKv’, ‘het wordt moeilijk om de Gkv aan te spreken op trouw aan Gods Woord’, ‘een ambtsdrager kan in de nieuwe NGK met een beroep op ‘de leer van de Bijbel’ afwijken van de gereformeerde belijdenis, en daarmee de gemeente met eigen opvattingen op het verkeerde pad brengen.’ En tenslotte spreekt men met een beroep op Tertullianus uit, dat je ‘niet met ketters moet praten, omdat een discussie over de uitleg van de Schrift pas goed mogelijk is als je samen aanvaard hebt hoe je de Schriften moet lezen.’

[3] Voor een bespreking van deze visie van de Kerngroep zie mijn artikel in het Gereformeerd Kerkblad van 3 februari 2023 ‘Gereformeerd blijven: hoe doe je dat?’, ook gepubliceerd op mijn weblog: https://fpathuis.wordpress.com/2023/02/03/gereformeerd-blijven-hoe-doe-je-dat/.

[4] Henk Room, ‘Geen eigenmachtige uitleg!’, in: P.T. Pel & H.J. Room (red.), Het Woord in geding¸ Kerngroep bezinning GKv, 2022, p. 9-50.

[5] H. Bavinck, Het Christelijk Huisgezin, Kampen: J.H. Kok, 1908, p. 190.

[6] A.w., p. 203.

[7] H. Bavinck, De vrouw in de hedendaagsche maatschappij, Kampen: J.H. Kok, 1918, p. 42.

[8] Romeinen 14:1 – 15:7.

Gereformeerd blijven: hoe doe je dat?

Een werkgroep van GKv-leden is bezorgd over de aantasting van het gereformeerd karakter van de GKv. Dat zou zich uiten in vrouwelijke ambtsdragers, een andere visie op de belijdenis, het toelaten van kinderen aan het avondmaal, de acceptatie van homoseksuele relaties, en uit de kerkorde voor het nieuwe kerkverband van GKv en NGK. Daarom organiseert men een maandlang regionale bezinningsavonden, met als leidraad het boek ‘Het Woord in geding’ en als doel ‘bezinning en verbinding.’ Voor wie het uitgangspunt van deze bundel niet deelt, is het echter lastig om zich met hen verbonden te voelen.

[Artikel in Gereformeerd Kerkblad d.d. 3 februari 2023]

De ‘Kerngroep bezinning GKv’ is een voortzetting van de ‘Kerngroep bezinning Man, Vrouw en Ambt’, opgericht in 2017 na de besluiten van de GKv Synode over ‘m/v en ambt’, aangevuld met leden uit kerken die gezamenlijk optrokken in hun revisieverzoeken voor de GS Goes 2020. Op 19 november 2022 werd bovengenoemd boek op Urk gepresenteerd. Men gaf daarbij te kennen dat als je gereformeerd wilt blijven, je niet met de nieuwe NGK mee kunt gaan. Daarmee worden de bezinningsavonden vooral een stimulans tot een afscheiding van de GKv. 

Schriftgezag  

‘Gereformeerd blijven’ is een slagzin die de afgelopen dertig jaar regelmatig in de GKv heeft geklonken, inclusief de daarbij behorende bezinningsavonden, lezingen, manifesten en websites. De thema’s die aan de orde werden gesteld waren ook doorsnee dezelfde, zoals het Schriftgezag, de hermeneutiek, het handhaven van de artikelen NGB 3-7 en NGB 27-29, de belevingscultuur en het independentisme. Ze waren de voorboden van afscheidingen vanuit de GKv en het ontstaan van de DGK in 2004 en de GKN in 2009.

Gemeenschappelijk in de pleidooien voor ‘gereformeerd blijven’ was dat men de eigen interpretatie van de Bijbel en de belijdenis voor normatief hield en afwijkende interpretaties daarvan als niet meer gereformeerd duidde. De eigen visie ondersteunde men vaak met een beroep op de wijze, waarop wij in de GKv eerder de Bijbel en belijdenis uitlegden en handhaafden. Verder kwam het regelmatig voor, dat men de visies die men afwees typeerde als een toegeven aan Schriftkritiek en moderne theologie, of aan eigentijdse moderne en postmoderne levens- en wereldbeschouwingen.

Ook in ‘Het Woord in geding’ komen we dezelfde onderwerpen en typen argumentaties tegen. Daarbij staat vooral de visie van de GS Goes 2020 op ‘vrouw en ambt’ en op de nieuwe kerkorde centraal. Die worden geduid als gedragen door een Schriftverstaan, waarin de Bijbel wel formeel als Gods Woord wordt erkend, maar waar materieel aan de inhoud van de Schrift te kort wordt gedaan doordat men uit zou gaan van een relativistisch en postmodernistisch waarheidsbegrip.

Hermeneutische factor

Wie het boek analyseert kan waarnemen dat er een sterke tendens is om te suggereren dat de hermeneutische factor in zowel het ‘sola scriptura’ (alleen de Schrift) als het ‘tota scriptura’ (geheel de Schrift) geen rol speelt.

Allereerst stelt men dat in het synoderapport ‘Elkaar van harte dienen’ (EVHD) dat diende op de GS Goes 2020, afgeweken wordt van de gereformeerde hermeneutiek en dat het ‘sola scriptura’ niet meer functioneert. Met name Gert van den Brink probeert aan te tonen dat de synode uitgaat van een filosofische hermeneutiek, waarin de betekenis van de tekst per definitie onbepaald zou zijn en de bijbel daarom altijd anders uitgelegd moet worden. Waar EVHD m.i. de aandacht voor vraagt, is niet dat de tekstbetekenis (principieel) onbepaald is, maar dat om de betekenis van een tekst vast te stellen er altijd interpretatie of vertolking nodig is. Daarom kan er ook verschil van inzicht ontstaan over wat Paulus met zijn aanwijzingen betreffende de organisatie van Gods volk precies voor ons bedoelt, en is het noodzakelijk om het gesprek te voeren en te beoordelen in welke mate een ander inzicht binnen een gereformeerd kader legitiem is.

Naast dat ‘Het Woord in geding’ ervan uitgaat dat de interpretatie die zij van Paulus’ voorschriften geeft de normatieve exegese is, ontkent men vervolgens met een beroep op het ‘tota scriptura’ de mogelijkheid, dat de Bijbelse voorschriften en beschrijvingen van de man-vrouw verhoudingen contextueel bepaald kunnen zijn en in onze tijd niet meer van toepassing hoeven te zijn.

In de wijze waarop men vanuit het ‘tota scriptura’ argumenteert, wordt duidelijk dat men het hermeneutisch onderscheid dat in de gereformeerde theologie gemaakt is tussen ‘normatief Schriftgezag’ en ‘historisch Schriftgezag’ (H. Bavinck) niet wil honoreren. Dat blijkt vooral uit de categorische afwijzing van de MVEA-besluiten van de GKv-synoden: Henk van den Belt, die vanuit zijn toepassing van de reformatorische hermeneutiek stelt dat ‘de Heilige Geest de kerk niet zal leiden in een richting die tegengesteld is aan (de tekst) van de Schrift’; Dolf te Velde die vanuit zijn uitleg van de NGB Art. 3-7 betoogt dat ‘een expliciete onderbouwing vanuit de Schrift uitblijft’; en tenslotte Pieter Pel die met een beroep op NGB Art. 7 de synode beschuldigt dat zij het materiele gezag van de Bijbel aantast door geen daadwerkelijke inhoudelijke erkenning van de Schrift te bieden en zo daaraan ‘afdoet en toedoet’.

Gereformeerd blijven

Het is evident dat de synode in het dossier ‘vrouw en ambt’ een andere uitleg en toepassing van de bijbel biedt. Zij doet dat binnen de kaders van de gereformeerde hermeneutiek, wat je aan de hand van de visie van K. Schilder vrij eenvoudig duidelijk kunt maken. Hij onderscheidde tussen (a) blijvende gronden, (b) wisselende heilshistorische bedelingen, en (c) actuele concrete bepaaldheid. De synode behandelt de MVEA-teksten in het kader van (b) en (c), terwijl de Kerngroep deze teksten betrekt op (a) en (b). De Kerngroep doet daarbij vooral een beroep op de traditionele gereformeerde exegese, terwijl de synode inhoudelijk exegetisch en hermeneutisch beargumenteert hoe zij tot een andere visie is gekomen.

Hoe kun je bij verschil van inzichten toch gereformeerd blijven? Niet door te claimen dat jouw interpretatie de enig ware is, wel ‘door elkaar in een open gesprek te zoeken, elkaar beter te verstaan en van elkaar te leren en zo samen verder te komen’ (Bert Loonstra). En de zinsnede die hij daaraan toevoegde over de groepsvorming in de GKv van destijds lijkt mij nog steeds van toepassing om de huidige marathon van bezinningsavonden af te wijzen: ‘een polariserende tactiek te zoeken die kennelijk tot doel heeft een bepaald geluid te versterken en daarmee neerkomt op het streven naar invloed, is niet gereformeerd.’[1] Het criterium voor gereformeerd blijven is dat je dankzij Gods genade in zijn Geest verbonden blijft in het ene geloof in Christus Jezus, de Zoon van God, in overeenstemming met de Bijbel en de gereformeerde geloofsbelijdenissen (Art. A1.1 KO NGK).


[1] Deze alinea is bij nader inzien enigszins aangepast omdat de strekking daarvan onhelder bleek. De verwijzing is naar de blog van Bert Loonstra over groepsvorming in de GKv rond 2012: https://bertloonstra.nl/blog/anders-gereformeerde-kerk-blijven/.

Groeien in liefde

In de oudste brief die we van Paulus hebben, 1 Tessalonicenzen, smeedt Paulus voor het eerst de drieslag ‘geloof, hoop en liefde’. Hij dankt God voor ‘hoeveel hun geloof tot stand gebracht heeft, hoe krachtig hun liefde is en hoe standvastig ze blijven hopen op de komst van Jezus Christus, de Heer’ (1:3). Met betrekking tot de liefde roept hij de gemeente van Tessalonica later in de brief op om de onderlinge liefde nog meer te beoefenen dan ze al doen.

[Artikel in Gereformeerd Kerkblad van 14 oktober 2022.]

Wanneer je de brieven van Paulus aan de gemeenten in Korinte of Rome leest, dan blijkt hoe belangrijk deze drieslag in zijn denken geworden is. Geloof wordt concreet zichtbaar in de onderlinge liefde, die geïnspireerd wordt door de hoop te mogen delen in Jezus’ luister. Het uitzien naar de komst van Jezus kleurt nu al het leven van de gemeente. Het geheim daarvan is de Geest, die door Christus als voorschot vanuit de hemelse werkelijkheid gegeven is.

Vrucht van de Geest

Paulus noemt de betekenis van de Geest op verschillende plaatsen in de eerste brief aan de Tessalonicenzen. De overtuigingskracht van Paulus’ boodschap lag in de Geest (1:5). Die bewerkte dat de Tessalonicenzen tot geloof kwamen. Maar ook het blijven geloven is zijn werk. Vandaar dat Paulus als gebed zijn verlangen uitspreekt, dat ‘de Heer hun liefde voor elkaar en ieder ander groter mag maken’ en dat ‘de Heer hen door die liefde kracht mag geven’ (3:12-13). Het geloof en het samen gemeente-zijn zijn vruchten van Christus’ Geest.

Opvallend blijft dat de kracht van de Geest zo op menselijke wijze zichtbaar wordt. Zoals God in het Oude Testament op mensvormige wijze aan Abraham verscheen en het Woord van God in het Nieuwe Testament in Jezus Christus mens werd, zo verschijnt de Geest in het handelen van mensen. De Tessalonicenzen aanvaardden de verkondiging van Paulus ‘als het woord van God, dat werkzaam is in de gelovigen’ (2:13).

Voor ons gemeente-zijn vandaag betekent dit dat wij in het uitwerken van plannen, ideeën, wensen en visies ons afhankelijk moeten weten van de Geest van Christus. Geven we hem de ruimte om – weliswaar door ons heen – zelf de richting te laten wijzen? Als we afhankelijk willen zijn van zijn inzicht, dan zullen we hem daar ook bewust om moeten vragen. Zonder het voortdurend gebed om de Geest zullen onze inspanningen weinig effect hebben. Niet voor niets roept Paulus in hoofdstuk 5 op om ‘onophoudelijk te bidden’ (5:17). Net zoals hij zelf ook onophoudelijk bidt voor het welzijn van de verschillende gemeenten waarmee hij in contact staat.

Testcase

Op een bepaalde manier is de mate van onderlinge liefde de testcase voor het geloof. Dat we niet alleen elkaars broers en zussen zijn, maar ons ook als broers en zussen gedragen. Door de doop ben je met Christus en daarmee ook met je broers en zussen in Christus’ lichaam verbonden. Paulus vraagt daarom de Tessalonicenzen om die verbondenheid tot uitdrukking te brengen door elkaar steeds meer lief te hebben.

Liefhebben betekent dat je tijd en aandacht aan de ander besteedt en contact met elkaar onderhoudt. Dat je het goede voor de ander zoekt. Dat je naar elkaar omziet, niet selectief, maar open naar iedereen. In de gemeente mag het niet zo zijn, dat mensen aan zichzelf overgelaten worden, omdat de anderen alleen betrokken zijn op de eigen groep of kring.  Liefhebben is ook niet gebaseerd op sympathie, maar op een keuze. Wie liefheeft zal samen met de ander de weg van het geloof willen lopen, zelfs als dat voor hem of haar moeite en zelfverloochening betekent.  

Christus’ komst

Paulus zet zijn aanwijzingen voor het gemeente-zijn in het perspectief van Jezus’ komst. Het gaat erom, ‘dat wij zuiver en heilig voor onze God en Vader zullen staan, wanneer onze Heer Jezus met al zijn heiligen komt’ (3:13). Omdat de gemeente de bruid van Christus is en het volk van God.

Dat was Gods doel al in het Oude Testament. Hij verloste het volk Israël uit Egypte, zodat zijn volk in zijn nabijheid zou leven. Hij in de tabernakel en het volk daaromheen verzameld. Om samen naar het beloofde land te gaan, waar Hij in de tempel zou wonen en het volk voor zijn aangezicht zou verschijnen. En dat onder de oproep om heilig te leven, zoals de HEER zelf ook heilig is. Vandaag is dat nog steeds Gods doel.

Paulus weet dat zo aan God toegewijd leven niet het louter volgen van regels is en alleen maar mogelijk is door Gods Geest. Daarom bidt hij in 5:23, of God zèlf het leven van de gemeente in alle opzichten wil heiligen, zodat zijn doel gerealiseerd zal worden: dat wij bij Christus’ komst een zuivere en heilige gemeente zullen zijn.

Opstandingskracht

Overdenking in de lunchpauzedienst in de Plantagekerk Zwolle op 2 juli 2021 over Kolossenzen 2, 6-15 en 3, 1-4.

Thema: Richt je aandacht op Christus in de hemel

1.

Stel je eens voor hoe het is om in de gevangenis te zitten, niet vandaag, maar 20 eeuwen geleden: geen fatsoenlijk eten, nauwelijks kunnen slapen, een donker hol, geketend en geslagen, en overal uitwerpselen en  schimmels aan de muur, en de dreiging van de dood. Je weet niet of èn hoelang het duurt, dat je weer op vrije voeten zult komen. Maar dan komen er vrienden langs, die wat eten brengen, die je proberen op te beuren, vrienden aan wie je ook een boodschap mee kunt geven. Wat zou je dan kwijt willen, wat moeten ze overbrengen aan je familie en vrienden buiten de gevangenis?

Dat is de situatie waar Paulus zich in bevindt. Hij zit gevangen en geeft Timoteüs en Epafras instructies om namens hem een brief te schrijven en die bij kerken in de buurt rond te brengen. Zo zijn enkele brieven ontstaan, die wij vandaag in het Nieuwe Testament kennen als de brieven aan de Filippenzen, die aan Filemon en aan de Kolossenzen, en waarschijnlijk die aan de Efeziërs.

Zo lezen wij vanmiddag een gedeelte uit de brief aan de Kolossenzen, een gemeente die nog niet lang geleden ontstaan is, toen zijn medewerker Epafras in Kolosse de geschiedenis van Jezus Christus kwam vertellen. De bedoeling van Paulus met deze brief is vooral om de christenen daar te bemoedigen. Dat, –  nu ze zijn gaan geloven en hun vertrouwen op God en op Jezus hebben gesteld -, ze zullen groeien in dat geloof en zich niet van de wijs zullen laten brengen door inzichten van andere wijsheidleraars, die niet stroken met het evangelie zoals Epafras dat aan hen verkondigd heeft.

2.

Het belangrijkste wat Paulus zegt, is: wanneer je bij Jezus als de Messias en jouw Redder hoort, dan heb je al alles wat je nodig hebt om vandaag in verbinding met God te leven, dan heb je deel aan de volheid van God. Daar hoeft niets meer bij, geen andere rituelen, niet allerlei geboden en verboden, en ook niet het houden van vasten- of andere belangrijke dagen. Nee, het enige wat je moet doen is de band met Christus te onderhouden, daarin te groeien, en alles van Hem te verwachten.

Je hoeft je niet te laten besnijden, zoals bij de Joden het gebruik is, als je bij God wilt horen. Je hoeft ook je niet te houden aan allerlei regels over wat je wel of niet mag eten, omdat bepaald voedsel onrein en ander rein is. Je hoeft ook niet te streven naar visioenen, verering van engelen of hemellichamen of naar allerlei vormen van mystiek. Als je met Christus verbonden bent, is het belangrijkste om die band met Hem vast te houden.

Vandaar dat Paulus onze Schriftlezing ook begint met: ‘Nu jullie Jezus Christus als Heer hebben aangenomen, moeten jullie ook in Hem leven. Net zoals een boom met zijn wortels stevig in de grond staat, zo moeten jullie stevig in Hem geworteld staan. Dan zullen in Hem opgebouwd worden. En jullie zullen stevig blijven staan in het geloof, dat we jullie geleerd hebben.’

3.

Je kunt het niet zomaar aan de buitenkant zien, dat christenen met Christus verbonden zijn. Maar toch is er dat lijntje met hen, zegt Paulus. Een lijntje dat geslagen werd toen de Kolossenzen gedoopt zijn. Toen werd de verbinding gelegd. Toen werden ze als het ware in Christus ingeplant, ingelijfd, zoals je ook een ent kunt inplanten in een boom of wijnstok. Paulus zegt het ook: ‘Jullie leven ligt met Christus verborgen in God.’  

Maar net zoals anderen dat lijntje dat een christen met Christus verbindt, niet kunnen zien, is het ook voor een christen zelf niet altijd duidelijk, of hij of zij wel echt met Christus verbonden is. Het kan zomaar gebeuren dat je je dat gevoel van vroeger kwijt geraakt bent, en dat het geloof je niet zoveel meer zegt en niet meer bij je binnen komt.

Wat dan belangrijk is om te doen, is dat je je aandacht niet richt op je innerlijk of op je gevoel, maar op Christus zelf. Of zoals Paulus dat zegt, dat je je aandacht richt op wat boven is. Want toen je door de doop met Christus verbonden werd, ging je met hem kopje onder in de dood, en werd je met hem begraven, maar je kreeg ook een nieuw leven, omdat je met hem werd opgewekt. En nu Christus in de hemel is, aan de rechterhand van God, leef je door Hem in Gods levenssfeer, zijn Koninkrijk.

Daarom moet je naar boven kijken en al je aandacht op Christus richten. Bidden en vragen, of je nu ook zijn kracht mag leren kennen, de kracht van zijn liefde in jouw leven, en of hij jouw geloof en jouw hoop door zijn heilige Geest wil vernieuwen en versterken. Zoals het volk Israël in het Oude Testament met Psalm 121 naar de bergen keek, en zo omhoog keek naar God om hulp en steun in het leven van alledag, zo roept Paulus ons op om ons hart, ons denken, onze aandacht te richten op Christus, die in de hemel is.

4.

Als we dan naar boven kijken, dan doen we iets wat Paulus ons zelf heeft voorgedaan. Ik moet denken aan die andere brief, die Paulus tegelijk vanuit de gevangenis aan de gemeente te Filippi liet schrijven. Daarin gebruikt hij dezelfde taal, als hij zegt: ‘Ik wil Christus kennen en de kracht van zijn opstanding ervaren, ik wil delen in zijn lijden en aan hem gelijk wil worden in zijn dood, in de hoop misschien ook zelf uit de dood op te staan,’ (Fil. 3:10).

Een heel bijzondere uitspraak is dat van Paulus. Ook al voelt hij het soms ook niet, maar omdat hij gedoopt is en christen is geworden, wil hij ervaren wat Christus overkomen is. Sinds zijn bekering is Christus voor hem alles. Christus is zijn leven. Door Christus heeft zijn leven zin en betekenis gekregen.

En nu hij in de gevangenis zit en lijden ondergaat, ziet hij daarin een bevestiging dat er dat lijntje met Christus is, hij deelt in het lijden van Christus. Daarom verliest hij ook de moed niet, want hij is vol hoop dat zijn leven en werk er aan bij zal dragen, dat ook anderen Christus zullen leren kennen. In de kracht die hij in de gevangenis krijgt, ervaart hij de liefde van Christus. In de bemoediging van de medewerkers, die hem opzoeken, en in de betrokkenheid van de christenen uit Filippi en Kolosse.

Zo wil Christus ook ons vandaag via deze woorden bemoedigen. Kijk hoe zijn liefde en zijn kracht in het verleden werkzaam was, in Paulus zelf, en in de gemeenten waar Paulus zijn brieven aan schrijft.

Koester daarom vandaag dat lijntje, waardoor je met Christus verbonden bent. Verwacht zo ook vandaag alles van Christus. Strek je uit naar boven, zodat ook jij, en wij allemaal, die liefde en kracht van Christus’ opstanding in ons eigen vernieuwde leven zullen opmerken en zullen ervaren.


Liturgie: Psalmen voor Nu Psalm 121, Opwekking 834 en Liedboek Lied 905: 1, 3 en 4.

Een nieuwe schepping

(Verschenen als artikel in Gereformeerd Kerkblad d.d. 1 mei 2020)

Op de Paasdag is Jezus opgewekt en stond hij op uit graf. De impact van dit gebeuren voor ons leven en voor de wereld is immens. Paulus raakt er niet over uitgeschreven. Het biedt hoop, want wij ontvangen door Jezus de shalom van God, zijn genade en liefde, vrijspraak en eeuwig leven.

In de brief aan de Galaten formuleert Paulus de betekenis van Pasen heel sterk: ‘Met Christus ben ik gekruisigd; ikzelf leef niet meer, maar Christus leeft in mij’ (2:19-20). Dat is de werkelijkheid waarin wij als gelovigen leven. Wij zijn een nieuwe schepping (6:15). Hoe moeten we ons dat voorstellen?

Het beeld dat Paulus in Galaten gebruikt om de grote wending in zijn leven te omschrijven, zal hij later in hoofdstuk 6 en 7 van de Romeinenbrief verder uitwerken. Daar schrijft hij dat ons oude bestaan met Christus gekruisigd is, zodat er een einde zou komen aan ons zondige leven. Met als keerzijde dat wij ook delen in Christus’ opstanding.

De zonde is zijn macht over ons kwijtgeraakt en wij staan nu onder de heerschappij van de Geest. Daarom mogen wij onszelf zien als dood voor de zonde en levend voor God. ‘Ikzelf leef niet meer, maar Christus leeft in mij.


Een andere mensvisie

Wat het voor ons lastig maakt om Paulus te begrijpen, is dat hij uitgaat van voorstellingen over hoe wij als mensen in elkaar zitten die ons niet vertrouwd zijn.

Wij gaan uit van een begrip van de mens als een onafhankelijk individu, die bij alle veranderingen die hij doormaakt toch gekenmerkt wordt door een zelfstandige identiteit.

In de mediterrane wereld van de 1e eeuw wordt de mens niet zo zeer bepaald door de eigen individualiteit, maar door de sociale verbanden waarbinnen hij functioneert. Men richt zich voor de ontwikkeling als individu op wat de groep zegt, doet, denkt, verwacht en eist.

Een nog groter verschil met vandaag is, dat men naast de sociale verbanden van familie, clan, rang en volk, ook rekening houdt met bovenmenselijke of bovennatuurlijke kosmische machten en krachten.

De mens is in zijn lichaam als microkosmos verbonden met de macrokosmos. Zo heeft het bestaan van de mens niet zozeer een duidelijk begrensde eigenheid, maar is het een poreus knooppunt waar de externe sociale en geestelijke wereld volop deel van uitmaakt en zijn invloed op uitoefent.


De nieuwe werkelijkheid

Met deze mensvisie als achtergrond moeten wij Paulus’ spreken over de zonde als externe kracht begrijpen, die de mens in zijn macht heeft en zo de mens aanzet en verleidt tot het doen van zonde. Maar ook dat hij zinswendingen kan gebruiken als ‘met Christus gekruisigd’ en ‘in Christus zijn’, ‘met Christus omkleed zijn’, dat ‘Christus in mij leeft’, dat wij ‘geleid worden door de Geest’ en dat wij ‘leden van Christus lichaam’ zijn.

Wat wij gemakkelijk kunnen zien als beeldspraak die we niet letterlijk hoeven op te vatten, is voor Paulus de omschrijving van de werkelijkheid zoals hij die ervaart. Wanneer wij ons van deze beelden een voorstelling willen maken, moeten wij ervan uitgaan dat zijn beeldspraak de werkelijkheid wil duiden.

Leven in Christus’ betekent dat wij leven in een door de Geest gerealiseerde nieuwe werkelijkheid, waarin wij vergeving van zonde ontvangen hebben en in een nieuwe verhouding tot God gesteld zijn. We hebben door Christus het kindschap van God ontvangen.

Tegelijk is er nog de werkelijkheid van de zonde, die door Paulus in de Galatenbrief in het Grieks als die van het ‘vlees’ (5:13) wordt aangeduid, waar ‘de macht van de zonde’ achter schuilt (3:22). Als gelovige moet je er voor waken om je opnieuw met deze macht in te laten.


Dynamisch

Belangrijk is om alle nadruk te laten vallen op het ‘leven in Christus’ als werkwoord en dat ‘leven’ verder in te vullen. Want die nieuwe werkelijkheid heeft een dynamisch karakter en omvat meer dan dat de gelovige de status van ‘gerechtvaardigd’ heeft.

Het is actief leven binnen de reikwijdte van God en in de sfeer van alles wat bij Christus’ heerschappij hoort en bij Hem vandaan komt. Het is leven in relatie met God, met Christus, met de Geest en met ieder die bij Christus hoort. Een nieuwe schepping zijn is het samen met broers en zussen delen in de dood en de opstanding van Christus en je zo samen door Hem laten transformeren.

Een nieuwe schepping zijn is je door Hem laten beïnvloeden en motiveren om het goede te doen, ook al betekent dat soms afzien en elkaars lasten dragen. Het is zijn Geest en de goddelijke krachten ontvangen om dat goede ook handen en voeten geven (3:5).

Kortom, binnen de structuren van onze aardse werkelijkheid, naar het voorbeeld van Christus, Gods liefde als de vrucht van de Geest zichtbaar maken.


Schriftgezag

(Preek over art. 5 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis met als thema: ‘Aanvaard de bijbel als Gods Woord’)


  1. Waarom zou je aan de bijbel waarde hechten?              

Waarom zou je de bijbel gaan lezen en luisteren naar wat daar in staat? Dat is de vraag, waar het vanmorgen/vanmiddag over gaat. Waarom hechten wij als christenen zo veel waarde aan de bijbel? Waarom zijn ze canoniek, d.w.z. waarom zijn ze normatief voor ons als christenen en hebben ze gezag?

Ik denk dat de meeste mensen hier in de kerk zullen zeggen: omdat de bijbel Gods woord is. Daarom is het belangrijk om je te verdiepen in de bijbel. Zo leer je God kennen. Zo kom je te weten wat hij wil, en welke plannen hij met ons en met deze wereld heeft.

Dat antwoord klopt. Inderdaad: door de bijbel leer je God kennen. Tegelijk ligt daar voor velen vandaag nog wel een probleem. Want hoe weet je nu dat de bijbel ook echt Gods woord is? Dat kun je als christen wel beweren, maar is het niet gewoon een menselijk boek? En als de bijbel een menselijk boek is, dan kan het zo maar zo zijn, dat er onwaarheden staan.

Mensen zijn feilbaar, maken fouten en vergissen zich. En dat niet alleen: mensen kunnen ook de boel verzieken, bewust verkeerde informatie geven,  er op uit zien om anderen te misleiden, fake-news de wereld in brengen. Hoe weet je dat dat bij de bijbel niet het geval is?

Dus: als de bijbel een menselijk boek is, dan is het maar de vraag, of je de informatie die daar gegeven wordt, wel kunt vertrouwen. En hoe kun je dat controleren, zeker bij zo’n boek dat meer dan 2000 jaar geschreven is? En ook nog door allerlei verschillende auteurs geschreven is. En die elkaar soms ook schijnen tegen te spreken. Waarom zou je aan die verhalen waarde hechten?

Ik weet niet of u deze vragen herkent. Of daar wel eens bij stil hebt gestaan. Ik hoop in ieder geval wel, dat u zich deze vragen voor kunt stellen.

Want dit is zoals er vandaag tegen de bijbel wordt aangekeken. Buiten de kerk vaak heel stellig. De bijbel: die hoef je niet serieus te nemen, of in ieder geval niet in alles, het is maar een menselijk boek, inspirerende verhalen misschien, wijsheid waar je soms wat aan hebt, maar verder ook niet. De bijbel als Gods woord, dat is hoogstens wensdenken, maar geen realiteit. 

Maar het is vooral belangrijk om zulke vragen te herkennen, omdat het ook vragen zijn, die binnen de kerk gesteld worden. Met name jongeren, die zich afvragen of ze wel geloven, zoeken antwoorden op zulke vragen. Maar het zijn niet alleen jongeren, die vragen over de bijbel hebben. Ik kom ook anderen tegen, ze hebben belijdenis gedaan en worstelen ook met deze vragen. En die zie ik, wanneer ze geen overtuigende antwoorden krijgen of als deze vragen worden weggewuifd, afhaken van het geloof.

Vandaar dat het goed is om bij deze vraag stil te staan. Waarom zou je aan de bijbel waarde hechten?


  • 2. Vanwege het getuigenis van de Heilige Geest 

Wat zou het eerste antwoord zijn, als jou die vraag aan gesteld wordt: Waarom is de bijbel Gods Woord?

Ik denk dat de meesten zullen zeggen: door de inspiratie. Omdat de bijbel geïnspireerd is door de Heilige Geest. Dat is het ‘bewijs” dat de bijbelboeken, die door mensen zijn geschreven voor ons nu Gods Woord zijn.

Nu is het opvallende, dat als de Geloofsbelijdenis een antwoord geeft op die vraag, dat ze niet naar het ontstaan van de bijbel verwijst – door middel van inspiratie – maar naar de inhoud van de bijbel zelf.

De geloofsbelijdenis zegt: lees de bijbel maar, dan zul je ontdekken dat wat daarin geleerd wordt van God komt. De bijbel is Gods woord, omdat daarin de geschiedenis van de openbaring van God in vastgelegd is. Dat is wat de Geloofsbelijdenis in art. 3 ook al naar voren bracht. Die hebben we niet gelezen, maar daar wordt 2 dingen over Gods Woord gezegd.

Allereerst, dat het Woord van God, waaruit wij God kennen, niet is voortgekomen uit de wil van een mens, maar dat mensen, door de Heilige Geest gedreven, van Godswege gesproken hebben, zoals de apostel Petrus zegt. De profeten in de tijd van het Oude Testament hebben namens God gesproken, ze spraken niet namens zichzelf. Mozes, David, Salomo, Jesaja en al die andere profeten. Ze spraken namens God. En voor de tijd van het Nieuwe Testament geldt het zelfde. Allereerst natuurlijk Jezus, die namens God sprak: hij was het Woord van God in levende persoon. En het geldt ook voor de apostelen: ze spraken namens en in opdracht van God. Gedreven door de Heilige Geest.

Daarna, als tweede heeft God in zijn bijzondere zorg voor ons en voor ons behoud geboden om die namens Hem gesproken woorden ook op schrift te stellen. En dan krijgen we in het Oude Testament de vijf boeken van Mozes, de Vroege Profeten (Richteren, Ruth, Samuel, Koningen) en de Late profeten, Jesaja, Jeremia, Ezechiel, Daniel en de twaalf kleine profeten, en als derde categorie de Geschriften. zoals de Psalmen, Job, Hooglied enz. En in het Nieuwe Testament de evangeliën en Handelingen, de brieven van de apostelen als Paulus, Jakobus, Petrus en Johannes en tenslotte Openbaring van Johannes.

Deze boeken worden ‘heilige en goddelijke Schriften’ genoemd. Niet omdat ze onder inspiratie zijn geschreven, maar vanwege de inhoud: omdat ze de woorden van de profeten en apostelen bevatten, die namens God Zijn boodschap en Zijn woorden aan de mensen overgebracht hebben.

Daar gaat het om: vanwege die inhoud zijn deze boeken waardevol en hebben ze gezag. Dat is wat art. 5 dan ook opnieuw zegt. Deze boeken ontvangen wij als ‘heilige en canoniek’, d.w.z. als normatief, ‘omdat de Heilige Geest in ons hart getuigt dat zij van God zijn’. En het bewijs daarvoor is niet zo zeer de inspiratie, maar dat ligt in de boeken zelf! In hun inhoud.

Lees de bijbel maar, dan zie je dat de boodschap van de bijbel van God komt. Al lezende zal de Heilige Geest je er van overtuigen dat deze boeken van God komen. Die boodschap van verlossing en van behoud, dat verzinnen mensen zelf niet, – dat God mens werd in Jezus en dat in zijn dood aan het kruis redding is – maar die komt uiteindelijk bij God zelf vandaan.


  • 3. Zo werkt God in deze wereld

Zijn Geest doet het werk. Die zorgt er voor, dat wanneer mensen de bijbel lezen ze oog krijgen voor de Goddelijke oorsprong van de boodschap van de bijbel.

Dat is ook wat Paulus schrijft in zijn brief aan de Thessalonicenzen. Hij is in Thessalonika gekomen. Gezonden door Christus zelf heeft hij ze het evangelie gebracht, met gevaar voor zijn eigen leven. Ze hebben zijn verkondiging gehoord en ze hebben die aanvaard. Niet als mensenwoord, maar als Woord van God voor hen. Niet omdat hij zo’n geweldige spreker was of vanwege zijn optreden, maar omdat de kracht van de Heilige Geest hen zelf overtuigde. 

En God gebruikt niet alleen Paulus’ verkondiging, maar ook zijn hele persoon, in wie hij is. Paulus brengt een boodschap van verzoening en liefde van God voor hen. God heeft hen uitgekozen en hen lief. Maar Paulus verpersoonlijkt die boodschap ook. Hij is toegewijd, oprecht en zuiver ten opzichte van de Thessalonicenzen. Paulus heeft hen lief en spoort hen aan als een vader zijn kinderen. Hij is niet autoritair, claimt geen gezag, maar door zijn woorden en door zijn gedrag krijgt hij erkenning als de apostel en gezondene door Christus zelf.

En ook al moest Paulus overhaast vertrekken vanwege de dreiging van de Joden, toch stuurt hij na enige tijd Timoteüs naar hen. Omdat hij wil weten hoe het ze vergaat, nu ze tot geloof zijn gekomen. Namens Paulus moet Timoteüs doen, wat Paulus zelf graag had willen doen: hen bemoedigen en hun geloof versterken.

Dat is de manier hoe God werkt in deze wereld. God schakelt mensen in om zijn boodschap van redding in deze wereld te communiceren en te belichamen. Het meest duidelijk werd dat in de woorden en het daden van Jezus, toen hij hier op aarde was. Hij was het Woord van God. Zo kwam God heel persoonlijk dichtbij. In de kracht van Gods Geest.

En wanneer Jezus weer naar zijn Vader teruggaat, dan zendt hij zijn leerlingen als apostelen de wereld in. Nu moeten zij die boodschap van redding verkondigen en belichamen als zijn navolgers. Zij moeten namens hem het evangelie dat hen toevertrouwd is. bewaren door in geloof en in liefde te leven, maar ook dat evangelie verkondigen aan ieder die er naar wil luisteren.

De apostelen vervolgens op hun beurt vertrouwen dat evangelie toe aan hun leerlingen en medewerkers. Zoals Paulus b.v. aan het einde van zijn loopbaan Timoteüs de opdracht geeft om als zijn navolger het pand dat hem is toevertrouwd zorgvuldig te bewaren en daarvan uit te delen en door te geven.

Zo werkt God via mensen, maar ook via de geschriften, waarin die openbaring van God, zijn grote verlossingsdaden en zijn woorden vastgelegd zijn. Het Oude Testament als verslag van de geschiedenis van God met zijn volk Israël, het Nieuwe Testament als het verslag van de geschiedenis van Jezus en van het ontstaan van de eerste christelijke gemeenten in deze wereld.

Mensen die spreken namens God èn bijbelboeken die getuigen van Gods werken en daden: dat zijn de middelen die de Geest gebruikt om zijn boodschap te blijven communiceren en om Gods plannen met deze wereld te verwezenlijken, de eeuwen door, tot op vandaag.

Zo werkt God en zo spreekt God in deze wereld, door de kracht van Zijn Geest.


  • 4. Gebruik daarom de bijbel als ondersteuning van je geloof    

Zo kom ik terug bij die vraag waar ik mee begon: waarom is de bijbel canoniek, normatief en waardevol voor ons als christenen? Het antwoord dat we gevonden hebben is: de bijbel is waardevol en heeft gezag, omdat daarin de boodschap van onze redding en van heil verkondigd wordt. God gebruikt deze boeken om zijn liefde en zijn beloften voor ons te communiceren. En om die boodschap ook echt in ons hart en leven te laten landen. En dat doet hij doordat hij zelf met zijn Geest in het lezen van de bijbel meekomt en zo in onze gedachten en in ons leven werkt, omdat Hij zo ons leven wil transformeren tot navolgers van Hem en van Christus.

De bijbel bestaat gewoon uit menselijke geschriften, geschreven in een bepaalde tijd en binnen een bepaalde cultuur, in de wereld van Egyptenaren, Filistijnen, Kanaänieten, Babyloniërs, Grieken en Romeinen van 2 tot 3 duizend jaar geleden. Een tijd en cultuur waar wij ons ook in moeten verdiepen, willen we de betekenis van deze boeken en teksten ten volle begrijpen.

En dan kan het af en toe ook wel botsen. Het bijbels wereldbeeld is een andere dan het wetenschappelijke wereldbeeld waarin wij leven. De mentaliteit en zeden in die cultuur is een andere dan die van ons vandaag. De samenleving anders opgebouwd dan bij ons. Daar een patriarchale samenleving, waarin de man over de vrouw heerst, terwijl wij in een samenleving leven waarin man en vrouw veel meer gelijkwaardig zijn. Daar moeten we wat mee. We kunnen niet zeggen: omdat het in de bijbel zo beschreven staat, is het ook Gods Woord en Gods wil voor vandaag dat mannen over vrouwen heersen.

Zo hebben we in de loop van de tijd geleerd de bijbel anders te lezen. Wij hebben geleerd dat polygamie niet normaal is, ook al was het in de tijd van het Oude Testament gebruikelijk. Wij zijn anders over slavernij gaan denken. Wij zijn ervan doordrongen geraakt dat God man en vrouw gelijkwaardig geschapen heeft. Wij hebben leren zien, dat het verhaal van de schepping zoals Genesis dat vertelt niet bedoeld is om een wetenschappelijke uitleg daarvan te geven. Schepping als Gods werk en processen van evolutie kunnen naast elkaar bestaan.

Dat kan: omdat de bijbel geen handboek voor wetenschap is of een geschiedenisboek zoals wij geschiedenis beschrijven. De bijbel spreekt op een ander niveau en met andere middelen. Het is een boek, waarin wij zicht krijgen op God, op Zijn wereld, op Zijn plannen met onze wereld. Het is een boek, dat zich concentreert in Zijn openbaring in Jezus Christus tot ons behoud. Dat is het centrum van de Godsopenbaring, waar het Oude Testament al naar toewerkt en naar uitkijkt en waar het Nieuwe Testament verslag van doet.

Zo is de bijbel bedoeld als een boek, dat vertrouwen en geloof in God en in Jezus wil wekken en dat ons geloof wil ondersteunen en doen groeien. Dat is dan ook de blikrichting van waaruit wij de bijbel moeten lezen. Stem in de bijbel af op het hart van Jezus. Want de bijbel is een boek, waarin beloften van God voor ons klinken en waarin God zijn relatie van liefde met ons en de wereld wil verhelderen en waarin hij die relatie via Jezus wil vormgeven. Daarin is de bijbel normatief en daarom heeft hij gezag. Zo is de bijbel Gods Woord voor ons. Zo wordt ook deze gezaghebbende leer van de bijbel verder in het vervolg van de Geloofsbelijdenis samengevat en uitgelegdt, beginnend met de wie de drie-enige God is in art. 8 tot aan de wederkomst van Christus in art. 37.

In de woorden van de Geloofsbelijdenis zelf: de bijbel is geschreven tot ons behoud. De Geest die door de profeten, door Jezus en door de apostelen gesproken heeft, wil via het getuigenis van deze canonieke bijbelse geschriften ook vandaag, door de kracht die Hij daarin legt en meegeeft, ons overtuigen en in onze harten doordringen om die boodschap van liefde te laten landen. Zo wil hij ons leven via de bijbel transformeren. Daarin ligt het gezag van de Schrift. Zo worden we in de geloofsbelijdenis aangespoord om deze boeken van de bijbel als Gods Woord in geloof te ontvangen en te aanvaarden.


Liturgie d.d. 06-10-2019 – GKv Baflo (morgendienst)  // Gkv Ommen (midddagdienst)

  • Votum en zegengroet
  • Zingen: GKB Psalm 33 : 1 en 2
  • Lezen:  1 Thes. 1: 1-5a, 2: 1-4 en 9-13 en 2 Tim. 1: 13-14 en 3: 14-17
  • Zingen: LvK (1973) Gezang 305 : 1 en 2 (Waar God de Heer zijn schreden zet)
  • Lezen: NGB Art. 4 t/m 6
  • Preek
  • Zingen: LvK (1973) Gezang 314 : 1 en 2 (Gij die gelooft, verheugt u samen)
  • Wet: 1 Thes. 4 : 1-12 // Zingen: NPB Psalm 119 : 32 (Richt mij op U)
  • Gebed
  • Apostolische Geloofsbelijdenis / LvK (1973) Gezang 314 : 3 en 4 (Nabij of ver)
  • Zingen: LvK (1973) Gezang 326 : 1 en 2 (Een rijke schat van wijsheid)
  • Zegen

Kritiek op ‘Gereformeerde hermeneutiek vandaag’

De website ‘Bezinning Man, Vrouw en Ambt’ presenteert zich als een platform met studiemateriaal naar bijbeluitleg, achtergronden en gevolgen van het besluit van de GS Meppel 2017. Ze zeggen van zichzelf dat ze niet zonder meer ‘tegenstanders’ van de vrouw in alle ambten zijn, maar ze verwachten in een besluit om het ambt voor de vrouw in de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt (GKv) open te stellen ‘een weloverwogen, evenwichtige en bijbels gezonde argumentatie .., die de toets van de kritiek kan doorstaan.[i]

Je mag verwachten dat het materiaal dat ze zelf presenteren ook aan die eis zal voldoen. De keren dat ik materiaal van deze site geanalyseerd heb, viel het me op dat de argumentatie en het bijbels gehalte daarvan ver onder de maat was. Ik denk dan aan de 15 brieven van Rufus Pos aan zijn kinderen, een artikel van dr. Pieter Boonstra over ‘de priesterlijke lijn’ en meer in het algemeen de opmerking die regelmatig geuit wordt, dat het ‘m/v-besluit’ getuigt van Schriftkritiek.[ii]

In oktober 2018 werden op de site drie video’s van een avond in Haren met dr. Gert van den Brink geplaatst, met als aanbeveling: ‘In deze lezing gaat hij, in een verhelderend en goed te volgen betoog, in op de nieuwe hermeneutiek.[iii]

In deze video’s presenteert Van den Brink zijn kritische visie en beoordeling van de bundel ‘Gereformeerde hermeneutiek vandaag’.[iv] Deze bundel verscheen in september 2017 om de manier te verantwoorden waarop aan de TU Kampen vandaag theologie wordt bedreven en het gezag van de bijbel in het onderwijs handen en voeten krijgt. De kern van Van den Brink’s kritiek is dat hij vindt dat in deze bundel in de ethiek afscheid wordt genomen van de normativiteit van Gods woord en dat er in de dogmatiek zoveel verschuift of zal verschuiven, dat hij de retorische vraag stelt of dit nog ‘gereformeerd’ is: ‘Kun je jezelf nog gereformeerd noemen, als je zo’n andere visie hebt op goed en kwaad?

Fundamentele kritiek dus, die de bezinningssite van harte aanbeveelt. Kennelijk vooral, omdat men een samenhang ziet tussen het hermeneutisch denken zoals dat in deze hermeneutiekbundel vanuit Kampen gepresenteerd wordt en de onderbouwing van het besluit in de GKv om het ambt voor de vrouw open te stellen.

Fundamentele kritiek vereist echter een zorgvuldige onderbouwing. De aangevoerde argumenten en de daaruit afgeleide conclusies moeten wel verantwoord zijn. Daar schort het nogal aan bij dr. Van den Brink. Hoe helder en goed te volgen het betoog ook is, de citaten die hij aanhaalt zijn regelmatig uit het verband gehaald en in de conclusies die hij daar vervolgens aan verbindt, gaat hij behoorlijk met de citaten op de loop om er zijn eigen draai aan te geven.


Een typerend voorbeeld van deze onzorgvuldige manier van redeneren en concluderen is hoe dr. Van den Brink mij als vertegenwoordiger van de ‘nieuwe hermeneutiek’ presenteert.[v]

Laat ik eerst citeren, wat hij zegt:

Gelovigen nu zijn eigenlijk slechts, – volgens de nieuwe hermeneutiek -, alleen gebonden aan de vector, de grote doorgaande lijn, aan de grootste gemene deler, aan de richting waar het opgaat. Die is bepalend. Als je maar in de grote brede stroom van de pijl staat, zit je goed. Nou dat is de vraag, of je dat zo mag zien.

In de HC Zondag 7 staat dat het christelijk geloof alles gelooft wat God ons in zijn Woord geopenbaard heeft. Valt dat hier nog binnen? Pathuis – ook een voorstander van de nieuwe hermeneutiek – schrijft op zijn website: “Wij hebben Paulus’ aanwijzingen niet letterlijk op te volgen. Zij hebben geen cultuur overstijgende normatieve betekenis.” Als je maar in de grote lijn zit.

Daarmee verschuift de betekenis van wat geloven is. Geloven wordt vooral een levenshouding. Dat ik mijn leven richt in de richting van de grote pijl. Bekering is een perspectiefwisseling. Je gaat anders naar de dingen kijken. Maar mag je bekering daartoe beperken? Niet allereerst de fides quae (inhoud), maar de fides qua: houding, habitus, manier van leven.

Inderdaad kun je van mijn website min of meer de zinsnede citeren: ‘Wij hebben Paulus’ aanwijzingen niet letterlijk op te volgen. Zij hebben geen cultuur overstijgende normatieve betekenis.’ Maar die zinsnede staat wel in een alinea, die begint met: ‘Als het om de positie van de vrouw in de gemeente gaat, is het grote verschil dat Paulus zijn aanwijzingen gaf binnen een patriarchale samenleving.[vi] Dus ik zeg, dat Paulus’ concrete aanwijzingen over de rol en posities van mannen en vrouwen in de kerk geen cultuur overstijgende normatieve betekenis hebben, omdat ze gerelateerd zijn aan de patriarchale samenleving. Ik beweer niet van Paulus’ aanwijzingen in het algemeen, dat ze ‘geen cultuur overstijgende betekenis’ hebben.

Vervolgens geef ik in die alinea ook een argument voor mijn visie over de wijze waarop de m/v-teksten van Paulus in onze tijd moeten gelden: ‘Omdat in een westerse cultuur het toepassen van deze richtlijnen in zou houden, dat het patriarchale leven weer ingevoerd zou worden, is het gerechtvaardigd om Paulus’ aanwijzingen niet letterlijk op te volgen.’ Dat is de reden, dat ik schrijf dat Paulus’ aanwijzingen over het zwijgen van vrouwen ‘geen cultuur overstijgende normatieve betekenis’ hebben en dat wij ‘de intentie van Paulus spreken op andere wijze tot uiting [mogen] brengen.

Voor mij hebben Paulus’ aanwijzingen over het gedrag van de vrouw in de gemeente namelijk wel degelijk normativiteit. De vraag is alleen hoe je deze normativiteit in onze huidige westerse cultuur bijbels verantwoord tot uitdrukking brengt. En dat is volgens mij niet, door ze rechtstreeks en ‘een-op-een’ van toepassing te verklaren voor onze situatie.

Ik herken mij dus ook niet in de conclusie, die Van den Brink aan het ‘citeren’ van deze zinsnede uit mijn blog verbindt. Alsof ik de visie heb dat geloven alleen maar een habitus is, zonder inhoudelijke normativiteit. M.i. kun je niet op basis van een uit zijn verband gerukt citaat beweren dat ik de inhoud van HC Zondag 7 niet meer voor mijn rekening zou willen nemen en niet meer alles voor ‘betrouwbaar houd, wat God ons in zijn Woord geopenbaard heeft.’

Deze passage over mijn website is maar een klein detail in een groter betoog, waarin alle kritiek gericht is op de bundel ‘Gereformeerde hermeneutiek vandaag’. Maar tegelijk heeft deze onjuiste weergave van mijn visie wel een dragende grond in de algemene strekking van Van den Brink’s betoog. Hij zaait twijfel aan de integriteit en de confessionele betrouwbaarheid van de auteurs van de bundel ‘Gereformeerde hermeneutiek vandaag’.


Een ander typerend voorbeeld is hoe dr. Van den Brink de ethiek van dr. Ad de Bruijne schetst. Eerst stelt hij, dat hij daarin ‘een deugdethiek zonder een gebodsethiek’ aantreft. Daar merkt hij vervolgens over op:

Een deugdethiek gaat over de deugden als zelfbeheersing, geduld, etc. Dat is goed, maar dat kan niet zonder een gebodsethiek. Een gebodsethiek is: ‘gij zult’ en ‘gij zult niet’. Deze gebodsethiek is zover op de achtergrond verdwenen, dat nagenoeg alleen de deugdethiek overgebleven is. Citaat van De Bruijne: “Hun centrale ethische vraag kun je weergeven als: hoe doe je met je leven en met je concrete keuzen recht aan het grote verhaal van Gods werken in Christus”, [geciteerd uit ‘Gereformeerde hermeneutiek vandaag’, p. 184). Anders gezegd: hoe moet je als christen leven? Ik zou zeggen met de HC: ´hij leeft de geboden van God na´. Dat is niet wat De Bruijne zegt. Hij heeft het opnieuw over het grote verhaal van God en een christen probeert zo in het leven te staan, dat hij past in die pijl, die vector, die doorgaande lijn. Dan verwijst hij [= De Bruijne] naar Augustinus: ‘de interpretatie die de liefde dient, is altijd de juiste’. Dus als je het maar uit liefde doet, zit je nooit fout. Ik ben niet nagegaan of Augustinus het ook zo zegt, maar ik vind er wel enkele vragen bij te stellen.”

In deze passage suggereert Van den Brink, dat je de ethiek van De Bruijne kunt samenvatten met de richtlijn: ‘Dus als je het maar uit liefde doet, zit je nooit fout.’ Als je de verwijzing naar Augustinus in het hoofdstuk opzoekt, dan zie je dat De Bruijne dat citaat aanhaalt in een passage waarin hij schrijft over de noodzaak van ‘zelfkennis en zelfkritiek’ in je ethische hermeneutiek. Daaraan voegt De Bruijne toe:

Ook leren we met Augustinus dat de interpretatie die de liefde dient altijd de juiste is. Daarmee bedoelt hij [= Augustinus] niet ‘wat voor de ander fijn voelt’, maar wat de ander recht doet op diens plaats voor Gods aangezicht.[vii]

Duidelijk is dat De Bruijne hier een normatieve notie invoert voor het ethisch handelen, die hij via Augustinus terugvoert op de bijbel. De Bruijne keert zich juist tegen een interpretatie van de liefde als een subjectief gevoel die norm zou mogen zijn voor het handelen, wat Van den Brink De Bruijne vervolgens juist in de schoenen schuift door het citaat weer te geven als: ‘Als je het uit liefde doet, zit je nooit fout.’

Het is mij een raadsel hoe Van den Brink op verantwoorde wijze de conclusie kan trekken, dat bij De Bruijne bijna alleen sprake is van een deugdethiek. Alleen al het citaat dat hij aanhaalt van p. 184 laat zien, dat De Bruijne wel degelijk staat voor de normativiteit van Gods woord in het handelen van een christen. Je moet recht doen aan ‘het grote verhaal van Gods werken in Christus’. Dat is het kader, waarbinnen de apostelen hun ethische instructies geven.

De Bruijne laat vervolgens ook zien, hoe de apostelen dat kader dan verder normatief invullen vanuit Gods openbaring in het onderwijs van Jezus en van Mozes. ‘Jezus’ eigen aardse onderwijs vormt de kern’:

Zoals Mozes Gods Thora gaf aan het oude volk Israël .. zo geeft Jezus een vernieuwde Thora, voor een nieuw Israël uit alle volken ..’, (185).

Daarmee wordt de Thora van Mozes door De Bruijne niet afgeschreven, integendeel:

Wanneer de bergrede centraal staat, wordt daarmee tegelijk Mozes’ Thora een onmisbare bron van christelijk-ethische hermeneutiek’, (186).

Mijn inziens heeft dr. Van den Brink geen enkele grond om te beweren, dat De Bruijne de uitspraak van de Heidelbergse Catechismus niet zou onderschrijven, ‘dat een christen de geboden van God na moet leven.


Toch is dit de manier waarop Van den Brink stelselmatig argumenteert, concludeert en zijn beweringen onderbouwt. Onzorgvuldig lezen en citeren en op basis van halve waarheden en hele onwaarheden conclusies trekken, die suggereren dat de besproken auteurs van het boek ‘Gereformeerde hermeneutiek vandaag’ geen recht doen aan de bijbel als Gods woord en dat er getwijfeld moet worden aan hun gereformeerd-confessionele betrouwbaarheid.

Tegelijk is deze manier van presenteren de reden, dat ik protest aanteken tegen het plaatsen van zulk materiaal op de website www.bezinningmvea.nl. Dit is geen waardevolle bijdrage aan het gesprek over het ‘m/v-besluit’ in de GKv, maar het lichtvaardig veroordelen en helpen veroordelen van de goede naam van de TU Kampen.



[i] https://www.bezinningmvea.nl/entry/nieuws

[ii] Over de brieven van Pos, zie:  https://fpathuis.wordpress.com/2018/04/25/zondeval-en-scheppingsorde/, https://fpathuis.wordpress.com/2018/07/10/genesis-1-3-en-de-scheppingsorde-1/ en https://fpathuis.wordpress.com/2018/07/12/genesis-1-3-en-de-scheppingsorde-2/. Over ‘de priesterlijk lijn’, zie: https://fpathuis.wordpress.com/2018/06/14/priester-m-v/. Over de typering van het ‘m/v-besluit’ als Schriftkritiek, zie: https://fpathuis.wordpress.com/2019/03/06/de-gkv-en-de-schriftkritiek/.

[iii] https://www.bezinningmvea.nl/entry/op-zoek-naar-betekenis

[iv] Gereformeerde hermeneutiek vandaag. Theologische perspectieven, Ad de Bruijne en Hans Burger (red.), Barneveld, Uitgeverij De Vuurbaak, 2017.

[v] Ik presenteer mij niet als een vertegenwoordiger van ‘de nieuwe hermeneutiek’. Ik sta voor een gereformeerde hermeneutiek, waarin ook aandacht is voor de vraag hoe je op verantwoorde wijze de normativiteit van de bijbel vandaag tot gelding brengt. Voor deze vraagstelling is in de traditionele ‘gereformeerde hermeneutiek’ te weinig aandacht geweest. Dat vind ik het waardevolle van de bundel ‘Gereformeerde hermeneutiek vandaag’.

[vi] https://fpathuis.wordpress.com/2018/06/09/meedenken-met-loonstra-i/

[vii] Gereformeerde hermeneutiek vandaag. Theologische perspectieven, Ad de Bruijne en Hans Burger (red.), Barneveld, Uitgeverij De Vuurbaak, 2017, p. 191. Het citaat van Augustinus is ontleend aan een van zijn bekendste werken De doctrina Christiana, een boek waarin Augustinus ingaat op de vraag hoe je de bijbel moet lezen.