Deze week schreef ik, nav Jeremia 18:1-6, het verhaal van Thea, het koffie kopje. Voor de vrouwendag van ICF. Ik kwam erop toen ik naar het theepotje van mijn lieve, prachtige oma keek. Het staat nu in mijn kast, als aandenken.
Bij zes verschillende kringloopwinkels heb ik gebedeld om gratis kop & schoteltjes om gevuld en ingepakt als cadeautje mee te geven. Die kreeg ik, de ene winkel was wat guller dan de andere, maar alle vrouwen konden na de boodschap van dit verhaal, een leuke workshop lekkere hightea hapjes maken en veel tijd voor ontmoeting, blij naar huis. Met een of twee schattige kop & schoteltjes. Als aandenken en herinnering.
Er waren deze keer buitengewoon veel Arabische en Iraanse dames. Sommigen zochten in de pauze alvast hun porselein uit.
“Hallo allemaal, mijn naam is Thea. Vinden jullie mij mooi? Zoals ik er nu uitzie was het niet altijd hoor. Laat ik jullie vertellen hoe ik ben geworden wat ik nu ben; prachtig en bruikbaar.
Ooit zat ik verstopt in een berg, maar op een dag kwam er iemand. Hij zag eruit als een kunstenaar met mooie, sterke handen. Hij keek goed rond, toen viel zijn oog op mij. Met zijn sterke handen maakte hij me los en nam me mee naar zijn werkplaats. Er stonden daar een heleboel potjes, kopjes, borden, bekers. Ik was erg benieuwd wat hij met me ging doen. Dat merkte ik snel genoeg; ik werd hard op een tafel gegooid, opgepakt en weer gegooid, en opnieuw. Auw,! .….Zo, he he, eindelijk stopte het. Ik was nog steeds een stuk klei zonder vorm. Maar ik was wel een stuk zachter geworden. Af en toe gooide hij een plons water over me heen!
Hij plaatste me op een ronde schijf en opeens begon ik rond te draaien, steeds sneller. Ik werd er gewoon duizelig van en riep; “pas op, ik word duizelig!”! Hij legde zijn kunstenaarshanden om me heen. Zorgvuldig begon hij me te vormen, dat deed ook best een beetje pijn. “Zo is het wel goed hoor, u kunt nu stoppen” zei ik. Maar hij schudde zijn hoofd en zei “Ik ben de pottenbakker, jij bent de klei” Het resultaat was wel heel mooi. Ik was geen vormeloos stuk klei meer, ik begon meer en meer op een kopje te lijken. Toen ik dacht dat het klaar was vroeg ik: “is het nu dan klaar?”, maar weer schudde hij zijn hoofd en zei “Ik ben de pottenbakker, jij bent de klei”. Met een scherp stokje schreef hij onderop de letters: G o d
Ik mocht een dagje uitrusten en opdrogen.
Toen zette hij me in de oven! Zulke hitte had ik nog nooit gevoeld! “Waarom gaat u me verbranden?” vroeg ik. Hij schudde zijn hoofd en zei: “Ik ben de pottenbakker, ik ga je niet verbranden, ik ga je bakken. Dan word je sterk en bruikbaar.” Auw, wat was het heet, maar inderdaad, ik verbrandde niet, ik werd wel heel sterk en ik was ook gerust gesteld dat de pottenbakker er bij bleef staat. Hij zei: “ook al ga je door het water, je zult niet verdrinken, en als je door het vuur zult gaan, zal je niet verbranden.” Ik begon zijn woorden te vertrouwen, te geloven. Daardoor hield ik het uit in dat hete vuur. Hij wist wat hij deed!
Eindelijk deed hij de deur open. Hij haalde me uit de oven en zette me op een plank om af te koelen. “Is het nu klaar?” vroeg ik weer, maar de pottenbakker gaf hetzelfde antwoord als altijd; “Ik ben de pottenbakker, jij bent de klei”. Met een stuk gereedschap pakte hij me op en dompelde me onder, helemaal, kopje onder. Ik hield mijn adem in…zou dit wel goed aflopen? Waar was dit goed voor? Ik begon bang te worden….maar hij tilde me weer omhoog. Wow, ik voelde me herboren! Ik zag er anders uit dan voor het onderdompelen. Ik vond mezelf nu mooi genoeg. “Nu ben ik helemaal af, zeker?” vroeg ik hoopvol. De pottenbakker schudde zijn hoofd en zei “Ik ben de pottenbakker, jij bent de klei”. Ik begreep het niet, wat moest er nog meer gebeuren dan?
Opnieuw werd ik in de oven gezet. Maakte hij een foutje? Ik was toch al gebakken, ik was al sterk genoeg toch? De hitte was wel twee keer zo erg, dit kon ik echt niet volhouden. “Stop, haal me eruit alsjeblieft”, riep ik. Waar was mijn vertrouwen, mijn geloof, in de pottenbakker? Deze hitte kón niet goed zijn voor me! Maar, nee, hij maakte toch geen foutje. Het laagje glazuur, waardoor ik er zo anders, zo nieuw uitzag na het onderdompelen, kon nóg mooier worden! Hij zei “Ik ben de pottenbakker, jij bent de klei. Alle dingen zullen meewerken, jou ten goede!” Okay, ik gaf me over. Als hij het zei dan moest het waar zijn. Zelfs deze hitte gebruikte hij om mij nog mooier, sterker, bruikbaarder en eervoller te maken. Onbegrijpelijk! Hij wist al van te voren dat ik dit aan zou kunnen, dat het me niet kapot zou maken.
Hij opende de deur van de oven, haalde me eruit en zette me voor de spiegel. “Kijk!” zei hij. Ik keek, he, wacht even, was ík dat?? Dat prachtig mooie kopje, was ík dat? Dat kon toch niet!” Maar ik was het wél.
De pottenbakker zei: “Ik weet dat het pijn deed, maar als ik je in die berg had gelaten was je nog steeds een stuk harde, vormeloze klei. Ik moest kneden om je zacht en bruikbaar te maken. Ik moest je bakken anders zou je zijn gebarsten en in stukken gevallen. Ik moest je in het glazuur dopen om je extra mooi te laten worden. Nu ben je wat ik in gedachten had toen ik je zag en koos en losmaakte van de rest. Een vat tot Mijn eer. Snap je het nou?"
Niet helemaal, maar ik zei: " U bent de pottenbakker, ik ben de kei."