Fundamenten van het Geloof 21. De duivel in het Nieuwe Testament (1)

In de vorige artikelen over het fundament van het geloof hebben de figuur Satan toegelicht.

We zagen dat het Hebreeuwse woord of groep van woorden, dat op vele plaatsen in Bijbelvertalingen vertaald is als de naam Satan, eigenlijk een Bijbelse aanduiding is voor elke tegenstander van de hemelse Vader, Jehovah God. Omdat de taal van het Nieuwe Testament een weerklank is van die van het Oude Testament, keken we daarom aan de hand daarvan die betekenis van ‘de satan’ naar het gebruik in het Nieuwe Testament.

De duivel in het Nieuwe Testament (1)

De betekenis van woorden

Na alles rond satan te hebben onderzocht, vraagt het begrip duivel onze aandacht. Zoals we al zagen, kent het Aramees/Hebreeuws dit begrip niet. Het komt dan ook niet voor in de geschriften van het Oude Testament.

Toen veel Joden in de Grieks sprekende wereld woonden, werden verschillende Griekse vertalingen gemaakt van de Schriften. De ons meest bekende is de Septuaginta, waarin het woord satan slechts één maal onvertaald werd gelaten (1 Koningen 11:14).

In de meeste andere gevallen werd het vertaald met diabolos. In het (klassieke) Grieks is het soms een wat sterker woord dan satan; maar als we de Oudtestamentische betekenis in gedachten houden, is het geschikt als equivalent. Ook de schrijvers van de Nieuwtestamentische geschriften dachten er kennelijk zo over, want de meeste van hen (Matteüs, Marcus, Lucas, Johannes, Paulus en Jacobus) gebruiken de begrippen door elkaar. Petrus, Judas en de schrijver van de Hebreeënbrief bezigen alleen diabolos.

Ons probleem is dat wij de oorspronkelijke woorden meestal niet kennen, laat staan hun inhoud en betekenis. Soms heeft een woord in de loop der tijd een zodanig andere inhoud gekregen, en kan zelfs zo beladen geworden zijn, dat we beter het oorspronkelijke woord zouden kunnen gebruiken, om duidelijker voor ogen te hebben waar het om gaat. Dat heeft men al gedaan met satan, en zou ook beter zijn wat betreft daimōn/demonen, en misschien ook wel diabolos. Dan kunnen we uitgaan van wat er staat, en voorkomen we te lezen wat wij erin menen te zien of willen zien. Wij geven nogmaals de betekenis van diabolos en verwante woorden, zoals gebruikt in de Septuaginta:


Verschillen in vertalingen

Bij ons onderzoek naar het begrip duivel stuiten we al direct op een moeilijkheid. Want als we uit zouden gaan van de Statenvertaling, vraagt dit de bestudering van veel meer passages dan wanneer we de NBG’51 of NBV 2004 vertalingen gebruiken. Het gaat hierbij om het begrip daimōn of daimonion. In de Septuaginta is dit de vertaling van twee verschillende woorden in het Hebreeuws, die betrekking hebben op dieren en afgoden. In de Statenvertaling wordt dit woord onbegrijpelijkerwijs een aantal malen vertaald met duivel(en).
De NBG’51 en de NBV 2004 doen dit echter terecht niet. Wat het Nieuwe Testament betreft wordt in de SV consequent het begrip duivel gebruikt voor diamon(ion) en de aanverwante woorden daimoniodes en daimonizomai (op Handelingen 17:18 na, waar ‘goden’ wordt gebruikt). Wat duivel ook moge betekenen, als vertaling voor de hier genoemde woorden is het niet juist. De NBV 2004 bezigt in bijna alle gevallen de vrijwel onvertaalde term demon(en) en in een aantal gevallen bezeten(e). Bezeten(e) met wat in de NBG’51 ‘boze geest(en)’ wordt/worden genoemd. Toch komen we ook in de NBG’51 twee maal duivelen tegen, en wel in Openbaring 16:14 en 18:2, waar het toch echt gaat om demonen, wat dit ook mogen zijn, en niet om diabolos. Een voorbeeld dat vertalers niet altijd letterlijk (neutraal) vertalen, maar ook interpreteren – met het gevaar van het inleggen van eigen opvattingen.

Diabolos in de brieven van Paulus aan Timoteüs en Titus

Vanaf nu beperken we ons tot het enige Griekse woord in het Nieuwe Testament, dat zou kunnen worden weergegeven met duivel: diabolos. Het eerste dat opvalt bij het opzoeken van alle passages waarin diabolos voorkomt, is dat zowel de Statenvertaling, de NBG’51 en De NBV 2004 op drie plaatsen afwijken van het gebruik van duivel. We vinden ze in 1 Timoteüs 3:11, 2 Timoteüs 3:3 en Titus 2:3, waar gesproken wordt van lasteren, kwaadspreken. De vertalers konden daar niet onderuit, omdat Paulus duidelijk spreekt over mensen, vrouwen – en hoewel het consequent zou zijn, kun je vanuit de heersende opvatting over wie de duivel is of wat duivelen zijn, hen moeilijk duivels noemen.
Maar als we die opvatting loslaten, past het woord duivel heel goed bij hen!

Laten we consequent zijn en kijken of het woord op andere plaatsen dezelfde inhoud en betekenis kan hebben. Als we in hoofdstuk 3 van deze eerste brief aan Timoteüs blijven, zien we dat daar in de verzen 6 en 7 ook het woord duivel voorkomt. De eerste vraag is: ‘waarom zou Paulus in vers 11 een vrouw bedoelen en in de verzen 6 en 7 een bovennatuurlijk wezen?’. De tweede vraag is: ‘waarom niet eerst kijken naar wat het meest voor de hand ligt, namelijk of het om hetzelfde gaat?’. De derde vraag is: ‘waar gaat het Paulus om; wat heeft hij voor ogen?’. In vers 7 zegt Paulus dat hij niet wil dat een dienaar van God in opspraak komt. Anders gezegd: een dienaar van God mag niets doen dat mensen buiten de gemeente aanleiding tot kwaadsprekerij en laster geeft over een gelovige of gemeente. Petrus schrijft over het gevaar van verkeerd gedrag van leden van de gemeente:

“zodat door hun schuld de weg van de waarheid gelasterd zal worden” (2 Pet 2:2).

Het gaat bij wat Paulus schrijft aan Timoteüs en in deze brief van Petrus dus om dezelfde gedachte: in het ene geval vrouwen in de gemeente die kwaadspreken over anderen, in het andere mensen buiten de gemeente die kwaadspreken over (leden van) de gemeente.
En als het in twee verzen in dezelfde passage gaat over mensen, is het dan redelijk te stellen dat de duivel vers 6 een kwade bovennatuurlijke macht is?

De werkwoordsvorm peirazo van het Griekse woord peirasmos, heeft de betekenis van testen, beproeven, proberen. Beide worden in de Bijbel gebruikt voor het op de proef stellen van gelovigen. Het ligt aan de bedoeling van de beproever hoe we dat moeten opvatten. Bij goede bedoelingen is het op de proef stellen, om vast te stellen of de ander bruikbaar is en om hem of haar te verbeteren. Dit is hoe God werkt. Hij heeft een positief, levenbrengend doel voor ogen.

Jacobus zegt nadrukkelijk dat God een mens niet verzoekt (Jac 1:13); en de schrijver van de Hebreeënbrief toont mensen die vasthielden aan hun geloof, toen zij op de proef werden gesteld (11:37). Bij kwade bedoelingen is het verzoeking, in de hoop dat de ander zwicht voor de verleiding. Dan is het negatief, dodelijk bedoeld. Toen koning Balak van Moab aan Bileam vroeg hoe hij van de Israëlieten af kon komen

“leerde hij hem de kinderen van Israël een strik te spannen, dat zij afgodenoffers zouden eten en hoereren” (Op 2:14).

Lucas stelt de komst van schriftgeleerden om Jezus te verzoeken voor als het spannen van een strik, met de bedoeling hem

“te vangen in iets, dat hij zich zou laten ontvallen” (Luc 11:53),

zodat zij hem konden aanklagen. Datzelfde beeld gebruikt Paulus in 1 Timoteüs 3:7

“opdat hij niet in opspraak komt en in een strik van de duivel valt”.

Ook in 2 Timoteüs 2:26 vinden we dit terug. Wat Paulus hier zegt, is het best te begrijpen vanuit wat Petrus schrijft in zijn tweede brief. Hij zegt dat er mensen zijn die gelovigen – “die zich ternauwernood aan degenen die in dwaling verkeren, ontrekken” (2:18) – verleiden tot zonde. Wie toegeeft, zegt hij, is er daarna erger aan toe dan voordat hij of zij tot geloof kwam:

“Wanneer men immers door de kennis van Jezus Christus, onze heer en verlosser, de besmetting van de wereld is ontvlucht, maar er weer in verstrikt raakt en het onderspit delft, dan is voor zo iemand het laatste erger nog dan het eerste” (2:20 Petrus Canisius Vertaling).

De duivel waar Paulus over spreekt, moet evenals satan gelezen worden als de belasteraar, (valse) aanklager, de hater, de vijand. En dan valt alles op zijn plaats. In dat licht kan ook 1 Timoteüs 3:6 worden begrepen. Jezus viel in het oordeel of vonnis van ‘de duivel’ – de hem vijandig gezinde Joodse leiders – toen hij erkende dat hij de Christus was:

“Waarvoor hebben wij nog getuigen nodig? Zie, nu hebt u de godslastering gehoord. Wat dunkt u? Zij antwoordden en zeiden: Hij is de dood schuldig” (Mat 26:65,66).

Zij hadden hem een strik gezet, en in hun ogen hadden zij hem daar nu in gevangen.

Diabolos in andere brieven

Nu zijn andere uitspraken over ‘de duivel’ niet moeilijk meer te begrijpen. Paulus waarschuwt:

“geef de duivel geen voet” (Efez 4:27).

Dat wil zeggen: Doe en zeg niets dat onze vijanden aanleiding geeft tot laster, smaad of een aanklacht.
En zijn woorden

“Doe de wapenrusting van God aan, om te kunnen standhouden tegen de verleidingen van de duivel” (6:11),

passen bij het oppassen voor de ‘strik van de duivel’ waar Paulus en Petrus over schrijven. Daarbij kunnen we de oproep van Jacobus voegen:

“biedt weerstand aan de duivel, en hij zal van u vlieden” (4:7).

Daar hebben we die ‘wapenrusting’ voor nodig; en wie die gebruikt is zeker van de overwinning. Dit is een weerklank van wat God zei tegen Kaïn, toen hij met moordplannen rondliep:

“indien u niet goed handelt, ligt de zonde als een belager aan de deur, wiens begeerte naar u uitgaat, maar waarover u moet heersen” (Gen 4:7).

Bij hem ging het om zijn eigen vijandige gedachten (vanuit jaloerse haat) tegen Abel, waardoor hij zich liet verleiden zijn broer te doden. Dus zijn ’ik’, geen vijand van buitenaf, en zeker geen machtige bovennatuurlijke. Want hoe had hij daarover kunnen ‘heersen’?

Voor de gelovigen nu zijn er vaak wel verleidingen van buitenaf: mensen die ons willen laten meedoen met wat gewoon is in de wereld, of ons ‘chanteren’ door te dreigen iets te doen dat voor ons onaangenaam is, als wij Christus willen navolgen en trouw willen zijn aan het woord van de apostelen. Dat is hoe God ons test: kiezen wij voor Hem, of voor een ‘probleemloos’ bestaan nu.

Ook Petrus schrijft de gelovigen dat zij de vijand weerstand moeten bieden:

“Uw tegenpartij, de duivel, gaat rond als een brullende leeuw, zoekende wie hij zal verslinden. Weerstaat hem, vast in het geloof, wetende dat aan uw broederschap in de wereld hetzelfde lijden wordt toegemeten” (1 Pet 5:8).

Maar hier gaat het om iets levensbedreigends: vervolging. Hij noemt ‘de tegenpartij’ niet bij name, maar het is duidelijk wie hij bedoelt: de Joden, Herodes, en de Romeinse overheid (zie Hand 4:27). De vijand zoekt de zwakke plekken (‘wie hij kan verslinden’). ‘Weerstaan’ betekent niet ‘met geweld ertegen verzetten’, maar niet toegeven aan hun eisen. Want wie aan vervolging ontkomt door te doen wat de aardse vijand vraagt, wordt een vijand van Christus. De Joodse Raad eiste van de apostelen dat zij zouden ophouden met te spreken over Christus Jezus; maar zij zeiden:

“Beslist zelf, of het recht is voor God, meer aan u dan aan God gehoor te geven”.

Zij dreigden hen, maar lieten hen vrij, omdat zij

“geen vorm konden vinden om hen te straffen” (Hand 4:18-21).

Korte tijd later werden zij gegeseld, omdat zij niet zwegen (Hand 5:40). Jezus zegt tegen gelovigen in Smyrna:

“Zie, de duivel zal sommigen van u in de gevangenis werpen, opdat u verzocht wordt … Wees getrouw tot de dood en ik zal u geven de levenskroon” (Op 2:10).

Het is dus zaak stevig in de schoenen te staan, en vol overtuigd te zijn van de waarheid, zodat we de proef doorstaan.

J.K.D.

+

Voorgaande

  1. Fundamenten van het Geloof 17 De satan in het Nieuwe Testament (1) Zonde als koning heersend in de dood
  2. Fundamenten van het Geloof 18 De satan in het Nieuwe Testament (2) Personificatie en boze geesten
  3. Fundamenten van het Geloof 19 De satan in het Nieuwe Testament (3) Een engel van het licht en vrijlating voor gevangenen
  4. Fundamenten van het Geloof 20 Fundamentele begrippen van het Kwaad

 

++

Aanvullend

  1. Taal van de Bijbel onder ogen zien
  2. Bereshith 3:1-5 De grote misleiding
  3. Rosj Hasjana om na te denken wat wij met de wondere schepping van God doen
  4. Eerste gedachte voor vandaag “De wereld is misschien slecht” (16 januari)
  5. God meester van goed en kwaad
  6. Duivel, Satan, Lucifer, Demon, Goed en Kwaad en God
  7. Begrippen satan en duivel in de Bijbel
  8. Zonde en rekenschap
  9. Zonde en rekenschap
  10. Lucifer
  11. Satan of Duivel
  12. De duivel kan de Schrift aanhalen voor zijn doel
  13. Wat betreft het “Getal van de duivel”
  14. Wie zijn de genoemde « zonen van God » in Genesis 6
  15. Voor het geval er gevallen engelen zouden zijn, waarom zouden ze dan niet vernietigd geworden zijn door de zondvloed
  16. Gevallen engelen en hun verblijf
  17. Hoe de Satan vandaag rond toert
  18. Satan het kwaad in ons
  19. Media geen werk van Satan, een duivelse engel
  20. Schapen en bokken 4 Addendum 2: Eeuwig branden in de hel
  21. Achtergrondverzen bij “Het Onze Vader” 7 Verzoeking
  22. Waarom is er zo veel kwaad in de wereld?
  23. Dominee Bekker verdreef Duitse duivels
  24. Op weg naar het eindstation

Fundamenten van het Geloof 20 Fundamentele begrippen van het Kwaad

Photo by Lucas Pezeta on Pexels.com

De satan (samenvatting)

De afgelopen twee en een half jaar zijn in ons Nederlandstalig tijdschrift 12 artikelen gewijd aan de betekenis van ‘de satan’ in het Oude en het Nieuwe Testament. Dat lijkt veel, maar het is bij zo’n controversieel onderwerp beter rustig alle passages te bekijken, dan snelle conclusies te trekken. Gezien deze lange tijd en de vele uitleg, is het begrijpelijk als u het gevoel heeft het overzicht een beetje kwijt te zijn. Het lijkt ons daarom goed, alvorens over te gaan tot de betekenis van ‘de duivel’ in het Nieuwe Testament, een (lange) samenvatting te geven van wat we hebben gevonden over ‘de satan’.

Het Hebreeuwse woord in het Oude Testament

Satan’ kan in het Hebreeuws zowel een zelfstandig naamwoord als een werkwoord zijn. Het heeft de betekenis van iemand die tegenover je staat, in de zin van een tegenstander (bijvoorbeeld in de strijd) of de tegenpartij in een rechtszaak (vertegenwoordigd door de aanklager). Het woord komt 32 maal voor, waarvan 14 in de eerste twee hoofdstukken van het boek Job. Het zijn de volgende plaatsen: Als zelfstandig naamwoord: Numeri 22:22; 1 Samuel 29:4; 2 Samuel 19:22; 1 Koningen 5: 4; 11:14, 23, 25; 1 Kronieken 21:1; Job hoofdstukken 1 en 2 (14x); Psalm 109:6; Zacharia 3 (3x).
Als werkwoord: Psalm 38:20, 71:13, 109: 4, 20, 29; Zacharia 3:1.

Omdat Gods openbaring in het Oude Testament de basis is voor het verstaan van Zijn heilswerk in Christus, zullen we altijd daarin naar de sleutel moeten zoeken voor het verstaan van de taal en boodschap van het Nieuwe Testament.
Wat opvalt bij het lezen van de genoemde passages, is dat er nergens sprake is van een bovennatuurlijke kwade macht. Het tegendeel is eerder het geval.

In het geval van Bileam in Numeri 22 is een engel van Jehovah zijn ‘satan’, die hem letterlijk in de weg staat, tegenhoudt om te doen wat hij (tegen de wil van God in) van plan is te doen. In het geval van koning Salomo in 1 Koningen 11 is er zelfs sprake van meerdere ‘satans: menselijke koningen. In 1 Samuel 29 zien de Filistijnen David als hun mogelijke ‘satan’ als zij willen uittrekken tegen het Israël van koning Saul; dus als iemand die zich tegen hen zou keren als het eenmaal tot een strijd zou komen. In 2 Samuel 19 beschouwt koning David zijn legeraanvoerders als zijn ‘satans’, omdat zij iets willen doen dat tegen Davids rechtvaardigheidsprincipes ingaat. Koning Salomo zegt in 1 Koningen 5 dat er in zijn rijk vrede heerst, omdat zijn vader alle ‘satans’, menselijke tegenstanders, heeft verslagen in de vele oorlogen die hij voerde. In de Psalmen 38, 71 en 109 spreekt David over mensen uit zijn eigen volk die hem haten, zich tegen hem verzetten en zijn leven belagen.

In 1 Kronieken 21 ligt de zaak wat ingewikkelder. Daar staat:

“Satan keerde zich tegen Israël en zette David aan tot …”.

Maar we mogen voor een verklaring hiervan niet zomaar een opvatting uit later tijd toepassen. We moeten die zoeken binnen de normale betekenis van het gebruikte woord, en aan de hand van andere plaatsen in de Bijbel waar meer gezegd wordt over dezelfde gebeurtenis. Nu staat er in de parallelle passage in 2 Samuel 24:1:

“ … Jehovah… zette David tegen hen (Israël) op …”.

Het is aannemelijk dat de tekst in Samuel ouder is dan in Koningen, mogelijk geschreven door de profeet Nathan, die als geen ander wist wat er rond David gebeurde. In ieder geval kan uit de oorzaak – “de toorn van Jehovah tegen Israël” – niet anders worden geconcludeerd dan dat God Zijn volk duidelijk wilde maken dat het op de verkeerde weg was. We hoeven echter die ‘satan’ in 1 Kronieken ook niet zomaar terzijde te schuiven. Want het gebruikte woord is zeker toepasselijk, omdat het ons brengt tot die andere betekenis, namelijk aanklager.

Ds. F.J. Pop schreef in Bijbelse woorden en hun geheim:

‘Het Hebreeuwse woord voor satan wordt gebezigd voor een figuur uit het Israëlitische recht; de vijandig gezinde aanklager van de rechtbank’.

We zien dit in Psalm 109:6, waar het gaat om een menselijke aanklager in een rechtszaak. In Zacharia 3 is ook sprake van een aanklager, maar hier is hij een figuur in een symbolische rechtszaak, die handelt om de vraag of de tempel in Jeruzalem terecht herbouwd wordt. De werkelijke aanklagers zijn bewoners van het land, die bij de Perzisch-Medische koningen de bouw van de tempel proberen tegen te houden. ‘De satan’ vertegenwoordigt in deze zaak de aanklagers. De engel is de pleiter voor Israël. God doet de uitspraak dat Hij wil dat de tempel wordt herbouwd, omdat Hij “Jeruzalem verkiest”.

Dit brengt ons tot het boek Job. Ook hier is sprake van een symbolische zitting. In dit geval moet hierin Gods rechtvaardigheid worden aangetoond inzake de zegeningen die Hij Job schenkt. Uit het gehele boek blijkt dat zelfs zijn vrienden hem ervan beschuldigen zijn rijkdommen op onrechtvaardige wijze te hebben verkregen. De afgunst van mensen brengen hen tot kwade verdachtmakingen. Maar de beschuldigingen zijn er, en Gods rechtvaardigheid eist dat aan het licht komt of beschuldigingen aan het adres van zijn gunstelingen terecht zijn of niet. De rol van ‘de satan’ in dit boek is dan ook de beschuldigingen uit de omgeving van Job onder Gods aandacht te brengen en vervolgens de beschuldigde te beproeven. In het geval van Job wordt alles wat hij heeft verworven van hem afgenomen, om te zien of hij inderdaad – zoals zijn beschuldigers zeggen – God alleen maar dient omdat Hij hem zoveel geeft, of dat hij Hem ook zonder dat alles trouw blijft. Uit het slot van het boek blijkt het ongelijk van zijn vrienden (‘de satan’ wordt niet meer genoemd!).

Job komt uit zijn beproeving met meer geloof en inzicht. ‘De satan’ heeft dus niet gefaald, maar is juist geslaagd in zijn werk. Want hij staat in Gods dienst om te onderzoeken of er een smet kleeft aan Gods gunstelingen, en vervolgens hen te beproeven zodat zij gelouterd worden en behouden worden in het oordeel.
Interessant is het gevoel van Job geheel alleen te staan; dat God hem heeft verlaten, en hij dus nergens naartoe kan gaan in zijn nood. Daarom vraagt hij om een middelaar, een pleitbezorger. Dit is van groot belang in het Nieuwe Testament, omdat daar duidelijk blijkt dat God die Pleitbezorger heeft gegeven: Jezus Christus.

De betekenis en lading van het woord in het Nieuwe Testament

Omdat de taal van het Nieuwe Testament een weerklank is van die van het Oude Testament, zullen we daarom aan de hand daarvan de betekenis van ‘de satan’ in het Nieuwe Testament moeten vinden. Voor een onbevooroordeeld onderzoek is het nodig alles te vergeten wat er wordt gezegd over wie en wat ‘de satan’ is en te lezen wat er in het verband met de rest van het verhaal staat.
Voordat we dit doen moet het volgende worden gezegd:

1. Het Nieuwe Testament is geschreven in het Grieks. In de tijd van de heer Jezus en zijn apostelen waren de Hebreeuwse geschriften (ons Oude Testament) al vertaald in het Grieks. Er waren de ‘Septuaginta’ en de zogenaamde ‘Masoretische’ tekst. Het Grieks kent het woord satan niet. Vertalers (we spreken nu over de ‘Septuaginta’) zoeken dan naar een woord dat dezelfde inhoud heeft als het woord in de oorspronkelijke tekst. Daarvoor zijn zij gekomen op diabolos en de werkwoordsvorm daarvan. De inhoud hiervan is: (be)lasteraar, kwaadspreker, aanklager; vijand, hater. En we herkennen hierin wat we in het Oude Testament zagen over ‘de satan’. Opvallend is overigens dat de vertalers in 1 Koningen 11 ‘satan’ onvertaald hebben laten staan.

2. De taal van de Bijbel is heel bijzonder. We vinden er parallellisme, beeldspraak, maar ook personificatie. Dat is iets abstracts voorstellen als een persoon. We zien dat bij de wijsheid in Spreuken, maar ook bij de zonde en de dood in de brieven van Paulus. En zo is het soms ook met het kwaad, dat wordt voorgesteld als een macht die God en Zijn kinderen vijandig gezind is.

3. Ook was het gevaarlijk om in brieven, die meestal door één of meer personen werden gebracht, openlijk te spreken over de concrete vijanden van Christus die de apostelen bedoelden. Daarom gebruikten zij termen die geen bewijs konden vormen bij een aanklacht, maar voor de gelovigen duidelijk waren. In dit verband ‘satan’ als de Romeinse overheid of de Joodse leiders werden bedoeld.

4. Tijdens de eerste ballingschap is er iets veranderd in de opvattingen van velen in Israël. De profeet Jesaja moest hen waarschuwen dat zij zich in de ballingschap niet mochten inlaten met het idee van de Perzen en Meden, dat er een god is die verantwoordelijk is voor het goede (licht) en een god die verantwoordelijk is voor het kwade (duisternis) dat de mens treft. Maar er is maar één God, die zowel het duister als het licht heeft geschapen. Helaas hebben velen in Israël toch het idee van een kwade macht met goddelijke kracht overgenomen. En zo is het ook het latere christendom ingeslopen.

Maar de verantwoordelijkheid voor het kwade dat de mens doet, wordt zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament bij de mens zelf gelegd. In de hof wordt het vonnis over de eerste mens uitgesproken, niet over een satan. Jacobus zegt, om het idee te weerleggen dat, als er maar één God is, je Hem verantwoordelijk maakt voor het kwaad dat een mens doet:

“Laat niemand, als hij verzocht wordt, zeggen: Ik word van Godswege verzocht. Want God kan door het kwade niet verzocht worden en Hijzelf brengt ook niemand in verzoeking.”

En dan zou je – naar de opvattingen van veel Joden en het latere christendom – verwachten dat hij dan ‘de satan’ of ‘de duivel’ aanwijst als degene die de mensen verzoekt, verleidt tot zonde. Maar dat is niet het geval! Integendeel:

“zo vaak iemand verzocht wordt, komt dit voort uit de zuiging en verlokking van zijn eigen begeerte.”

De vetgedrukte woorden maken samen duidelijk dat hier geen ander wezen tussenpast. Het komt dus niet voort uit een ‘satan’ die zuigt en verlokt, zodat wij gaan begeren, maar uit onszelf. En dat is een boodschap die de meeste mensen niet graag horen, omdat we dan zelf verantwoordelijk zijn voor onze zonden, en we dus serieuze stappen moeten doen om daarvan verlost te worden. Alleen dan kunnen we, ondanks Gods onherroepelijke doodvonnis over ons, toch bij de komst van Christus opgewekt worden en eeuwig leven ontvangen. En hoe God dat doet vertelt het Nieuwe Testament ons.

Het woord in het Nieuwe Testament

De schrijvers van de nieuwtestamentische geschriften gebruiken het Hebreeuwse woord satan(as) regelmatig: 36 maal. Het woord diabolos, dat de Septuaginta normaal bezigt, gebruiken deze schrijvers echter precies even vaak (wie er een Concordantie op naslaat zal zeggen dat duivel veel vaker voorkomt, maar in onze vertalingen wordt vaak ‘duivel’ gebezigd waar dat in de grondtekst niet het geval is).
Dat kan twee dingen inhouden: ze zijn voor hen synoniem (en we hebben gezien dat dit regelmatig het geval is), of ze hebben een iets andere betekenis of inhoud.

De verleiding is groot ze samen te behandelen – en dat hebben we in de artikelen gedaan als ze in hetzelfde verband werden gebruikt (samen of in een parallelle passage – maar we hebben gekozen voor een systematische aanpak per woord of begrip. En daarom kijken we in de volgende artikelen naar ‘de duivel’ (diabolos).

Het zou te ver gaan om alle passages in het Nieuwe Testament waarin ‘de satan’ wordt genoemd hier op te sommen, laat staan alles wat we geschreven hebben te herhalen. We kunnen slechts in grote lijnen aangeven wie met ‘de satan’ wordt bedoeld. Wat we in de artikelen hebben gedaan is de oudtestamentische betekenis en inhoud toepassen op alle plaatsen in het Nieuwe Testament waar het woord ‘satan(as)’ wordt gebruikt. Dus het gaat altijd om een tegenstander, vijand, tegenpartij, aanklager. Daarna hebben we bekeken wat of wie er in het verband mee wordt bedoeld of kan bedoeld zijn. Dat is de enige legitieme wijze van (consequente) Bijbeluitleg.

Het is eenvoudig vast te stellen dat een deel van het gebruik van het begrip ‘satan’ betrekking heeft op mensen:

a) Petrus staat Jezus in de weg (Mat 16:23, Mar 8:33).

b) Joden en de Romeinse overheid verzetten zich tegen het geloof in Jezus (2 Kor 2:10, 1 Tes 2:18, Op 2:13, 3:9; mogelijk 2 Kor 12:7).

c) Geestelijke tegenstanders en verleiders oefenen invloed uit op de gelovigen in Christus Jezus. In de gelijkenis van de zaaier worden met ‘de satan’ in Marcus 4:15 de schriftgeleerden en Farizeeën bedoeld, die de woorden van Jezus afdoen als van een zondaar of waanzinnige of zelfs bezetene, zodat het geloof in Jezus van de aanvankelijk enthousiaste mensen verdwijnt. Zie verder Rom 16:20, 2 Kor 11:14, 2 Tes 2:9, 1 Tim 5:15, Op 2:9, 24.

Dan is er de toepassing van het principe dat we bij Job vonden: een functie in Gods louteringsproces. Een volgeling van Christus zou zichzelf steeds vragen als deze moeten stellen:

‘waarom doe ik de dingen die ik doe?’; ‘ben ik altijd bereid te spreken en te handelen zoals God wil, en niet zoals ik denk dat het ook wel kan?’; ‘wat zou ik doen als God iets van mij vraagt dat geheel tegen mijn verwachtingen ingaat, waar ik tegenop zie?’.

Want Gods beproeving is gericht op wat wij menen te hebben en waarin wij denken ‘goed’ te zijn. Ook Jezus werd beproefd: wat zou hij doen met de grote gave en beloften die God Hem had gegeven. Hij moest steeds kiezen wat hij zou doen en hoe (Mar 14:36). Zijn motto daarbij was:

“Niet wat ik wil, maar wat U wilt”.

Als Jezus wordt gedoopt, ontvangt hij het grootste dat God kan schenken: Zijn heilige Geest. Daarbij klinkt een stem

“U bent mijn Zoon, de geliefde; in U heb Ik mijn welbehagen” (Mar 1:11).

Diezelfde Geest dringt hem ertoe naar de woestijn te gaan (vs. 12). Daar doet ‘de satan’ zijn beproevingswerk, zoals we dat bij Job hebben gezien. Daaruit moet blijken of Jezus het inderdaad waard is Gods Zoon genoemd te worden (en God dus rechtvaardig is in Zijn keuze), en hij in staat is het werk te doen waarvoor God hem uitzendt onder Zijn volk.
Want hij mag niet falen! In de woestijn is niets, en Jezus had ook niets bij zich. De overwegingen en aanvechtingen die hij had, kon hij alleen overwinnen door zijn kennis van Gods wil tot zijn leidraad te nemen:

“Staat er niet geschreven …”.

Want dat zou hij ook moeten doen tijdens zijn werk onder een ongelovig volk, dat zijn werk zou afbreken, Hem zou uitdagen, tarten, vernederen, willen doden. ‘De satan’ heeft dus niet gefaald, maar is juist geslaagd in zijn taak. Hij had de taak Jezus te testen, en hij heeft die glansrijk doorstaan. In de woestijn, tijdens zijn werk onder het volk, en tijdens zijn aanvechtingen in de tuin van Getsemane en aan het stuk hout.

Vergelijkbaar hiermee is wat Jezus zegt tegen zijn discipelen over dat ‘de satan’ hen heeft willen “ziften als de tarwe” (Luk 22:31). Ziften is het ontdoen van kaf en vuil, zodat alleen de tarwekorrels overblijven. Interessant is dat hier voor het eerst ook de taak van middelaar, pleitbezorger, advocaat, van Jezus zichtbaar wordt:

“Maar ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet zou bezwijken”.

Zie verder 1 Kor 5:5, 7:5, 1 Tim 1:20. Dus waar Job om vroeg is nu werkelijkheid geworden.
Lukas 13:16 – De vrouw was vanwege haar bloedvloeiing volgens de wet permanent onrein, en kon dus niet deel nemen aan de dienst voor God. Zij stond overal buiten en kende weinig medelijden van anderen. Niemand kon haar genezen en zij was dus een gebondene, een gevangene die vrijgemaakt moest worden van haar uiteindelijk dodelijke ziekte en het al even dodelijke oordeel van de wet. ‘De satan’ vertegenwoordigt hier het principe van de wet, dat streng en onbarmhartig werd gehandhaafd door de uitvoerders daarvan.

Tot slot de misschien op het eerste gezicht wat lastige passages.
Luk 22:3, Joh 13:27 – De woorden

“toen voer de satan in Judas”

zijn het moeilijkst te begrijpen vanuit de huidige denkwereld. Het kan echter niet zo zijn dat hier het hele idee over een bovennatuurlijke ‘satan’ kan standhouden, als overal (na een eerlijke beschouwing) duidelijk is wie of wat er wordt bedoeld.

Ons inzien kan dit worden verklaard vanuit het besef, dat wat Judas deed het ergste was dat hij kon doen: de heer die hem had gekozen om mee te werken aan de bekering van mensen, zodat zij toegang zouden krijgen tot het eeuwige leven, te verraden om een stuk land voor zichzelf te kunnen kopen. In plaats van hem te verdedigen, voor hem te pleiten, wordt hij zijn tegenpartij, zijn vijand. Niet in een opwelling, maar volgens een weloverwogen plan dat hij heeft bedacht.

Vanuit de denkwereld over het kwaad gebruiken de schrijvers dan ook het sterkste woord om die kwade overlegging en die vijandschap ten volle weer te geven. Zie ook Hand 5:3.

Mat 12:26; Mar 3:23,26; Luk 11:18 – Jezus spreekt zijn beschuldigers toe vanuit hun eigen denkwereld. Dat hij het niet eens is met hun ideeën blijkt uit zijn woorden “En indien …”. Maar hij weet dat het geen zin heeft hen aan te spreken op hun verkeerde opvattingen, omdat zij toch niet van mening veranderen. Wat dat betreft is de situatie in onze tijd niet veel anders. Wat Jezus doet is het beste dat hij kan doen: hen erop wijzen dat hij sterker is dan die ‘satan’ waarin velen zo vast geloven. Mogelijk spreekt Paulus in Handelingen 26:18 ook vanuit de denkwereld van zijn luisteraars, omdat hij dat Perzisch dualisme van duisternis en licht gebruikt.

Openbaring 12:9, 20:2 en 7 – ‘De satan’ is hier de personificatie van mensen die Gods kinderen verleiden tot zonde en hen vervolgen. Het hele boek spreekt over wereldse en verkeerde geestelijk invloeden die naar de christenen uitgaan, en de wereldlijke en kerkelijke machten die het voorzien hebben op de ware gelovigen.
Hun invloed en macht komt echter tot een definitief einde bij de vestiging van Gods Koninkrijk op aarde, bij de komst van Christus (zie ook Luk 10:18).

Nu kan de vraag worden gesteld:

‘maakt het wat uit dat we weten of er een bovennatuurlijke satan is of niet?’

Het antwoord is:

‘welzeker’.

Want God oordeelt ons niet op grond van wat buiten ons is, maar van wat in ons is. Adam en Eva konden de schuld voor wat zij deden niet afschuiven op iets of iemand anders. En zo kunnen en mogen ook wij dat niet, zoals we zagen in de brief van Jacobus. Onze zonden komen voort uit onze eigen begeerten. Heel Jezus’ verlossingswerk is gebaseerd op de overwinning op die begeerten. Wat wij kennelijk niet (volmaakt) kunnen, heeft hij gedaan. God zei tegen Kaïn dat de zonde als een belager aan de deur ligt, maar waarover wij moeten heersen (Gen 4:7). Hoe zouden wij kunnen heersen over een bovennatuurlijke macht? Wij kunnen wel strijden tegen de zonde, door de verkeerde begeerten in ons te verwerpen, zoals Jezus deed. Jezus zegt aan het eind van zijn leven tegen zijn discipelen:

“Ik heb de wereld overwonnen” (Joh 16:33).

Dus niet ‘de satan’, maar de wereld. En in zijn eerste brief zegt Johannes dat wij hetzelfde moeten doen door ons geloof, evenals de heer in zijn brieven aan de zeven gemeenten in Openbaring 2 en 3. Christus heeft zonde (in welke vorm en uiting ook) en de dood overwonnen. Wij moeten het kwade in ons overwinnen door het goede. Met hulp van de heer is dat mogelijk. Daarvoor geeft hij zijn woord en Geest. Dat is Gods heilsboodschap aan ons.

J.K.D.

+

Voorgaande

  1. Oorzaak lijden en dood
  2. Fundamenten van het Geloof 17 De satan in het Nieuwe Testament (1) Zonde als koning heersend in de dood
  3. Fundamenten van het Geloof 17 De satan in het Nieuwe Testament (1) Zonde als koning heersend in de dood
  4. Fundamenten van het Geloof 18 De satan in het Nieuwe Testament (2) Personificatie en boze geesten
  5. Fundamenten van het Geloof 19 De satan in het Nieuwe Testament (3) Een engel van het licht en vrijlating voor gevangenen

++

Aanvullend

    1. Taal van de Bijbel onder ogen zien
    2. De Voltooiing van de schepping 2 Goden van licht en duisternis
    3. De Voltooiing van de schepping 4 Buitenbijbelse leer
    4. Bron(nen) van kwaad
    5. Bereshith 3:1-5 De grote misleiding
    6. Bereshith 3:14-19 De Vervloeking – 1ste vonnis
    7. Bereshith 3:20-24 Moeder van al wat leeft en gevolgen van haar keuze
    8. De vrucht van de Ish en Isha
    9. Bereshith 4:1-24 Kaïn en de Kaïnieten #3 Bereshith 4:8 De Broedermoord
    10. Begrippen satan en duivel in de Bijbel
    11. De wereld van onbijbelse leer #3
    12. Wie zijn de genoemde « zonen van God » in Genesis 6
    13. Het Geschreven Woord: draak
    14. De Taal van de Bijbel: De antichrist
    15. Waarom is er zo veel kwaad in de wereld?
    16. Antwoord op Vragen van lezers: Vraag: Kunt u mij uitleggen wat er in Zacharia 3:2 wordt bedoeld met:‘Een brandhout uit het vuur gerukt’?
    17. Bestaat er iets als engelen en kunnen die zondigen
    18. Voor het geval er gevallen engelen zouden zijn, waarom zouden ze dan niet vernietigd geworden zijn door de zondvloed
    19. Dienende geesten 4 Gevallen engelen
    20. Gevallen engelen en hun verblijf
    21. Hoe leest u?: Lucifer
    22. Duivel, Satan, Lucifer, Demon, Goed en Kwaad en God
    23. Is een Demon een op zijn eigen bestaande geest?
    24. Eerste gedachte voor vandaag “De wereld is misschien slecht” (16 januari)
    25. Media geen werk van Satan, een duivelse engel
    26. Wie brengt het Kwaad over ons
    27. Fundamentele begrippen van het Kwaad: De satan in het Nieuwe Testament
    28. Satan het kwaad in ons
    29. Hoe de Satan vandaag rond toert
    30. Amerikaans-Iraanse voorganger Saeed Abedini plaatst omstreden bericht
    31. Dominee Bekker verdreef Duitse duivels
    32. Doemdenkers en ons lijden
    33. Laatste dagen omroepers
    34. De Dag is nabij #3 Niet laten verrassen
    35. Hedendaagse wonderen geen werk van Satan
    36. De duivel kan de Schrift aanhalen voor zijn doel
    37. Wat betreft het “Getal van de duivel”
    38. De doden – Waar zijn ze? 25 De Tweede Dood
    39. God meester van goed en kwaad
    40. Gedachte voor vandaag: “God vragen tegen de vijanden op te staan” (03 januari)
    41. Opgeroepen door Jezus
    42. Achtergrondverzen bij “Het Onze Vader” 7 Verzoeking
    43. Christadelfiaanse geloofspunten #22 Chiliasme of Millennialisme
    44. Het Wachttorengenootschap over Christadelphians #10 Zogezegd kardinale fouten van het christadelfianisme #1 menselijke en geestelijke wijsheden en wezens
    45. Het Wachttorengenootschap over Christadelphians #13 Onbegrijpelijk verkeerde voorstelling door het Wachttorengenootschap #2 Koninkrijk van God

Fundamenten van het Geloof 14 De komst van Christus in heerlijkheid

Na zijn ophanging aan het stuk hout en opstanding is de Nazarener meesterverteller Jezus Christus naar zijn Vader, in de hemel gegaan. Dit was een vervulling van profetieën in het Oude Testament en van de heer Jezus zelf:

“Aldus luidt het woord van de HERE tot mijn Here: Zet u aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden gelegd heb als een voetbank voor uw voeten. De HERE strekt van Sion uw machtige scepter uit: heers temidden van uw vijanden …” (Psalm. 110; zie ook Marc. 16:19; Hand. 7:56; Efez. 1:19-23; Kol. 3:1)

“… en zie, met de wolken van de hemel, kwam iemand gelijk een mensenzoon; hij begaf zich tot de Oude van dagen (God die van eeuwigheid is), en men leidde hem voor deze; en hem werd heerschappij gegeven en eer en koninklijke macht.” (Daniël 7:13-14; vergelijk Lucas 19:12)

“Ik (Jezus) vaar op naar mijn Vader en uw Vader, naar mijn God en uw God.” (Johannes 20:17; 3:13; 6:62)

“En nadat Hij dit gesproken had, werd Hij opgenomen, terwijl zij het zagen, en een wolk onttrok Hem aan hun ogen.” (Handelingen 1:9)

Uit Psalm 110 en het boek Daniël blijkt dat zijn hemelvaart, zijn verhoging, zijn verheerlijking, van God komen. De Dienstknecht van God, die zich had vernederd tot de kruisdood, is buitengewoon eerbewijs ten deel gevallen, doordat hij als enige mens naar God in de hemel is gegaan:

“… moest de Christus dit niet lijden om in zijn heerlijkheid in te gaan?” (Lucas 24:26; 1 Petrus 1:11)

“En in zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en is
gehoorzaam geworden tot de dood, ja tot de kruisdood. Daarom heeft God
Hem ook uitermate verhoogd en Hem de naam boven alle naam geschonken, opdat in de naam van Jezus zich alle knie zou buigen … en alle tong zou belijden: Jezus Christus is Here, tot eer van God, de Vader” (Filippenzen 2:8-11).

“… wij zien Jezus, die voor een korte tijd beneden de engelen gesteld was vanwege het lijden van de dood, opdat Hij door de genade van God voor een ieder de dood zou smaken, met heerlijkheid en eer gekroond.” (Hebreeën 2:9)

“Het Lam, dat geslacht is, is waardig te ontvangen de macht en de rijkdom, en de wijsheid en de sterkte, en de eer en de heerlijkheid en de lof.” (Openbaring 5:12; vergelijk 1 Petr. 4:11; 2 Petr. 3:18)

De heer Jezus zag met vreugde en verlangen uit naar die dag en vroeg zijn discipelen dat ook te doen:

“Indien u Mij liefhad, zou u zich verblijd hebben, omdat Ik tot de Vader ga, want de Vader is meer dan Ik.” (Johannes 14:28)

De apostelen getuigden later overal dat zij de verhoging van de heer tot in de
hemel hadden gezien:

“Want David is niet opgevaren naar de hemelen, maar hij zegt zelf: De HERE heeft gezegd tot mijn Here: Zet u aan mijn rechterhand … Dus moet ook het ganse huis van Israël zeker weten, dat God Hem èn tot Here èn tot Christus gemaakt heeft, deze Jezus, die u gekruisigd hebt” (Handelingen 2:34-36).

“Hem (Jezus) heeft God door zijn rechterhand verhoogd, tot Leidsman en Heiland om Israël bekering en vergeving van zonden te schenken.” (Handelingen 5:31; zie ook 2:33)

“… u, die door Hem (Jezus) gelooft in God, die Hem opgewekt heeft uit de doden en Hem heerlijkheid gegeven heeft …” (1 Petrus 1:20-21)

Hij is in de hemel om met zijn Vader te werken aan de toekomst van de aarde en de mensen daarop:

“…Ik ga heen om u plaats te bereiden …” (Johannes 14:2-3)

“Hij, die nedergedaald is, Hij is het ook, die is opgevaren ver boven alle hemelen, om alles tot volheid te brengen.” (Efeziërs 4:10)

De belofte is echter dat hij zal terugkeren. Niet op de wijze zoals hij leefde onder zijn volk, met een lichaam van vlees en bloed, maar met de heerlijkheid en de macht die God hem gegeven heeft:

“… wanneer Ik heengegaan ben en u plaats bereid heb, kom Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat ook u zijn mag, waar Ik ben”. (Johannes 14:2-3)

“Galilese mannen, wat staat u daar en ziet op naar de hemel? Deze Jezus, die
van u opgenomen is naar de hemel, zal op dezelfde wijze wederkomen, als u
Hem ten hemel hebt zien varen.” (Handelingen 1:11).

Christenen zijn daarom altijd mensen geweest die op hun Heer wachten. Niet passief maar actief:

“… verwachtende de zalige hoop en de verschijning van de heerlijkheid van
onze grote God,en Heiland Christus Jezus …” (Titus 2:13-14; vergelijk ook 1 Tess. 1:9-10 en Hebr. 9:27-28).

“Hebt dus geduld, broeders, tot de komst van de Here! … sterkt uw harten,
want de komst van de Here is nabij.” (Jacobus 5:7-8)

“Omdat u het bevel bewaard hebt om Mij te blijven verwachten … Ik kom spoedig …” (Openbaring 3:10-11)

“Hij, die deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom spoedig. Amen, kom Here
Jezus” (Openbaring 22:20).

Zijn komst betekent leven en heerlijkheid voor wie geloven, maar in hen ook
voor de gehele aarde:

“… en zij zullen de Zoon des mensen zien komen op de wolken van de hemel, met grote macht en heerlijkheid. En Hij zal zijn engelen uitzenden met bazuingeschal en zij zullen zijn uitverkorenen verzamelen …” (Mattheüs 24:30-31; Marcus 13:26; Lucas 21:27; zie ook Matth. 16:27; 25:31
-46; Marc. 8:38; Luc. 9:26)

“… het aangezicht van de Here en de heerlijkheid van zijn sterkte, wanneer Hij komt, om op die dag verheerlijkt te worden in zijn heiligen en met verbazing aanschouwd te worden in allen, die tot geloof gekomen zijn …” (2 Tessalonicenzen 1:9-10)

“Zijn wij nu kinderen, dan zijn wij ook erfgenamen … van God en mede-erfgenamen van Christus; immers, indien wij delen in zijn lijden, is dat om ook te delen in zijn verheerlijking.” (Romeinen 8:17)

“Wanneer Christus verschijnt … zult u ook met Hem verschijnen in heerlijkheid.” (Kolossenzen 3:4)

“Want de aarde zal vol worden van de kennis van de heerlijkheid van de HERE …” (Habakkuk 2:14; vergelijk 2 Korintiërs 4:6)

“Geloofd zij de HERE God, de God van Israël, die alleen wonderen doet. En
geloofd zij zijn heerlijke naam voor eeuwig, en zijn heerlijkheid vervulle de
ganse aarde. Amen, ja, amen.” (Psalm 72:18-19; vergelijk Ps. 57:6 en 12; 108:6; 97:6)

 

Photo by Ann H on Pexels.com

Vraag ter overdenking:

Hoe bereidt u zich voor op uw ontmoeting met de Here Jezus Christus?

 

Waakzaamheid

Jezus heeft er vele malen op gewezen dat zijn volgelingen hem moeten verwachten.
Dit is een actief werkwoord, waarmee hij bedoelde dat zij voorbereid
moesten zijn op de dag van zijn komst. Die dag is het finale moment van onze beproeving. Daarna is er geen gelegenheid meer onze behoudenis te bewerken.
Wij moeten daarom leven alsof hij op dit moment kan verschijnen.
In een aantal gelijkenissen voerde hij mensen ten tonele, die actief bezig zijn met werk voor hun heer, of de voorbereidingen van een feest. Zij hebben niets te vrezen voor hem, omdat zij alles
hebben gedaan, overeenkomstig zijn wil. Maar anderen worden daardoor overvallen en zullen niet delen in de beloning en de feestvreugde.
Zijn met klem uitgesproken waarschuwing is daarom:
Waakt! Wees waakzaam!
Ook zijn apostelen hebben daartoe opgeroepen. Zie: Matth. 24:32-51; 25:1-30; Marc. 13:28-37; Luc. 12:35-48; 19:11-27;
21:29-36; 2 Petr. 3:10-14; 1 Joh. 2:28; Openb. 16:15.

J.K.D!

+

Voorgaand

Fundamenten van het Geloof 4: Engelen. Gods volmaakte dienaren

Fundamenten van het Geloof 10 De Verlosser uit de dood

Fundamenten van het Geloof 11 Christus, de door God gezonden Verlosser

Fundamenten van het Geloof 12 Verzoening met God door het offer van Christus

Fundamenten van het Geloof 13 Rechtvaardiging door geloof

Als de tijd ten einde loopt …… Vragen naar het goede

++

Aanvullende literatuur

  1. Jezus Christus De Zoon van Adam, de Zoon van God
  2. De Verlosser 3 Zijn menselijke kant
  3. Christus in Profetie #5 De Knecht in Jesaja (5) Verhoging van de Knecht
  4. De Knecht des Heren #2 Gods zwaard en pijl
  5. Fundamenten van het Geloof: De goedertierenheid van God
  6. Enkele kernpunten van het Christelijk geloof
  7. Voorbeeld van hem die zijn leven gaf voor velen
  8. Niemand kijkt uit naar komst van Christus
  9. Overdenking: Ik bid niet alleen voor hen, maar ook voor allen…
  10. Antwoord op Vragen van lezers: Gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, zo moet ook de Zoon des mensen verhoogd worden
  11. Gods vergeten Woord 24 Getuigen 2 Jezus’ rede op de Olijfberg
  12. Gods vergeten Woord 24 Getuigen 4 Jezus’ laatste boodschap
  13. Overdenking: “Zie, Ik kom spoedig en mijn loon is bij Mij …” (Op. 22:12)
  14. Houdt aan en houdt vol
  15. Tekenen te herkennen in Tijden der Laatste dagen
  16. Tekenen van de laatste dagen wanneer moeilijke tijden zullen komen

Fundamenten van het Geloof 9 De hoop op eeuwig leven door opstanding uit de doden

Toestand van de doden

De gedachten over de toestand van de doden, zoals we die vinden in het Oude Testament, komen velen erg deprimerend over. Het valt echter niet te ontkennen dat God de mens, na zijn zonde, de toegang heeft ontzegd tot eeuwig leven. Dat vertelt God ons ten minste in het boek Genesis. Zijn doodvonnis gaat daarom verder dan over het algemeen wordt aangeno-men. Want waaruit blijkt dat de mens iets inherent onsterfelijks in zich heeft? Is niet eerder sprake van het tegendeel?

“Laat hij zijn hand niet uitstrekken en ook van de boom des levens nemen en eten, zodat hij in eeuwigheid zou leven.” (Genesis 3:22)

Maar hadden gelovigen in het Oude Testament dan geen hoop, geen enkel vooruitzicht op wat na de dood zou gebeuren? Gelukkig is het antwoord positief! Ja, gelovigen hebben altijd uitgezien naar de toekomst. Niet alleen voor hun nageslacht, maar ook voor henzelf, over dood en het graf heen. Juist door de zekerheid dat de dood het einde van alles betekent, vertrouwden zij volkomen op God, en was hun verwachting dat Hij Zijn beloften aan hen alleen kon vervullen door hen uit de dood op te wekken. Hun geloof richtte zich niet op dit leven, maar op een opstandingsdag in de toekomst:

“Maar God zal mijn leven verlossen uit de macht van het dodenrijk, want Hij zal mij opnemen” (Psalm 49:16).

“Doden herleven niet … herleven zullen uw doden – ook mijn lijk – opstaan zullen zij. Ontwaakt en jubelt, u, die woont in het stof.” (Jes. 26:14 en 19)

In het boek Ezechiël wordt, in het visioen van het weer ‘tot leven komen’ van het volk Israël (37:1-10), op plastische wijze een indruk gegeven van de opstanding van doden, in de vorm van de herschepping van gestorvenen. Een prachtig beeld van wat God in staat is te doen: iets dat er eens was, maar waarvan niets meer te vinden is dan verdroogde beenderen en stof, opnieuw tot bestaan en leven brengen. En dat was het geloof van Abraham:

“… het geloof van Abraham … voor het aangezicht van die God, die de doden levend maakt en het niet zijnde tot aanzijn roept.” (Romeinen 4:17)

“Hij (Abraham) heeft overwogen, dat God bij machte was hem (zijn zoon Isaak) zelfs uit de doden op te wekken …” (Hebreeën 11:17-19)

God van levenden

God houdt Zijn geliefden altijd in herinnering, ook al zijn zij duizenden jaren geleden gestorven. Toen Jezus eens werd gevraagd naar de opstanding, gaf hij als bewijs daarvan de relatie die God met hen aanging:

“Wat nu de opstanding van de doden betreft, hebt u niet gelezen, wat door God tot u gesproken is, toen Hij zei: Ik ben de God van Abraham, en de God van Isaak en de God van Jakob? Hij is niet een God van doden, maar van levenden.” (Mattheüs 22:31-33)

Zij leefden niet letterlijk op aarde of in de hemel, maar God herinnerde Zich hen, alsof zij nog leefden, en zal hen gedenken op de dag dat Hij Zijn Zoon zendt om de doden op te wekken tot eeuwig leven. In het Nieuwe Testament vinden we echter uitspraken die, wanneer we ze niet goed in hun verband lezen, lijken te zeggen dat wie gelooft nu al eeuwig leven heeft:

“Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven.” (Johannes 3:36)

“Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie mijn woord hoort en Hem gelooft, die Mij gezonden heeft, heeft eeuwig leven.” (Johannes 5:24; zie ook 6:47 en 54)

Na de eerste komst van Christus is er echter geen zichtbare verandering gekomen in de toestand van de doden: nog steeds sterven goeden en slechten. Deze woorden opvatten als: leeft nu al eeuwig, zou ook in tegenspraak zijn met de belofte van één opstandingsdag voor alle gelovigen van alle tijden:

Jezus zei tot haar (Maria): Ik ben de opstanding en het leven; wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven; gelooft u dat?” (Johannes 11:25)

“Want dit is de wil van mijn Vader, dat een ieder die gelooft, eeuwig leven zal hebben, en Ik zal hem opwekken op de jongste dag.” (Johannes 6:39-40 en44; vergelijk 11:24)

In een van zijn brieven gaf de apostel Johannes een verduidelijking van wat hiermee bedoeld wordt:

God heeft Zijn Zoon opgewekt tot eeuwig leven en wie Hem toebehoren, mogen het zelfde verwachten:

“En dit is het getuigenis: God heeft ons eeuwig leven gegeven en dit leven is in zijn Zoon. Wie de Zoon heeft, heeft het leven; wie de Zoon van God niet heeft, heeft het leven niet.” (1 Johannes 5:11-12)

De apostel Paulus legde uit dat Christus Jezus als eerste mens eeuwig leven ontving, en dat allen die geloven in hem inbegrepen zijn. In hun verbondenheid met zijn dood en opstanding, uitgedrukt in de doop en een leven naar Gods wil, bezitten zij wat hij nu bezit. Het is hen alleen nog niet gegeven. Zij moeten daarop wachten tot alle gelovigen samen zullen opstaan bij zijn wederkomst. De zekerheid dat dit zal gebeuren is de opstanding van Christus Jezus. Zonder zijn opstanding is er geen hoop op leven:

“Indien Christus niet is opgewekt … dan zijn ook zij die in Christus ontslapen zijn, verloren.” (1 Korintiërs 15:17 en 18)

“Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden. Maar ieder in zijn eigen rangorde: Christus als eersteling, vervolgens die van Christus zijn bij zijn komst.” (1 Korintiërs 15:22-23)

“Want indien wij geloven, dat Jezus gestorven en opgestaan is, zal God ook zo hen, die ontslapen zijn, door Jezus wederbrengen met Hem … en zij die in Christus gestorven zijn, zullen het eerst opstaan.” (1 Thessalonicenzen 4:14)

“Want u bent gestorven (in de doop) en uw leven is verborgen met Christus in God. Wanneer Christus verschijnt, die ons leven is, zult ook u met Hem verschijnen in heerlijkheid.” (Kolossenzen 3:3 en 4)

***

Vraag ter overdenking: Wat is de zin van een opstanding wanneer de overledenen in de hemel zijn?

Het boek des levens

Dat God gelovigen, die in verbondenheid met Hem en met Zijn Zoon leefden, nooit vergeet, wordt in de Bijbel voorgesteld alsof God hen opschrijft in een boek. Boeken over mensen zijn bedoeld hen te blijven herinneren, en dat is wat God doet (Ex. 32:32-33; Openb. 3:5; vergelijk Psalm 56:9; 139:16). Zo geeft Hij ons de zekerheid, dat Hij aan allen zal denken die lang of kort geleden gestorven zijn. Bij de komst van Christus Jezus in heerlijkheid, zal Zijn boek worden geopend en de gestorven gelovigen, van wie de namen, en alles wat zij gedaan en gezegd hebben, staan opgetekend, worden opgewekt, en ontvangen samen met de nog levenden, eeuwig leven (Dan. 12:1; Fil. 4:3;Openb. 20:12). Vanaf die tijd is er alleen nog plaats voor hen die het waard zijn en ge-schikt zijn voor het nieuwe, volmaakte leven dat dan aanbreekt (Ps. 69:29; Dan. 7:10; Openb. 13:8; 17:8; 20:15; 21:27).

Doden zonder toekomst

De doden die niet herleven in Jesaja 26:14 zijn mensen die zonder God leefden. Zij zullen voor eeuwig afgesneden blijven van de boom des levens. Dit inzicht doet ons beseffen dat de totale mens sterfelijk is, en er bij de dood een einde aan ons gehele bestaan komt. Niet alleen aan ons fysieke leven, maar ook aan onze geest, onze persoonlijkheid, die vaak ziel (in dat geval niet in de betekenis van levensadem ofl evend wezen) wordt genoemd (Ez. 18:4 en 20; 1 Joh. 3:15). De Schepper, die de mens met al zijn capaciteiten schiep, heeft ook de macht die zelfde mens in het niets te laten verdwijnen (Matth. 10:28). Over de toestand van goddelozen en hardnekkige zondaars is de Bijbel dan ook zeer duidelijk: er zal niets van hen overblijven (Mal. 4:1; Matth.3:10 en 12)

J.K.D

+

Voorgaande

Oorzaak lijden en dood

Fundamenten van het Geloof: De lankmoedigheid van God

Fundamenten van het Geloof 2: De levende en waarachtige God

Fundamenten van geloof 3: De Persoonlijkheid van God

Fundamenten van het Geloof 4: Engelen. Gods volmaakte dienaren

Fundamenten van het Geloof 5: De mens, geschapen naar Gods beeld en als Zijn gelijkenis

Fundamenten van het Geloof 6: Beproeving van het geloof

Fundamenten van het Geloof: 7. Zonde. Overtreding van Gods wil

Fundamenten van het Geloof 8 De dood. Gods vonnis over de zonde

++

Verder aanbevolen literatuur

  1. Keuze van levende zielen tot de dood
  2. Voorzieningen voor de keuzes van de mens
  3. Bereshith 3:1-6 Het bedrog
  4. Bereshith 3:7-13 De Zondeval
  5. Eerste stappen die leidden naar een loskoopoffer 2 Lot na daad van ongehoorzaamheid
  6. Uitspraak van straf over de mens
  7. Betreft de Mens
  8. Beperktheid van de mens tot in zijn dood
  9. Dagen en jaren die voorbij gaan maar het Woord blijft bestaan
  10. Dood
  11. Een prins en de dood
  12. Leven gedefinieerd door de dood
  13. Tot bewust zijn komen voor huidig leven
  14. Onsterfelijkheid – Immortaliteit
  15. Decomposition, decay – vergaan, afsterven, ontbinding
  16. Al of niet onsterfelijkheid
  17. Wat gebeurt er als wij sterven
  18. Wij zijn sterfelijk en zullen tot stof vergaan
  19. Sterfelijkheid en onsterfelijkheid 1 Levensadem en ziel
  20. Sterfelijkheid en onsterfelijkheid 4 De ziel – een Grieks beeld
  21. Sterfelijkheid en onsterfelijkheid 5 Griekse bezwaren tegen de opstanding
  22. Lichaam en ziel één
  23. Vindt er een transfer plaats na de dood?
  24. Het Geschreven Woord: Pijnigen
  25. Sheol, Sheool, Sjeool, Hades, Hel, Graf, Sepulcrum
  26. Begrippen satan en duivel in de Bijbel
  27. De staat van onze doden
  28. In leven na dood gelovende Duitsers
  29. Hoe zullen de doden weer levend gemaakt worden?
  30. De wereld van onbijbelse leer #3
  31. Als God bestaat
  32. Bijbels antwoord op uw vraag: Wat gebeurt er met ons na het sterven?
  33. Aanwijzingen voor redding te vinden
  34. Gedachte voor 3 januari 2018
  35. Is er meer in het leven dan dit
  36. Plan van de goddelijke Maker
  37. Een veel voorkomende vraag: Waarom moest Jezus of God naar de hel?
  38. Glimlach raam naar je ziel
  39. Vergieten van Bloed, een Oud en een Nieuw Verbond
  40. Dagelijkse keus betreffende de houding die wij voor die dag zullen maken
  41. Twee soorten mensen
  42. Zo maar gerechtvaardigd?
  43. God liefhebbenden gerechtvaardigd
  44. Aan een betere opstanding deelhebben

Als de tijd ten einde loopt … De geest van Nimrod

“U hebt uw schatkamers gevuld, hoewel de tijd ten einde loopt”(Jac.5:3)

De geest van Nimrod

Nimrod was de eerste machthebber op aarde …
De kern van zijn rijk werd gevormd door Babel, Uruk, Akkad en Kalne, in Sinear.
Vanuit dat land trok hij naar Assyrië, waar hij Nineve, Rechobot–Ir en Kalach bouwde, en ook de grote stad Resen, tussen Nineve en Kalach. (Gen. 10:8-12)

Toen Kaïn was vervloekt om de moord op zijn broer Abel, trok hij weg uit de streek Eden naar het land Nod. En een van de eerste dingen die hij daar deed, was een stad bouwen. Dit is de eerste keer dat wij dat woord ‘stad’ in de Bijbel tegen komen. Het Hebreeuwse woord is ‘ir’(zie Rechoboth-Ir in het citaat hierboven). Het betekent: ‘een bewaakte plaats’, en het is afgeleid van yare, dat ‘angst’ betekent, of ‘bevreesd zijn’. Nu lezen we in Gen. 4:14 dat Kaïn inderdaad vreesde voor zijn leven, dus helemaal onlogisch was dat niet. Maar het was het begin van een kenmerkende gewoonte van de goddelozen.

Imperium vorming

Bij ziggoerats werden reeds bakstenen toegepast (de foto toont een reconstructie)

Toen de mensheid zich, na de vloed, opnieuw begon te verspreiden en naar de vlakte van Sinear (Mesopotamië) trok, begon zij daar onmiddellijk weer steden te bouwen. Volgens Gen.11:3 gebruikte zij daarvoor een nieuwe bouwtechniek. In plaats van het stapelen van (al of niet bewerkte) natuursteen, ging zij nu uit van handgevormde stenen (een vorm van baksteen), die ze met natuurlijk asfalt (bij wijze van cement) aan elkaar metselde. De archeologie bevestigt ons, dat zij daarmee enorme bouwwerken konden optrekken. Dat is dan ook de achtergrond van de stad Babel en zijn befaamde toren.

De Toren van Babel, schilderij van Pieter Bruegel. De koning op de voorgrond (linksonder) stelt waarschijnlijk Nimrod voor.

De tekst geeft duidelijk aan dat de bouw daarvan werd gemotiveerd door de wens onafhankelijk te worden van God, en een alternatieve veiligheid te vinden. Dat gold niet alleen voor de toren, maar voor de stad als geheel, want het is de bouw van de stad, niet alleen die van de toren, die door Gods ingrijpen wordt stilgelegd. Maar we hoeven dit niet te beperken tot alleen deze stad; Babel wordt ons duidelijk getoond als voorbeeld voor de hele streek. Voor deze steden wordt opnieuw het woord ir gebruikt. We vinden het maar liefst 5 maal genoemd in deze twee hoofdstukken (Gen. 10 en 11). Let op dat het woord niet zomaar een aanduiding is van een plaats met een groter aantal huizen dan een dorp; het duidt altijd een ommuurde plaats aan. Ommuren doe je alleen wanneer je bang bent voor vijanden. En die vijanden ontstonden doordat zij, uit zelfverdediging, die andere volken juist aanvielen en onderwierpen.

Nimrod volgens het Promptuarii Iconum Insigniorum – “de tegenstrever” of “de zich verontwaardigende”, zoon van Kus en een achterkleinzoon van Noach.

Nimrod wordt ons genoemd als de eerste van dergelijke heersers, en het is tekenend dat hij ons tevens wordt geschilderd als ‘een groot jager’ (Gen. 10:9). Waar de generaties van vóór de vloed ons aanvankelijk nog worden geschilderd als herders en bezitters van kudden – dus hoeders van dieren – is nu het jagen en doden van dieren – dus bloedvergieten – het teken van ‘ware mannelijkheid’. Eenzelfde onderscheid vinden we later in Gen. 25 tussen Jakob en Esau, en het is niet zonder betekenis dat dit de eerstvolgende keer is dat we het begrip jacht in Genesis vinden (jacht en jachtbuit komen in Gen. 25 en 27 maar liefst 10 maal voor, tegen nog maar 7 maal daarna!).

Uitgaan uit de stad

Het is uit deze wereld van menselijke heerszucht en menselijke ‘veiligheid’ dat Abraham wordt weggeroepen, om verder als nomade te leven in het land Kanaän. Maar de menselijke schijnveiligheid van de ommuurde stad blijft ook dan een rol spelen in het verhaal. Wanneer Abraham en zijn neef Lot besluiten elk een kant uit te gaan, omdat hun gezamenlijke kudden te groot zijn geworden om nog in dezelfde streek te weiden, kiest Lot voor zichzelf de vruchtbare omgeving van ‘de steden van de vlakte’ (dat is de vallei ten zuiden van de Dode Zee). En na verloop van tijd vestigt hij zich in één daarvan. Dit is, na Gen. 10+11, de eerstvolgende keer dat we het woord ‘stad’ (ir) weer tegenkomen. De eerste crisis komt wanneer een confederatie van Mesopotamische heersers die steden aanvalt en de bevolking, inclusief Lot, als slaven mee terug wil nemen naar Mesopotamië. Alleen door tussenkomst van Abraham en enkele medestanders kan Lot daaraan ontsnappen. Toch vestigt hij zich opnieuw in de stad Sodom. De volgende crisis komt wanneer God besluit die steden te vernietigen wegens hun verregaande goddeloosheid. God is bereid Lot daarbij te sparen, maar die moet dan wel kiezen tussen Gods belofte van bescherming en de schijnveiligheid van een ommuurde stad. In deze hoofdstukken 18+19 komen we dat woord stad dan ook maar liefst 14 keer tegen. Lot blijkt echter slechts met moeite te bewegen de stad Sodom te ontvluch-ten, en ziet ook dan zijn veiligheid toch allereerst nog in Soar, een andere,nabij gelegen stad. Pas later besluit hij ook die achter zich te laten en zijn veiligheid te zoeken in de bergen, maar blijkbaar nog steeds niet in een vertrouwen op de God die hem toch tot tweemaal toe had gered.

De muren om de ‘vestingen’ van het christendom

Onze christelijke wereld kent, naast de ‘grote’ kerken, een uitgebreid palet van bewegingen en sekten; elk met een eigen versie van de christelijke boodschap die in hun visie het ware bijbelse christendom vertegenwoordigt.

Het lijkt wel alsof er een aparte Bijbel bestaat voor elk van hen, omdat elk dat Boek op een geheel eigen manier leest. Vele daarvan ontlenen hun bestaansrecht aan de nadruk die ze leggen op een bepaald aspect van de bijbelse boodschap, waar ze de rest in belangrijke mate aan ondergeschikt maken. En dat komt weer doordat velen voor eigen consumptie een slecht gebalanceerd menu samenstellen uit het totale Bijbelse aanbod. Het Oude Testament blijkt vaak zeer slecht gelezen, en dus gekend, te worden. En vervolgens wordt de tekst veel te veel met moderne westerse ogen gelezen, wat vaak leidt tot een-zijdige of zelfs ronduit onjuiste interpretatie van de bedoeling ervan. Nu is de gemiddelde Bijbellezer op zulke punten een leek en dus kun je hem deze neiging ook weer niet al te kwalijk nemen. Maar toch rust er ook op die leek-lezer wel degelijk een verantwoordelijkheid om rekening te houden met de mogelijkheid dat zijn begrip van de tekst wellicht gekleurd is door zijn ‘voorgeprogrammeerde’ denkwijze. En wanneer hij voldoende reden heeft aan te nemen dat een uitleg die probeert dat te corrigeren, wellicht juist zou kunnen zijn, moet hij bereid zijn die te aanvaarden, of in elk geval in overweging te nemen. De praktijk blijkt echter maar al te vaak anders te zijn. Dan wordt de eigen opvatting als onaantastbaar beschouwd (‘het staat er toch’) en wordt de geboden alternatieve uitleg opgevat als een infame poging de eigen identiteit van de betrokken geloofsrichting te ondermijnen, of als het bewijs van een apert gebrek aan nederigheid om de ‘duidelijke’ leer van de Schrift te erkennen. Maar ook daar blijft het niet bij. De ware fundamentalist neemt niet alleen zijn medegelovigen de maat door hem langs de lat van juist dit soort uitleg te leggen, hij toont naar buiten toe ook zijn geloofsijver door te ijveren voor, en het verplicht stellen van, het aanhangen van deze opvattingen door al zijn medeburgers, ook diegenen die niet tot zijn eigen kring behoren. Want waar het ten diepste op neerkomt, is angst. En zijn overtuiging is zijn bescherming, de ‘muur’ tussen hemzelf en de goddeloze wereld daarbuiten, die hem moet beschermen tegen de aanvallen van de vijandige wereld rond-om. En wie niet van zijn eigen ‘stad’ is, moet overheerst worden, gedwongen de heerschappij van die overtuiging te erkennen. Daarin ligt zijn hele gevoel van veiligheid. En die overtuiging, die muur, zal hij dus ook nooit ter discussie willen stellen. En daarom zijn er zoveel geloofs-koninkrijkjes, gescheiden door zulke muren. Maar al die muren zijn nog steeds gebouwd van door mensenhanden gevormde ‘stenen’, en niet door God.

Je eigen kruis opnemen

Bij Lukas, die meer dan de andere evangelisten de eisen van discipelschap benadrukt, lezen we:

‘Wie niet zijn kruis draagt en mij op mijn weg volgt, kanniet mijn leerling zijn’ (Luk. 14:27).

Voor een Jood uit de 1e eeuw zou ‘een kruis dragen’ maar één betekenis hebben: op weg zijn naar de plaats van je executie. ‘Je kruis dragen en Jezus volgen’ zou voor hem betekenen: Hem volgen naar Golgotha om daar met hem gekruisigd te worden. Dit gaat over het opofferen van je eigen leven in navolging van je meester. Dat hoeft niet altijd te betekenen dat je voor het geloof moet sterven (al moet je die bereidheid wel te allen tijde hebben), het kan ook betekenen dat je juist je leven in zijn dienst stelt. Maar het gaat in elk geval over opoffering. De ware volgeling van Christus leeft zonder eigen muren. Hij vertrouwt op God, dat Hij die bescherming biedt. Maar fundamentalistische ijveraars zien liever dat anderen zich aan ‘de regels’ houden. Zij dwingen het ‘heiligen’ van de sabbat af, ook voor niet-christenen (zonder zich er verder om te bekommeren hoe die dag dan infeite wordt doorgebracht). Ze lopen te hoop tegen iedere suggestie dat de aarde ouder zou zijn dan 6000 jaar (zonder zich ooit af te vragen wat nu in feite de werkelijke boodschap is van Gen. 1). Ze oefenen druk uit op de overheid om ook voor niet-christenen elk ingrijpen in het menselijk leven te verbieden (zonder zich ooit te hebben verzet tegen militair ingrijpen in andermans land of, aan de overkant van de oceaan, tegen particulier wapenbezit). Ze gaan tewerk als diegenen uit de Farizeeën, die tot geloof waren gekomen, maar die er tegelijkertijd op aandrongen dat de gelovigen uit de heidenen zich zouden laten besnijden. Over hen schrijft Paulus:

‘Ze zijn voor de besnijdenis, maar leven zelf niet volgens de wet; ze willen dat u zich laat besnijden om zich daarop te kunnen laten voorstaan. Maar ik – ik wil me op niets anders laten voorstaan dan het kruis van Jezus Christus (Gal. 6:13-14).

Dit alles is uiteindelijk nog steeds de geest van Nimrod: heersen over anderen. Weliswaar gebeurt dat zogenaamd voor de glorie van God, maar het is toch niet wat Jezus van zijn volgelingen vroeg. Hij verlangde dat zij hun eigen leven in zijn dienst stelden, niet dat van anderen. Wat er met die anderen gebeurt, zouden zij volledig aan God moeten over laten; dat is niet hun zaak. We vinden dat aan het eind van het evangelie van Johannes: op de vraag

‘En wat gebeurt er met hem, Heer?’

is Jezus’ antwoord:

‘Het is niet jouw zaak (wat er met hem zal gebeuren): jijmoet mij volgen.’ (Joh. 21:21-22).

De gelovige die zich temidden van al deze imperiumvorming nog staande wil houden, doet er daarom goed aan zich te concentreren op wat er van hemzelf wordt gevraagd. Het lot van zijn medemens kan hij met een gerust hart aan God overlaten.

R.C.R.

+

Voorgaande

Als de tijd ten einde loopt …… Vragen naar het goede

 

++

Aanverwant

  1. Fragiliteit en actie #10 Voor het nageslacht
  2. De nacht is ver gevorderd 4 Studie 1 Zijn het de laatste dagen? 3 Hoe pakken we het aan?
  3. De nacht is ver gevorderd 6 Studie 2 Schrik of troost 2 Sodom en Gomorra
  4. De nacht is ver gevorderd 18 Studie 3 Lessen uit het verleden 7 Conclusie
  5. God meester van goed en kwaad
  6. De Dag is nabij #8 Overzicht