Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 02018L1673-20240519

Consolidated text: Richtlijn (EU) 2018/1673 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 inzake de strafrechtelijke bestrijding van het witwassen van geld

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2018/1673/2024-05-19

02018L1673 — NL — 19.05.2024 — 001.001


Onderstaande tekst dient louter ter informatie en is juridisch niet bindend. De EU-instellingen zijn niet aansprakelijk voor de inhoud. Alleen de besluiten die zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (te raadplegen in EUR-Lex) zijn authentiek. Deze officiële versies zijn rechtstreeks toegankelijk via de links in dit document

►B

RICHTLIJN (EU) 2018/1673 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 23 oktober 2018

inzake de strafrechtelijke bestrijding van het witwassen van geld

(PB L 284 van 12.11.2018, blz. 22)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  nr.

blz.

datum

►M1

RICHTLIJN (EU) 2024/1226 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD  van 24 april 2024

  L 1226

1

29.4.2024




▼B

RICHTLIJN (EU) 2018/1673 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 23 oktober 2018

inzake de strafrechtelijke bestrijding van het witwassen van geld



Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.  
Deze richtlijn stelt minimumvoorschriften vast voor de definitie van strafbare feiten en sancties op het gebied van het witwassen van geld.
2.  
Deze richtlijn is niet van toepassing op het witwassen van geld waarbij voorwerpen betrokken zijn die afkomstig zijn uit strafbare feiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, waarvoor de specifieke bepalingen van Richtlijn (EU) 2017/1371 gelden.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

1.

„criminele activiteit” : iedere vorm van criminele betrokkenheid bij het plegen van een strafbaar feit dat overeenkomstig het nationale recht strafbaar is gesteld met een maximale vrijheidsstraf of detentiemaatregel van meer dan een jaar of, voor lidstaten die in hun rechtsstelsel een strafminimum voor strafbare feiten kennen, een strafbaar feit dat strafbaar is gesteld met een minimale vrijheidsstraf of detentiemaatregel van meer dan zes maanden. In elk geval worden strafbare feiten in de volgende categorieën als criminele activiteit aangemerkt:
a) 

deelname aan een georganiseerde criminele groep en racketeering, met inbegrip van elk strafbaar feit vermeld in Kaderbesluit 2008/841/JBZ;

b) 

terrorisme, met inbegrip van elk strafbaar feit vermeld in Richtlijn (EU) 2017/541 van het Europees Parlement en de Raad ( 1 );

c) 

mensenhandel en migrantensmokkel, met inbegrip van elk strafbaar feit vermeld in Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad ( 2 ) en Kaderbesluit 2002/946/JBZ van de Raad ( 3 );

d) 

seksuele uitbuiting, met inbegrip van elk strafbaar feit vermeld in Richtlijn 2011/93/EU van het Europees Parlement en de Raad ( 4 );

e) 

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, met inbegrip van elk strafbaar feit vermeld in Kaderbesluit 2004/757/JBZ van de Raad ( 5 );

f) 

illegale wapenhandel;

g) 

illegale handel in gestolen goederen en andere goederen;

h) 

corruptie, met inbegrip van elk strafbaar feit vermeld in de Overeenkomst ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn ( 6 ) en in Kaderbesluit 2003/568/JBZ van de Raad ( 7 );

i) 

fraude, met inbegrip van elk strafbaar feit vermeld in Kaderbesluit 2001/413/JBZ van de Raad ( 8 );

j) 

valsemunterij, met inbegrip van elk strafbaar feit vermeld in Richtlijn 2014/62/EU van het Europees Parlement en de Raad ( 9 );

k) 

namaak van producten en productpiraterij;

l) 

milieucriminaliteit, met inbegrip van elk strafbaar feit vermeld in Richtlijn 2008/99/EG van het Europees Parlement en de Raad ( 10 ) of elk strafbaar feit vermeld in Richtlijn 2009/123/EG van het Europees Parlement en de Raad ( 11 );

m) 

moord en doodslag, zware mishandeling;

n) 

ontvoering, wederrechtelijke vrijheidsberoving en gijzeling;

o) 

roof of diefstal;

p) 

smokkel;

q) 

fiscale misdrijven met betrekking tot directe en indirecte belastingen, zoals neergelegd in het nationale recht;

r) 

afpersing;

s) 

vervalsing;

t) 

piraterij;

u) 

handel met voorkennis en marktmanipulatie, met inbegrip van elk strafbaar feit vermeld in Richtlijn 2014/57/EU van het Europees Parlement en de Raad ( 12 );

v) 

cybercriminaliteit, met inbegrip van elk strafbaar feit vermeld in Richtlijn 2013/40/EU van het Europees Parlement en de Raad ( 13 );

▼M1

w) 

schending van beperkende maatregelen van de Unie.

▼B

2.

„voorwerp” : goederen van eender welke soort, lichamelijk dan wel onlichamelijk, roerend dan wel onroerend, materieel dan wel immaterieel, en rechtsbescheiden of instrumenten in eender welke vorm, ook elektronisch of digitaal, waaruit de eigendom of andere rechten ten aanzien van deze goederen blijken;

3.

„rechtspersoon” : elke entiteit met rechtspersoonlijkheid krachtens het toepasselijke recht, met uitzondering van staten of overheidsinstanties bij de uitoefening van hun staatsgezag en van publiekrechtelijke internationale organisaties.

Artikel 3

Witwasdelicten

1.  

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de volgende gedragingen strafbaar worden gesteld indien er sprake is van opzet:

a) 

de omzetting of overdracht van voorwerpen, wetende dat deze uit een criminele activiteit zijn verkregen, met het oogmerk de illegale herkomst ervan te verhelen of te verhullen of met het oogmerk een bij een dergelijke activiteit betrokken persoon te helpen aan de rechtsgevolgen van zijn daden te ontkomen;

b) 

het verhelen of verhullen van de werkelijke aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing, rechten op of de eigendom van voorwerpen, wetende dat deze uit een criminele activiteit zijn verkregen;

c) 

de verwerving, het bezit of het gebruik van voorwerpen, wetende, op het tijdstip van ontvangst, dat deze uit een criminele activiteit zijn verkregen.

2.  
De lidstaten kunnen de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat de in lid 1 bedoelde gedragingen strafbaar worden gesteld als de dader vermoedde of had moeten weten dat het voorwerp uit criminele activiteiten was verkregen.
3.  

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat:

a) 

een voorafgaande of gelijktijdige veroordeling voor de criminele activiteit waarmee het voorwerp is verkregen, geen voorwaarde is voor een veroordeling voor de strafbare feiten bedoeld in de leden 1 en 2;

b) 

een veroordeling voor de in de leden 1 en 2 bedoelde strafbare feiten mogelijk is indien is aangetoond dat het voorwerp uit een criminele activiteit is verkregen, zonder dat alle feitelijke elementen of alle omstandigheden in verband met die criminele activiteit, waaronder de identiteit van de dader, aangetoond hoeven te worden;

c) 

de in de leden 1 en 2 bedoelde strafbare feiten ook betrekking hebben op voorwerpen die zijn verkregen uit gedragingen die plaatsvonden op het grondgebied van een andere lidstaat of van een derde land, indien die gedragingen een criminele activiteit zouden hebben gevormd mochten zij binnenslands hebben plaatsgevonden.

4.  
In het geval lid 3, onder c), van dit artikel kunnen de lidstaten daarnaast verlangen dat de betrokken gedragingen een strafbaar feit vormen krachtens het nationale recht van de andere lidstaat of van het derde land waar die gedragingen werden gesteld, behalve als die gedragingen moeten worden aangemerkt als een van de in artikel 2, lid 1, onder a) tot en met e) en h), bedoelde strafbare feiten en als omschreven in het toepasselijke Unierecht.
5.  
De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in lid 1, onder a) en onder b), bedoelde gedragingen strafbaar worden gesteld indien zij worden gepleegd door personen die de criminele activiteit waaruit het voorwerp is verkregen, hebben gepleegd of hierbij waren betrokken.

Artikel 4

Medeplichtigheid, uitlokking en poging

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat medeplichtigheid aan, uitlokking van en poging tot het plegen van een in artikel 3, leden 1 en 5, bedoeld feit strafbaar worden gesteld.

Artikel 5

Sancties voor natuurlijke personen

1.  
De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in de artikelen 3 en 4 bedoelde strafbare feiten kunnen worden bestraft met doeltreffende, evenredige en afschrikkende strafrechtelijke sancties.
2.  
De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in artikel 3, leden 1 en 5, bedoelde strafbare feiten strafbaar worden gesteld met een maximumgevangenisstraf van ten minste vier jaar.
3.  
Daarnaast nemen de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat natuurlijke personen die strafbare feiten als bedoeld in de artikelen 3 en 4, hebben gepleegd, waar nodig, onderworpen worden aan aanvullende sancties of maatregelen.

Artikel 6

Verzwarende omstandigheden

1.  

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de hierna genoemde omstandigheden met betrekking tot de in artikel 3, leden 1 en 5, en artikel 4 bedoelde strafbare feiten als verzwarende omstandigheid worden beschouwd wanneer:

a) 

het strafbare feit werd gepleegd in het kader van een criminele organisatie in de zin van Kaderbesluit 2008/841/JBZ, of

b) 

de dader een meldingsplichtige entiteit is in de zin van artikel 2 van Richtlijn (EU) 2015/849 en het strafbare feit heeft gepleegd in het kader van de uitoefening van zijn beroepsactiviteiten.

2.  

De lidstaten kunnen bepalen dat de hierna genoemde omstandigheden met betrekking tot de in artikel 3, leden 1 en 5, en artikel 4, bedoelde strafbare feiten als verzwarende omstandigheden worden beschouwd:

a) 

het witgewassen voorwerp heeft een aanzienlijke waarde, of

b) 

het witgewassen voorwerp is afkomstig van een van de in artikel 2, punt 1), onder a) tot en met e) en h), bedoelde strafbare feiten.

Artikel 7

Aansprakelijkheid van rechtspersonen

1.  

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat rechtspersonen aansprakelijk kunnen worden gesteld voor alle in artikel 3, leden 1 en 5, en artikel 4 genoemde strafbare feiten die in hun voordeel zijn gepleegd door personen die individueel dan wel als lid van een orgaan van de rechtspersoon optreden en die in de rechtspersoon een leidende functie bekleden op grond van:

a) 

een bevoegdheid om de rechtspersoon te vertegenwoordigen;

b) 

een bevoegdheid om namens de rechtspersoon beslissingen te nemen, of

c) 

een bevoegdheid om binnen de rechtspersoon controle uit te oefenen.

2.  
De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat rechtspersonen aansprakelijk kunnen worden gesteld indien als gevolg van een gebrek aan toezicht of controle door een in lid 1 van dit artikel bedoelde persoon, een van de in artikel 3, leden 1 en 5, en artikel 4 genoemde strafbare feiten kon worden gepleegd ten voordele van die rechtspersoon door een persoon die onder diens gezag staat.
3.  
De aansprakelijkheid van rechtspersonen krachtens de leden 1 en 2 van dit artikel staat niet in de weg van strafrechtelijke vervolging van natuurlijke personen die een van de in artikel 3, leden 1 en 5, en artikel 4 bedoelde strafbare feiten plegen, daartoe aanzetten of eraan medeplichtig zijn.

Artikel 8

Sancties voor rechtspersonen

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat een rechtspersoon die op grond van artikel 7 aansprakelijk is gesteld, kan worden gestraft met doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties, waaronder al dan niet strafrechtelijke geldboeten en eventuele andere sancties, zoals:

a) 

uitsluiting van door de overheid verleende voordelen of steun;

b) 

tijdelijke of permanente uitsluiting van toegang tot overheidsfinanciering, waaronder aanbestedingsprocedures, subsidies en concessies;

c) 

een tijdelijk of permanent verbod op het uitoefenen van commerciële activiteiten;

d) 

plaatsing onder toezicht van de rechter;

e) 

een rechterlijk bevel tot liquidatie;

f) 

tijdelijke of permanente sluiting van vestigingen die zijn gebruikt voor het plegen van het strafbare feit.

Artikel 9

Confiscatie

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat hun bevoegde autoriteiten in overeenstemming met Richtlijn 2014/42/EU in voorkomend geval de opbrengsten van en de hulpmiddelen die werden gebruikt of bestemd waren om te worden gebruikt bij het plegen of het bijdragen aan het plegen van een van de in deze richtlijn genoemde strafbare feiten, bevriezen of in beslag nemen.

Artikel 10

Rechtsmacht

1.  

Elke lidstaat neemt de nodige maatregelen om zijn rechtsmacht te vestigen ten aanzien van de in de artikelen 3 en 4 bedoelde strafbare feiten, indien:

a) 

het strafbare feit geheel of gedeeltelijk op het grondgebied van die lidstaat is gepleegd;

b) 

het strafbare feit door een van zijn onderdanen is gepleegd.

2.  

Een lidstaat stelt de Commissie in kennis van zijn besluit om zijn rechtsmacht uit te breiden naar in de artikelen 3 en 4 bedoelde strafbare feiten die buiten zijn grondgebied zijn gepleegd, indien:

a) 

de dader zijn gewone verblijfplaats op het grondgebied van die lidstaat heeft;

b) 

het strafbare feit is gepleegd ten voordele van een op het grondgebied van die lidstaat gevestigde rechtspersoon.

3.  
Indien meer dan één lidstaat rechtsmacht heeft ten aanzien van een in de artikelen 3 en 4 bedoeld strafbaar feit en elk van hen ten aanzien van dezelfde feiten op geldige wijze vervolging kan instellen, bepalen de betrokken lidstaten in onderling overleg welk van hen de dader zal vervolgen, teneinde de procedure in één lidstaat te concentreren.

Daarbij wordt rekening gehouden met de volgende factoren:

a) 

het grondgebied van de lidstaat waar het strafbare feit is gepleegd;

b) 

de nationaliteit of verblijfplaats van de dader;

c) 

het land van oorsprong van het slachtoffer of de slachtoffers, en

d) 

het grondgebied waarop de dader werd aangetroffen.

In voorkomend geval wordt de zaak overeenkomstig artikel 12 van Kaderbesluit 2009/948/JBZ naar Eurojust verwezen.

Artikel 11

Onderzoeksmiddelen

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat doeltreffende onderzoeksmiddelen, zoals die welke worden gebruikt bij de bestrijding van georganiseerde of andere zware criminaliteit, ter beschikking staan van personen, eenheden of diensten die bevoegd zijn voor het onderzoeken of vervolgen van de in artikel 3, leden 1 en 5, en artikel 4 bedoelde strafbare feiten.

Artikel 12

Vervanging van een aantal bepalingen van Kaderbesluit 2001/500/JBZ

Deze richtlijn komt in de plaats van artikel 1, onder b), en artikel 2 van Kaderbesluit 2001/500/JBZ ten aanzien van de lidstaten die door deze richtlijn gebonden zijn, onverminderd de verplichtingen van die lidstaten met betrekking tot de termijn voor de omzetting van dat kaderbesluit in nationaal recht.

Voor de lidstaten die gebonden zijn door deze richtlijn, gelden verwijzingen naar de bepalingen in het eerste lid van het Kaderbesluit 2001/500/JBZ als verwijzingen naar deze richtlijn.

Artikel 13

Omzetting

1.  
De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk 3 december 2020 aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor de verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.  
De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 14

Verslaglegging

De Commissie dient uiterlijk 3 december 2022 een verslag in bij het Europees Parlement en de Raad waarin wordt beoordeeld in hoeverre de lidstaten de nodige maatregelen hebben genomen om aan deze richtlijn te voldoen.

Voorts dient de Commissie uiterlijk 3 december 2023 een verslag in bij het Europees Parlement en de Raad waarin een beoordeling wordt verricht van de toegevoegde waarde van deze richtlijn voor de bestrijding van het witwassen van geld alsmede van de gevolgen van deze richtlijn voor de fundamentele rechten en vrijheden. Indien nodig dient de Commissie op basis van dit verslag een wetgevingsvoorstel in tot wijziging van deze richtlijn. Daarbij houdt de Commissie rekening met de door de lidstaten verstrekte informatie.

Artikel 15

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 16

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.



( 1 ) Richtlijn (EU) 2017/541 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 inzake terrorismebestrijding en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad en tot wijziging van Besluit 2005/671/JBZ van de Raad (PB L 88 van 31.3.2017, blz. 6).

( 2 ) Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan, en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/629/JBZ van de Raad (PB L 101 van 15.4.2011, blz. 1).

( 3 ) Kaderbesluit 2002/946/JBZ van de Raad van 28 november 2002 tot versterking van het strafrechtelijk kader voor de bestrijding van hulpverlening bij illegale binnenkomst, illegale doortocht en illegaal verblijf (PB L 328 van 5.12.2002, blz. 1).

( 4 ) Richtlijn 2011/93/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, en ter vervanging van Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad (PB L 335 van 17.12.2011, blz. 1).

( 5 ) Kaderbesluit 2004/757/JBZ van de Raad van 25 oktober 2004 betreffende de vaststelling van minimumvoorschriften met betrekking tot de bestanddelen van strafbare feiten en met betrekking tot straffen op het gebied van de illegale drugshandel (PB L 335 van 11.11.2004, blz. 8).

( 6 ) Akte van de Raad van 26 mei 1997 tot opstelling op basis van artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie van de Overeenkomst ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn (PB C 195 van 25.6.1997, blz. 1).

( 7 ) Kaderbesluit 2003/568/JBZ van de Raad van 22 juli 2003 inzake de bestrijding van corruptie in de privésector (PB L 192 van 31.7.2003, blz. 54).

( 8 ) Kaderbesluit 2001/413/JBZ van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de bestrijding van fraude en vervalsing in verband met andere betaalmiddelen dan contanten (PB L 149 van 2.6.2001, blz. 1).

( 9 ) Richtlijn 2014/62/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de strafrechtelijke bescherming van de euro en andere munten tegen valsemunterij en ter vervanging van Kaderbesluit 2000/383/JBZ van de Raad (PB L 151 van 21.5.2014, blz. 1).

( 10 ) Richtlijn 2008/99/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht (PB L 328 van 6.12.2008, blz. 28).

( 11 ) Richtlijn 2009/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot wijziging van Richtlijn 2005/35/EG inzake verontreiniging vanaf schepen en invoering van sancties voor inbreuken (PB L 280 van 27.10.2009, blz. 52).

( 12 ) Richtlijn 2014/57/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende strafrechtelijke sancties voor marktmisbruik (richtlijn marktmisbruik) (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 179).

( 13 ) Richtlijn 2013/40/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 augustus 2013 over aanvallen op informatiesystemen en ter vervanging van Kaderbesluit 2005/222/JBZ van de Raad (PB L 218 van 14.8.2013, blz. 8).

Top